Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:918

2026-09-25 Civiel recht; Internationaal privaatrecht 25/02816
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-25
Publicatiedatum
2026-09-24
Rechtsgebied
Civiel recht; Internationaal privaatrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/02816
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Internationaal privaatrecht. Collectieve actie tegen Airbnb. Internationale bevoegdheid Nederlandse rechter. Uitleg art. 18 Brussel I-bis Vo (‘forum consumentis’) en art. 7 lid 1 sub b Brussel I-bis Vo. Toepassing art. 7 lid 2 Brussel I-bis Vo.

Citeert (133)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (162.157 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/02816

Zitting 25 september 2026




CONCLUSIE



B.J. Drijber




In de zaak van




Stichting Massaschade & Consument,
eiseres tot cassatie,
advocaat: mr. R.T. Wiegerink,



tegen




Airbnb Ireland UC,
verweerster in cassatie,
advocaten: mr. T. Cohen Jehoram en mr. M.H.K. Jansen.




Partijen worden hierna verkort aangeduid als SMC respectievelijk Airbnb.





1Inleiding en samenvatting


1.1
Deze zaak gaat over internationale rechtsmacht, meer specifiek over de toepassing van de Brussel I-bis-Verordening bij een collectieve actie namens consumenten-huurders tegen een aanbieder die online diensten verleent via een online platform. SMC is een collectieve actie gestart tegen Airbnb. Daarmee wil zij bereiken dat de door haar (Nederlandse) achterban van consumenten-huurders aan Airbnb betaalde servicekosten worden terugbetaald. Volgens SMC is Airbnb niet gerechtigd die servicekosten in rekening te brengen.



1.2
In 2021 heeft uw Raad zich in een prejudiciële zaak moeten buigen over een vergelijkbare problematiek. In die zaak werd betoogd dat het courtageverbod van art. 7:417 lid 4 BW (ook wel aangeduid als ‘het verbod twee heren te dienen’) eraan in de weg staat dat Airbnb ‘loon’ in rekening brengt aan Nederlandse consumenten die een ‘vakantieaccommodatie’ huren. De Hoge Raad oordeelde dat dit verbod niet van toepassing is op de kortetermijnverhuur van vakantieaccommodaties zoals aangeboden op een online platform als dat van Airbnb. Er waren toen bij diverse rechtbanken vergelijkbare procedures aanhangig tegen Airbnb. Na de prejudiciële beslissing van de Hoge Raad zijn alle procedures ingetrokken, behalve de onderhavige procedure. SMC heeft door een eiswijziging de grondslag van haar vordering gewijzigd. Zij baseert zich nu op art. 7:417 leden 2 en 3 BW. Airbnb zou niet beschikken over de vereiste schriftelijke toestemming van de huurder om servicekosten in rekening te brengen bij het afsluiten van een boeking.



1.3
SMC baseert haar vorderingen niet (mede) op schending van het Unierecht. Niettemin is hier het Unierecht in het geding, namelijk de geharmoniseerde regels over internationale rechtsmacht. Het cassatieberoep richt zich tegen het oordeel van het hof in het bevoegdheidsincident. De rechtbank Den Haag heeft zich onbevoegd verklaard om van de ingestelde vorderingen kennis te nemen en het hof Den Haag heeft dit vonnis bekrachtigd. Geoordeeld is dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan een van de drie volgende bepalingen van de Brussel I-bis-Verordening waarop SMC een beroep heeft gedaan: art. 18 lid 1 (consumentenovereenkomsten), art. 7 punt 1 (verbintenissen uit overeenkomst) en art. 7 punt 2 (verbintenissen uit onrechtmatige daad).



1.4
Het cassatiemiddel stelt vragen aan de orde over internationale rechtsmacht bij collectief verhaal. Als een belangenorganisatie haar vorderingen namens consumenten niet kan instellen bij de rechter van het land waar zij woonplaats hebben, dan zouden die consumenten (i) individuele procedures moeten instellen (ii) bij de rechter van de vestigingsplaats van Airbnb (Dublin). Art. 18 lid 1 Brussel I-bis zou in die zin moeten worden uitgelegd dat ook een organisatie die opkomt voor de belangen van consumenten kan profiteren van de regel dat de rechter van de plaats waar de consument woonplaats heeft, bevoegd is. Verder stelt het middel aan de orde wat de plaats van uitvoering is van een overeenkomst in de zin van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis (overeenkomsten tot verstrekking van diensten). Tot slot bevat het middel klachten over art. 7 punt 2 Brussel I-bis (verbintenissen uit onrechtmatige daad).





2Feiten


2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.



2.2
SMC is op 15 maart 2021 opgericht als een generieke belangenbehartiger voor consumenten.



2.3
Airbnb is een Ierse vennootschap die onderdeel uitmaakt van een wereldwijd concern. Airbnb biedt een online platform aan voor de tijdelijke huur en verhuur van accommodaties. In Nederland is dat het online platform www.airbnb.nl.



2.4
Airbnb brengt bij verhuur van een accommodatie via haar online platform servicekosten in rekening, zowel bij de verhuurder als bij de huurder.



2.5
Airbnb hanteert algemene voorwaarden (hierna: de Gebruiksvoorwaarden). In art. 22 Gebruiksvoorwaarden is bepaald:


“(…) As a consumer, you may bring any judicial proceedings relating to these Terms before the competent court of your place of residence or the competent court of Airbnb’s place of business in Ireland. (…)”




2.6
Bij arrest van 19 november 2021 heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen van de kantonrechter te Rotterdam beantwoord. In deze door een particuliere opdrachtgever (consument) tegen Airbnb aangespannen zaak was onder meer aan de orde of Airbnb in strijd handelt met art. 7:417 lid 4 BW door bij tweezijdige bemiddeling bij de verhuur van onroerende zaken loon in rekening te brengen aan de huurder, indien een van de opdrachtgevers van Airbnb een consument is. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat art. 7:417 lid 4 BW niet van toepassing is op kortetermijnverhuur van vakantieaccommodaties, en dus evenmin op kortetermijnverhuur van vakantieaccommodaties zoals die worden aangeboden op een online platform als dat van Airbnb.



3. Procesverloop




Eerste aanleg





3.1
Bij dagvaarding van 9 juli 2021 is SMC bij de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) een collectieve actie gestart tegen Airbnb over de in nr. 2.4 genoemde servicekosten, waarbij zij opkomt voor in Nederland woonachtige consument-huurders die servicekosten hebben betaald aan Airbnb. SMC stelt zich op het standpunt dat Airbnb in strijd met de wet handelt en dat het beding in de algemene voorwaarden van Airbnb dat huurders verplicht tot het betalen van servicekosten daarom nietig of vernietigbaar is, zodat de servicekosten onverschuldigd zijn betaald en door Airbnb moeten worden terugbetaald.



3.2
SMC heeft verschillende vorderingen ingesteld. Na wijziging van haar eis, heeft zij een verklaring voor recht gevorderd dat (a) telkens wanneer huurder en verhuurder via het platform van Airbnb een huurovereenkomst aangaan, deze huurovereenkomst tot stand wordt gebracht door tweezijdige bemiddeling door Airbnb in de zin van art. 7:417 jo. art. 7:425 BW, dat (b) Airbnb voor deze tweezijdige bemiddeling geen schriftelijke en uitdrukkelijke toestemming van de huurder heeft ontvangen in de zin van art. 7:417 lid 2 BW en dat (c) Airbnb als gevolg hiervan op grond van art. 7:417 lid 3 BW geen recht op loon (servicekosten) heeft jegens de huurder. SMC heeft daarnaast (kort samengevat) vernietiging van het servicekostenbeding in de algemene voorwaarden van Airbnb gevorderd, dan wel een verklaring voor recht dat het beding vernietigd, dan wel vernietigbaar is. Wat betreft de vernietiging, c.q. vernietigbaarheid van het servicekostenbeding blijkt uit de inleidende dagvaarding dat SMC een beroep heeft gedaan op art. 3:40 BW, alsmede op art. 6:233 sub a BW en Richtlijn 93/13/EEG. Ook heeft SMC terugbetaling van de servicekosten gevorderd, waarvan een percentage in geval van succes haar toekomt.



3.3
Airbnb heeft bij de rechtbank een bevoegdheidsincident opgeworpen en gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart met betrekking tot de vorderingen van SMC. Deze incidentele vordering is door de rechtbank toegewezen. De rechtbank oordeelde dat zij geen bevoegdheid kon ontlenen aan art. 18 lid 1 Brussel-I bis aangezien SMC als procespartij voor consumenten optreedt en geen sprake is van een situatie waarin een consument (zelf) procespartij is. De rechtbank wees in dat verband op het arrest Schrems/Facebook van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof van Justitie of kortweg het Hof). Ook oordeelde de rechtbank dat zij geen bevoegdheid kon ontlenen aan het forumkeuzebeding in de Gebruiksvoorwaarden van Airbnb (geciteerd in nr. 2.5) die gelden tussen Airbnb en de personen die via Airbnb accommodaties hebben gehuurd, aangezien SMC niet zelf een overeenkomst met Airbnb heeft gesloten en niet is aan te merken als consument. Tot slot concludeerde de rechtbank dat zij geen bevoegdheid kon ontlenen aan art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis, aangezien de plaats van verstrekking van de diensten van Airbnb Dublin (Ierland) is. De rechtbank heeft zich, na te hebben geconstateerd dat geen andere bevoegdheidsgronden zijn gesteld en de rechtbank ook niet zijn gebleken, onbevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van SMC en heeft SMC veroordeeld in de proceskosten.



Hoger beroep





3.4
Bij appeldagvaarding van 20 september 2023 is SMC in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank in het (bevoegdheids)incident bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof). Zij vorderde vernietiging van het vonnis, afwijzing van de incidentele vordering van Airbnb en terugverwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag voor verdere behandeling, met veroordeling van Airbnb in de proceskosten in beide instanties.



3.5
In hoger beroep heeft SMC het beroep op art. 18 Brussel I-bis laten rusten. Het hof heeft zich, voor zover nodig ambtshalve oordelend over de internationale bevoegdheid, op dit punt aangesloten bij het oordeel van de rechtbank. In dat verband heeft het hof ook nog gewezen op het arrest Club La Costa van het Hof van Justitie, dat dateert van na de datum van het vonnis van de rechtbank.



3.6
SMC is met drie grieven opgekomen tegen het vonnis. Grief 1 betrof de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis. Grief 2 zag op het beroep van SMC op de in art. 22 Gebruiksvoorwaarden opgenomen forumkeuze, op basis waarvan de consument zijn eventuele vorderingen tegen Airbnb (onder meer) aanhangig kan maken bij de bevoegde rechter van zijn eigen woonplaats (in samenhang met art. 25 Brussel I-bis). Grief 3 ging over de vraag of de Nederlandse rechter bevoegdheid kan ontlenen aan art. 7 punt 2 Brussel I-bis.



3.7
Het hof heeft geoordeeld dat geen van de grieven slaagt. Het heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en SMC veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep. Het hof heeft zijn oordeel gemotiveerd onder verwijzing naar het relevante juridisch kader en naar de stellingen van partijen. Het hof heeft – samengevat – als volgt geoordeeld:


(i) In dit geval is sprake van een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis. Voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van SMC is van belang of Airbnb van de huurders de contractuele toestemming heeft verkregen voor tweezijdige bemiddeling en dit vergt uitleg van de overeenkomst(en). Dat de inhoud van de overeenkomsten tussen Airbnb en de huurders mede wordt bepaald door het wettelijk contractenrecht, maakt voornoemde conclusie niet anders (rov. 2.9);
(ii) Het betreft hier een overeenkomst tot het verstrekken van diensten. Kenmerkend aan de tussen de consumenten en Airbnb gesloten overeenkomsten is dat via het online platform van Airbnb overeenkomsten tot stand worden gebracht tussen gebruikers van het platform, dat de exploitant van het platform een vergoeding ontvangt bij de totstandkoming van die overeenkomsten en dat gebruikers alleen met elkaar in contact kunnen treden via het platform. Het wezenlijke kenmerk van het door Airbnb beheerde online platform schuilt in het opstellen van een overzichtelijke lijst van op het platform beschikbare accommodaties en de kenmerkende verbintenis in de verhouding tussen Airbnb en de consument is de bemiddeling van Airbnb via het platform. De bemiddeling die door Airbnb wordt verricht is een dienst in de zin van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis, nu het een (positieve) activiteit betreft die tegen vergoeding wordt verricht (rov. 2.11);
(iii) Tussen partijen staat vast dat in de overeenkomst en de Gebruiksvoorwaarden niets is bepaald over de plaats van uitvoering van de te verstrekken diensten. In geschil is op welke plaats de dienst volgens de overeenkomst hoofdzakelijk wordt verricht, zoals die blijkt uit de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst (rov. 2.13);
(iv) Als op grond van de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst al één plaats kan worden aangewezen waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht, is dat niet Nederland. De kenmerkende dienst van Airbnb is het bij elkaar brengen van huurders en verhuurders door middel van een door Airbnb opgestelde lijst met accommodaties die via haar online platform toegankelijk zijn. De operatie en het beheer van het platform vindt plaats in Ierland door werknemers die daar werkzaam zijn. Op basis van de door SMC aangevoerde omstandigheden kan niet worden geconcludeerd dat de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst plaatsvindt in Nederland (rov. 2.16);
(v) Voor zover moet worden geoordeeld dat het internationale karakter van de dienstverlening van Airbnb betekent dat geen plaats van uitvoering kan worden bepaald, is de woonplaats van de dienstverrichter beslissend. Aangezien die plaats in Ierland ligt, kan ook op basis daarvan geen bevoegdheid van de Nederlandse rechter worden aangenomen. Daarmee faalt grief 1 (rov. 2.17);
(vi) Art. 25 Brussel I-bis bevat een regeling voor het door partijen aangewezen bevoegde gerecht (forumkeuzebeding). Vast staat dat SMC geen partij is bij de tussen de consumenten en Airbnb gesloten overeenkomsten. De procesbevoegdheid van SMC is uitsluitend gebaseerd op de wet en niet op cessie of contractsoverneming. In het licht van de bewoordingen van het forumkeuzebeding en het in de Gebruiksvoorwaarden opgenomen cessieverbod is ook geen sprake van een overeenkomst en/of forumkeuzebeding ten gunste van een derde. SMC kan dan ook geen beroep doen op het forumkeuzebeding. Daarmee faalt grief 2 (rov. 2.21);
(vii) De vorderingen van SMC betreffen verbintenissen uit overeenkomst. Uitleg van de overeenkomst is nodig om te bepalen of de aan Airbnb verweten gedraging – te weten: het tweezijdig in rekening brengen van servicekosten – ongeoorloofd is in verband met de al dan niet bij de totstandkoming van de overeenkomst van de huurder verkregen toestemming. Daarmee is uitgesloten dat het in dit geval gaat om verbintenissen uit onrechtmatige daad als bedoeld in art. 7 punt 2 Brussel I-bis. Daarmee faalt grief 3 (rov. 2.24);
(viii) Partijen hebben geen beroep gedaan op andere bevoegdheidsgronden en het dossier bevat daar ook geen aanknopingspunten voor. Dit alles leidt tot de slotsom dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vorderingen van SMC jegens Airbnb kennis te nemen. Het vonnis van de rechtbank wordt bekrachtigd (rov. 2.25).




Cassatie





3.8
SMC heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Airbnb voert verweer. Partijen hebben hun standpunt schriftelijk toegelicht. SMC heeft gerepliceerd, Airbnb heeft afgezien van dupliek.





4Juridisch kader


I. Algemene opmerkingen



4.1
Het middel stelt verschillende kwesties aan de orde die te maken hebben met de beoordeling van de (internationale) rechtsmacht op grond van Brussel I-bis, als een collectieve actie (in de zin van art. 3:305a BW) is ingesteld tegen een onderneming die via een wereldwijd toegankelijk online platform activiteiten ontplooit.



4.2
Na enkele algemene opmerkingen over Brussel I-bis en ga ik hierna in op de specifieke bevoegdheidsgrondslagen uit die verordening waarop SMC zich in deze zaak beroept.



4.3
Voor de toepasselijkheid van de in Brussel I-bis opgenomen bevoegdheidsregels is vereist dat het gaat om een zaak met een internationaal karakter.



4.4
Brussel I-bis bevat geen specifieke regels over collectief verhaal, dus ook niet over de internationale bevoegdheid in geval van een collectieve actie. In de literatuur is daar wel aandacht aan besteed. Daarbij zijn ook voorstellen gedaan om specifieke regels in het leven te roepen, bijvoorbeeld door aanpassing van Brussel I-bis.



4.5
In een door de Europese Commissie (hierna: de Commissie) op 2 juni 2025 uitgebracht verslag over de toepassing van Brussel I-bis wordt enige aandacht besteed aan rechterlijke bevoegdheid in geval van collectief verhaal. Dat onderwerp is geplaatst in het kader van een mogelijke toekomstige herziening van Brussel I-bis. Ik citeer uit het verslag [onderstreping hier en in citaten hierna door mij toegevoegd, A-G]:


“(…) Er is een aantal vragen gerezen over de vraag of de toepassing van de gewone regels inzake rechterlijke bevoegdheid in aangelegenheden met betrekking tot onrechtmatige daden of door consumenten gesloten overeenkomsten geschikt zijn om vorderingen met betrekking tot collectief verhaal doeltreffend af te handelen.



Het Hof heeft dit soort zaken herhaaldelijk behandeld. (…)




Het lijkt erop dat de verordening onnodige lasten met zich mee kan brengen voor de eisers bij vorderingen tot collectief verhaal, omdat zij zich in de meeste gevallen tot meer dan één rechter zouden moeten wenden om een zaak aanhangig te maken. Dit kan dan weer leiden tot onverenigbare beslissingen. Hoewel de regel inzake samenhangende vorderingen in artikel 30 van de verordening een oplossing kan bieden voor deze situatie, moeten de eisers het verzoek nog steeds bij verschillende gerechten indienen vóór een eventuele voeging bij het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht. Dit leidt tot bijkomende lasten voor de eisers, met name wanneer zij zwakkere partijen zijn.



