Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2023:4402

2023-06-08 Strafrecht 13/751546-17
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2023-06-08
Publicatiedatum
2023-07-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/751546-17
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

EAB Polen, executie, overlevering toegestaan., geen gelijkstelling met een Nederlander

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (8.884 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER





Parketnummer: 13/751546-17




Datum uitspraak: 8 juni 2023







UITSPRAAK





op de vordering van 30 juni 2020 van de officier van justitie bij deze rechtbank tot het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 11 april 2017 door the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) (hierna: de uitvaardigende justitiële autoriteit) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon]

geboren in [geboorteplaats] (Polen) op [geboortedag] 1988,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:

[adres] ,



hierna ‘de opgeëiste persoon’.






1Procesgang



Zitting 3 september 2020




De behandeling van het EAB heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 september 2020, in aanwezigheid van mr. M. Diependaal, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. G. Engwegen, advocaat te Echt, en door een tolk in de Poolse taal. Het onderzoek is voor onbepaalde geschorst om de antwoorden van het Hof van Justitie van de Europese Unie af te wachten naar aanleiding van de door de rechtbank gestelde prejudiciële vragen over de Poolse rechtsstaatkwestie.




Zitting 25 mei 2023




De behandeling van het EAB is met toestemming, in gewijzigde samenstelling voortgezet op de zitting van 25 mei 2023, in aanwezigheid van mr. K. van der Schaft, officier van justitie. De opgeëiste persoon is verschenen en bijgestaan door zijn raadsman, mr. G. Engwegen, advocaat te Echt, en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank stelt vast dat in deze zaak de wettelijke termijn waarbinnen de rechtbank op basis van de OLW op het overleveringsverzoek moet beslissen, is verstreken. Dit ontslaat de rechtbank niet van haar verplichting om op het overleveringsverzoek te beslissen. Het betekent echter wel dat geen wettelijke grondslag meer bestaat voor gevangenhouding.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


Ter zitting heeft de opgeëiste persoon verklaard dat de bovenvermelde persoonsgegevens juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


Het EAB vermeldt een judgment of the Local Court in Łobez of 14 September 2012 (referentienummer: II K 456/12).



Het EAB vermeldt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij het proces dat tot de beslissing heeft geleid.



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van één jaar, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. De vrijheidsstraf is voorwaardelijk aan de opgeëiste persoon opgelegd bij het hiervoor genoemde vonnis. Op 31 mei 2016 heeft the Local Court in Bialogard VII Satellite Criminal Department in Swidwin de tenuitvoerlegging van deze straf bevolen, omdat de opgeëiste persoon niet aan de voorwaarden die hem waren opgelegd, had voldaan. Van deze straf resteren volgens het EAB nog elf maanden en vijf dagen.



Dit vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in het EAB.





4Feit waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist


De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft het feit niet aangeduid als een feit waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a 2°, OLW zijn neergelegd.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



Het feit levert naar Nederlands recht op:




overtreding van artikel 8, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994)


en


overtreding van artikel 9, eerste lid, WVW 1994.







5Weigeringsgrond als bedoeld in artikel 6a OLW


De raadsman heeft de rechtbank verzocht om de opgeëiste persoon gelijk te stellen met een Nederlander. Hij stelt dat de opgeëiste persoon in ieder geval reeds sinds mei 2018 in Nederland woont en werkt. Hij heeft weliswaar niet steeds ingeschreven gestaan in de Basisregistratie Personen, maar hij woonde hier wel en zijn inkomen uit arbeid was steeds voldoende. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft de raadsman op 22 mei 2023 diverse arbeidsovereenkomsten, huurovereenkomsten en financiële stukken overgelegd, waaronder jaaropgaven over de jaren 2018 tot en met 2022. Ten aanzien van het jaar 2023 zijn er salarisspecificaties van de opgeëiste persoon overgelegd ter onderbouwing van zijn inkomsten.



De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon niet voor gelijkstelling in aanmerking komt, nu zijn inkomen in 2019 en 2020 te laag was, en hij zich pas in 2020 op een vast adres heeft ingeschreven. Er is om die reden geen informatie opgevraagd bij de IND.




Oordeel van de rechtbank




Overlevering van een met een Nederlander gelijk te stellen vreemdeling kan op basis van artikel 6a, eerste en negende lid, OLW worden geweigerd als deze is gevraagd ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een hem bij onherroepelijk vonnis opgelegde vrijheidsstraf en de rechtbank van oordeel is dat de tenuitvoerlegging van die straf kan worden overgenomen.



Om in aanmerking te komen voor gelijkstelling met een Nederlander moet op grond van artikel 6a, negende lid, OLW zijn voldaan aan twee vereisten, te weten:

1. de opgeëiste persoon verblijft ten minste vijf jaren ononderbroken rechtmatig in Nederland als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e en l, Vreemdelingenwet 2000;
2. ten aanzien van de opgeëiste persoon bestaat de verwachting dat hij niet zijn recht van verblijf in Nederland verliest ten gevolge van de opgelegde straf of maatregel.


De rechtbank overweegt allereerst dat, nu de stukken eerst twee dagen voor de zitting zijn overgelegd, deze in beginsel te laat zijn aangeleverd. Los daarvan geldt dat zelfs als de rechtbank deze stukken zou betrekken bij het beroep op gelijkstelling, dit beroep bovendien niet kan slagen. Uit de stukken die zijn overgelegd blijkt wel dat de opgeëiste persoon een periode in Nederland heeft verbleven, maar dat hij ook vijf jaar ononderbroken rechtmatig in Nederland heeft verbleven, is daarmee niet aangetoond. Dat betekent dat op basis van de aangeleverde stukken niet kan worden vastgesteld dat aan de eerste voorwaarde voor gelijkstelling is voldaan. Het verweer wordt dan ook verworpen.





6Slotsom


De rechtbank stelt vast dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW. Verder staan geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg en is geen sprake van een geval waarin aan het EAB geen gevolg mag worden gegeven. Om die reden staat de rechtbank de overlevering toe.





7Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 8, 9 en 176 WVW 1994 en 2, 5 en 7 van de Overleveringswet.





8Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) voor het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB.



Deze uitspraak is gedaan door
mr. A.J. Scheijde, voorzitter,
mrs. A.K. Glerum en B.M. Vroom-Cramer, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.A. Potters, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op de zitting van 8 juni 2023.





































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.




Zie artikel 23 Overleveringswet.


Zie artikel 22 OLW.


De termijn van vrijheidsbeneming (en mogelijkheden tot verlenging daarvan) moeten in samenhang worden bezien met de wettelijke beslistermijn.


Zie onderdeel e) van het EAB.