Rechtbank Amsterdam
ECLI:NL:RBAMS:2023:321
2023-01-27
Bestuursrecht
AWB - 22 _ 2892
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wob verzoek ten onrechte buiten behandeling gesteld.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2022:1223 Raad van State 26-04-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (13.048 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2892
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C.M. Robbers).
Procesverloop
Met een besluit van 10 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Met een besluit van 2 mei 2022 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken.
Met een besluit van 4 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard.
Met een besluit van 24 mei 2022 heeft verweerder eisers verzoek buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft tegen het besluit van 24 mei 2022 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2022. Partijen zijn op de zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens waren namens verweerder aanwezig de heer [naam 1] en [naam 2].
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1.1.
Op 30 augustus 2019 heeft eiser op grond van de Wob een verzoek gedaan om openbaarmaking van documenten met betrekking tot correspondentie, rapporten, evaluaties, contacten, contracten (of vergelijkbare zaken) met Palantir Technologies Inc. (of vergelijkbare namen). In het verzoek staat dat daarbij kan worden gedacht aan onder meer opdrachten, keuringsrapporten, lijsten, databestanden en andere documenten.
1.2.
Met een besluit van 10 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de Wob als algemene openbaarmakingsregeling dient te wijken voor artikel 68 van de Grondwet als bijzondere openbaarmakingsregeling.
1.3.
Eiser heeft meermaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Bij uitspraken van deze rechtbank van 7 juli 2021 en
17 maart 2022 zijn die beroepen gegrond verklaard en is verweerder op straffe van een dwangsom opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraken een besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraken.
2.1.
Met een besluit van 2 mei 2022 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken. Bij besluit van 4 mei 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de proceskosten in bezwaar aan eiser vergoed.
2.2.
Met een brief van 4 mei 2022 heeft verweerder eiser verzocht hem binnen 14 dagen na ontvangst van die brief mee te delen of hij het informatieverzoek in de huidige omvang (alsnog) handhaaft. Ook heeft verweerder eiser verzocht hem mee te delen of eiser in de huidige omvang van dat verzoek een beperking aanbrengt tot een omvang die in alle redelijkheid en billijkheid bezien in overeenstemming is met het recht op toegang tot overheidsinformatie en waarbij wordt aangegeven op welke specifiek(e) document(en) en/of items/onderdelen dat verzoek (in het bijzonder) betrekking heeft.
2.3.
Met een brief van 16 mei 2022 heeft eiser gereageerd op verweerders brief van 4 mei 2022.
2.4.
Met besluiten van 14 juni 2022 en 9 september 2022 heeft verweerder aan eiser dwangsommen toegekend vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift.
3.1.
Met een besluit van 24 mei 2022 heeft verweerder eisers verzoek met toepassing van de Woo buiten behandeling gesteld omdat eiser volgens verweerder niet heeft meegewerkt aan de verzoeken in de brief van 4 mei 2022.
3.2.
Eiser is het met dit besluit niet eens en is in beroep gegaan bij de rechtbank.
Relevante regelgeving
4. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
Beoordeling door de rechtbank
5. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo)in werking getreden. De Wob is per die datum ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar.
6. Met een besluit van 4 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire
besluit gegrond verklaard, maar nagelaten inhoudelijk op dat bezwaar te beslissen. Met een
besluit van 24 mei 2022 heeft verweerder dat alsnog gedaan, door met toepassing van artikel
4.1, zesde lid, van de Woo, eisers verzoek om openbaarmaking van documenten buiten
behandeling te stellen. Gelet op de onverbrekelijke samenhang tussen deze besluiten is
de rechtbank van oordeel dat het besluit van 4 mei 2022 samen met het besluit
van 24 mei 2022 het in heroverweging genomen besluit op bezwaar (tezamen: het bestreden
besluit) vormt.
7. Het bestreden besluit is van latere datum dan 1 mei 2022 en moet dus met inachtneming
van de bepalingen van de Woo worden genomen. De beoordeling daarvan dient daarom,
anders dan verweerder betoogt, plaats te vinden met toepassing van de Woo.
8. Artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo bepaalt dat indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker verzoekt om het verzoek te preciseren en dat het de verzoeker daarbij behulpzaam is. Het zesde lid van dit artikel bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid.