Derhalve zou bij een mogelijke toekomstige herziening van de verordening verder over deze aangelegenheid kunnen worden nagedacht, met name over de vraag of de verordening de rechterlijke bevoegdheid bij collectieve (consumenten)vorderingen op bevredigende wijze regelt. (…)”




4.6
Collectief verhaal heeft wel al de aandacht van de Uniewetgever gekregen in de vorm van Richtlijn 2020/1828 inzake representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten. Die richtlijn regelt echter niet de kwestie van (internationale) bevoegdheid in geval van collectieve vorderingen namens consumenten. Zij laat de regels van internationaal privaatrecht met betrekking tot de rechterlijke bevoegdheid onverlet (art. 2 lid 3 Richtlijn 2020/1828). Overweging 21 van de preambule van Richtlijn 2020/1828 luidt:


“Deze richtlijn mag geen afbreuk doen aan de toepassing van regels inzake internationaal privaatrecht betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en tenuitvoerlegging van rechterlijke beslissingen of toepasselijk recht, en evenmin mag zij dergelijke regels vaststellen. Op de door deze richtlijn vereiste procedurele mechanismen voor representatieve vorderingen moeten de bestaande rechtsinstrumenten van de Unie van toepassing zijn. Met name Verordening (EG) nr. 864/2007 (6), Verordening (EG) nr. 593/2008 (7) en Verordening (EU) nr. 1215/2012 (8) van het Europees Parlement en de Raad moeten van toepassing zijn op de door deze richtlijn vereiste procedurele mechanismen voor representatieve vorderingen.”



Dát Brussel I-bis toepasselijk is op een collectieve actie staat niet ter discussie. Over de toepassing van Brussel I-bis kunnen in geval van collectief verhaal vragen rijzen.




4.7
Zoals bekend heeft Brussel I-bis voorlopers. In 2001 werd het EEG-Executieverdrag uit 1968 (hierna: EEX-Verdrag) vervangen door een communautair instrument, namelijk Raadsverordening 44/2001 (hierna: Brussel I). Een deel van de in deze conclusie aangehaalde rechtspraak is gewezen onder een van deze twee voorlopers van Brussel I-bis. Het is vaste rechtspraak dat de uitleg die het Hof van Justitie aan het EEX-Verdrag of Brussel I heeft gegeven ook geldt voor Brussel I-bis als het bepalingen betreft die als gelijkwaardig kunnen worden aangemerkt. Voor art. 7 punt 1, art. 7 punt 2, en art. 18 Brussel I-bis is aan die voorwaarde van gelijkwaardigheid voldaan.



4.8
Als hoofdregel knoopt Brussel I-bis voor de internationale rechterlijke bevoegdheid aan bij de woonplaats van de verwerende partij (art. 4 lid 1). Uitsluitend in de gevallen genoemd in afdeling 2 t/m 7 van die verordening kan de verweerder voor een ander gerecht worden opgeroepen (art. 5 lid 1).



4.9
Uit overweging 15 van de preambule van Brussel I-bis valt af te leiden dat bij de in de verordening opgenomen bevoegdheidsregels voorspelbaarheid voorop staat. Daarnaast maakt overweging 16 van de preambule duidelijk dat de bijzondere bevoegdheidsgronden (opgenomen in art. 7-9 Brussel I-bis) berusten op het bestaan van een nauwe band tussen het betreffende gerecht en de vordering of op de noodzaak om een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Dat een nauwe band de basis is, heeft te maken met rechtszekerheid en voorzienbaarheid.



4.10
Uit vaste rechtspraak blijkt dat de specifieke bevoegdheidsregels, omdat zij afwijken van de algemene, in art. 4 Brussel I-bis vervatte hoofdregel, restrictief moeten worden uitgelegd. Zij kunnen bovendien niet worden uitgebreid tot andere gevallen waarin Brussel I-bis niet uitdrukkelijk voorziet.



4.11
Voor de onderhavige zaak zijn twee specifieke bevoegdheidsregels van belang: art. 7 (bijzondere bevoegdheid) en art. 18 (bevoegdheid inzake door consumenten gesloten overeenkomsten).


II. Specifieke bevoegdheidsgrond: art. 7 Brussel I-bis




4.12
Art. 7 Brussel I-bis geeft een alternatief forum naast het in art. 4 Brussel I-bis genoemde forum. Eiser heeft daarom de keuze tussen de twee fora. Art. 7 wijst (ook) de relatief bevoegde rechter van de betreffende lidstaat aan. Ingeval art. 4 de bevoegdheidsgrondslag is, wordt de relatief bevoegde rechter op grond van het nationale recht vastgesteld.



4.13
Art. 7 Brussel I-bis luidt:


“Een persoon die woonplaats heeft op het grondgebied van een lidstaat, kan in een andere lidstaat voor de volgende gerechten worden opgeroepen:



1. a) ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst, voor het gerecht van de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd;



b) voor de toepassing van deze bepaling is, tenzij anders is overeengekomen, de plaats van uitvoering van de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt:



- voor de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken, de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden;
- voor de verstrekking van diensten, de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden;



c) punt a) is van toepassing indien punt b) niet van toepassing is;



2. ten aanzien van verbintenissen uit onrechtmatige daad, voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen; (…)”




4.14
Wat betreft verbintenissen uit overeenkomst (punt 1) wordt voor de bevoegdheid aangeknoopt bij de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. De gedachte hierachter is dat het gerecht van die plaats wordt verondersteld een nauwe band met de overeenkomst te hebben.



4.15
Met betrekking tot verbintenissen uit onrechtmatige daad (punt 2) geldt dat het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan of kan voordoen bevoegd is. Blijkens de rechtspraak van het Hof van Justitie omvat dit zowel de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (Handlungsort), als de plaats waar de schade is ingetreden (Erfolgsort). De eiser heeft voor het starten van een procedure de keuze tussen deze twee plaatsen (indien verschillend).



4.16
Uit de rechtspraak volgt dat zowel het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’ als het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ autonoom moet worden geïnterpreteerd. Daarbij moet vooral worden uitgegaan van de opzet en de doelstellingen van Brussel I-bis om de uniforme toepassing van deze verordening in alle EU-lidstaten te verzekeren. De kwalificatie van de rechtsbetrekking naar nationaal recht is niet relevant.



4.17
Voor het onderhavige geval is met name art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis (verstrekking van diensten) van belang. Sub b is een lex specialis ten opzichte van sub a. Art. 7 punt 1 sub b wijst voor twee soorten overeenkomsten de plaats van uitvoering van de verbintenis aan: de overeenkomst voor de koop van roerende lichamelijke zaken (eerste streepje) en de overeenkomst voor de verstrekking van diensten (tweede stgreepje). De uitwerking van het in sub b bepaalde houdt in dat één rechter bevoegd is voor alle vorderingen uit de betreffende overeenkomst. Dit is bedoeld ter versterking van de rechtszekerheid.



4.18
Ook het begrip ‘verstrekking van diensten’ moet autonoom worden uitgelegd. Uit de rechtspraak blijkt dat, om daarvan te kunnen spreken, op zijn minst nodig is dat de partij die de diensten verstrekt een bepaalde activiteit verricht waarvoor hij als tegenprestatie een vergoeding ontvangt. Aangezien een activiteit is vereist, is onvoldoende dat een handeling achterwege wordt gelaten. Het moet gaan om positieve handelingen. Een vergoeding als tegenprestatie hoeft niet te worden opgevat als de betaling van een geldsom.



4.19
Het kan zich voordoen dat de diensten op verschillende plaatsen binnen één lidstaat van de EU worden verstrekt en dat de plaats van uitvoering van de overeenkomst tot dienstverlening meerdere plaatsen omvat. In dat geval kan art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis worden toegepast, maar geldt daarnaast als uitgangspunt dat één gerecht bevoegd moet zijn ten aanzien van alle vorderingen uit de desbetreffende overeenkomst. De plaats van uitvoering van de overeenkomst is dan in principe de plaats die de nauwste band tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht verzekert, hetgeen doorgaans de plaats is waar de ‘hoofddienst’ wordt verstrekt. Als geen plaats van verstrekking van de hoofddienst kan worden bepaald, dan heeft elk van de plaatsen van verstrekking van de dienst een voldoende band van nabijheid.



4.20
Het is ook mogelijk (zeker bij een internationaal opererende onderneming) dat de diensten in verschillende lidstaten van de EU worden verricht. Ook dan is art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis van toepassing. In een dergelijke situatie geldt eveneens het vereiste dat de plaats van uitvoering van de overeenkomst de plaats moet zijn die de nauwste band tussen de overeenkomst en het bevoegde gerecht verzekert en dat dit over het algemeen de plaats zal zijn waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht. Om vast te stellen in welke lidstaat dat is, moet eerst worden gekeken naar de bepalingen van de overeenkomst en vervolgens, als de overeenkomst daarover geen bepalingen bevat, naar de daadwerkelijke uitvoering van de overeenkomst. Als de plaats van uitvoering niet op deze manier kan worden vastgesteld, is bevoegd het gerecht van de woon- of vestigingsplaats van de dienstverrichter.



4.21
Het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van art. 7 punt 2 Brussel I-bis omvat elke rechtsvordering waarmee is beoogd de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis.



4.22
Het is niet altijd eenvoudig om vast te stellen of sprake is van een verbintenis uit overeenkomst of uit onrechtmatige daad. In het arrest Brogsitter overwoog het Hof van Justitie dat de omstandigheid dat een partij bij de tussen de procespartijen gesloten overeenkomst een civielrechtelijke aansprakelijkheidsvordering instelt tegen zijn contractuele wederpartij op zichzelf niet voldoende is om te kunnen spreken van een vordering die voortvloeit uit een verbintenis uit overeenkomst in de zin van art. 5 punt 1 sub a Brussel I (thans art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis). Van zo’n verbintenis is alleen sprake als “(…) de verweten gedraging kan worden beschouwd als niet-nakoming van de contractuele verbintenissen zoals deze kunnen worden bepaald aan de hand van het voorwerp van de overeenkomst.”. Dat is het geval, zo vervolgt het Hof, als de uitlegging van de overeenkomst nodig is om te bepalen of de gedraging die de verzoeker aan de verweerder verwijt, geoorloofd of ongeoorloofd is. Indien de ingestelde vordering een schadevordering betreft die redelijkerwijs kan worden gebaseerd op een schending van de rechten en plichten die voortvloeien uit de tussen partijen gesloten overeenkomst, is sprake van een verbintenis uit overeenkomst.



4.23
Indien dat laatste niet het geval is, dan moet de vordering worden geacht voort te vloeien uit een verbintenis uit onrechtmatige daad. In het arrest Wikingerhof herhaalde het Hof dat een vordering ziet op een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis als het nodig is om de overeenkomst tussen de verzoeker en de verweerder uit te leggen teneinde de geoorloofdheid van de aan verweerder verweten gedraging vast te stellen. Het Hof voegde daaraan toe dat dit zich met name voordoet bij vorderingen gegrond op bedingen van een overeenkomst of op rechtsregels die op basis van de overeenkomst van toepassing zijn. Indien het echter niet noodzakelijk is de inhoud van de overeenkomst te onderzoeken om vast te stellen of de gedraging van verweerder geoorloofd is of niet, en verzoeker zich op onrechtmatige daad (in de zin van een schending van een wettelijke plicht) beroept, gaat het om een verbintenis uit onrechtmatige daad.


III. Bevoegdheidsgronden: consumentenovereenkomsten (art. 17-19 Brussel I-bis)




4.24
Afdeling 4 van hoofdstuk II Brussel I-bis (art. 17-19) bevat specifieke regels betreffende de rechterlijke bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten. De in de afdeling opgenomen regels gaan (in principe) vóór op afdeling 1 en 2 van hoofdstuk II Brussel I-bis (art. 4-9). De toepasselijkheid van afdeling 4 wordt geregeld in art. 17, de ‘toegangspoort’ tot afdeling 4.



4.25
Art. 17 Brussel I-bis luidt, voor zover hier relevant, als volgt:


“1. Voor overeenkomsten gesloten door een persoon, de consument, voor een gebruik dat als niet bedrijfs- of beroepsmatig kan worden beschouwd, wordt de bevoegdheid geregeld door deze afdeling, onverminderd artikel 6 en artikel 5, punt 7, wanneer:
a) het gaat om koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken;
b) het gaat om leningen op afbetaling of andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, of
c) in alle andere gevallen, de overeenkomst is gesloten met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, of dergelijke activiteiten met ongeacht welke middelen richt op die lidstaat, of op meerdere staten met inbegrip van die lidstaat, en de overeenkomst onder die activiteiten valt.



2. (…)



3. (…).”




4.26
Het Hof van Justitie heeft overwogen dat art. 17 lid 1 Brussel I-bis toepassing vindt als aan drie cumulatieve voorwaarden is voldaan: (1) een contractspartij is een consument (natuurlijk persoon), (2) de overeenkomst tussen deze consument en een beroepsbeoefenaar is daadwerkelijk gesloten, en (3) de overeenkomst valt onder één van de in art. 17 lid 1 onder a t/m c genoemde gevallen.



4.27
Art. 18 Brussel I-bis bevat regels over de bevoegdheid in verband met geschillen betreffende door consumenten gesloten overeenkomsten. Deze bepaling luidt, voor zover in deze zaak relevant, als volgt:


“1. De rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij bij de overeenkomst, kan worden gebracht hetzij voor de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan die partij woonplaats heeft, hetzij, ongeacht de woonplaats van de wederpartij, voor het gerecht van de plaats waar de consument woonplaats heeft. (…)”




4.28
De consument heeft dus een keuze waar hij de vordering instelt: het forum van de wederpartij of zijn eigen forum. Het laatste forum wordt aangeduid als het ‘forum consumentis’. Art. 18 lid 1 Brussel I-bis wijkt dus af van de hoofdregel van art. 4 lid 1 Brussel I-bis en moet daarom restrictief worden uitgelegd. Art. 18 lid 1 vormt ook een afwijking van art. 7 punt 1.



4.29
Afgezien van de zinsnede “ongeacht de woonplaats van de wederpartij” in lid 1 is art. 18 inhoudelijk gelijk aan de voorloper ervan, art. 16 Brussel I. Uit de betreffende zinsnede blijkt dat de tweede optie die art. 18 lid 1 Brussel I-bis biedt ook geldt in relatie tot wederpartijen die buiten de EU zijn gevestigd.



4.30
De ratio achter de specifieke – en voor consumenten gunstige – bevoegdheidsregels in geval van consumentenovereenkomsten is de noodzakelijke bescherming van de consument als zwakke(re) contractpartij. In dat verband heeft het Hof van Justitie overwogen:


“43. Die regels (de regels neergelegd in art. 17-19 Brussel I-bis, A-G) moeten ervoor zorgen dat de consument, als contractpartij die wordt geacht economisch zwakker en juridisch minder ervaren te zijn dan zijn professionele medecontractant, passend wordt beschermd zodat hij er niet van wordt weerhouden een rechtsvordering in te stellen doordat hij zich verplicht ziet om zijn vordering aanhangig te maken voor de gerechten van de staat op het grondgebied waarvan zijn wederpartij woonplaats heeft (…)”




4.31
De bevoegdheidsregels betreffende door consumenten gesloten overeenkomsten mogen, gelet op hun beschermende functie, niet worden uitgebreid tot personen die voornoemde bescherming niet nodig hebben. Verder – en voor deze zaak belangrijk – volgt uit de rechtspraak dat het forum consumentis niet van toepassing in het geval dat de (consument) eiser niet zelf partij is bij de consumentenovereenkomst die in geding is.


4.31.1
In het arrest Shearson Lehman Hutton/TVB ging het om een geval waarin een particulier een vordering op zijn wederpartij had gecedeerd aan een vennootschap en die vennootschap de wederpartij vervolgens in rechte had aangesproken. Uit het arrest volgt dat in zo’n geval geen beroep kan worden gedaan op de voor consumentenovereenkomsten geldende bevoegdheidsregels. Het Hof van Justitie concludeerde:


“24 Mitsdien moet artikel 13 van het Executieverdrag aldus worden uitgelegd, dat de bijzondere bevoegdheidsregels van het Verdrag inzake door consumenten gesloten overeenkomsten niet van toepassing zijn op een eiser die in de uitoefening van zijn bedrijf of beroep handelt en die derhalve niet zelf als consument partij is bij een van de in artikel 13, eerste alinea, opgesomde overeenkomsten.”




4.31.2
Ongeveer 25 jaar later werd in de zaak Schrems/Facebook bevestigd dat ook als aan een consument rechten van andere consumenten zijn gecedeerd, deze consument wat betreft de gecedeerde rechten geen beroep doen op de bijzondere bevoegdheidsregels van (thans) art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Het ‘uitzonderingskarakter’ van de bevoegdheidsregels inzake consumentenovereenkomsten impliceert dat die regels eng moeten worden geïnterpreteerd. Het Hof leidde uit de tekst van (thans) art. 18 lid 1 Brussel I-bis af dat voor toepasselijkheid van de bevoegdheidsregels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten noodzakelijk is dat de consument met de verwerende handelaar een overeenkomst heeft gesloten. Deze voorwaarde draagt bij aan de voorspelbaarheid van het bevoegde gerecht, hetgeen in lijn is met het doel van de verordening. Dat de consument aan wie de vordering van een andere consument is gecedeerd zelf een vordering kan instellen bij het gerecht van zijn woonplaats maakt niet dat dit gerecht bevoegd is om te oordelen over de gecedeerde rechten.



