Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2025:11517

2025-06-05 Bestuursrecht; Omgevingsrecht AMS 24/862
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2025-06-05
Publicatiedatum
2026-08-03
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
AMS 24/862
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eiseres heeft een vergunning aangevraagd voor het aanbrengen van een kadewand als grondkerende constructie. Het college heeft deze aanvraag buiten behandeling gesteld. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is, omdat eiseres geen belanghebbende is bij haar aanvraag.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.584 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Bestuursrecht



zaaknummer: AMS 24/862


uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juni 2025 in de zaak tussen
Dutch Superyacht Tech Campus B.V., uit Amsterdam, eiseres
(gemachtigde: mr. C.G.J.M. Termaat),


en




het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder, hierna: het college
(gemachtigde: mr. M.O. Klaassen).



Als derde-belanghebbende neemt aan de zaak deel: Havenbedrijf Amsterdam N.V., te Amsterdam, hierna: het Havenbedrijf
(gemachtigden: mr. M.J.W. Timmer en mr. D.C.M. Vleeskens).




Procesverloop

1. Eiseres heeft een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van een kadewand als grondkerende constructie. Het college heeft deze aanvraag met een besluit van 17 augustus 2023 buiten behandeling gelaten. Met een besluit van 11 april 2024 (het bestreden besluit) heeft het college het door eiseres hiertegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

3. De rechtbank heeft het beroep op 19 mei 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde en [de persoon], [functie]. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Het Havenbedrijf heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden enmr. J.E. Panneman, bedrijfsjurist.



Totstandkoming van het besluit

4. Vanaf ongeveer de jaren vijftig van de vorige eeuw heeft de Amsterdamsche Droogdok-Maatschappij N.V. (ADM) met de gemeente Amsterdam gesproken over de koop van een deel van het Complex Westhaven in Amsterdam.
5. Op 19 mei 1958 is hiervoor een conceptovereenkomst opgesteld. Op 10 juni 1959 is een aangepaste conceptkoopovereenkomst opgesteld. In deze nieuwe overeenkomst is het terrein dat ADM wilde kopen aangeduid als ‘terrein I’. De twee naastgelegen terreinen zijn aangeduid als ‘terrein II’ en ‘terrein III’. Terrein II en III zouden niet bij ADM in eigendom komen.
6. Op 1 december 1959 is opnieuw een conceptovereenkomst opgesteld. In deze nieuwe overeenkomst is, naast het recht van ADM om delen van de terreinen II en III geheel of gedeeltelijk te vergraven, ook een recht van erfdienstbaarheid opgenomen. Dit recht van erfdienstbaarheid is opgenomen ten gunste van ADM, als koper van terrein I, en ten laste van terreinen II en III. De overdracht kon op 1 december 1959 nog niet plaatsvinden, omdat de gemeente op dat moment nog geen eigenaar was van het hele terrein I.
7. In 1966 heeft de gemeente het hele terrein I in eigendom gekregen. De koopovereenkomst kon daarom (met enkele wijzigingen door de jaren heen) worden gesloten.
8. In de akte van 26 februari 1970 (hierna: de akte van 1970) heeft de gemeente terrein I aan ADM geleverd. Bij deze akte is onderstaande tekening gevoegd. Op deze tekening staat in het midden terrein I (rood omlijnd), daarboven terrein II (bruin omlijnd) en rechts daarvan terrein III (geel omlijnd):

9. In 2013 heeft de gemeente de terreinen II en III in erfpacht uitgegeven aan het Havenbedrijf.

10. Met de akte van levering van 30 augustus 2021 is terrein I overgedragen aan [bedrijf] ([bedrijf]). [bedrijf] is enig aandeelhouder en bestuurder van eiseres, de aanvrager van de omgevingsvergunning. In onderdeel 5.2.1 van de leveringsakte zijn de bepalingen uit de akte van 1970 opgenomen. In de artikelen 5.4 en 5.5 van de leveringsakte staat dat [bedrijf] als koper de voormelde lasten en beperkingen uitdrukkelijk aanvaardt.
11. [bedrijf] wil het Complex Westhaven herontwikkelen tot een Superyacht Tech Campus, een scheepswerf met aanverwante voorzieningen, waaronder droogdokken en woonruimten.