9. Verweerder heeft het Wob-verzoek van eiser van 30 augustus 2019 op 3 september 2019 ontvangen. Bij brief van 4 mei 2022 heeft verweerder eiser verzocht om zijn verzoek te preciseren. Verweerder heeft eiser dus niet binnen twee weken, maar geruime tijd na ontvangst van het verzoek, verzocht zijn verzoek te preciseren. De rechtbank is van oordeel dat daarom van een verzoek tot precisering, als bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel, dan ook geen sprake is. Het betoog dat een verzoek om precisering niet eerder kon worden gedaan, omdat er een groot aantal verzoeken ligt en er tijd nodig was om naar aanleiding van dit verzoek een eerste grove zoekslag te doen, maakt niet dat verweerder niet gehouden is aan de in de wet opgenomen termijn van twee weken waarbinnen het verzoek om precisering moet worden gedaan. Gelet op de overschrijding van de termijn, was verweerder daarom niet bevoegd het verzoek van eiser op grond van het zesde lid, van artikel 4.1 van de Woo buiten behandeling te stellen.
10. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit
omdat het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 4.1, zesde lid, van de Woo. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschilbeslechting omdat verweerder niet inhoudelijk heeft beslist op de aanvraag. Het is aan verweerder om dit alsnog te doen. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn verzoek om zelf in de zaak te voorzien.
11. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat verweerder inhoudelijk zal moeten beslissen op eisers verzoek van 30 augustus 2019. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Dit stemt overeen met de wettelijke beslistermijn die geldt voor verzoeken om informatie. De beslissing kan op grond van de wet voor ten hoogste 2 weken worden verdaagd.
12. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder gemotiveerd verklaard dat, door onder meer de omvang van het verzoek en de samenkomst van overbelasting en onderbezetting, niet voortvarend op het verzoek kan worden beslist. De rechtbank heeft begrip voor de door verweerder verklaarde onmogelijkheid om binnen de wettelijke termijn van vier weken op het verzoek te beslissen. De rechtbank kan echter niet van de in de wet opgenomen dwingendrechtelijke beslistermijn afwijken.
13. Wellicht ten overvloede, overweegt de rechtbank nog het volgende. Het Wob-verzoek van eiser is zeer omvangrijk. Verweerder en eiser kunnen op grond van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht nadere afspraken maken over de behandeling van het verzoek, waarbij de wettelijke beslistermijn wordt opgeschort. Het ligt op de weg van verweerder om, binnen de wettelijke beslistermijn, het initiatief tot dergelijke afspraken te nemen. Op de zitting is de mogelijkheid van precisering en gefaseerde afdoening van het verzoek aan de orde gekomen. Het is in het belang van beide partijen om over de omvang en over de behandeling van het verzoek tot nadere afspraken te komen.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,-, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Bijlage: Juridisch kader
Wet open overheid
Artikel 4.1
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
2 (…).
(…)
5 Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
6 Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
(…).
Artikel 4.4
1. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
AWB 21/2829.
AMS 21/6276 en AMS 21/6277.
Wet open overheid.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
Zie artikel 4.4, eerste lid, van de Woo.
Zie artikel 4.4, tweede lid, van de Woo.
Bestuursrecht
zaaknummer: AMS 22/2892
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 januari 2023 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. H. van Drunen),
en
de korpschef van politie, verweerder
(gemachtigde: mr. J.C.M. Robbers).
Procesverloop
Met een besluit van 10 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) afgewezen.
Met een besluit van 2 mei 2022 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken.
Met een besluit van 4 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard.
Met een besluit van 24 mei 2022 heeft verweerder eisers verzoek buiten behandeling gesteld.
Eiser heeft tegen het besluit van 24 mei 2022 beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2022. Partijen zijn op de zitting vertegenwoordigd door hun gemachtigden. Tevens waren namens verweerder aanwezig de heer [naam 1] en [naam 2].
Overwegingen
Wat aan deze procedure voorafging
1.1.
Op 30 augustus 2019 heeft eiser op grond van de Wob een verzoek gedaan om openbaarmaking van documenten met betrekking tot correspondentie, rapporten, evaluaties, contacten, contracten (of vergelijkbare zaken) met Palantir Technologies Inc. (of vergelijkbare namen). In het verzoek staat dat daarbij kan worden gedacht aan onder meer opdrachten, keuringsrapporten, lijsten, databestanden en andere documenten.