4.31.3
Tot slot is relevant het relatief recente arrest Club La Costa. In die zaak ging het niet om de vraag of een andere persoon dan de consument die partij was bij de (litigieuze) overeenkomst een beroep kon doen op art. 17-19 Brussel I-bis. Het ging om het begrip ‘wederpartij bij de overeenkomst’ in art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Uit het arrest blijkt dat onder dat begrip alleen valt de natuurlijke persoon of rechtspersoon die partij is bij de (met de consument gesloten) overeenkomst ten aanzien waarvan het geschil is gerezen. Het begrip ziet niet op andere personen die buiten voornoemde overeenkomst staan, ook niet als er wel een band bestaat tussen eerstgenoemde (rechts)persoon en de andere persoon. Het Hof overwoog dat voor de toepassing van art. 17-19 Brussel I-bis bepalend is dat de partijen bij de procedure ook de partijen zijn bij het contract waarover het geschil is gerezen.




4.32
In de literatuur is aandacht besteed aan de betekenis van de bevoegdheidsregels betreffende consumentenovereenkomsten in het (specifieke) kader van collectief verhaal. Van Hoek & Van der Plas achten deze regels niet relevant voor de praktijk als het gaat om collectieve acties, omdat art. 17-19 Brussel I-bis alleen van toepassing zijn als een consument zelf partij is in het geding. Verder wordt in de literatuur aangenomen dat een belangenorganisatie die vorderingen van meerdere consumenten bundelt, gezien het arrest Schrems/Facebook, geen beroep kan doen op die bepaling (waaraan ik toevoeg dat – destijds nog – Facebook net als Airbnb een grote, in Ierland gevestigde partij is). In het verlengde daarvan wordt betoogd dat ook een belangenbehartiger die op basis van een eigen recht procedeert geen beroep op art. 18 lid 1 Brussel I-bis toekomt, aangezien ook dan de consumenten voor wie de belangenbehartiger optreedt geen partij zijn bij de procedure. Daarnaast wordt aangenomen dat rechtspersonen geen gebruik kunnen maken van de consumentenbeschermende bepalingen uit Brussel I-bis, ook niet als consumenten een organisatie ter behartiging van hun belangen hebben opgericht.



4.33
Er zijn echter ook auteurs die van mening zijn dat het mogelijk zou moeten zijn om ook in een collectieve actie een beroep te doen op de voor consumentenovereenkomsten geldende regels van Brussel I-bis. Rutten & Pletting wijzen in hun noot bij het vonnis van de rechtbank in deze zaak op het verschil in de positie van belangenorganisaties bedoeld in art. 3:305a BW in vergelijking met een cessionaris. Zij schrijven dat het in het licht daarvan voor de hand ligt dat dergelijke organisaties de belangen van consumenten feitelijk materieel en procedureel behartigen. Daarnaast menen deze auteurs dat de door de rechtbank gegeven beoordeling afbreuk doet aan de rechtspositie van consumenten, nu het voor individuele consumenten haast onmogelijk is om in de woonplaats van de verwerende partij te procederen.



4.34
Tot slot wijs ik nog op de conclusie van A-G Bobek in de zaak Schrems/Facebook. Volgens hem zijn de kwestie van collectief verhaal in consumentenzaken en (in het bijzonder) de reikwijdte van het forum consumentis, onderwerpen die de Uniewetgever kan uitwerken. Het is niet aan het Hof Justitie om daar (in individuele gevallen) vorm aan te geven. In lijn hiermee wordt in de literatuur het thema van internationale rechtsmacht bij collectief verhaal doorgaans ook gezien als iets voor de (Unie)wetgever.





5Bespreking van het cassatiemiddel



Onderdeel A – toepasselijkheid van art. 18 Brussel I-bis





Inleidende opmerkingen




5.1
Het eerste onderdeel van het middel richt zich tegen rov. 2.4-2.5 van het bestreden arrest, waar het hof ingaat op art. 18 Brussel I-bis. De bestreden overwegingen luiden als volgt:


“Art. 18 Brussel I-bis Verordening




2.4
SMC heeft in hoger beroep aangegeven niet langer een beroep te doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis Vordening (consumentenovereenkomsten). De rechtbank had geoordeeld dat de rechter aan art. 18 lid 1 Brussel I-bis Verordening alleen internationale bevoegdheid kan ontlenen in gevallen waarin de consument zelf procespartij is en niet in gevallen waarin – zoals in deze zaak – een andere partij voor consumenten optreedt. De rechtbank verwees hiertoe naar het arrest HvJEU 25 januari 2018, ECLI:EU:C:2018:37 (Schrems/Facebook), waarin het HvJEU onder meer oordeelde dat het forum consumentis niet van toepassing is op de eiser die niet zelf partij is bij de betrokken consumentenovereenkomst. Nadien is door het HvJEU herhaald dat voor de toepassing van de bevoegdheidsregels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten beslissend is dat de partijen in het geding tevens de contractspartijen zijn (HvJEU 14 september 2023, Club La Costa, ECLI:EU:C:2023:672, punt 48).



2.5
Het hof, voor zover nodig ambtshalve oordelend over de internationale bevoegdheid, sluit zich op grond van de genoemde rechtspraak aan bij het oordeel van de rechtbank dat SMC, dat zelf geen contractspartij is bij de door de huurders met Airbnb gesloten overeenkomsten, geen beroep kan doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis Vo.”



5.2
Volgens het onderdeel gaat het hof hier uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn de geciteerde overwegingen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. SMC werkt dit standpunt uit in subonderdeel A.1-A.4.



5.3
Airbnb heeft aangevoerd dat SMC geen belang heeft bij die klachten, aangezien die zich richten tegen een overweging ten overvloede. In hoger beroep heeft SMC namelijk aangegeven dat zij het beroep op art. 18 Brussel I-bis liet rusten. In het bestreden arrest heeft het hof zich “voor zover nodig ambtshalve” weliswaar uitgelaten over deze bevoegdheidsgrondslag, maar het hoefde daar niet ambtshalve over te oordelen. Airbnb voert in dat verband aan dat in zaken die ter vrije bepaling van partijen staan en waarin forumkeuze mogelijk is (zoals in het onderhavige geval), de regels betreffende internationale rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet van openbare orde zijn.



5.4
SMC betoogt in haar schriftelijke toelichting dat zij wél belang heeft bij haar klachten. Zij stelt dat het hof terecht heeft overwogen dat voor zover nodig ambtshalve wordt geoordeeld over de internationale bevoegdheid, aangezien de regels die betrekking hebben op de internationale bevoegdheid van openbare orde zijn. Daarnaast voert SMC aan dat de klachten nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het kader van de rechtsontwikkeling en rechtseenheid.



5.5
Ik merk het volgende op. De regels van internationaal bevoegdheidsrecht zijn van openbare orde. Daarom moet de rechtsmacht van de Nederlandse rechter ambtshalve worden onderzocht, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en ongeacht of een internationaal verdrag, een EU-Verordening of een bevoegdheidsregeling uit het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van toepassing is. Wat betreft het onderzoek naar de rechtsmacht in het kader van Brussel I-bis blijkt voorts uit de rechtspraak dat de rechter alle gegevens die hem ter beschikking staan in aanmerking moet nemen, daaronder begrepen de betwistingen van de verwerende partij. Indien de verwerende partij de stellingen van de eisende of verzoekende partij betwist, dan hoeft de rechter bij de bepaling van zijn bevoegdheid geen gelegenheid te geven voor bewijslevering. Het onderzoek naar de bevoegdheid in deze context mag dus niet uitsluitend gebaseerd zijn op de door de eisende of verzoekende partij gekozen grondslag van haar vordering of verzoek. Het hof heeft het voorgaande benoemd in rov. 2.2 van het bestreden arrest.



5.6
Ook als een ambtshalve onderzoek naar art. 18 Brussel I-bis niet nodig was, meen ik dat SMC belang heeft bij de klachten in onderdeel A. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank waarin zij zich onbevoegd heeft verklaard om van de vorderingen van SMC jegens Airbnb kennis te nemen, bekrachtigd. Het oordeel dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen en om het vonnis van de rechtbank Den Haag te bekrachtigen is gebaseerd op ’s hofs conclusie ten aanzien van art. 18 Brussel I-bis. Onderdeel A van het cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel omtrent die bevoegdheidsgrond. Bij het slagen van het onderdeel zou de uitkomst anders kunnen luiden, in die zin dat zou kunnen worden geoordeeld dat de Nederlandse rechter wél bevoegd is om kennis te nemen van de vorderingen van SMC. Er bestaat dus belang bij de klachten.



Subonderdeel A.1





5.7
Het middel klaagt dat het hof heeft miskend dat de arresten Schrems/Facebook en Club La Costa geen betrekking hadden op een collectieve actie van een consumentenorganisatie – in de zin van een rechtsvordering die is ingesteld door een belangenorganisatie ter bescherming van gelijksoortige belangen van individuele consumenten (vgl. art. 3:305a BW). In genoemde arresten heeft het Hof van Justitie niet geoordeeld dat een consumentenorganisatie geen beroep kan doen op art. 18 Brussel I-bis omdat zij zelf geen partij is bij de door de consumenten voor wie zij opkomt gesloten overeenkomsten. Volgens SMC ligt het ook niet (zonder meer) voor de hand dat het Hof van Justitie van oordeel zou zijn dat consumentenorganisaties niet zouden kunnen profiteren van het forum consumentis van art. 18 Brussel I-bis. Zij wijst daarbij op het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel en op de omstandigheid dat consumentenorganisaties als SMC een belangrijke rol vervullen bij het realiseren van de doelstellingen van het consumentenrecht door (collectieve) handhaving daarvan. Volgens SMC kan het doeltreffendheidsbeginsel ook worden betrokken op de verhouding tussen materieel en formeel Unierecht (en dus niet alleen op de verhouding tussen het (materiële) Unierecht en het nationale (proces)recht.



5.8
Het hof heeft het oordeel van de rechtbank Den Haag over het beroep van SMC op art. 18 Brussel I-bis samengevat weergegeven en heeft daaraan toegevoegd dat het Hof van Justitie in het arrest Club La Costa heeft herhaald dat voor toepassing van de bevoegdheidsregels betreffende consumentenovereenkomsten beslissend is dat de procespartijen ook de partijen bij het betreffende contract zijn. Vervolgens heeft het hof zich aangesloten bij het oordeel van de rechtbank Den Haag dat SMC, die onbetwist niet zelf partij is bij de door de huurders met Airbnb gesloten overeenkomsten, geen beroep kan doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis. De rechtbank achtte voor de beantwoording van de vraag of SMC (als belangenbehartiger) een beroep kan doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis het arrest Schrems/Facebook richtinggevend. Ik acht het oordeel van de rechtbank juist, zodat het hof dat oordeel terecht heeft bekrachtigd. Wat het hof nog heeft toegevoegd naar aanleiding van het arrest Club La Costa acht ik eveneens juist. In dit geval procedeert SMC als vertegenwoordiger van een groep natuurlijke personen en niet op basis van een door SMC zelf gesloten overeenkomst met Airbnb. SMC is niet getreden in de rechten van de consumenten die zij vertegenwoordigt.



5.9
Hetgeen het middel daar tegenin brengt wijzigt mijn beoordeling niet. Ik licht dat toe.



5.10
Hoewel het Hof van Justitie niet specifiek een oordeel heeft geveld over de Nederlandse collectieve actie – wat weinig zegt over de aan art. 18 lid 1 Brussel I-bis te geven uitleg – bevat de zo juist genoemde rechtspraak aanknopingspunten voor de beantwoording van de vraag of een belangenorganisatie die op de voet van art. 3:305a BW opkomt voor gelijksoortige belangen van individuele consumenten een beroep kan doen op het forum consumentis. Het Hof heeft zich namelijk over de volgende situaties uitgelaten: een consument treedt namens een andere consument als cessionaris op (Schrems/Facebook); een vennootschap treedt namens een consument als cessionaris op (Shearson Lehman Hutton/TVB); en een consumentenorganisatie stelt een collectieve verbodsvordering (naar Oostenrijks recht) in (VKI/Henkel). In de onderhavige zaak treedt een belangenorganisatie op ter behartiging van de belangen van de achterban, op basis van de wet en niet op basis van een contractuele rechtsverhouding met Airbnb. Het middel noemt geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de rechtspraak over art. 17-19 Brussel I-bis (en de voorlopers daarvan) niet geldt voor het onderhavige geval, nu ook hier de consument niet zelf procespartij is. Het is niet een rechtsvordering die door een consument wordt ingesteld tegen de wederpartij (…)”, zoals de tekst van art. 18 lid 1 Brussel I-bis vereist. Naar mijn mening kan SMC bij de huidige stand van het recht voor de toepassing van art. 18 lid 1 Brussel I-bis niet anders worden behandeld dan de rechtspersoon-cessionaris (Shearson), de consument-cessionaris (Schrems) of de vereniging voor consumentenbescherming (VKI).



5.11
Ik wijs in dit verband ook nog op de volgende passage uit de conclusie van A-G Bobek in de zaak Schrems/Facebook:


“88. (…) het in de artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 toegekende forum consumentis (vormt) niet alleen een afwijking van de algemene bevoegdheidsregel van artikel 2, lid 1, van die verordening (…), maar ook van de bijzondere bevoegdheidsregel voor overeenkomsten van artikel 5, punt 1, van die verordening (…). De artikelen 15 en 16 van verordening nr. 44/2001 moeten derhalve niet worden uitgelegd als uitbreiding van het privilege van het forum actoris buiten de situaties waarvoor het uitdrukkelijk is toegekend. (…)”




5.12
Daarmee kom ik toe aan het betoog dat het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel zou nopen tot een andere beoordeling. SMC betoogt dat het in het licht van dat beginsel en de belangrijke rol van consumentenorganisaties bij het realiseren van de doelstellingen van het consumentenrecht via handhaving daarvan “niet (zonder meer) voor de hand ligt” dat het Hof van Justitie de opvatting zou zijn toegedaan dat consumentenorganisaties niét zouden kunnen profiteren van het 'forum consumentis'. SMC betoogt dat Unierechtelijke procedureregels, zoals de Brussel I-bis Verordening, dienstbaar moeten zijn aan regels van materieel Unierecht om invulling te geven aan toegekende rechten en opgelegde verplichtingen. Bevoegdheidsregels mogen in ieder geval niet de effectieve uitoefening van materiële regels belemmeren. SMC wijst ter ondersteuning van haar betoog op de conclusie van Advocaat-Generaal Jääskinen in de CDC Hydrogen Peroxide-zaak en op punt 40 van het arrest Schrems/Facebook. Met andere woorden, consumentenorganisaties zouden een beroep op art. 18 lid 1 Brussel I-bis moeten kunnen doen om te zorgen voor een doeltreffende (collectieve) handhaving van het consumentenrecht.



5.13
Ik stel voorop dat in deze zaak niet een door het Unierecht toegekend recht in het geding is, anders dan bijvoorbeeld het geval is bij een vordering tot vergoeding van schade die het gevolg is van een inbreuk op het kartelverbod van art. 101 lid 1 VWEU. De normatieve bepalingen waarop SMC zich beroept zijn namelijk het tweede en het derde lid van art. 7:417 BW (zie hiervoor, nr. 1.2 en 3.2) vormen. Een verband met de doorwerking van Unierechtelijke regels ter bescherming van consumenten ontbreekt hier daarom.



5.14
Het Unierechtelijke doeltreffendheidsbeginsel erop is gericht zeker te stellen dat nationale rechtsregels, zoals regels van procesrecht of regels over de verjaring van vorderingen, de doorwerking van materieelrechtelijke rechtsregels van Unierecht in de nationale rechtsorde in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken. Het doeltreffendheidsbeginsel ziet daarmee op de verhouding tussen het nationale recht en het Unierecht. Er wordt beoogd de voorrang en de doorwerking van het Unierecht zeker te stellen.



5.15
Anders dan het middel ingang wil doen vinden, ziet dit beginsel niet op de verhouding tussen procedureel Unierecht en materieel Unierecht.



5.16
De door SMC aangehaalde bronnen voor de stelling dat het doeltreffendheidsbeginsel wél ziet op de verhouding tussen procedureel Unierecht en materieel Unierecht onderbouwen de door SMC voorgestane uitleg van art. 18 lid 1 Brussel I-bis mijns inziens onvoldoende.


5.16.1
Ten eerste de zaak CDC Hydrogen Peroxide. Die zaak betrof een follow-on actie na schending van het mededingingsrecht. De centrale vraag was of het intrekken door de eiser van zijn vordering jegens de ‘ankergedaagde’ gevolgen had voor de bevoegdheid van het aangezochte gerecht (Landgericht Dortmund) ten aanzien van de andere gedaagde partijen. Volgens het Hof was dat niet het geval. Het Hof heeft in zijn arrest de toepassing van het doeltreffendheidsbeginsel afgewezen.



5.16.2
In CDC Hydrogen Peroxide stond het onrechtmatig handelen vast (strijd met art. 101 lid 1 VWEU) zodat er in beginsel recht op schadevergoeding bestond. Hier is dat niet zo: er is geen inbreuk op enige wettelijke bepaling vastgesteld; er is een schending gesteld van een nationale wettelijke bepaling. Dat verschil is een extra reden waarom deze zaak zich onderscheidt van de zaak CDC Hydrogen Peroxide.



5.16.3
Ten tweede de zaak Schrems/Facebook. SMC beroept zich op punt 40 van het arrest, dat ik hieronder samen met de daaraan voorafgaande en de daarop volgende overweging citeer:


“39 Niettemin, aangezien het begrip „consument” tegenover dat van „economisch subject” staat (zie in die zin arresten van 3 juli 1997, Benincasa, C-269/95, EU:C:1997:337, punt 16, en 20 januari 2005, Gruber, C-464/01, EU:C:2005:32, punt 36) en losstaat van de kennis en de informatie waarover de betrokken persoon daadwerkelijk beschikt (arrest van 3 september 2015, Costea, C-110/14, EU:C:2015:538, punt 21), ontnemen noch de expertise die deze persoon mogelijkerwijs verwerft op het gebied van de voormelde diensten, noch zijn inspanningen voor de vertegenwoordiging van de rechten en belangen van de gebruikers ervan, hem de hoedanigheid van „consument” in de zin van artikel 15 van verordening nr. 44/2001.



