Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2018:8945

2018-11-01 Strafrecht; Internationaal strafrecht 13/752100-17
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2018-11-01
Publicatiedatum
2018-12-12
Rechtsgebied
Strafrecht; Internationaal strafrecht
Procedure
Eerste en enige aanleg
Zaaknummer
13/752100-17
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

EAB Polen - gelijkstellingsstukken onoverzichtelijk en te laat ingediend.

Citeert (1)

Geciteerd door (8)

Volledige tekst

Volledige tekst (8.009 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM
INTERNATIONALE RECHTSHULPKAMER


Parketnummer: 13/752100-17
RK nummer: 18/4409




Datum uitspraak: 1 november 2018






UITSPRAAK




op de vordering ex artikel 23 van de Overleveringswet (OLW), ingediend door de officier van justitie bij deze rechtbank. Deze vordering dateert van 4 juli 2018 en betreft onder meer het in behandeling nemen van een Europees aanhoudingsbevel (EAB).
Dit EAB is uitgevaardigd op 26 september 2017 door the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) en strekt tot de aanhouding en overlevering van:




[opgeëiste persoon],

geboren te [opgeëiste persoon] (Polen) op [geboortedag] 1985,
ingeschreven in de Basisregistratie personen en verblijvend op het adres

[adres],



hierna te noemen de opgeëiste persoon.





1Procesgang


De vordering is behandeld op de openbare zitting van 18 oktober 2018. Het verhoor heeft plaatsgevonden in tegenwoordigheid van de officier van justitie mr. M. Diependaal.
De opgeëiste persoon heeft zich doen bijstaan door zijn raadsvrouw, mr. L. Windhorst, advocaat te Den Haag en door een tolk in de Poolse taal.



De rechtbank heeft de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, eerste lid, OLW uitspraak moet doen met dertig dagen verlengd en heeft vervolgens de termijn waarbinnen zij op grond van artikel 22, derde lid, OLW uitspraak moet doen voor onbepaalde tijd verlengd omdat zij die verlengingen nodig heeft om over de verzochte overlevering te beslissen.





2Identiteit van de opgeëiste persoon


De rechtbank heeft de identiteit van de opgeëiste persoon onderzocht. De opgeëiste persoon heeft ter zitting verklaard dat de bovenvermelde personalia juist zijn en dat hij de Poolse nationaliteit heeft.





3Grondslag en inhoud van het EAB


In het EAB wordt melding gemaakt van een vonnis (judgment), gewezen door the Local Court in Białogard VII Satellite Criminal Department in Świdwin en gedateerd 16 maart 2015, referentienummer: VII K 354/14.



Bij dit vonnis is de opgeëiste persoon veroordeeld tot een voorwaardelijke vrijheidsstraf van 8 maanden. Bij beslissing van the Local Court in Białogard VII Satellite Criminal Department in Świdwin van 5 april 2016 is deze straf ten uitvoer gelegd.



De overlevering wordt verzocht ten behoeve van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf voor de duur van 8 maanden, door de opgeëiste persoon te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat. Van deze straf resteren volgens het EAB nog 7 maanden en 14 dagen.



Het vonnis betreft het feit zoals dat is omschreven in onderdeel e) van het EAB. Een door de griffier gewaarmerkte fotokopie van dit onderdeel is als bijlage aan deze uitspraak gehecht.



Uit het EAB blijkt dat de opgeëiste persoon in persoon is verschenen bij de behandeling ter terechtzitting die tot dit vonnis heeft geleid.





4Strafbaarheid



Feiten waarvoor dubbele strafbaarheid is vereist




De uitvaardigende justitiële autoriteit heeft de feiten niet aangeduid als feiten waarvoor het vereiste van toetsing van dubbele strafbaarheid niet geldt. Overlevering kan in dat geval alleen worden toegestaan, indien voldaan wordt aan de kaderbesluitconform uitgelegde eisen die in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, OLW juncto artikel 7, eerste lid, onder a, 2e OLW zijn neergelegd.



De rechtbank stelt vast dat hieraan is voldaan.



De feiten leveren naar Nederlands recht op:



opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod;



opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, aanhef en onder C van de Opiumwet gegeven verbod.





5Artikel 6, vijfde lid, OLW, gelijkstelling met een Nederlander


De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de opgeëiste persoon in aanmerking komt voor gelijkstelling met een Nederlander op grond van artikel 6, vijfde lid, OLW. De raadsvrouw heeft daartoe aangevoerd dat de opgeëiste persoon tien jaar ononderbroken zijn hoofdverblijf in Nederland heeft gehad en dat zijn leven zich in Nederland afspeelt.



De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de opgeëiste persoon niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de eis van een ononderbroken rechtmatig verblijf gedurende vijf jaar.



De rechtbank verwijst allereerst naar haar uitspraak van 17 september 2013 (ECLI:NL:RBAMS:2013:5992) waarin zij onder meer heeft geoordeeld dat:




stukken die ter onderbouwing dienen van het gestelde ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland voorafgaand aan de zitting moeten worden overgelegd;


het tijdig en gedocumenteerd aantonen van de ononderbroken duur en de rechtmatigheid van het verblijf van de opgeëiste persoon, de verantwoordelijkheid van de verdediging is en


de rechtbank er zeer veel waarde aan hecht dat de stukken overzichtelijk geordend en op chronologische volgorde worden overgelegd.




De rechtbank stelt vast dat op de middag voor de zitting de raadsvrouw een groot aantal stukken aan de rechtbank heeft gemaild. Deze stukken waren niet overzichtelijk geordend en bevonden zich niet in chronologische volgorde. Bij die stukken bevond zich ook geen toelichting, noch enige conclusie. De raadsvrouw kon ter zitting slechts een kleine selectie van die stukken op papier overleggen en kon desgevraagd geen toelichting op of onderbouwde conclusie van die stukken geven. Nu op de zitting daarom niet is gebleken dat de opgeëiste persoon voldoet aan de eis van een ononderbroken rechtmatig verblijf van vijf jaar verenigt de rechtbank zich met het standpunt van de officier van justitie en verwerpt het verweer. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de overleveringsdetentie van de opgeëiste persoon op 4 juli 2018 is geschorst en dat de officier van justitie op de zitting heeft gemeld dat de opgeëiste persoon er al op 24 juli 2018 op is gewezen dat indien hij een beroep op gelijkstelling wilde doen, hij de stukken ruim voor de zitting en geordend diende aan te leveren.





6Slotsom


Nu is vastgesteld dat het EAB voldoet aan de eisen van artikel 2 OLW en ook overigens geen weigeringsgronden aan de overlevering in de weg staan, dient de overlevering te worden toegestaan.





7Toepasselijke wetsbepalingen


De artikelen 2, 3, 10 en 11 Opiumwet en 2, 5 en 7 OLW.





8Beslissing



STAAT TOE de overlevering van [opgeëiste persoon] aan the District Court in Koszalin II Criminal Department (Polen) ten behoeve van de tenuitvoerlegging van de vrijheidsstraf, te ondergaan op het grondgebied van de uitvaardigende lidstaat, wegens de feiten waarvoor zijn overlevering wordt verzocht.



Aldus gedaan door
mr. M. van Mourik, voorzitter,
mrs. V.V. Essenburg en A.W.C.M. van Emmerik, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. T. Smit, griffier,
en uitgesproken ter openbare zitting van 1 november 2018.


































Ingevolge artikel 29, tweede lid, OLW staat tegen deze uitspraak geen gewoon rechtsmiddel open.