Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:7147
2023-11-10
Bestuursrecht
AMS 23/5934
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Afwijzing voorlopige voorziening. AKW. Financieel geschil. Geen sprake van onverwijlde spoed. Geen acute financiële noodsituatie.
Citeert (2)
- ECLI:NL:CRVB:2016:3286 Centrale Raad van Beroep 01-09-2016
- ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905 Centrale Raad van Beroep 15-07-2011
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.596 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5934
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Casablanca (Marokko), verzoeker,
(gemachtigde: mr. A.W.M. Mans),
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] .
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) van verzoeker met ingang van het eerste kwartaal van 2022 stopgezet.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat wordt vastgesteld dat verzoeker kinderbijslag krijgt vanaf het eerste kwartaal van 2022.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2023.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, kan van onverwijlde spoed alleen sprake zijn als een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan, zoals faillissement of een acute financiële noodsituatie. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente.
3. Volgens verzoeker is er sprake van onverwijlde spoed. De zoon van verzoeker heeft namelijk geen inkomen en hij is ook niet in staat om enig inkomen te verwerven, gelet op zijn medische situatie. Verzoeker stelt dat het bedrag aan kinderbijslag noodzakelijk is om de achterstallige zorgkosten te kunnen betalen en om in het levensonderhoud van zijn zoon te kunnen voorzien totdat er een Wajong-uitkering voor hem beschikbaar is. De zoon van verzoeker is al gedagvaard vanwege de achterstallige premies van de zorgverzekering. Verzoeker wil voorkomen dat zijn zoon met deurwaarders wordt geconfronteerd.
4. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker momenteel in een zodanig acute financiële noodsituatie verkeert dat een onomkeerbare situatie dreigt. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering, hij heeft onderdak bij zijn moeder en hij heeft zijn gestelde kosten niet aannemelijk gemaakt met stukken. Gelet hierop is er geen sprake van een spoedeisend belang. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.
5. Overigens wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van 1 september 2016 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin het volgende is overwogen. Kinderbijslag is een sociale verzekering die wordt uitgekeerd als tegemoetkoming in de kosten die ouders hebben bij het onderhoud van hun kinderen. Uit artikel 11 van de AKW volgt ook dat het recht op kinderbijslag toekomt aan de verzekerde ouder en niet aan het kind zelf. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen in een uitspraak van 15 juli 2011 is de kinderbijslag een belangrijke bron van inkomsten om de opvoeding en ontwikkeling van kinderen gestalte te geven, maar draagt deze niet het karakter van een laatste financieel vangnet zoals een uitkering ingevolge de Participatiewet. Dat wil zeggen dat de kinderbijslag niet bedoeld is voor de kosten waar het verzoek op ziet. Ook hierom zal het verzoek worden afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.
ECLI:NL:CRVB:2016:3286.
ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 23/5934
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 november 2023 in de zaak tussen
[verzoeker] , uit Casablanca (Marokko), verzoeker,
(gemachtigde: mr. A.W.M. Mans),
en
de raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder,
(gemachtigde: [gemachtigde] .
Procesverloop
Bij besluit van 16 oktober 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder de kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) van verzoeker met ingang van het eerste kwartaal van 2022 stopgezet.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat wordt vastgesteld dat verzoeker kinderbijslag krijgt vanaf het eerste kwartaal van 2022.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2023.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, kan van onverwijlde spoed alleen sprake zijn als een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan, zoals faillissement of een acute financiële noodsituatie. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente.
3. Volgens verzoeker is er sprake van onverwijlde spoed. De zoon van verzoeker heeft namelijk geen inkomen en hij is ook niet in staat om enig inkomen te verwerven, gelet op zijn medische situatie. Verzoeker stelt dat het bedrag aan kinderbijslag noodzakelijk is om de achterstallige zorgkosten te kunnen betalen en om in het levensonderhoud van zijn zoon te kunnen voorzien totdat er een Wajong-uitkering voor hem beschikbaar is. De zoon van verzoeker is al gedagvaard vanwege de achterstallige premies van de zorgverzekering. Verzoeker wil voorkomen dat zijn zoon met deurwaarders wordt geconfronteerd.
4. Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat verzoeker momenteel in een zodanig acute financiële noodsituatie verkeert dat een onomkeerbare situatie dreigt. Verzoeker ontvangt een WIA-uitkering, hij heeft onderdak bij zijn moeder en hij heeft zijn gestelde kosten niet aannemelijk gemaakt met stukken. Gelet hierop is er geen sprake van een spoedeisend belang. Het verzoek om een voorlopige voorziening zal daarom worden afgewezen.
5. Overigens wijst de voorzieningenrechter op de uitspraak van 1 september 2016 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) waarin het volgende is overwogen. Kinderbijslag is een sociale verzekering die wordt uitgekeerd als tegemoetkoming in de kosten die ouders hebben bij het onderhoud van hun kinderen. Uit artikel 11 van de AKW volgt ook dat het recht op kinderbijslag toekomt aan de verzekerde ouder en niet aan het kind zelf. Zoals de CRvB eerder heeft overwogen in een uitspraak van 15 juli 2011 is de kinderbijslag een belangrijke bron van inkomsten om de opvoeding en ontwikkeling van kinderen gestalte te geven, maar draagt deze niet het karakter van een laatste financieel vangnet zoals een uitkering ingevolge de Participatiewet. Dat wil zeggen dat de kinderbijslag niet bedoeld is voor de kosten waar het verzoek op ziet. Ook hierom zal het verzoek worden afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling of een vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Hirzalla, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van
mr. H.M. Dost, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 november 2023.
griffier voorzieningenrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staan geen rechtsmiddelen open.
ECLI:NL:CRVB:2016:3286.
ECLI:NL:CRVB:2011:BR1905.