40 Een uitlegging volgens welke dergelijke activiteiten uitgesloten zijn van het begrip „consument” zou er immers op neerkomen dat consumenten de rechten waarover zij ten aanzien van professionele wederpartijen beschikken, daaronder begrepen die betreffende de bescherming van hun persoonsgegevens, niet doeltreffend kunnen afdwingen. Een dergelijke uitlegging zou voorbijgaan aan de in artikel 169, lid 1, VWEU verwoorde doelstelling om hun recht van vereniging ter behartiging van hun belangen te bevorderen.



41 Gelet op het voorgaande dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 15 van verordening nr. 44/2001 aldus moet worden uitgelegd dat een gebruiker van een particuliere Facebookaccount niet de hoedanigheid van „consument” in de zin van deze bepaling verliest wanneer hij boeken publiceert, lezingen houdt, websites exploiteert, giften inzamelt en de rechten van talrijke consumenten aan zich laat cederen om deze rechten te doen gelden in rechte.”





5.17
Deze overwegingen moeten worden gelezen in het kader van de vraag of een consument die hoedanigheid onder bepaalde omstandigheden kan verliezen. Zoals uiteengezet in nr. 4.31.2), heeft het Hof in Schrems/Facebook ook overwogen dat een consument aan wie vorderingen van andere consumenten zijn gecedeerd, voor die vorderingen geen beroep kan doen op de bevoegdheidsregels voor consumentenovereenkomsten, aangezien zij niet zelf partij is bij de betrokken (consumenten)overeenkomst. Het doeltreffendheidsbeginsel maakte dit niet anders.



5.18
Ik voeg aan het voorgaande nog de volgende, fictieve vergelijking toe. Stel een makelaar legt zich erop toe om op eigen naam maar voor rekening van consumenten boekingen bij Airbnb te verzorgen (dus voor huurders die dit uit handen willen geven). In die fictieve situatie kan die makelaar geen beroep doen op het forum consumentis, omdat hij contractpartij, maar geen consument is. Of een variant daarop: de verhuurder is een natuurlijk persoon/consument en schakelt een makelaar in om zijn woning te verhuren via Airbnb. Deze natuurlijke persoon (in de zin van art. 7:408 lid 3 BW) kan dan niet een vordering instellen bij de rechter van zijn woonplaats in bijvoorbeeld Nederland omdat hij niet zelf partij is bij de overeenkomst met Airbnb. Ook de door hem ingeschakelde makelaar kan in dit voorbeeld geen beroep doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis: hij is weliswaar partij bij de overeenkomst maar zelf geen consument. De dubbele hoedanigheid van consument én contractpartij is dus vereist om een beroep te kunnen doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis.



5.19
Gelet op het voorgaande faalt subonderdeel A.1.



Subonderdeel A.2





5.20
In subonderdeel A.2 voert SMC aan, dat voor zover het hof moet worden geacht het arrest VKI/Henkel van het Hof van Justitie mede bij zijn oordeel te hebben betrokken en daaruit te hebben afgeleid dat een consumentenorganisatie als SMC geen beroep kan doen op art. 18 Brussel I-bis, het hof er dan, mede gelet op zijn oordeel in rov. 2.22-2.24 aan voorbij heeft gezien dat de consumentenorganisatie de vordering in die zaak VKI op de voet van (een consumentvriendelijke uitleg van) art. 7 punt 2 Brussel I-bis kon voorleggen aan de rechter van de woonplaats van de consument. In zoverre werd in die zaak dan ook recht gedaan aan het doeltreffendheidsbeginsel, aldus de klacht. In haar schriftelijke toelichting voegt SMC daaraan toe dat: “(…) de consumentenbescherming prevaleert boven een (meer) restrictieve uitleg van de bevoegdheidsgronden uit de Brussel I-bis Vo. (…)”.



5.21
Het subonderdeel faalt reeds omdat uit het bestreden arrest niet blijkt dat het arrest VKI/Henkel (impliciet) is betrokken in het oordeel. Het hof noemt in de door onderdeel A bestreden overwegingen alleen de arresten Schrems/Facebook en Club La Costa.



5.22
Met betrekking tot het arrest VKI/Henkel merk ik nog op dat het niet ziet op de bevoegdheidsregels inzake door consumenten gesloten overeenkomsten. Het Hof beoordeelde of de (preventieve) vordering die door een consumentenvereniging (als in die zaak VKI) wordt ingesteld om een handelaar te verbieden oneerlijke bedingen in overeenkomsten met particulieren te gebruiken, een verbintenis uit overeenkomst is (art. 5 punt 1 EEX-Verdrag; thans art. 7 punt 1 Brussel I-bis) of een verbintenis uit onrechtmatige daad (art. 5 punt 3 EEX-Verdrag; thans art. 7 punt 2 Brussel I-bis). Het Hof van Justitie kwam – naar mijn mening niet verrassend – tot de conclusie dat geen sprake was van een verbintenis uit overeenkomst, nu een contractuele relatie tussen de consumentenvereniging en de wederpartij (handelaar) ontbrak. VKI ontleende het recht om de betreffende vordering in te stellen aan de nationale wet.



5.23
Het betoog dat het hof in deze zaak anders had moeten oordelen over toepasselijkheid van art. 18 lid 1 Brussel I-bis in een geval als het onderhavige, gelet op het VKI/Henkel-arrest, kan ik gelet op het voorgaande dan ook niet volgen. Dat het Hof een beroep op art. 5 punt 3 EEX-Verdrag (art. 7 punt 2 Brussel I-bis) mogelijk acht voor een consumentenorganisatie die een verbodsvordering instelt, betekent uiteraard niet dat een belangenorganisatie die een collectieve actie start, zou moeten profiteren van het forum consumentis. Het gaat immers om twee verschillende bepalingen. Art. 7 lid 2 Brussel I-bis betreft verbintenissen uit onrechtmatige daad en bevat niet de beperking dat het moet gaan om een (overeenkomst gesloten door een) consument. Het Hof overwoog in VKI/Henkel ook:


“33 Zoals het Hof immers heeft geoordeeld in zijn arrest (…) Shearson Lehman Hutton (…), is een rechtspersoon die optreedt als cessionaris van de rechten van een particuliere eindverbruiker maar zelf geen partij is bij een overeenkomst tussen een verkoper en een particulier, geen consument zoals bedoeld in het Executieverdrag, zodat hij zich niet op de artikelen 13 tot en met 15 van dit verdrag kan beroepen. Deze uitlegging dient eveneens te gelden voor een vereniging voor consumentenbescherming als VKI, die een collectieve verbodsvordering ten behoeve van de consumenten heeft ingesteld.”




5.24
In haar schriftelijke toelichting voegt SMC toe dat ook in de literatuur is betoogd dat het onwenselijk is dat een belangenorganisatie geen beroep kan doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Daartoe verwijs ik naar het juridisch kader, nr. 4.32-4.34 van deze conclusie.



5.25
Gelet op het voorgaande faalt subonderdeel A.2.



Subonderdeel A.3





5.26
Volgens SMC is het oordeel van het hof over de reikwijdte van art. 18 lid 1 Brussel I-bis bovendien onjuist en/of onbegrijpelijk in het licht van de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval. Het gevolg van dit oordeel – gelezen in samenhang met de overwegingen van het hof met betrekking tot art. 7 punt 1, art. 25 en art. 7 punt 2 Brussel I-bis – is namelijk dat SMC haar vorderingen, in de kennelijke visie van het hof, uitsluitend kan voorleggen aan de Ierse rechter, volgens de hoofdregel van art. 4 Brussel I-bis. Deze “kennelijke visie van het hof” zou staan in rov. 2.3. Daar overweegt het hof het volgende:


“2.3 Verweerster Airbnb is gevestigd in de Europese Unie en de vordering in de hoofdzaak betreft een burgerlijke of handelszaak. Dit betekent dat de vraag of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, wordt beantwoord aan de hand van de Brussel I-bis Verordening. Vast staat dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan de hoofdregel van art. 4 Brussel I-bis Verordening (woonplaats van de verweerder), omdat Airbnb in Ierland is gevestigd. De vraag die voorligt is daarom of de Nederlandse rechter op een van de overige bevoegdheidsgronden uit de Brussel I-bis Verordening internationaal bevoegd is.”




5.27
Volgens SMC leidt het voorgaande ertoe dat consumentenorganisaties – en daarmee consumenten in het algemeen – in procedures tegen Airbnb feitelijk met lege handen komen te staan, althans dat de kans daarop aanzienlijk is/zal zijn. Het Ierse recht kent namelijk (nog) niet de mogelijkheid van een collectieve actie en verbiedt third party funding van civiele procedures (als in deze zaak aan de orde) grotendeels. SMC betoogt dat het voorgaande op gespannen voet staat met het doeltreffendheidsbeginsel. Volgens SMC had het hof de genoemde specifieke omstandigheden, die tussen partijen vaststaan, in zijn oordeel moeten betrekken, dan wel had het hof gemotiveerd moeten responderen op de (essentiële) stellingname van SMC in dit verband.



5.28
SMC beroept zich aldus op twee kenmerken van het Ierse (proces)recht, namelijk het ontbreken van de mogelijkheid tot een collectieve actie (voor het aan de orde zijnde geval) en een verbod op third party funding. Duidelijk moge zijn dat het hof niet op basis van dergelijke kenmerken van het Ierse recht toch aan art. 18 lid 1 Brussel I-bis bevoegdheid zou kunnen ontlenen. De verordening kent een gesloten systeem van bevoegdheidsregels: indien de verordening van toepassing is, mag de aangezochte rechter zijn bevoegdheid alleen beoordelen aan de hand van de regels van Brussel I-bis. Mogelijke negatieve praktische gevolgen van de algemene bevoegdheidsregel van art. 4 Brussel I-bis veranderen niets aan het bindende karakter van die Unierechtelijke regel. Dat de uitkomst van die regels in de ogen van een procespartij niet doelmatig zijn, is evenmin een reden om die regels anders uit te leggen .



5.29
Zoals ik bij de bespreking van subonderdeel A.1 reeds heb uitgewerkt konden de rechtbank en het hof uit de rechtspraak van het Hof van Justitie afleiden dat een (rechts)persoon die een vordering instelt tegen de (contractuele) wederpartij van de consument, maar die niet zelf partij is bij de betreffende overeenkomst, geen beroep kan doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis en op basis daarvan tot het oordeel komen dat SMC geen beroep kan doen op voornoemde bepaling. Het is systematisch juist dat het hof vervolgens is teruggevallen op de algemene regel van art. 4 lid 1 Brussel I-bis.



5.30
Voor zover SMC in subonderdeel A.3 betoogt dat het hof zich (desondanks) bevoegd had moeten verklaren op basis van de hiervoor genoemde omstandigheden, kan dit betoog dan ook niet slagen. Wat betreft het beroep van SMC op het doeltreffendheidsbeginsel verwijs ik naar mijn opmerkingen die ik daarover bij de bespreking van subonderdeel A.1 heb gemaakt (zie nr. 5.15 e.v.). Het betoog van SMC geeft mij aanleiding nog het volgende op te merken.



5.31
Een professionele belangenorganisatie als SMC mag er mee bekend worden verondersteld (i) dat het Ierse recht niet een zelfde soort collectieve actie kent als art. 3:305a BW en (ii) dat er – tot dusverre – geen geharmoniseerde regels binnen de EU bestaan over de voorwaarden waaronder third party financing is toegestaan. In Nederland gelden voor externe financiering in beginsel geen beperkingen. Dit liberale regime vergemakkelijkt het instellen van een collectieve actie bij de Nederlandse rechter. Dat is echter geen reden waarom de Nederlandse rechter (steeds) bevoegd zou moeten zijn als een Nederlandse belangenorganisatie op grond van het Nederlandse recht een collectieve actie instelt tegen een partij die niet in Nederland is gevestigd. Een dergelijke ‘neerlandocentrische benadering’ is binnen het stelsel van geharmoniseerde bevoegdheidsregels wezensvreemd. Verdere harmonisatie van nationale wetgevingen kan aan de orde komen, maar zo lang het daarvan niet is gekomen kan het doeltreffendheidsbeginsel niet worden ingezet als breekijzer of lapmiddel om door eisende partijen gepercipieerde procedurele nadelen uit de weg te ruimen. Indien praktisch gezien het Ierse procesrecht slechts in beperkte mate collectieve acties kent, kan dat als zodanig niet een reden zijn voor de Nederlandse rechter om zich bevoegd te achten van het geschil kennis te nemen.



5.32
Tot slot betoogt SMC dat het hof de door haar aangevoerde omstandigheden van het geval (die zien op de gevolgen van het oordeel van het hof omtrent de bevoegdheid) in zijn oordeel had moeten betrekken, dan wel gemotiveerd had moeten reageren op de (essentiële) stellingen van SMC in dat verband. Zij verwijst ter ondersteuning van dit betoog naar punt 66-71 van de memorie van grieven. Dit gedeelte van de memorie van grieven is evenwel opgenomen onder grief 1, die zag op het oordeel van de rechtbank over art. 7 punt 1 Brussel I-bis en niet op het oordeel van de rechtbank over art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Los daarvan kunnen de genoemde omstandigheden naar mijn mening niet leiden tot een ander oordeel over de niet-toepasselijkheid van art. 18 lid 1 Brussel I-bis.



5.33
In het licht van het voorgaande faalt subonderdeel A.3.



Subonderdeel A.4





5.34
SMC klaagt dat het hof geen prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie heeft gesteld, terwijl daar voldoende aanleiding voor bestond. Zij betoogt dat geen sprake was van een acte clair, gezien de inhoud en strekking van de in subonderdelen A.1 en A.2 genoemde rechtspraak, zodat gelet op het doeltreffendheidsbeginsel en de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval (genoemd in subonderdeel A.3) er voor het hof voldoende aanleiding was om prejudiciële vragen te stellen. Daarnaast vermeldt SMC dat de haken en ogen die volgens haar zijn verbonden aan het onthouden aan consumentenorganisaties van een beroep op art. 18 Brussel I-bis, door de Commissie en door consumentenrechtexperts zijn onderkend. In het licht daarvan bestond volgens SMC voor het hof temeer aanleiding om vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Zij geeft thans de Hoge Raad in overweging om de vraag naar de reikwijdte van art. 18 Brussel I-bis in een context als hier aan de orde alsnog aan het Hof voor te leggen. Volgens haar zou de Hoge Raad de vraag kunnen voorleggen “(…) of artikel 18 lid 1 Brussel I-bis Vo zo moet worden uitgelegd dat het voor een consumentenorganisatie die een vordering aanhangig maakt door middel van een collectieve actie – zijnde een rechtsvordering, ingesteld door een belangenorganisatie, ter bescherming van gelijksoortige belangen van individuele consumenten – mogelijk is om onder de reikwijdte van die bepaling te vallen.”



5.35
Om te beginnen herinner ik eraan op dat op het hof geen verplichting rustte om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Een dergelijke verplichting rust alleen op rechterlijke instanties waarvan de beslissingen niet vatbaar zijn voor een hogere voorziening (art. 267, derde alinea, VWEU). Reeds daarop strandt de klacht.



5.36
Ik voeg het volgende toe. Voor de Hoge Raad bestaat er mijns inziens geen aanleiding een prejudiciële vraag te stellen over art. 18 lid 1 Brussel I-bis. Uit de hiervoor samengevatte, vaste rechtspraak van het Hof volgt immers reeds dat een eiser die geen partij is bij de consumentenovereenkomst naar aanleiding waarvan het geschil is gerezen, geen beroep kan doen op het forum consumentis. Een organisatie die in een collectieve actie opkomt voor de belangen van consumenten, is geen partij bij de door die consumenten gesloten overeenkomsten. Zo hier al geen sprake is van een acte clair, is er gelet op de hiervoor genoemde consistente rechtspraak in elk geval sprake van een acte éclairé zodat een uitzondering op de verwijzingsplicht van toepassing is. Dat het Hof zich nog niet heeft uitgelaten over de vraag of een belangenorganisatie die in een collectieve actie ex art. 3:305a BW opkomt voor de belangen van consumenten een beroep kan doen op art. 18 lid 1 Brussel I-bis laat onverlet dat de betekenis van deze Unierechtelijke bepaling reeds voldoende is opgehelderd.



5.37
Het voorgaande betekent dat subonderdeel A.4 faalt zodat geen van de in onderdeel A aangevoerde klachten slaagt.



Onderdeel B – toepasselijkheid van art. 7 punt 1, sub b, Brussel I-bis





Inleidende opmerkingen





5.38
Het tweede onderdeel van het middel is met name gericht tegen rov. 2.16-2.17 van het bestreden arrest, waar het hof ingaat op de vraag wat bij een overeenkomst tot het verstrekken van diensten de plaats is waar de diensten worden verstrekt. Die plaats is het aanknopingspunt voor de bevoegdheid op grond van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis.



5.39
Zoals het hof terecht overweegt (rov. 2.7), is eerst te onderzoeken de vraag of in dit geval sprake is van een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend (rov. 2.9)



5.40
De volgende vraag is of sprake is van een overeenkomst tot het verstrekken van diensten (rov. 2.10). Ook die vraag beantwoordt het hof bevestigend (rov. 2.11).



5.41
De laatste vraag is dan wat de plaats is waar deze dienst wordt verricht (rov. 2.12). Tussen partijen staat vast dat de overeenkomst en de daarbij horende gebruiksvoorwaarden geen bepalingen bevatten over de plaats van uitvoering van de door Airbnb te verstrekken diensten. Volgens SMC is de plaats van daadwerkelijke uitvoering niet Ierland, waar het technische beheer van het platform plaatsvindt, maar Nederland, omdat de digitale dienstverlening van Airbnb aan de Nederlandse gebruikers, voor wie SMC optreedt, op Nederland is (in)gericht. Volgens Airbnb daarentegen verricht zij haar diensten wel degelijk (hoofdzakelijk) vanuit Ierland. Het platform kan door gebruikers overal ter wereld worden gebruikt, zodat de woonplaats van de gebruikers geen geschikt aanknopingspunt vormt, aldus Airbnb (rov. 2.13-2.15).