1.2.
Met een besluit van 10 oktober 2019 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat de Wob als algemene openbaarmakingsregeling dient te wijken voor artikel 68 van de Grondwet als bijzondere openbaarmakingsregeling.
1.3.
Eiser heeft meermaals beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift. Bij uitspraken van deze rechtbank van 7 juli 2021 en
17 maart 2022 zijn die beroepen gegrond verklaard en is verweerder op straffe van een dwangsom opgedragen om binnen twee weken na de dag van verzending van die uitspraken een besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van die uitspraken.
2.1.
Met een besluit van 2 mei 2022 heeft verweerder het primaire besluit ingetrokken. Bij besluit van 4 mei 2020 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit gegrond verklaard en de proceskosten in bezwaar aan eiser vergoed.
2.2.
Met een brief van 4 mei 2022 heeft verweerder eiser verzocht hem binnen 14 dagen na ontvangst van die brief mee te delen of hij het informatieverzoek in de huidige omvang (alsnog) handhaaft. Ook heeft verweerder eiser verzocht hem mee te delen of eiser in de huidige omvang van dat verzoek een beperking aanbrengt tot een omvang die in alle redelijkheid en billijkheid bezien in overeenstemming is met het recht op toegang tot overheidsinformatie en waarbij wordt aangegeven op welke specifiek(e) document(en) en/of items/onderdelen dat verzoek (in het bijzonder) betrekking heeft.
2.3.
Met een brief van 16 mei 2022 heeft eiser gereageerd op verweerders brief van 4 mei 2022.
2.4.
Met besluiten van 14 juni 2022 en 9 september 2022 heeft verweerder aan eiser dwangsommen toegekend vanwege het niet tijdig nemen van een besluit op zijn bezwaarschrift.
3.1.
Met een besluit van 24 mei 2022 heeft verweerder eisers verzoek met toepassing van de Woo buiten behandeling gesteld omdat eiser volgens verweerder niet heeft meegewerkt aan de verzoeken in de brief van 4 mei 2022.
3.2.
Eiser is het met dit besluit niet eens en is in beroep gegaan bij de rechtbank.
Relevante regelgeving
4. Voor het juridisch kader verwijst de rechtbank naar de bijlage die aan deze uitspraak is gehecht.
Beoordeling door de rechtbank
5. Op 1 mei 2022 is de Wet open overheid (hierna: Woo)in werking getreden. De Wob is per die datum ingetrokken. Er is niet voorzien in overgangsrecht. Dat betekent dat de Woo onmiddellijke werking heeft en dat met ingang van 1 mei 2022 besluiten op vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken met inachtneming van de bepalingen van de Woo moeten worden genomen. Dat geldt in principe ook voor besluiten op bezwaar.
6. Met een besluit van 4 mei 2022 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire
besluit gegrond verklaard, maar nagelaten inhoudelijk op dat bezwaar te beslissen. Met een
besluit van 24 mei 2022 heeft verweerder dat alsnog gedaan, door met toepassing van artikel
4.1, zesde lid, van de Woo, eisers verzoek om openbaarmaking van documenten buiten
behandeling te stellen. Gelet op de onverbrekelijke samenhang tussen deze besluiten is
de rechtbank van oordeel dat het besluit van 4 mei 2022 samen met het besluit
van 24 mei 2022 het in heroverweging genomen besluit op bezwaar (tezamen: het bestreden
besluit) vormt.
7. Het bestreden besluit is van latere datum dan 1 mei 2022 en moet dus met inachtneming
van de bepalingen van de Woo worden genomen. De beoordeling daarvan dient daarom,
anders dan verweerder betoogt, plaats te vinden met toepassing van de Woo.
8. Artikel 4.1, vijfde lid, van de Woo bepaalt dat indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker verzoekt om het verzoek te preciseren en dat het de verzoeker daarbij behulpzaam is. Het zesde lid van dit artikel bepaalt onder meer dat het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid.
