Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2019:7910

2019-10-29 Civiel recht C/13/672724 / FA RK 19-5839
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2019-10-29
Publicatiedatum
2019-10-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
C/13/672724 / FA RK 19-5839
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

provicionele vordering n.o., zorgregeling in bodem gewijzigd

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.929 tekens)
Beschikking




RECHTBANK AMSTERDAM




Afdeling privaatrecht



zaaknummers / rekestnummers: C/13/672724 / FA RK 19-5839, C/13/672727 / FA RK 19-5840



Beschikking van 29 oktober 2019



in de zaak van:




[de vader] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de vader,
advocaat mr. D.J.I. Kroezen te Amsterdam,



tegen




[de moeder] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen de moeder,
advocaat mr. K.E. van Hoeve te Sneek.






1De procedure


1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
het verzoek van de vader, ingekomen op 2 september 2019;
het verweerschrift van 8 oktober 2019 van de moeder.




1.2.

De zaak is ter zitting met gesloten deuren van 15 oktober 2019 gevoegd behandeld met de zaak onder nummer C/13/672727 / FA RK 19-5840. Gehoord zijn partijen bijgestaan door hun advocaten. De man is daarnaast bijgestaan door een tolk Spaans, H. Manneke.
De minderjarige dochter van partijen is op 14 oktober 2019 apart door de kinderrechter gehoord.






2Feiten


2.1.

Partijen zijn met elkaar gehuwd te Tegucigalpa, Honduras, op 7 november 2007. Uit het huwelijk is geboren:

[minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2008.




2.2.
Het huwelijk van partijen is op 4 september 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 4 september 2013 van deze rechtbank in de registers van de burgerlijke stand. Het echtscheidingsconvenant van 8 juli 2013 en het ouderschapsplan van 28 februari 2013 van partijen zijn aan de echtscheidingsbeschikking gehecht en maken deel uit van deze beschikking.



2.3.

In het ouderschapsplan zijn partijen omtrent de zorgregeling het volgende overeengekomen:
Artikel 3. Verzorging en opvoeding
Artikel 3.1 Omgangsregeling



De ouders zijn de volgende omgangsregeling overeengekomen:

[minderjarige] zal in het kader van de omgangsregeling in de oneven weken van vrijdag 18:30 uur tot zondag 18:30 uur bij de man verblijven. Hij zal [minderjarige] vrijdagavond bij de vrouw ophalen en haar zondagavond weer terugbrengen.
Met betrekking tot de vakantieregeling wordt verwezen naar het schema dat aan dit ouderschapsplan is gehecht. De zomervakantie wordt in beginsel in twee perioden van drie weken aaneengesloten verdeeld. Elk der ouders is verantwoordelijk voor de opvang van [minderjarige] in zijn of haar periode. Voor [minderjarige] zal vooralsnog drie weken in de zomervakantie gebruik gemaakt worden van de kinderopvang waarvan anderhalve week in de periode van vader en anderhalve week in de periode van moeder. Als vader in zijn periode niet in staat is om [minderjarige] naar de opvang te brengen en te halen zal [minderjarige] bij moeder overnachten. De vakanties beginnen in beginsel op maandagochtend en eindigen op vrijdagavond.
Bij hoge uitzondering kan van bovengenoemde regelingen, uitsluitend na overleg tussen de vrouw en de man en indien beide partijen akkoord zijn, van worden afgeweken.






3Verzoek


3.1.

De vader verzoekt te bepalen dat de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling wordt gewijzigd naar co-ouderschap waarbij [minderjarige] 50% van de tijd bij beide ouders zal zijn, te weten in de oneven weken bij de vader en in de even weken bij de moeder zal verblijven en dat de ouder bij wie [minderjarige] het weekend verblijft haar op maandagochtend naar school brengt, waarna de overgang van huishouden vanuit school plaatsvindt, dan wel een verdeling van zorgtaken en -dagen te bepalen, passend bij de leeftijdsontwikkeling van [minderjarige] en conform haar recht op een gelijkwaardige opvoeding en verzorging door haar beide ouders, die door uw rechtbank in goede Justitie en in het belang van [minderjarige] wordt geacht;
en als provisionele voorziening ingevolge artikel 223 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor de duur van de bodemprocedure:

- voorlopig te bepalen dat de zorgregeling wordt opgebouwd naar een co-ouderschap waarbij [minderjarige] voor 1 januari 2020 50 % van de tijd bij beide ouders zal zijn, te weten in de oneven weken bij vader en in de even weken bij de moeder, zal verblijven en voorlopig te bepalen dat de ouder bij wie [minderjarige] het weekend verblijft haar op maandagochtend naar school brengt, waarna de overgang van huishouden vanuit school plaatsvindt, dan wel voorlopig een verdeling van zorgtaken en -dagen te bepalen, passend bij de leeftijdsontwikkeling van [minderjarige] en conform haar recht op een gelijkwaardige opvoeding en verzorging door haar beide ouders, die door uw rechtbank in goede justitie en in het belang van [minderjarige] wordt geacht;
- partijen door te verwijzen naar het Ouder Kind Team voor de intake en het perspectievenplan om zo spoedig mogelijk bij Altra het traject Ouderschap Blijft in te gaan en beide partijen te gelasten daaraan op het eerste verzoek actief hun medewerking te verlenen.