5.42
Daaromtrent overweegt het hof het volgende:


“2.16 Naar het oordeel van het hof kan, als er op grond van de daadwerkelijke uitvoering al één plaats kan worden aangewezen waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht, niet worden geoordeeld dat dit Nederland is. De kenmerkende of ‘hoofddienst’ (HvJEU 9 juli 2009, ECLI:EU:C:2009:439, Rehder) van Airbnb is het bij elkaar brengen van huurders en verhuurders door middel van een door Airbnb opgestelde lijst met accommodaties die via haar internetplatform toegankelijk zijn. De operatie en het beheer van het platform van Airbnb vindt plaats in Ierland door haar aldaar werkzame werknemers, hetgeen het standpunt van Airbnb ondersteunt dat de overeengekomen dienstverlening hoofdzakelijk in Ierland plaatsvindt. SMC komt op voor consument-huurders die in Nederland wonen die via Airbnb huurovereenkomsten zijn aangegaan met verhuurders uit willekeurig welk van de door Airbnb bestreken 220 landen met betrekking tot huurobjecten waarvoor hetzelfde geldt. Nederlandse consument-huurders kunnen via Airbnb huurovereenkomsten sluiten ongeacht waar ter wereld zij zich op dat moment bevinden. Voor zover al relevant, levert de plaats waar Nederlandse consumenten zich via het platform van Airbnb met het aanbod van de verhuurders akkoord verklaren geen plaats van uitvoering in Nederland op. Hetzelfde geldt voor het gegeven dat Airbnb evenementen voor Nederlandse verhuurders organiseert, nu SMC alleen consument-huurders vertegenwoordigt die via Airbnb van verhuurders uit willekeurig welk land hebben gehuurd. Dat de website van Airbnb voor Nederlandse consument-huurders in de Nederlandse taal is gesteld en Airbnb op de Nederlandse markt gerichte (promotie)activiteiten verricht, maakt evenmin dat de plaats van daadwerkelijke uitvoering van de bemiddelende dienst van Airbnb hoofdzakelijk in Nederland is gelegen. Uit het feit dat Airbnb niet alleen werknemers in Ierland heeft maar ook lokaal (waaronder in Nederland) een gering aantal werknemers in dienst heeft, volgt mede gezien de hiervoor genoemde omstandigheden hooguit dat de plaats van daadwerkelijke uitvoering in verschillende landen is gelegen maar niet dat de diensten hoofdzakelijk in Nederland worden verricht. Ten overvloede zij nog opgemerkt dat de (hoofd)dienst van Airbnb ten opzichte van de consumenten wier belangen SMC wenst te behartigen, niet bestaat in de ter beschikkingstelling van door die consumenten af te nemen en te exploiteren (maat)software, zodat niet op die grond een forum is gegeven in hun (woon)plaats waar zulke (maat)software wordt opgevraagd en gebruikt (vgl. HvJEU 28 november 2014, ECLI:EU:C:2024:985, Variussystems).




2.17
Voor zover moet worden geoordeeld dat het internationale karakter van de dienstverlening meebrengt dat op deze grondslag geen plaats van uitvoering kan worden bepaald, is zoals onder 2.12 overwogen de woonplaats van de dienstverrichter beslissend. Die ligt in Ierland, zodat ook in dat geval geen bevoegdheid van de Nederlandse rechter is gegeven. Grief 1 faalt derhalve.”



5.43
Naar het oordeel van SMC gaat het geheel aan overwegingen van het hof uit van een onjuiste rechtsopvatting, althans zijn die overwegingen onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Zij draagt daarvoor verschillende redenen aan (subonderdeel B.1-B.5).



Subonderdeel B.1





5.44
SMC voert aan dat het hof heeft miskend dat in een geval als het onderhavige, waarin de dienstverrichter zich met haar activiteiten, via een wereldwijd toegankelijk digitaal platform (mede) specifiek richt op de Nederlandse consumentenmarkt, de plaats van verstrekking van de diensten in de zin van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis moet worden geacht de woonplaats van de gebruiker van het platform (de consument) te zijn. In dit geval is dat (onbetwist) Nederland. Volgens SMC geldt dit aanknopingspunt ook als de vordering aanhangig wordt gemaakt door middel van een collectieve actie van een consumentenorganisatie. SMC verwijst naar de zaak Stichting Right to Consumer Justice c.s./Apple – in het bijzonder de uitspraken van de rechtbank Amsterdam en de conclusie van A-G Campos Sánchez-Bordona – en naar het arrest in de gevoegde (Oostenrijkse) zaken Pammer en Alpenhof. Volgens SMC is dit ook haar (essentiële) stellingname geweest in de eerdere instanties van deze procedure en heeft het hof daar niet, dan wel niet op een voldoende kenbare en/of begrijpelijke manier, op gerespondeerd.



5.45
De klachten zien op het oordeel van het hof over de plaats van verstrekking van de dienst(en) van Airbnb. SMC klaagt niet over de kwalificatie van de rechtsbetrekking als ‘verbintenis uit overeenkomst’ (rov. 2.7-2.9 van het bestreden arrest) en als ‘overeenkomst tot verstrekking van diensten’ (rov. 2.10-2.11 van het bestreden arrest). Anders gezegd, het debat in cassatie gaat alleen over de hiervoor onderscheiden derde en laatste vraag (zie nr. 5.41).



5.46
Om te beginnen merk ik op dat mij op basis van de rechtspraak van het Hof van Justitie geen algemene regel bekend is dat in een geval waarin een dienstverrichter zich met zijn activiteiten, via een wereldwijd toegankelijk digitaal platform (mede) specifiek richt op de consumentenmarkt van een lidstaat, de plaats van verstrekking van de diensten, bedoeld in art. 7 punt 1, sub b, tweede streepje, Brussel I-bis, dan de woonplaats van de gebruiker van het platform geacht moet worden te zijn, en dat dat aanknopingspunt ook, dan wel althans, zou gelden in geval van een collectieve actie.



5.47
Art. 7 punt 1, sub a, Brussel I-bis knoopt voor verbintenissen uit overeenkomst wat betreft de bevoegdheid aan bij de plaats waar de verbintenis die aan de eis ten grondslag ligt, is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Ingevolge art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis is de plaats van uitvoering bij overeenkomsten voor de verstrekking van diensten de plaats in een lidstaat waar de diensten volgens de overeenkomst verstrekt werden of verstrekt hadden moeten worden. Het hof heeft deze uitgangspunten opgenomen in rov. 2.12 en heeft vervolgens aansluiting gezocht bij de rechtspraak betreffende situaties waarin sprake is van meerdere plaatsen van dienstverstrekking (binnen één EU-lidstaat of in verschillende lidstaten). Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de overeenkomst in kwestie geen bepalingen bevat over de plaats van uitvoering van de te verstrekken diensten (rov. 2.13) en heeft, na de standpunten van partijen te hebben weergegeven (rov. 2.14-2.15), aan de hand van de stellingen van partijen een afweging gemaakt wat betreft de plaats waar de met Airbnb gesloten overeenkomsten zijn of moeten worden uitgevoerd (rov. 2.16, zojuist geciteerd). Het hof is tot de conclusie gekomen dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid aan art. 7 punt 1, sub b, tweede streepje, Brussel I-bis kan ontlenen.



5.48
Deze overwegingen geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ik verwijs naar de samenvatting van de rechtspraak in de nrs. 4.19 en 4.20 van deze conclusie.



5.49
Het hof heeft in zijn afweging de stellingen van partijen betrokken, ook de door SMC aangedragen omstandigheden, en is uiteindelijk tot een andere conclusie gekomen dan SMC. Voor een herbeoordeling aan de hand van de door SMC genoemde omstandigheden is in cassatie geen plaats.



5.50
Voor de door haar bepleite uitleg van art. 7 punt 1 sub, tweede streepje, beroept SMC zich op de zaak Apple inzake de appstore en op het arrest Pammer en Alpenhof (zie nr. 5.44) In die zaken zijn evenwel andere bevoegdheidsregels uit Brussel I-bis aan de orde: in Apple is dat art. 7 punt 2 Brussel I-bis (verbintenis uit onrechtmatige daad), in Pammer en Alpenhof is dat art. 17 lid 1 sub c Brussel I-bis (consumentenovereenkomsten).



5.51
Ik begin met de Apple-zaak. Drie claimstichtingen hadden een collectieve actie gestart waarin werd betoogd dat sprake is van schending van het mededingingsrecht (misbruik van machtspositie). De rechtbank Amsterdam nam ten aanzien van een deel van de vorderingen internationale bevoegdheid aan, maar stelde over de uitleg van art. 7 punt 2 Brussel I-bis prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie. In die vragen is ook expliciet aan de orde gesteld of het voor de uitleg uitmaakt dat het gaat om een collectieve actie in de zin van art. 3:305a BW. Inmiddels heeft het Hof van Justitie arrest gewezen.



5.52
Het Hof beantwoordde de door hem geherformuleerde prejudiciële vraag als volgt:


“Gelet op een en ander dient op de tweede vraag, onder a) en b), te worden geantwoord dat artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 aldus moet worden uitgelegd dat binnen een markt van een lidstaat die beweerdelijk wordt beïnvloed door mededingingsverstorende gedragingen waarbij de beheerder van een onlineplatform dat op alle in die staat gevestigde gebruikers is gericht een buitensporige commissie inhoudt op de prijs van apps en digitale in-appproducten die op dat platform worden verkocht, iedere rechterlijke instantie van die lidstaat die materieel bevoegd is om kennis te nemen van een representatieve vordering die is ingesteld door een instantie die bevoegd is om de collectieve belangen te beschermen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die op dat platform digitale producten hebben gekocht, op grond van de plaats waar de schade is ingetreden internationaal en territoriaal bevoegd is om kennis te nemen van deze vordering ten aanzien van al die gebruikers.”




5.53
Deze uitleg is volgens het Hof in lijn met de doelstellingen van Brussel I-bis van nabijheid, voorspelbaarheid en een goede rechtsbedeling:


“71. Wat de doelstelling van nabijheid tussen de aangezochte rechter en het voorwerp van de gedingen betreft, moet erop worden gewezen dat de bijzondere kenmerken van de representatieve vorderingen in de hoofdgedingen er in essentie toe leiden dat de rechter die daarvan kennis moet nemen, het bestaan van de gestelde schade onderzoekt ten opzichte van de nauw omschreven groep van niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers die gelijksoortige schade hebben geleden als gevolg van mededingingsverstorende gedragingen die op het gehele betrokken grondgebied hebben plaatsgevonden. Bijgevolg heeft elk gerecht dat materieel bevoegd is om een dergelijke vordering te onderzoeken, dezelfde nabijheid tot het voorwerp van die vordering.



72. Die conclusie voldoet eveneens aan het vereiste van voorspelbaarheid, aangezien zij ervoor zorgt dat zowel de eiser als de verweerder kan uitmaken welke gerechten bevoegd zijn. Wat in casu Apple Distribution International betreft, is het – aangezien de NL App Store specifiek op de Nederlandse markt is gericht – voorspelbaar dat een representatieve aansprakelijkheidsvordering voor aankopen die op dat platform zijn gedaan, wordt ingesteld bij elke willekeurige Nederlandse rechterlijke instantie die materieel bevoegd is.



73. Die conclusie voldoet tevens aan de vereisten van een goede rechtsbedeling aangezien daardoor, ten eerste, een doeltreffend procedureel beheer van het geding mogelijk is, ten tweede, de bewijsvoering en -waardering kan worden verricht door één rechterlijke instantie, namelijk de materieel bevoegde Nederlandse rechter die is aangezocht door de instantie die bevoegd is om de collectieve belangen van een aantal niet-geïdentificeerde maar wel identificeerbare gebruikers te beschermen, en, ten derde, de kans op afwijkende uitspraken kan worden voorkomen.



74. Dienaangaande moet worden benadrukt dat – gelet op de specifieke kenmerken van mededingingszaken en meer in het bijzonder de omstandigheid dat het instellen van schadevorderingen wegens inbreuken op het mededingingsrecht in beginsel een complexe feitelijke en economische analyse vereist – de bundeling van individuele vorderingen zowel de uitoefening van het recht op schadevergoeding voor benadeelde personen (…) als de taak van de aangezochte rechter kan vergemakkelijken. In de context van artikel 7, punt 2, van verordening nr. 1215/2012 kan de technisch ingewikkelde aard van de regels voor schadevorderingen die betrekking hebben op inbreuken op het mededingingsrecht dus pleiten voor een bevoegdheidsconcentratie (…), met name wanneer die regels betrekking hebben op praktijken van exploitanten van digitale platforms.



75. Deze bepaling verzet zich dus niet tegen de toepassing van nationale regels die een dergelijke concentratie beogen te verzekeren, met name wanneer bij verschillende nationale rechterlijke instanties representatieve vorderingen worden ingesteld door bevoegde instanties (…).”




5.54
Het Hof houdt er in deze overwegingen rekening mee dat het ging om een collectieve actie. Dit arrest is ook het eerste waarin het Hof zich daadwerkelijk uitlaat over de betekenis van de collectieve actie bij de toepassing van Brussel I-bis. Uit het arrest kan ook worden afgeleid dat bij de bepaling van de plaats waar de schade is ingetreden rekening wordt gehouden met de omstandigheid dat het een online platform betreft en dat online aankopen worden gedaan. In zoverre is er wellicht een bepaalde parallel te trekken met de onderhavige zaak. De verschillen tussen beide zaken wegen mijns inziens zwaarder. In het Apple-arrest (i) is het oordeel gegeven in de specifieke context van het mededingingsrecht, (ii) is een invulling gegeven van het Erfolgsort, (iii) ging het om het bepalen van de territoriaal bevoegde rechter en (iv) was de rechtsvraag of art. 7 punt 2 Brussel I-bis zich verzet tegen een nationale regel inzake concentratie van rechterlijke bevoegdheid. In de onderhavige zaak daarentegen (a) gaat het niet om schending van het mededingingsrecht, (b) haalt SMC het Apple-arrest aan in het kader van het beroep op art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, en (c) heeft de aangezochte Nederlandse rechter geoordeeld dat hij niet internationaal bevoegd is. Genoemde verschillen maken dat de in het Apple-arrest gegeven uitleg van art. 7 punt 2 Brussel I-bis niet kan worden doorgetrokken naar deze zaak. Overigens blijkt uit het Apple-arrest niet dat een belangenorganisatie een vordering wegens onrechtmatige daad kan instellen bij de rechter van de woonplaats van de consument.



5.55
Dan de zaken Pammer en Alpenhof. In dat arrest ging het Hof van Justitie in op de betekenis van het via een website richten van de activiteiten op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft in de zin van art. 15 lid 1 sub c Brussel I (thans art. 17 lid 1 sub c Brussel I-bis). Het Hof oordeelde dat de enkele omstandigheid dat de internetsite in de lidstaat waar de consument woont toegankelijk is, onvoldoende is om te kunnen oordelen dat de activiteiten van de ondernemer gericht zijn op die lidstaat. Hetzelfde geldt voor vermelding van een e-mailadres en andere contactgegevens of voor het gebruik van een taal of munteenheid die gewoonlijk wordt gebruikt in de lidstaat van vestiging van de ondernemer. Om vast te stellen of een ondernemer wiens activiteit op zijn website of die van een tussenpersoon wordt voorgesteld, kan worden geacht die activiteit te richten op de lidstaat waar de consument woont, moet worden onderzocht “(…) of vóór de eventuele sluiting van een overeenkomst met de consument uit deze internetsites en de algemene activiteit van de ondernemer blijkt dat deze van plan was om handel te drijven met consumenten die woonplaats hebben in één of meerdere lidstaten, waaronder die waar deze consument woonplaats heeft, in die zin dat hij bereid was om met deze consumenten een overeenkomst te sluiten.” Vervolgens gaf het Hof een niet-uitputtende lijst van omstandigheden – door de nationale rechter te onderzoeken – die een aanwijzing kunnen vormen dat de activiteit van een ondernemer gericht is op de lidstaat waar de consument woont. Art. 17 Brussel I-bis regelt de toepasselijkheid van afd. 4 van hoofdstuk II Brussel I-bis, betreffende consumentenovereenkomsten. Anders dan art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, bevat art. 17 lid 1 sub c geen bevoegdheidsregel. Daarnaast verschilt het begrip ‘richten op’ in art. 17 lid 1 sub c van de in art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, opgenomen aanknopingsfactor van de plaats waar de diensten werden of hadden moeten worden verstrekt.



5.56
De woonplaats van de gebruiker van het platform is als aanknopingspunt in zoverre ook minder voor de hand liggend dat daardoor de rechter in verschillende lidstaten bevoegd kan zijn voor het zelfde geschil, bijvoorbeeld als een belangenorganisatie een achterban heeft van natuurlijke personen die woonachtig zijn in verschillende lidstaten. Indien het niet de consument zelf is die de vordering heeft ingesteld, is ook vanuit het oogpunt van voorzienbaarheid de ‘woonplaats van de consument’ geen goed aanknopingspunt voor het bepalen van de plaats waar de dienst van Airbnb hoofdzakelijk wordt verstrekt.



5.57
Gelet op het voorgaande, kom ik tot de conclusie dat niet slaagt de klacht dat het hof heeft miskend dat in een geval als het onderhavige de woonplaats van de gebruiker van het platform moet worden geacht de plaats te zijn van verstrekking van de diensten in de zin van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis, ook in geval van een collectieve actie van een consumentenorganisatie.