9. Verweerder heeft het Wob-verzoek van eiser van 30 augustus 2019 op 3 september 2019 ontvangen. Bij brief van 4 mei 2022 heeft verweerder eiser verzocht om zijn verzoek te preciseren. Verweerder heeft eiser dus niet binnen twee weken, maar geruime tijd na ontvangst van het verzoek, verzocht zijn verzoek te preciseren. De rechtbank is van oordeel dat daarom van een verzoek tot precisering, als bedoeld in het vijfde lid van genoemd artikel, dan ook geen sprake is. Het betoog dat een verzoek om precisering niet eerder kon worden gedaan, omdat er een groot aantal verzoeken ligt en er tijd nodig was om naar aanleiding van dit verzoek een eerste grove zoekslag te doen, maakt niet dat verweerder niet gehouden is aan de in de wet opgenomen termijn van twee weken waarbinnen het verzoek om precisering moet worden gedaan. Gelet op de overschrijding van de termijn, was verweerder daarom niet bevoegd het verzoek van eiser op grond van het zesde lid, van artikel 4.1 van de Woo buiten behandeling te stellen.
10. Het beroep is reeds daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit
omdat het is genomen in strijd met het bepaalde in artikel 4.1, zesde lid, van de Woo. De rechtbank ziet geen aanleiding voor finale geschilbeslechting omdat verweerder niet inhoudelijk heeft beslist op de aanvraag. Het is aan verweerder om dit alsnog te doen. De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn verzoek om zelf in de zaak te voorzien.
11. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Dat betekent dat verweerder inhoudelijk zal moeten beslissen op eisers verzoek van 30 augustus 2019. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van vier weken. Dit stemt overeen met de wettelijke beslistermijn die geldt voor verzoeken om informatie. De beslissing kan op grond van de wet voor ten hoogste 2 weken worden verdaagd.
12. Op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder gemotiveerd verklaard dat, door onder meer de omvang van het verzoek en de samenkomst van overbelasting en onderbezetting, niet voortvarend op het verzoek kan worden beslist. De rechtbank heeft begrip voor de door verweerder verklaarde onmogelijkheid om binnen de wettelijke termijn van vier weken op het verzoek te beslissen. De rechtbank kan echter niet van de in de wet opgenomen dwingendrechtelijke beslistermijn afwijken.
13. Wellicht ten overvloede, overweegt de rechtbank nog het volgende. Het Wob-verzoek van eiser is zeer omvangrijk. Verweerder en eiser kunnen op grond van artikel 4:15, tweede lid, onderdeel a, van de Algemene wet bestuursrecht nadere afspraken maken over de behandeling van het verzoek, waarbij de wettelijke beslistermijn wordt opgeschort. Het ligt op de weg van verweerder om, binnen de wettelijke beslistermijn, het initiatief tot dergelijke afspraken te nemen. Op de zitting is de mogelijkheid van precisering en gefaseerde afdoening van het verzoek aan de orde gekomen. Het is in het belang van beide partijen om over de omvang en over de behandeling van het verzoek tot nadere afspraken te komen.
14. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.
15. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.674,-, (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 837,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt verweerder op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 184,- aan eiser te vergoeden;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
€ 1.674,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.P. Lauwaars, rechter, in aanwezigheid van mr. E.M. de Buur, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2023.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Bijlage: Juridisch kader
Wet open overheid
Artikel 4.1
1. Eenieder kan een verzoek om publieke informatie richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf. In het laatste geval beslist het verantwoordelijke bestuursorgaan op het verzoek.
2 (…).
(…)
5 Indien een verzoek te algemeen geformuleerd is, verzoekt het bestuursorgaan binnen twee weken na ontvangst van het verzoek de verzoeker om het verzoek te preciseren en is het de verzoeker daarbij behulpzaam.
6 Het bestuursorgaan kan besluiten een verzoek niet te behandelen, indien de verzoeker niet meewerkt aan een verzoek tot precisering als bedoeld het vijfde lid. In afwijking van artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het besluit om het verzoek niet te behandelen aan de verzoeker bekendgemaakt binnen twee weken nadat het verzoek is gepreciseerd of nadat de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.
(…).
Artikel 4.4
1. Het bestuursorgaan beslist op het verzoek om informatie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen.
AWB 21/2829.
AMS 21/6276 en AMS 21/6277.
Wet open overheid.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 26 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1223.
Zie artikel 4.4, eerste lid, van de Woo.
Zie artikel 4.4, tweede lid, van de Woo.