Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2024:8428

2024-12-18 Strafrecht 13/325035-22 (ontneming)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2024-12-18
Publicatiedatum
2025-01-13
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste aanleg - meervoudig
Zaaknummer
13/325035-22 (ontneming)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontneming na oplichting: betalingsverplichting van € 77.500,-. Vordering benadeelde partij niet in mindering op wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat het bedrag waartoe verdachte is veroordeeld (nog) niet is voldaan. Sprake van overschrijding van redelijke termijn, maar vanwege compensatie in strafzaak volstaat de rechtbank met enkele vaststelling inbreuk artikel 6, eerste lid, EVRM.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.132 tekens)
vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM


Afdeling Publiekrecht



Team Strafrecht



Parketnummer: 13/325035-22 (ontneming)



Datum uitspraak: 18 december 2024



Vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Amsterdam, op vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), in de zaak, behorende bij de strafzaak met parketnummer 13/325035-22, tegen:





[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedag] 1989 in [geboorteplaats] ,
Ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] .





1Onderzoek op de zitting
De rechtbank heeft beraadslaagd naar aanleiding van de vordering van de officier van justitie, mr. S. Sondermeijer, en van wat zij en [veroordeelde] en zijn raadsman, mr. V.A. van Biljouw, naar voren hebben gebracht tijdens het onderzoek op de zitting van 4 december 2024.




2Ontnemingsvordering
De vordering van de officier van justitie van 23 februari 2022 strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e Sr wordt geschat en het aan [veroordeelde] opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van dat geschatte voordeel tot een maximumbedrag van € 77.500,-.





3Grondslag van de vordering
De rechtbank maakt uit de stukken waarop de vordering berust en waarnaar de officier van justitie ter onderbouwing verwijst op dat die is gegrond op het feit waarvoor [veroordeelde] in de onderliggende strafzaak is veroordeeld. [veroordeelde] is bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2024 voor het volgende strafbare feit veroordeeld:


- medeplegen van oplichting





4Wederrechtelijk verkregen voordeel

4.1.

Standpunt van de officier van justitie



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat [veroordeelde] € 77.500,- aan wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten.




4.2.

Standpunt van de verdediging



De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat als de vordering van de benadeelde partij bij vonnis in de strafzaak is toegewezen, de vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden afgewezen.




4.3.


Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [veroordeelde] door middel van voornoemd strafbaar feit
voordeel verkregen dat de rechtbank schat op € 77.500,-. De rechtbank ontleent deze schatting aan de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen van het vonnis van 18 december 2024 in de onderliggende strafzaak zijn vervat en het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel van 19 januari 2020, zoals opgenomen in de bijlage bij dit vonnis.



De rechtbank zal de aan de benadeelde partij toegekende vordering, zoals bij vonnis van de strafzaak van 18 december 2024 is bepaald, niet in mindering brengen op het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, omdat het bedrag waartoe [veroordeelde] is veroordeeld (nog) niet is voldaan.



De omstandigheid dat [veroordeelde] bij oplegging van een ontnemingsmaatregel te maken zou krijgen met meerdere schuldeisers betekent nog niet dat hij in een rechtens te respecteren belang wordt getroffen.




[veroordeelde] kan, als hij de benadeelde partij en/of de Staat ten behoeve van die benadeelde partij (deels) heeft betaald, op grond van artikel 6:6:26 van het Wetboek van Strafvordering een onderbouwd verzoek doen tot het verminderen van het ontnemingsbedrag. (artikel 36e lid 9 van het Wetboek van Strafrecht en HR 29 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:124.)






5Verplichting tot betaling
De rechtbank bepaalt het te ontnemen bedrag op € 77.500,-.


De rechtbank heeft geconstateerd dat sprake is van een aanzienlijke schending van de redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). De rechtbank is echter van oordeel dat [veroordeelde] al voldoende is gecompenseerd door matiging van de in de strafzaak aan hem opgelegde straf wegens schending van de redelijke termijn. De rechtbank vindt daarin aanleiding in onderhavige ontnemingszaak te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, eerste lid, EVRM.





6Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e Sr.




7Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.


Stelt vast als wederrechtelijk verkregen voordeel een bedrag van € 77.500,- (zevenenzeventigduizend vijfhonderd euro).



Legt op aan [veroordeelde] de verplichting tot betaling van € 77.500,- (zevenenzeventigduizend vijfhonderd euro) aan de Staat.



Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste door de officier van justitie kan worden gevorderd op 1.080 (duizendtachtig) dagen.



Dit vonnis is gewezen door
mr. D. Bode, voorzitter,
mrs. E. van den Brink en M. Nieuwenhuijs, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. G. Brokkelkamp, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 december 2024.





[...]





5.2


[...]




5.2.1.



[...]


[...]





5.2.2



[...]