5.58
De motiveringsklacht dat het hof niet op voldoende kenbare of begrijpelijke wijze op de stellingen van SMC wat betreft de plaats van verstrekking van de diensten heeft gerespondeerd slaagt niet. SMC verwijst in de procesinleiding naar verschillende processtukken. Daaruit blijkt – kort samengevat – dat zij heeft aangevoerd dat niet in geschil zou zijn dat de diensten die Airbnb aan de gedupeerde consumenten heeft verstrekt, in Nederland zijn verstrekt. SMC heeft op verschillende aanknopingspunten in de stukken van Airbnb gewezen waaruit zou blijken dat Airbnb actief is in Nederland, op de Nederlandse markt. Daarbij is volgens SMC niet relevant dat de diensten van Airbnb vanuit Ierland zijn verstrekt. In de memorie van grieven heeft SMC verschillende omstandigheden aangevoerd waaruit volgens haar zou blijken dat de dienst van Airbnb specifiek is afgestemd op en is bedoeld voor consumenten in Nederland en dat de dienst (dus) overwegend in Nederland wordt verstrekt. Volgens SMC is van (doorslaggevend) belang hoe de digitale dienstverlening van Airbnb richting Nederlandse gebruikers is ingericht. Zij voert aan dat dit ook in lijn is met eerdere rechtspraak van het Hof van Justitie, waarin geoordeeld is over de verhouding tussen Brussel I-bis en een digitale omgeving (zij het ten aanzien van andere bepalingen, namelijk art. 7 punt 2 en art. 17 Brussel I-bis). Ook in dat verband heeft SMC in hoger beroep verwezen naar Pammer en Alpenhof en naar de zaak Apple.



5.59
Airbnb heeft daar terecht tegen ingebracht dat de Nederlandse rechter niet bevoegd is op grond van art. 7 punt 1 Brussel-bis, aangezien zij haar diensten vanuit Ierland verstrekt. Het hof heeft in rov. 2.16 een afweging gemaakt en een conclusie getrokken ten aanzien van grief 1, betreffende art. 7 punt 1 Brussel I-bis. Het hof heeft dit oordeel gemotiveerd en heeft daarbij de door SMC aangevoerde omstandigheden betrokken. Het hof is niet expliciet ingegaan op de zaken Pammer en Alpenhof en ook niet op de zaak Apple. Dat betekent echter niet dat het bestreden arrest op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Zoals hiervoor aangegeven, zagen deze zaken niet op art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis. Airbnb heeft in hoger beroep ook betoogd waarom genoemde zaken niet van belang zijn voor de onderhavige zaak. Al met al heeft het hof kenbaar en voldoende op de stellingen van SMC gereageerd en zijn oordeel toereikend gemotiveerd. Uit het Apple-arrest blijkt niet dat een belangenorganisatie een vordering kan instellen bij de rechter van de woonplaats van de consument.



5.60
In het licht van het voorgaande slaagt subonderdeel B.1 niet.



Subonderdeel B.2





5.61
Het middel klaagt dat het enkele feit dat de operatie en het beheer van het door Airbnb geëxploiteerde platform plaatsvindt vanuit Ierland niet afdoet aan hetgeen in subonderdeel B.1 naar voren is gebracht, nu die werkzaamheden (slechts) ‘voorbereidingshandelingen’ zijn voor de bemiddeling. Voor zover het hof moet worden geacht van een andere (meer beperkte) kwalificatie van de werkzaamheden van Airbnb te zijn uitgegaan, is dat onbegrijpelijk in het licht van hetgeen SMC in dit verband heeft gesteld. SMC voegt daar aan toe dat een dergelijke, andere kwalificatie niet goed valt te verenigen met rov. 2.11, eerste tot en met vierde volzin, van het bestreden arrest, waar het hof bepaalt wat de kenmerkende verbintenis is in de rechtsverhouding tussen de consumenten en Airbnb. Volgens SMC gaat het hier om een innerlijke tegenstrijdigheid.



5.62
Verder klaagt het middel dat het hof de feiten ongeoorloofd heeft aangevuld, dan wel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden, door in het bestreden arrest te spreken van dienstverlening door Airbnb in Ierland (rov. 2.16), terwijl Airbnb zelf spreekt van dienstverlening vanuit Ierland. Volgens SMC is dit terminologische verschil relevant, omdat ‘vanuit Ierland’ meer ruimte laat voor de door SMC (in subonderdeel B.1) verdedigde opvatting dan ‘in Ierland’. SMC verwijst naar haar (essentiële) stellingname in dit verband en klaagt dat het hof daarop niet, althans niet op een voldoende kenbare en/of begrijpelijke manier, heeft gerespondeerd.



5.63
Ik lees de in onderdeel B bestreden overwegingen zo dat het hof ervan is uitgegaan dat de werkzaamheden van Airbnb in de kern bestaan uit bemiddeling en dat het hof niet is uitgegaan van een andere en/of beperktere kwalificatie van die dienstverlening. Het hof heeft kennelijk het door SMC gemaakte onderscheid tussen aan de ene kant operatie en beheer (‘voorbereidende handelingen’) en aan de andere kant bemiddeling niet gevolgd. Reeds om deze reden faalt de klacht.



5.64
Het oordeel van het hof is bovendien niet onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van partijen. Bij memorie van grieven heeft SMC aangevoerd dat het voor de gebruiker gaat om de bemiddeling en dat het beheer van de website daarmee niet in rechtstreeks verband staat. Verder heeft SMC erop gewezen dat het Hof van Justitie in het Rehder/Air Baltic-arrest heeft overwogen dat aan voorbereidingshandelingen geen gewicht mag toekomen bij de beantwoording van de vraag waar de diensten worden verleend. Het betoog van SMC is, meer in het algemeen, dat de diensten van Airbnb in Nederland worden verricht, omdat de dienstverlening is afgestemd en gericht op Nederland. Airbnb heeft in de memorie van antwoord aangevoerd dat haar dienst bestaat uit “(…) het aanbieden en opereren van een internetplatform met de daarop aangeboden functionaliteiten (…) voor het wereldwijd aanbieden, zoeken en boeken van accommodaties.” Airbnb wees er ook op dat het Hof van Justitie heeft bevestigd dat het wezenlijke kenmerk van het platform schuilt in het opstellen van een lijst ten gunste van verhuurders en personen die op zoek zijn naar accommodatie. Volgens Airbnb beheert en biedt zij het platform aan vanuit Dublin, waar een groot aantal werknemers werkt en waar haar bestuur zetelt. De (hoofd) activiteiten moeten daar worden gelokaliseerd. Airbnb heeft betwist dat het aanbieden en opereren van het platform ‘voorbereidende handelingen’ zijn voor haar eigenlijke dienstverlening. Volgens Airbnb is dit juist de kern van haar dienstverlening. Zij voert aan dat daarbij van belang is dat het platform door verschillende gebruikers wereldwijd kan worden gebruikt en ook wordt gebruikt. Gelet daarop is de woonplaats van de gebruiker geen geschikt en ook geen voorspelbaar aanknopingspunt voor de internationale bevoegdheid van de rechter.



5.65
Het hof heeft de(ze) standpunten van partijen samengevat weergegeven in rov. 2.14-2.15 van het bestreden arrest en is uiteindelijk tot een oordeel gekomen dat meer in lijn is met het standpunt van Airbnb (rov. 2.16). Het hof heeft daarbij overwogen welke factoren dat oordeel ondersteunen en welke omstandigheden niet doorslaggevend zijn geacht. In rov. 2.16 ligt besloten dat het hof de operatie en het beheer niet aanmerkt als voorbereidende handelingen voor de bemiddeling en dus SMC in haar opvatting niet volgt.



5.66
Op het voorgaande stuit ook de klacht af dat een andere kwalificatie niet goed te verenigen zou zijn met rov. 2.11, eerste tot en met vierde volzin, van het bestreden arrest en dat het arrest op dit punt een innerlijke tegenstrijdigheid bevat.



5.67
De klacht dat sprake is van een ongeoorloofde aanvulling van de feiten door te spreken van dienstverlening ‘in Ierland’ in plaats van ‘vanuit Ierland’ gaat niet op. In de titel van par. 3.1.2 van de memorie van antwoord (waar SMC naar verwijst) gebruikt Airbnb inderdaad de formulering ‘vanuit Ierland’. In punt 26 van de memorie van antwoord gebruikt Airbnb echter ‘in of vanuit’. In haar processtukken in eerste aanleg sprak Airbnb ook van ‘in Ierland’. In het licht hiervan kan over de strekking van de stellingen van Airbnb geen misverstand bestaan. Het hof heeft de feiten niet aangevuld en is niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door de formulering ‘in Ierland’ te hanteren, dat laatste overigens in navolging van de rechtbank.



5.68
In het licht van het voorgaande faalt subonderdeel B.2.



Subonderdeel B.3





5.69
Subonderdeel B.3 klaagt dat het hof heeft miskend dat de door SMC (in subonderdeel B.1) verdedigde opvatting over de uitleg en toepassing van art. 7 punt 1,sub b, Brussel I-bis temeer was geïndiceerd in het licht van de onwenselijke gevolgen van het oordeel van de rechtbank, namelijk dat de Ierse rechter bevoegd is op grond van voornoemde bepaling. SMC stelt dat zij gemotiveerd heeft betoogd dat in Ierland gevestigde multinationals als Airbnb collectieve acties als de onderhavige kunnen ontlopen, nu het Ierse recht nog geen mogelijkheid van een collectieve actie kent en third party funding van civiele procedures grotendeels verbiedt. Dit leidt volgens SMC tot benadeling van consumenten en dat is in strijd met het doeltreffendheidsbeginsel. SMC verwijst in dit verband naar subonderdeel A.3. Daarnaast voert SMC aan dat de door haar verdedigde opvatting over de uitleg en toepassing van art. 7 punt 1 sub b Brussel I-bis niet in de weg staat aan de bij de uitleg en toepassing van de Brussel I-bis Verordening te hanteren beginselen van voorspelbaarheid en nabijheid. Volgens SMC heeft het hof op deze (essentiële) stellingen niet, dan wel niet op voldoende kenbare en/of begrijpelijke wijze, gerespondeerd.



5.70
De klachten vertonen overlap met de klachten in subonderdeel A.3. De – door SMC als onwenselijk bestempelde – gevolgen van het oordeel dat de plaats van verrichting van de dienst Dublin is, doen niet af aan de juistheid van de conclusie dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid kan ontlenen aan art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis.. Het hof heeft op grond van juiste criteria beoordeeld op welke plaats de diensten (moeten) worden verstrekt en kon niet louter op basis van de door SMC onwenselijk geachte gevolgen van die beoordeling tot een andere uitkomst komen door toch bevoegdheid aan te nemen. Dat een partij het niet in haar zakelijk belang acht als een buitenlandse rechter internationaal bevoegd is, kan in een Europees stelsel van geharmoniseerde bevoegdheidsregels geen reden zijn om die regels op te rekken, bij te buigen of aan te passen. Onvrede over de gevolgen van onbevoegdheid creëert vanzelfsprekend geen bevoegdheid. Wat betreft het beroep op het doeltreffendheidsbeginsel verwijs ik naar mijn opmerkingen daarover bij de bespreking van subonderdeel A.1.



5.71
Ik voeg hier nog het volgende aan toe. De aanname van SMC dat consumenten feitelijk niet in staat zijn hun recht te halen gelet op de verhouding tussen de daarmee gemoeide kosten en het te verhalen bedrag, staat zeker niet vast. In de eerdere Airbnb-zaak uit 2021 trad een individuele consument op. Bovendien had een groot aantal andere individuele consumenten vergelijkbare zaken aanhangig gemaakt bij verschillende kantonrechters. Met betrekking tot de onderhavige zaak wijs ik er verder op dat de rechtbank van de woonplaats een van de overeengekomen fora is (zie hiervoor nr. 2.5). Vorderingen van een groot aantal consumenten (door Airbnb aangeduid als ‘gasten)’ die menen dat zij aan Airbnb onverschuldigd servicekosten hebben betaald (omdat zij daar niet mee zouden hebben ingestemd), zouden kunnen worden gebundeld één dagvaarding. Met Airbnb als beoogde gedaagde zou kunnen worden overeengekomen dat de zaak bij één Nederlandse rechtbank wordt aangebracht. Een dergelijke overeenkomst over de relatieve bevoegdheid van de rechter lijkt verenigbaar met art. 108 Rv en ook overigens haalbaar. In dit model, waarbij slechts één keer griffierecht hoeft te worden betaald, treedt een belangenorganisatie niet in eigen naam op. Van een collectieve vordering op de voet van art. 3:305a Rv is geen sprake. Een belangenorganisatie kan echter wel de zaak managen en advocaten of andere procesvertegenwoordigers inschakelen en de consumenten die mee willen doen ontzorgen. Voor zover relevant, is er voor een belangenorganisatie als SMC dus ruimte voor een initiatief- en regierol, maar treedt zij niet op als eisende of verzoekende procespartij.



5.72
Ook faalt de klacht dat het hof niet, dan wel niet op voldoende kenbare en/of begrijpelijke wijze op de (essentiële) stellingen van SMC in dit verband heeft gerespondeerd. Het hof heeft de stellingen van partijen in het kader van grief 1 samengevat, de stellingen van SMC in rov. 2.14 en die van Airbnb in rov. 2.15. Hieruit blijkt dat het hof ook acht heeft geslagen op het betoog van SMC betreffende de volgens haar onwenselijke gevolgen van het oordeel van de rechtbank. Vervolgens is het hof tot de conclusie gekomen dat grief 1 niet slaagt en dat de Nederlandse rechter geen bevoegdheid aan art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis kan ontlenen. Mijns inziens ligt hierin besloten dat het hof niet tot een ander oordeel is gekomen op basis van de stelling dat het oordeel dat de plaats van verstrekking van de diensten van Airbnb Dublin is, tot onwenselijke gevolgen leidt en/of het betoog dat de opvatting dat de Nederlandse rechter op grond van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis in lijn is met de doelstellingen van voorspelbaarheid en nabijheid. Deze elementen van het betoog van SMC lijken ondersteunend te zijn voor het standpunt van SMC dat de plaats van verstrekking van de diensten in Nederland ligt. Uitgaand van die lezing van de memorie van grieven hoefde het hof niet nog apart aandacht aan deze punten te besteden, aangezien het hof al tot het oordeel was gekomen dat de plaats van dienstverstrekking niet in Nederland ligt.



5.73
Gelet op het voorgaande faalt subonderdeel B.3.



Subonderdeel B.4





5.74
Naar het oordeel van SMC bestond er voldoende aanleiding voor het stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de reikwijdte van art. 7 punt 1 sub b Brussel I-bis in een geval als hier aan de orde. SMC meent dat het hof dat ten onrechte heeft nagelaten en zij geeft de Hoge Raad in overweging dat alsnog prejudiciële vragen te stellen en stelt in haar schriftelijke toelichting als te stellen vraag voor “(…) of artikel 7 lid 1 sub b Brussel I-bis Vo zo moet worden uitgelegd dat in een geval als het onderhavige, waarin de dienstverrichter zich met haar activiteiten, via een wereldwijd toegankelijk digitaal platform zich richt op de consumentenmarkt in een bepaalde lidstaat, de plaats van verstrekking van de diensten als bedoeld in artikel 7 lid 1 sub b Brussel I-bis Vo moet worden geacht de woonplaats van de gebruiker van het platform (de consument) te zijn en of dit aanknopingspunt evenzeer geldt indien de vordering aanhangig wordt gemaakt door middel van een collectieve actie van een consumentenorganisatie.”



5.75
Ik herhaal dat het hof niet verplicht was om prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te stellen. Voor zover het subonderdeel anders beoogt te betogen, faalt het.



5.76
Over het eventueel stellen van prejudiciële vragen door uw Raad merk ik het volgende op. Het is waar dat het Hof van Justitie zich nog niet eerder heeft uitgelaten over de uitleg van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis in een geval waar het gaat om een door een (consumenten)belangenorganisatie ingestelde collectieve vordering tegen een onlineplatform dat wereldwijd toegankelijk is. Niettemin meen ik dat er geen redelijke twijfel over kan bestaan dat het feit dat de vordering is ingesteld door een belangenorganisatie namens een groep consumenten in plaats van door elk van de consumenten individueel, niet kan uitmaken voor het antwoord op de vraag op welke plaats het onlineplatform de dienst heeft verricht die door de consument is afgenomen. De internationale bevoegdheid zou anders afhangen van de plaats die een commerciële belangenorganisatie om zakelijke reden kiest voor het instellen van een vordering. Voor de wederpartij is dat niet een voorzienbaar of voorspelbaar forum. Bovendien moet de vraag wat de plaats is waar een dienst op grond van een overeenkomst is verricht worden beantwoord op basis van kort gezegd de feitelijke gang van zaken. Het antwoord op die vraag mag niet afhangen van het type vorderingen dat later door of namens consumenten wordt ingesteld. De plaats waar de dienst is verricht kan dus niet variëren naar gelang er wel of niet een collectieve vordering is ingesteld, zoals SMC lijkt te betogen. In elk geval biedt de tekst van art. 7 punt 1 sub b Brussel I-bis geen enkel aanknopingspunt dat dit wél zo zou zijn.



5.77
Om die reden is zie ik in deze zaak geen aanleiding voor het stellen van een prejudiciële vraag over de uitleg van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis.



Subonderdeel B.5





5.78
Tot slot voert SMC aan dat, voor zover uit de eerste volzin van rov. 2.16, in het bijzonder de passage “(…) als er op grond van de daadwerkelijke uitvoering al één plaats kan worden aangewezen waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht (…)”, moet worden afgeleid dat het hof van oordeel is dat art. 7 punt 1 sub b Brussel I-bis alleen toepassing vindt als één plaats kan worden aangewezen waar de diensten hoofdzakelijk worden verricht, dit oordeel rechtens onjuist is. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt namelijk dat niet zelden voor twee plaatsen van bevoegdheid wordt gekozen als in het kader van de plaatsbepaling van art. 7 punt 1 sub b Brussel I-bis meerdere aanknopingspunten bestaan. SMC verwijst naar de arresten LOT Polish Airlinesen Zürich Insurance/ALS en licht die zaken in de schriftelijke toelichting toe.