12. Op 8 juni 2023 heeft eiseres een omgevingsvergunning aangevraagd voor het aanbrengen van een kadewand als grondkerende constructie. Eiseres wil de kadewand aanbrengen op de percelen met nummers 4499, 3902 en 4078. Het perceel met nummer 4499 ligt in terrein I. Het perceel met nummer 3902 ligt in terrein II en het perceel met perceelnummer 4078 ligt in terrein II en III.
13. Op 17 augustus 2023 heeft het college de aanvraag van eiseres buiten behandeling gelaten. Eiseres is geen eigenaar van de percelen 3902 en 4078. Daarnaast hebben de gemeente Amsterdam en het Havenbedrijf geen toestemming gegeven voor de werkzaamheden. Eiseres is daarom geen belanghebbende bij haar aanvraag, volgens het college. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

14. Op 18 januari 2024 heeft eiseres het college in gebreke gesteld omdat hij niet op tijd op haar bezwaar heeft beslist. Op 5 februari 2024 heeft eiseres om dezelfde reden beroep ingesteld.

15. Op 11 april 2024 heeft het college het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft haar beroep gehandhaafd.



Beoordeling door de rechtbank



Beroep niet tijdig beslissen



16. Het college heeft op 11 april 2024 alsnog op het bezwaar van eiseres beslist. Hieruit volgt dat eiseres geen procesbelang meer heeft bij haar beroep tegen het niet tijdig beslissen. Het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op bezwaar, is daarom niet-ontvankelijk. Op de zitting is gebleken dat eiseres ook niet meer beoogt dat de rechtbank de hoogte van een eventueel verbeurde dwangsom vaststelt.



Is eiseres belanghebbende bij haar aanvraag?



17. Uit rechtspraak volgt dat degene die verzoekt om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk in principe wordt verondersteld belanghebbende te zijn bij een beslissing op het door hem ingediende verzoek. Dit is anders als aannemelijk wordt gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. In dat geval is de aanvrager geen belanghebbende en is zijn verzoek om een vergunning geen aanvraag.

18. Eiseres is niet de eigenaar van het grootste deel van de grond/het water, waar de kadewand wordt beoogd. Het Havenbedrijf en de gemeente willen, als rechthebbenden op terrein II en III, geen toestemming verlenen voor de bouw van de kadewand. De bewijslast om aannemelijk te maken dat het bouwplan niettemin kan worden verwezenlijkt ligt bij eiseres. Op de zitting heeft eiseres onderkend dat zij aan die bewijslast niet kan voldoen en dat terecht is aangenomen dat zij geen belanghebbende is bij de aanvraag. Eiseres heeft naar voren gebracht dat zij op dit moment nog niet in staat is het standpunt van het college, dat aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt, onderbouwd te weerleggen. Om aan te tonen dat het college ten onrechte heeft geconcludeerd dat aannemelijk is dat eiseres het bouwplan niet kan verwezenlijken, heeft eiseres in het beroepschrift verwezen naar de erfdienstbaarheid die is opgenomen in de akte van 1970. Eiseres was van oordeel dat de werkzaamheden aan de kademuur onder deze erfdienstbaarheid vielen. De civiele rechter heeft in de uitspraak van 12 maart 2025 echter geoordeeld dat de akte van 1970 geen grondslag biedt voor de activiteiten die eiseres wil ontplooien. Eiseres heeft op de zitting toegelicht dat het zwaartepunt bij de civiele procedure ligt en zij haar kansen opnieuw moet benutten als er uitsluitsel is in de civiele procedure. Eiseres heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 12 maart 2025. Gelet op het voorgaande is niet langer in geschil dat aannemelijk is dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt.
19. In het licht van wat onder 18 is overwogen, komt de rechtbank niet toe aan beoordeling van de grond van eiseres, dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn geschonden en/of dat sprake is van misbruik van recht.

20. Het bovenstaande betekent dat het beroep tegen het bestreden besluit niet slaagt. Het beroep is daarom ongegrond.



Conclusie

21. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond.

22. Omdat de beslissing op bezwaar is genomen nadat eiseres beroep heeft ingesteld wegens niet-tijdig beslissen, bestaat er wel aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten die eiseres heeft gemaakt voor het instellen van het beroep niet-tijdig beslissen.

23. De kosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).



Beslissing


De rechtbank:




verklaart het beroep tegen het niet-tijdig beslissen niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;


veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.




Deze uitspraak is gedaan door mr. T.L. Fernig - Rocour, voorzitter, mr. R. Hirzalla enmr. C.J. van Niejenhuis - Baijens, leden, in aanwezigheid van mr.T.W. Steenhoff, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2025.









griffier


voorzitter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van
10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1509.


Als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.


ECLI:NL:RBAMS:2025:1492.