3.2.
De vader legt aan de verzoeken ten grondslag dat [minderjarige] extra hulp en stimulans nodig heeft voor het schoolproject “A Day a Weekschool” en dat hij haar beter (dan de moeder) kan helpen met wiskunde. Daarnaast heeft hij van de BSO vernomen dat [minderjarige] signalen van psychische stress vertoont. [minderjarige] huilt ook regelmatig als vader over moeder praat. De vader meent dat [minderjarige] recht heeft op een gelijkwaardige verzorging door beide ouders.



3.3.
De moeder heeft zich verweerd tegen het verzoek. Zij is van mening dat de vader niet ontvankelijk is in zijn verzoek, nu er geen sprake is van specifieke zwaarwegende omstandigheden. Volgens de leerkracht is het niet nodig dat [minderjarige] extra hulp krijgt met huiswerk. Zo nodig kan de moeder haar, beter dan vader, helpen met het huiswerk, omdat moeder de Nederlandse taal beter beheerst dan vader. [minderjarige] heeft geen psychische problemen. De BSO omschrijft haar als een vrolijk en ontspannen kind. [minderjarige] heeft er wel moeite mee dat de opvoeding bij de ouders erg verschilt en dat de vader zich afkeurend uitlaat over de opvoeding van de moeder. Door co-ouderschap zou dit nog sterker merkbaar zijn voor haar. Wijziging van de zorgregeling is op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . Zij zit nu in groep 8 en heeft een spannend jaar voor de boeg met de Cito-toets en schooladviezen. Verder heeft de vader een kleine woning en verhuurt hij soms kamers. [minderjarige] moet dan haar slaapkamer delen of bij de vader in bed slapen. Ook hierom is het niet wenselijk dat de zorgregeling wordt uitgebreid. Bovendien is sprake van een matige communicatie tussen de ouders. De vader houdt zich niet aan de afspraken, waaronder die in het ouderschapsplan, probeert deze steeds te wijzigen en er is gedoe over geldzaken. Moeder informeert vader iedere maand, terwijl de vader de moeder nooit informeert. Hij communiceert via [minderjarige] . De ouders hebben zich aangemeld bij het OKT en hebben op 11 oktober 2019 daar een gesprek.





4Overwegingen


4.1.

Provisionele vordering



4.1.1.

Ingevolge artikel 223 lid 1 Rv kan iedere partij tijdens een aanhangig geding vorderen dat de rechter voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding. Ingevolge het tweede lid moet deze vordering samenhangen met de hoofdvordering.
In een verzoekschriftprocedure kan een voorlopige voorziening naar analogie van artikel 223 Rv worden verzocht (Hoge Raad d.d. 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3533).



4.1.2.
De vader heeft gelijktijdig met het onderhavige verzoek tot het treffen van een provisionele voorziening een verzoek ingediend op grond van artikel 253a BW, waarbij wordt verzocht de in het ouderschapsplan overeengekomen zorgregeling te wijzigen. Dit verzoek staat bij de rechtbank geregistreerd onder zaaknummer C/13/672727 / FA RK 19-5840. De mondelinge behandeling van dit verzoek wordt gevoegd behandeld met de provisionele vordering.



4.1.3.
De rechtbank dient eerst te onderzoeken of bij de toewijzing van het verzoek een voldoende spoedeisend belang bestaat. Van een voldoende belang bij toewijzing van een dergelijk verzoek is sprake indien van de verzoekende partij niet kan worden gevergd dat hij de afloop van de bodemprocedure afwacht. De rechtbank dient daarbij de belangen van alle betrokkenen af te wegen tegen de achtergrond van de te verwachten resterende duur van de hoofdzaak en van de proceskansen daarin.



4.1.4.
De vader stelt dat hij een spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorziening. Hij voert daartoe aan dat de moeder ondanks herhaalde verzoeken van zijn kant niet bereid is tot aanpassing van de afspraken in het ouderschapsplan. De vader heeft Ouderschap Blijft voorgesteld, maar de moeder wil daar slechts aan meewerken voor wat betreft de communicatie en niet voor wat betreft uitbreiding van de zorgregeling. De vader stelt dat daarom bij wijze van ordemaatregel eerst de zorgregeling moet wordt uitgebreid en dat partijen vervolgens worden doorverwezen naar het uniform hulpaanbod van Altra om te werken aan de communicatie. Op deze wijze heeft de vader een betere uitgangspositie in de gesprekken.



4.1.5.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen door de vader is gesteld geen spoedeisend belang oplevert. Het is niet zo dat de vader [minderjarige] lange tijd niet heeft gezien. Hij heeft een vrij normale zorgregeling en uitbreiding daarvan, hoezeer hij dit ook wenst, is daarom geen spoedeisende kwestie. Het hebben van een betere uitgangspositie in te voeren gesprekken levert evenmin een spoedeisend belang op. De rechtbank stelt vast dat niet aan het vereiste genoemd in het tweede lid van artikel 223 Rv is voldaan, zodat de vader in zoverre niet ontvankelijk is in zijn verzoek.




4.2.

De bodemprocedure



4.2.1.
Partijen hebben beide aangegeven dat de in het ouderschapsplan afgesproken zorgregeling sinds de zomer van 2017 is uitgebreid met de vrijdagmiddag in de even weken.



4.2.2.

Met betrekking tot de door de vader verzochte verdere uitbreiding van de zorgregeling overweegt de rechtbank als volgt. De rechtbank kan de moeder volgen in haar standpunt dat het op dit moment, met een voor [minderjarige] spannend schooljaar voor de boeg, niet wenselijk is dat er grote wijzigingen worden doorgevoerd in de zorgregeling, zoals een week-op-week-af regeling. Voor wat betreft het bezwaar van de moeder betreffende zijn huisvesting heeft de vader ter zitting meegedeeld dat zijn woning niet langer wordt verhuurd en dat [minderjarige] haar eigen kamer heeft in zijn huis. De moeder heeft ter zitting aangegeven dit te betwijfelen, maar heeft haar stelling dat het verblijf bij de vader (te) onrustig zou zijn voor [minderjarige] niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet hierin dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat een langer verblijf van [minderjarige] bij haar vader strijdig zou zijn met haar belang.
De rechtbank is met de moeder eens dat co-ouderschap meer afstemming betekent tussen de ouders en dus meer eisen stelt aan de onderlinge communicatie. De stelling van de moeder dat iedere uitbreiding van de zorgregeling onwenselijk is vanwege een toename van irritatie bij de moeder, zodat [minderjarige] daar (meer) last van zou ondervinden acht de rechtbank echter geen juiste benadering van dat probleem. Als sprake is van irritatie tussen de ouders dan dienen zij hun onderlinge communicatie te verbeteren om die irritaties te voorkomen en overigens dienen ouders hun kind niet te belasten met hun onderlinge ergernissen en geschillen. Zowel de vader als de moeder vangt signalen op dat [minderjarige] daarvan last heeft. Het is daarom goed dat zij inmiddels in gesprek zijn bij het OKT en dat zij bereid zijn tot een traject bij Ouderschap Blijft (in ieder geval) aangaande de communicatie.
Gelet op het voorgaande en op het belang van [minderjarige] om ook met haar vader voldoende contact te hebben, ziet de rechtbank aanleiding de zorgregeling uit te breiden met een extra overnachting van zondag op maandag in het weekend dat [minderjarige] bij de vader is, zodat zij vanuit de vader naar school kan gaan. De rechtbank acht het van belang dat de ouders in de gesprekken met het OKT en eventueel Ouderschap Blijft werken aan hun communicatie.




4.2.2.
Nu partijen zich reeds tot het OKT hebben gewend behoeft het verzoek om doorverwijzing naar het OKT of het uniform hulpaanbod niet langer een beoordeling van de rechtbank. Dit verzoek zal worden afgewezen.






5De beslissing


De rechtbank:

in provisionele voorziening


- verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
in de bodemprocedure
- wijzigt de in de beschikking 4 september 2013 en het aangehechte ouderschapsplan opgenomen zorgregeling als volgt:

- [minderjarige] zal in de oneven weken van vrijdag 18:30 uur tot maandag naar school bij de vader verblijven, waarbij de vader [minderjarige] vrijdagavond bij de moeder zal ophalen en haar maandag naar school brengt.
- In de even weken zal [minderjarige] de vrijdagmiddag bij de vader verblijven;


- verklaart deze uitspraak tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het anders of meer verzochte.


Deze beschikking is gegeven door mr. J.H.J. Evers, rechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. I.H.H. Krajenbrink, griffier, op 29 oktober 2019.



Voor zover tegen de beschikking hoger beroep openstaat kan dit via een advocaat worden ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam (IJdok 20 / Postbus 1312, 1000 BH).Het beroep moet worden ingesteld:- door de verzoeker en degene aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;- door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.