5.79
Ik lees de passage uit rov. 2.16 van het bestreden arrest anders dan SMC kennelijk doet. De passage past binnen de rechtspraak van het Hof van Justitie over de toepasselijkheid en toepassing van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis in gevallen waarin een dienst op meerdere plaatsen wordt verstrekt (zie hiervoor, nr. 4.19-4.20). Uit rov. 2.12 en (het vervolg van) rov. 2.16 leid ik af dat het hof bij die jurisprudentie aansluiting heeft gezocht. In rov. 2.16 gaat het hof immers in op de ‘hoofddienst’ van Airbnb, onder verwijzing naar het arrest Rehder (waarin dezelfde terminologie werd gebruikt). Ook rov. 2.17 sluit aan bij voornoemde rechtspraak. Ik verwijs in het bijzonder naar de arresten Saey Home & Garden en Wood Floor Solutions/Silva Trade, waarnaar in nr. 4.20 van deze conclusie wordt verwezen. Deze overwegingen sluiten niet uit dat zich in algemene zin gevallen kunnen voordoen waarin meerdere plaatsen van uitvoering van een verbintenis kunnen worden aangewezen en meerdere gerechten bevoegd kunnen zijn.



5.80
Ik meen daarom dat de klacht feitelijke grondslag mist. Dat er voor de toepassing van art. 7 punt 1 sub b, tweede streepje, Brussel I-bis meerdere plaatsen van verstrekking van de diensten kunnen zijn, doet verder niet ter zake. Om die reden laat ik de zaken LOT Polish Airlines en Zürich Insurance onbesproken.



5.81
Dit alles leidt tot de slotsom dat onderdeel B in zijn geheel faalt.



Onderdeel C – toepasselijkheid van art. 7 punt 2 Brussel I-bis (onrechtmatige daad)





Inleidende opmerkingen





5.82
Het derde onderdeel van het middel is gericht tegen rov. 2.22-2.24, waarin het hof het beroep van SMC op art. 7 punt 2 Brussel I-bis verwerpt. Deze overwegingen luiden als volgt:


“Art. 7 lid 2 Verordening Brussel I-bis Verordening




2.22
Met grief 3 voert SMC, tot slot, aan dat de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is op grond van art. 7 lid 2 Brussel I-bis Verordening. Volgens SMC heeft Airbnb onrechtmatig gehandeld door onredelijk bezwarende en onwettige bedingen in haar algemene voorwaarden op te nemen en kan daarmee worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengend feit zich heeft voorgedaan of zich kan voordoen. Volgens SMC is sprake van een verbintenis uit onrechtmatige daad bestaand in de schending van een wettelijke plicht. Voor de beoordeling of van een dergelijke schending sprake is, is niet noodzakelijk de inhoud van de overeenkomst te onderzoeken. Zowel het Handlungs- als het Erfolgsort zijn in Nederland gelegen, aldus SMC. Airbnb heeft het voorgaande betwist.



2.23
Het in art. 7 lid 2 Brussel I-bis Verordening gebruikte begrip ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’ moet autonoom worden uitgelegd en omvat elke rechtsvordering die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen en die geen verband houdt met een “verbintenis uit overeenkomst” in de zin van art. 7 lid 1 sub a Brussel I-bis Verordening (vgl. HvJEG 27 september 1988, ECLI:EU:C:1988:459, Kalfelis/Schröder, punt 18). Wanneer de eiser zich beroept op regels inzake onrechtmatige daad, te weten de schending van een wettelijke verplichting, en het niet noodzakelijk is om de inhoud van de met de verweerder gesloten overeenkomst te onderzoeken om te bepalen of de aan hem verweten gedraging geoorloofd dan wel ongeoorloofd is, vloeit de grond voor de vordering voort uit onrechtmatige daad in de zin van art. 7 lid 2 Brussel I-bis Verordening aangezien die verplichting los van de overeenkomst op verweerder rust (HvJEU 24 november 2020, ECLI:EU:C:2020:950, Wikingerhof, punt 33).



2.24
Zoals hiervoor onder 2.9 is geoordeeld, betreffen de vorderingen van SMC “verbintenissen uit overeenkomst” en is uitlegging van de overeenkomst noodzakelijk om te bepalen of Airbnb de verweten gedraging – het in tweezijdig in rekening brengen van een servicefee – geoorloofd dan wel ongeoorloofd is in verband met de bij de totstandkoming van de overeenkomst al dan niet van de huurder verkregen toestemming. Daarmee is uitgesloten dat de vorderingen “verbintenissen uit onrechtmatige daad” betreffen (ECLI:EU:C:2014:148, Brogsitter, punt 27). De Nederlandse rechter is dus ook niet krachtens art. 7 lid 2 Brussel I-bis Verordening internationaal bevoegd van de vorderingen van SMC kennis te nemen. De grief faalt derhalve.”



Subonderdeel C.1





5.83
Het middel klaagt dat het oordeel van het hof rechtens onjuist en/of onbegrijpelijk is. Voor de beoordeling van de in de sleutel van onrechtmatige daad staande vordering van SMC is volgens haar een abstracte toetsing van de relevante algemene voorwaarden van Airbnb in de zin van art. 6:233 sub a BW voldoende en is uitleg van de overeenkomsten (tussen de individuele consumenten en Airbnb) in zoverre (dus) niet aan de orde. SMC wijst in dit verband op het vonnis van de rechtbank Amsterdam in de TikTok-zaak. Op dit gemotiveerde betoog van SMC heeft het hof niet, dan wel niet op een voldoende kenbare en/of begrijpelijke manier gerespondeerd.



5.84
In rov. 2.7 en rov. 2.23 van het bestreden arrest licht het hof aan de hand van rechtspraak van het Hof van Justitie toe wanneer sprake is van een verbintenis uit overeenkomst, respectievelijk een verbintenis uit onrechtmatige daad. In rov. 2.8 omschrijft het hof de vorderingen van SMC en in rov. 2.9 kwalificeert het hof deze vorderingen als verbintenissen uit overeenkomst. Dat geldt ook voor de vordering betreffende de vernietiging, c.q. vernietigbaarheid van het servicekostenbeding. Ik citeer het hof:


“2.9 Deze vorderingen van SMC berusten op de vrijwillig aangegane verbintenissen van Airbnb tot het bemiddelen bij de totstandkoming van een huurovereenkomst en van de respectieve huurders tot betaling van een service fee. Voor de toewijsbaarheid van die vorderingen is van belang of Airbnb van de huurders al dan niet de contractuele toestemming heeft verkregen voor tweezijdige bemiddeling. Dit vergt uitlegging van de overeenkomst. Daarmee is sprake van een ‘verbintenis uit overeenkomst’ in de zin van art. 7 lid 1 sub a Brussel I-bis Vo. Dat de inhoud van de overeenkomsten tussen Airbnb en de huurders mede wordt bepaald door wettelijk contractenrecht, maakt dit niet anders.”



In rov. 2.24 verwijst het hof in verband met de beoordeling van grief 3 terug naar rov. 2.9 en concludeert dat uitgesloten is dat de door SMC ingestelde vorderingen verbintenissen uit onrechtmatige daad zijn.




5.85
Nu het hof heeft geoordeeld dat sprake is van verbintenissen uit overeenkomst, is uitgesloten dat tevens sprake is van verbintenissen uit onrechtmatige daad. Uit de in nrs. 4.16 en 4.21-4.23 van deze conclusie besproken jurisprudentie volgt dat de rechter een keuze moet maken, in die zin dat ofwel sprake is van een verbintenis uit overeenkomst, ofwel van een verbintenis uit onrechtmatige daad. Dat blijkt al uit de uitleg die het Hof van Justitie geeft aan het begrip ‘verbintenis uit onrechtmatige daad’. Onder dat begrip valt, zoals in nr. 4.21 aangegeven, elke rechtsvordering die beoogt de aansprakelijkheid van een verweerder in het geding te brengen én die geen verband houdt met een ‘verbintenis uit overeenkomst’ als bedoeld in art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis.



5.86
Dat het gaat om het één of het ander, leidt het hof ook af uit het Brogsitter-arrest (zie reeds 4.22), waarin het Hof hier relevant het volgende overweegt:


“(…)
26 Het staat derhalve aan de verwijzende rechter om te bepalen of de vorderingen van verzoeker in het hoofdgeding een schadevordering betreffen die redelijkerwijze kan worden gegrond op een schending van de rechten en plichten uit de overeenkomst tussen partijen in het hoofdgeding, zodat met die overeenkomst rekening moet worden gehouden om het geschil te beslechten.



27 Indien dat het geval is, betreffen deze vorderingen „verbintenissen uit overeenkomst” in de zin van artikel 5, punt 1, sub a, van verordening nr. 44/2001. Indien niet, dan moeten zij worden geacht voort te vloeien uit „verbintenissen uit onrechtmatige daad” in de zin van artikel 5, punt 3, van verordening nr. 44/2001.
(…)”



Verder wijs ik op het arrest Wikingerhof:



“(…)
29 Derhalve moet worden overwogen dat de toepasselijkheid van hetzij artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, hetzij artikel 7, punt 2, daarvan, afhangt van, ten eerste, de keuze van de verzoeker om zich al dan niet op een van deze regels inzake bijzondere bevoegdheid te beroepen en, ten tweede, het onderzoek door de aangezochte rechter of er sprake is van de specifieke in die bepalingen genoemde omstandigheden.



30 In dit verband is het noodzakelijk, wanneer een verzoeker zich beroept op een van voornoemde regels, dat de aangezochte rechter nagaat of de aanspraken van de verzoeker, ongeacht hoe zij naar nationaal recht worden gekwalificeerd, van contractuele aard zijn dan wel voortvloeien uit onrechtmatige daad, in de zin van voornoemde verordening.



31 In het bijzonder moet de aangezochte rechter (…) een tussen de partijen ingestelde vordering indelen onder verbintenissen uit overeenkomst in de zin van artikel 7, punt 1, van verordening nr. 1215/2012, dan wel onder verbintenissen uit onrechtmatige daad in de zin van artikel 7, punt 2, van die verordening, naargelang van de verbintenis – uit overeenkomst dan wel uit onrechtmatige daad – die eraan ten grondslag ligt (…).”




5.87
Het hof heeft de standpunten van partijen (kort) samengevat en is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een verbintenis uit onrechtmatige daad in de zin van art. 7 punt 2 Brussel I-bis. In het licht van het voorgaande is dat oordeel niet rechtens onjuist en evenmin onbegrijpelijk.



5.88
De door SMC getrokken parallel met het bevoegdheidsoordeel in de TikTok-zaak gaat niet op. In het kader van de beoordeling of sprake was van een verbintenis uit onrechtmatige daad overwoog de rechtbank Amsterdam in die zaak dat het ging om de vraag of TikTok misbruik had gemaakt van algemene voorwaarden in een overeenkomst met een consument door zonder onderhandelingen oneerlijke bedingen in de overeenkomst op te nemen. In dat verband oordeelde de rechtbank dat een abstracte beoordeling van het betreffende beding nodig is en het niet noodzakelijk is om de concrete overeenkomsten die waren gesloten uit te leggen.



5.89
In deze zaak liggen de feiten anders. SMC heeft uitvoerige vorderingen ingesteld (zie voor een korte samenvatting daarvan nr. 3.2). SMC heeft in dat verband niet aangedragen dat sprake was van onrechtmatig handelen en/of van misbruik door Airbnb. In eerste aanleg heeft SMC geen beroep gedaan op art. 7 punt 2 Brussel I-bis. Zij heeft wel een beroep gedaan op art. 7 punt 1 Brussel I-bis. Bij memorie van grieven heeft SMC met betrekking tot de vernietigingsvordering aangevoerd dat Airbnb onrechtmatig heeft gehandeld door onredelijk bezwarende en onwettige bedingen in haar algemene voorwaarden op te nemen en dat de Nederlandse rechter (in het licht daarvan) bevoegdheid kan ontlenen aan art. 7 punt 2 Brussel I-bis. In dat verband heeft SMC ook een parallel getrokken met de TikTok-zaak en aangevoerd dat het ook hier gaat om de vraag of Airbnb misbruik heeft gemaakt door onredelijke en onwettelijke bedingen op te nemen in haar algemene voorwaarden (grief 3). Airbnb heeft daartegen verweer gevoerd. Het hof heeft geoordeeld dat voor de toewijsbaarheid van de vorderingen van SMC uitleg van de overeenkomst nodig is en dat dus sprake is van een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 7 punt 1 sub a Brussel I-bis (rov. 2.9). Daarom kan niet ook sprake zijn van een verbintenis uit onrechtmatige daad (rov. 2.24). Deze oordelen zijn juist en niet onbegrijpelijk. De vraag of een beding in algemene voorwaarden, waar de verkoper gebruik van maakt oneerlijk is, is bovendien een vraag van overeenkomstenrecht.



5.90
Ook de klacht dat het hof niet, dan wel niet op voldoende kenbare en/of begrijpelijke wijze, heeft gerespondeerd op het gemotiveerde betoog van SMC kan niet slagen. Mijns inziens blijkt uit het oordeel van het hof dat de vorderingen van SMC verbintenissen uit overeenkomst betreffen en dat (dus) geen sprake kan zijn van verbintenissen uit onrechtmatige daad, dat het hof de onderbouwde stelling van SMC dat sprake is van een verbintenis uit onrechtmatige daad verwerpt. In voornoemd oordeel ligt ook besloten dat het hof niet meegaat in de door SMC getrokken parallel met de TikTok-zaak.



Subonderdeel C.2





5.91
Het middel betoogt dat voor zover het oordeel van het hof in rov. 2.24 van het bestreden arrest mede is gebaseerd op het verweer van Airbnb dat de wilsvertrouwensleer bij de beoordeling van de vordering van SMC van toepassing is, dit onjuist en/of onbegrijpelijk is. Het verweer van Airbnb in dat verband is volgens SMC niet ter zake dienend.



5.92
De klacht faalt, omdat uit rov. 2.22-2.24 van het bestreden arrest niet blijkt dat het concluderend oordeel in rov. 2.24 mede op dit verweer van Airbnb is gebaseerd. Het hof heeft het oordeel dat art. 7 punt 2 Brussel I-bis geen grondslag oplevert voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gebaseerd op de conclusie dat sprake is van verbintenissen uit overeenkomst en dat – gelet op de of/of-dichotomie – daarmee is uitgesloten dat de vorderingen van SMC verbintenissen uit onrechtmatige daad betreffen.



Subonderdeel C.3





5.93
Tot slot voert SMC aan dat voor zover het hof betekenis heeft toegekend aan de stelling van Airbnb dat de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing in de Airbnb-zaak al zou hebben vastgesteld dat over het litigieuze servicekostenbeding is onderhandeld, dat berust op een onbegrijpelijk lezing van die prejudiciële beslissing. De betreffende overweging is namelijk uitdrukkelijk ingebed in de in die procedure vaststaande feiten. Dat betekent dat geen sprake is van een feitelijke vaststelling die aan de gegrondbevinding van grief 3 van SMC in de onderhavige procedure in de weg zou staan, zeker nu de rechtbank en het hof in deze procedure niet aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak zijn toegekomen, aldus SMC.



5.94
Ook deze klacht faalt, nu uit rov. 2.22-2.24 van het bestreden arrest niet blijkt dat het hof betekenis heeft gehecht aan deze stelling. Zoals gezegd heeft het hof het oordeel dat art. 7 punt 2 Brussel I-bis geen grondslag oplevert voor de bevoegdheid van de Nederlandse rechter gebaseerd op de conclusie dat sprake is van verbintenissen uit overeenkomst en dat daarmee is uitgesloten dat de vorderingen verbintenissen uit onrechtmatige daad betreffen.



5.95
Het voorgaande leidt tot de slotsom dat onderdeel C faalt.



5.96
SMC voert tot slot aan dat het hof in rov. 2.25, rov. 2.26 en het dictum van het bestreden arrest voortbouwt op de door de onderdelen A tot en met C bestreden overwegingen. Om die reden tasten de genoemde onderdelen van het middel ook de desbetreffende beslissingen aan.



5.97
Nu geen van de onderdelen van het middel slaagt, kan ook deze klacht niet slagen.





6Conclusie


De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G



HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725.


Punt 4 van de schriftelijke toelichting van Airbnb, onder verwijzing naar memorie van antwoord Airbnb, punt 18.


De feiten zijn ontleend aan het vonnis van de rechtbank Den Haag in eerste aanleg van 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 2.1-2.5, JBPr 2023/86, m.nt. K. Rutten & Y. Pletting.


HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725 (Airbnb) (zie noot 1).


Het procesverloop in eerste aanleg en hoger beroep is ontleend aan het arrest van 5 maart 2024 van het hof Den Haag in het ontvankelijkheidsincident in deze procedure, ECLI:NL:GHDHA:2024:338, rov. 3.1-3.4, JBPr 2024/39, m.nt. E.J. Diedering-Kuus & T.G. Wouda. Dit is aangevuld met vaststellingen van de rechtbank Den Haag (21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562) en van het hof Den Haag in het bestreden arrest (27 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1051, rov. 2.4-2.5, JBPr 2025/54, m.nt. T.S.F. Hautvast & J. van der Tang).


Zie voor deze vorderingen, na wijziging van eis, Rb. Den Haag 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 3.1. Zie voor de oorspronkelijke vorderingen het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg en voor de toelichting daarop punt 158-182 van de inleidende dagvaarding.


Zie de ‘akte houdende eiswijziging naar aanleiding van prejudiciële beslissing Hoge Raad d.d. 19 november 2021’ van 20 april 2022. De eiswijziging betrof vordering IV.


Het ging om een partiële vernietiging, gebaseerd op het nationale recht. Zie de inleidende dagvaarding, punt 42, 143, 167 en 168 en petitum onder V.


Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, Pb EG L 95/29 (nadien gewijzigd).


Zie punt 135-138, punt 139-144 en punt 169 van de inleidende dagvaarding.


Zie ‘conclusie van antwoord op grond van artikel 1018c lid 5 Rv ten aanzien van niet-ontvankelijkheid, tevens incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid’ van 13 juli 2022, onder 3.


Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), Pb EU L 351/1., in deze conclusie aangeduid als Brussel I-bis.


HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, JBPr 2018/28, m.nt. O.J.W. Schotel (Schrems/Facebook).


Rb. Den Haag 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 4.6-4.7.


Rb. Den Haag 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 4.8 en rov. 4.9.


Rb. Den Haag 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 4.10-4.20.


Rb. Den Haag 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 4.21.


Zie punt 17 van de memorie van grieven.


HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672 (Club La Costa).


Hof Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1051, rov. 2.4-2.5.


Deze grief richtte zich tegen rov. 4.21 van het vonnis van de rechtbank, waarin de rechtbank overwoog dat geen andere bevoegdheidsgronden waren gesteld en de rechtbank ook geen andere bevoegdheidsgronden waren gebleken. Zie punt 81-83 van de memorie van grieven.


S.J. Schaafsma, T&C Rv, commentaar op Verordening Brussel I-bis, aant. 4b (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026); L. Strikwerda & S.J. Schaafsma, Inleiding tot het Nederlandse internationaal privaatrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 58 (hierna: Strikwerda & Schaafsma 2026); M.H. ten Wolde, Handboek internationaal privaatrecht, Zutphen: Uitgeverij Paris 2021, p. 344 (hierna: Ten Wolde 2021); P. Vlas, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op Verordening Brussel I-bis, aant. 22 (online, laatst bijgewerkt 21 april 2020).


Zie onder meer: A.A.H. van Hoek & C.G. van der Plas, ‘Internationale aspecten – bevoegdheid en ontvankelijkheid’, in: W.H. van Boom, B.M. Katan & J.H. Lemstra (red.), Handboek Massaschade (Recht en Praktijk nr. CA29), Deventer: Wolters Kluwer 2025 (hierna: Van Hoek & Van der Plas); M.W. Wallinga, T. Heikens & J.S. Kortmann, ‘Internationaal privaatrechtelijke aspecten van collectieve acties in de financiële sector’, in: N. Boomsma & S. Timmerman (red.), Collectieve acties in de financiële sector (Financieel Juridische Reeks 25), Zutphen: Uitgeverij Paris 2024, in het bijzonder p. 291-313 en p. 317-324 (hierna: Wallinga, Heikens & Kortmann 2024); B. Hess e.a., The Reform of the Brussels Ibis Regulation – Academic Position Paper (Version as of 22 May 2024), Vienna Research Paper 2024, p. 10-15 (hierna: Hess e.a. 2024); K. Rutten & Y. Pletting, annotatie bij Rb. Den Haag 21 juni 2023, JBPr 2023/86 (hierna: Rutten & Pletting 2023); A.A.H. van Hoek, ‘David en Goliath in cyberspace: de kruistocht van Max Schrems en het Europees bevoegdheidsrecht’, annotatie bij HvJ EU 25 januari 2018, Ars Aequi 2018, p. 1028-1039. Zie ook: M. Danov, ‘The Brussels I Regulation: Cross-Border Collective Redress Proceedings and Judgments’, Journal of Private International Law, Vol. 6, No. 2, (2015) p. 359-393. Verder wijs ik op de studie ter ondersteuning van een rapport over de toepassing van Brussel I-bis, van januari 2023: Milieu SRL, Study to support the preparation of a report on the application of Regulation (EU) No 1215/2012 on jurisdiction and the recognition and enforcement of judgments in civil and commercial matters (Brussels Ia Regulation). Final Report, Luxemburg: Publications Office of the European Union 2023, p. 227-238 en p. 286-290.


Zie bijvoorbeeld Wallinga, Heikens & Kortmann 2024, p, 317-323, p. 324; Hess e.a. 2024, p. 10-15; M.A. Visser, ‘Consumentenbescherming onder de Brussel Ibis-verordening: het kan beter!’, TvC 2023, afl. 3, p. 109 (hierna: Visser 2023).


Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking), Brussel, 2 juni 2025, COM(2025) 268 final, p. 18-20 (hierna: COM(2025) 268).


COM(2025) 268, p. 19-20. Zie ook de conclusie van A-G Snijders van 6 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:224, nr. 4.26 (Mercedes/Stichting Emission Claim).


Richtlijn (EU) 2020/1828 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende representatieve vorderingen ter bescherming van de collectieve belangen van consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2009/22/EG, Pb EU L 409/1.


Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, met Protocol en Gemeenschappelijke Verklaring, Brussel, 27 september 1968, Trb. 1969, 101. Het EEX-Verdrag is meerdere keren gewijzigd door opvolgende toetredingsverdragen.


Verordening (EG) Nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, Pb EG L 12/2.


Zie ten aanzien van Brussel I-bis bijvoorbeeld: HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672, punt 41 (Club La Costa). Zie betreffende Brussel I onder meer: HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 26 (Schrems/Facebook); HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, punt 21 (Kolassa/Barclays). Zie over de continuïteit in de uitleg van de bepalingen van de verschillende instrumenten ook: S.J. Schaafsma, T&C Rv, commentaar op Verordening Brussel I-bis, aant. 2b, 3b en 7c (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026); Ten Wolde 2021, p. 341; P. Vlas, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op Verordening Brussel I-bis, aant. 10 (online, laatst bijgewerkt 21 april 2020).


Zie voor art. 7 punt 1 Brussel I-bis en art. 5 punt 1 Brussel I: HvJ EU 15 juni 2017, C-249/16, ECLI:EU:C:2017:472, punt 27 (Kareda). Zie voor art. 5 punt 3 Brussel I en art. 5 punt 3 EEX-Verdrag: HvJ EU 13 maart 2014, C-548/12, ECLI:EU:C:2014:148, punt 19 (Brogsitter). Zie voor art. 7 punt 2 Brussel I-bis en art. 5 punt 3 Brussel I: HvJ EU 2 december 2025, C-34/24, ECLI:EU:C:2025:936, punt 43 (Stichting Right to Consumer Justice c.s./Apple); HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950, punt 20 (Wikingerhof). Zie voor art. 15 (en 16) Brussel I en art. 13 (en 14) EEX-Verdrag: HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 26 (Schrems/Facebook); HvJ EU 14 maart 2013, C-419/11, ECLI:EU:C:2013:165, punt 27-28 (Česká spořitelna/Feichter). Zie ten aanzien van art. 17-19 Brussel I-bis en de corresponderende bepalingen in Brussel I en het EEX-Verdrag: HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672, punt 41 (Club La Costa).


Het gaat – meer specifiek – om de woonplaats op het grondgebied van een EU-lidstaat. Zie voor verweerders die hun woonplaats buiten de EU hebben art. 6 Brussel I-bis.


HvJ EU 14 maart 2013, C-419/11, ECLI:EU:C:2013:165, punt 26 (Česká spořitelna/Feichter) (ten aanzien van art. 15 lid 1 Brussel I); HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950, punt 26 (Wikingerhof) (ten aanzien van art. 7 Brussel I-bis); HvJ EG 27 september 1988, C-189/87, ECLI:EU:C:1988:459, punt 19 (Kalfelis) (wat betreft art. 5 en 6 EEX-Verdrag).


Zie bijvoorbeeld: HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672, punt 45 (Club La Costa) (ten aanzien van art. 17-19 Brussel I-bis); HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 27 (Schrems/Facebook); HvJ EG 19 januari 1993, C-89/91, ECLI:EU:C:1993:15, punt 16 (Shearson Lehman Hutton/TVB). Zie ook Ten Wolde 2021, p. 347. Zie in vergelijkbare zin: HvJ EG 17 juni 1992, C-26/91, ECLI:EU:C:1992:268, punt 14 (Handte/TMCS).


Met uitzondering van lid 6.


S.J. Schaafsma, T&C Rv, commentaar op art. 7 Verordening Brussel I-bis, aant. 1c (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026); P. Mankowski, ‘Article 7 Brussels Ibis’, in: U. Magnus & P. Mankowski (red.), European Commentaries on Private International Law ECPIL. Commentary. Volume I Brussels Ibis Regulation, Köln: Verlag Dr. Otto Schmidt KG 2023, p. 131 (hierna: Mankowski 2023a); M. Requejo Isidro, E. Wagner & M. Gargantini, ‘Article 7’, in: M. Requejo Isidro (red.), Brussels I bis. A Commentary on Regulation (EU) No 1215/2012, Cheltenham: Edward Elgar Publishing 2022, p. 93 (hierna: Requejo Isidro, Wagner & Gargantini 2022).


Ten Wolde 2021, p. 349 (t.a.v. art. 7-9 Brussel I-bis). In vergelijkbare zin: Strikwerda & Schaafsma 2026, p. 63.


Zie HvJ EG 23 april 2009, C-533/07, ECLI:EU:C:2009:257, punt 24-25 (Falco Privatstiftung); HvJ EG 3 mei 2007, C-386/05, ECLI:EU:C:2007:262, punt 22-23 (Color Drack). Zie in vergelijkbare zin: HvJ EU 11 maart 2010, C-19/09, ECLI:EU:C:2010:137, met name punt 22-27 (Wood Floor Solutions/Silva Trade); HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439, punt 32 (Rehder/Air Baltic).


HvJ EG 30 november 1976, C-21-76, ECLI:EU:C:1976:166, punt 14-25 (Bier/Mines de potasse d’Alsace). Dit uitgangspunt is nadien meermaals toegepast.


HvJ EU 25 maart 2021, C-307/19, ECLI:EU:C:2021:236, punt 82 (Obala í lučice/NLB Leasing); HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950, punt 25 (Wikingerhof); HvJ EU 13 maart 2014, C-548/12, ECLI:EU:C:2014:148, punt 18 (Brogsitter). Zie voor het begrip ‘verbintenissen uit overeenkomst’, onder meer: HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, punt 37 (Kolassa/Barclays); HvJ EU 14 maart 2013, C-419/11, ECLI:EU:C:2013:165, punt 45 (Česká spořitelna/Feichter). Zie ook, toegespitst op het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’: HvJ EG 27 september 1988, C-189/87, ECLI:EU:C:1988:459, punt 15-16 (Kalfelis) (wat betreft art. 5 punt 3 EEX-Verdrag). Uit het arrest Brogsitter kan overigens worden afgeleid dat een vordering die naar nationaal recht wordt beschouwd als een vordering uit onrechtmatige daad, voor de toepassing van Brussel I-bis onder omstandigheden – toch kan worden beschouwd als een vordering die voortvloeit uit een verbintenis uit overeenkomst als bedoeld in art. 5 punt 1 sub a Brussel I (vgl. thans art. 7 punt 1 sub b Brussel I-bis).


Mankowski 2023a, p. 148; Ten Wolde 2021, p. 353.


S.J. Schaafsma, T&C Rv, commentaar op art. 7 Verordening Brussel I-bis, aant. 6a (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026); Strikwerda & Schaafsma 2026, p. 69; Mankowski 2023a, p. 198-199.


S.J. Schaafsma, T&C Rv, commentaar op art. 7 Verordening Brussel I-bis, aant. 6a (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026); Mankowski 2023a, p. 199; Requejo Isidro, Wagner & Gargantini 2022, p. 103.


HvJ EG 23 april 2009, C-533/07, ECLI:EU:C:2009:257, punt 26 (Falco Privatstiftung).


HvJ EU 25 maart 2021, C-307/19, ECLI:EU:C:2021:236, punt 93 (Obala í lučice/NLB Leasing); HvJ EU 8 maart 2018, C-64/17, ECLI:EU:C:2018:173, punt 38 (Saey Home & Garden); HvJ EU 15 juni 2017, C-249/16, ECLI:EU:C:2017:472, punt 35 (Kareda/Benkö).


HvJ EU 25 maart 2021, C-307/19, ECLI:EU:C:2021:236, punt 94 (Obala í lučice/NLB Leasing); HvJ EU 8 maart 2018, C-64/17, ECLI:EU:C:2018:173, punt 39 (Saey Home & Garden).


HvJ EU 8 maart 2018, C-64/17, ECLI:EU:C:2018:173, punt 40 (Saey Home & Garden).


Zie ten aanzien van overeenkomsten tot koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken: HvJ EG 3 mei 2007, C-386/05, ECLI:EU:C:2007:262, punt 28-39 (Color Drack). Dit is met betrekking tot overeenkomsten tot verstrekking van diensten herhaald in: HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439, punt 34 en punt 36 (Rehder/Air Baltic).


Zie HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439, punt 35-38 (Rehder/Air Baltic).


HvJ EU 11 maart 2010, C-19/09, ECLI:EU:C:2010:137, punt 24-29 (Wood Floor Solutions/Silva Trade); HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439, punt 34-36 (Rehder/Air Baltic).


Zie HvJ EU 8 maart 2018, C-64/17, ECLI:EU:C:2018:173, punt 44 (Saey Home & Garden); HvJ EU 11 maart 2010, C-19/09, ECLI:EU:C:2010:137, punt 31-33 (Wood Floor Solutions/Silva Trade). Zie in vergelijkbare zin: HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439, punt 38 (Rehder/Air Baltic). Het Hof van Justitie gebruikt in dit arrest de term ‘hoofddienst’.


HvJ EU 8 maart 2018, C-64/17, ECLI:EU:C:2018:173, punt 45 (Saey Home & Garden). De zaak betrof een distributieovereenkomst. Zie eerder ook: HvJ EU 11 maart 2010, C-19/09, ECLI:EU:C:2010:137, punt 38-43 (Wood Floor Solutions/Silva Trade). In dit geval ging het om een agentuurovereenkomst. Zie in vergelijkbare zin: HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439, punt 38 (Rehder/Air Baltic).


Zie onder meer: HvJ EU 25 maart 2021, C-307/19, ECLI:EU:C:2021:236, punt 83 (Obala í lučice/NLB Leasing); HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950, punt 23 (Wikingerhof); HvJ EU 12 september 2018, C-304/17, ECLI:EU:C:2018:701, punt 19 (Löber/Barclays); HvJ EU 13 maart 2014, C-548/12, ECLI:EU:C:2014:148, punt 20 (Brogsitter).


HvJ EU 13 maart 2014, C-548/12, ECLI:EU:C:2014:148, punt 23-24 (Brogsitter).


HvJ EU 13 maart 2014, C-548/12, ECLI:EU:C:2014:148, punt 25 (Brogsitter).


In deze zaak ging het overigens om een vordering – gegrond op strijd met het mededingingsrecht – tot staking van bepaalde gedragingen die plaatsvonden in het kader van de contractuele relatie tussen de procespartijen.


HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950, punt 32-33 (Wikingerhof).


Onder Brussel I waren de regels betreffende consumentenovereenkomsten opgenomen in art. 15-17. Zie over de ontwikkeling van de consumentenbescherming binnen het ‘Brussel-regime’: Visser 2023, p. 103-104.


P. Mankowski, ‘Introduction to Articles 17-19’, in: U. Magnus & P. Mankowski (red.), European Commentaries on Private International Law ECPIL. Commentary. Volume I Brussels Ibis Regulation, Köln: Verlag Dr. Otto Schmidt KG 2023, p. 434 (hierna: Mankowski 2023b); Ten Wolde 2021, p. 347 en p. 370. Zie in vergelijkbare zin: F. Ibili, T&C Rv, commentaar op afd. 4 Verordening Brussel I-bis, aant. 1 (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026). Art. 6 en art. 7 lid 5 blijven echter van toepassing, ook als het gaat om een geval dat binnen de reikwijdte van afdeling 4 van Brussel I-bis valt (art. 17 lid 1 Brussel I-bis).


S. Law, ‘Article 17’, in: M. Requejo Isidro (red.), Brussels I BIS. A Commentary on Regulation (EU) No 1215/2012, Cheltenham/Northampton: Edward Elgar Publishing 2022, nr. 17.29. In vergelijkbare zin: P. Mankowski, ‘Art. 17 Brussels Ibis’, in: U. Magnus & P. Mankowski (red.), European Commentaries on Private International Law ECPIL. Commentary. Volume I Brussels Ibis Regulation, Köln: Verlag Dr. Otto Schmidt KG 2023, p. 448 (hierna: Mankowski 2023c).


HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, punt 23 (Kolassa/Barclays).


Mankowski 2023c, p. 513; Ten Wolde 2021, p. 371. Ik merk op dat een rechtsvordering tegen een consument (door de wederpartij bij de overeenkomst) alleen kan worden ingesteld bij de gerechten van de lidstaat waar de consument woont (art. 18 lid 2 Brussel I-bis).


Vgl. art. 6 lid 1 Brussel I-bis.


Zie overweging 18 van de preambule van de Brussel I-bis. Vgl. ook overweging 14, tweede alinea, van de preambule.


Zie onder meer: HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672, punt 43 (Club La Costa).


HvJ EU 14 maart 2013, C-419/11, ECLI:EU:C:2013:165, punt 33 (Česká spořitelna/Feichter); HvJ EG 19 januari 1993, C-89/91, ECLI:EU:C:1993:15, punt 18-19 (Shearson Lehman Hutton/TVB).


HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 44 (Schrems/Facebook); HvJ EG 19 januari 1993, C-89/91, ECLI:EU:C:1993:15, punt 23 en 24 (Shearson Lehman Hutton/TVB).


HvJ EG 19 januari 1993, C-89/91, ECLI:EU:C:1993:15, punt 24 (Shearson Lehman Hutton/TVB). Zie ook het dictum van het arrest.


HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 42-49 en dictum (Schrems/Facebook).


HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 43-46 (Schrems/Facebook). Het Hof van Justitie wijst op overweging 11 van de preambule van Brussel I. Zie overweging 15 van de preambule van Brussel I-bis.


HvJ EU 25 januari 2018, C-498/16, ECLI:EU:C:2018:37, punt 47-48 (Schrems/Facebook).


HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672 (Club La Costa).


HvJ EU 14 september 2023, C-821/21, ECLI:EU:C:2023:672, punt 47-58 (Club La Costa).


Van Hoek & Van der Plas 2025, p. 144-145. Zie voor een vergelijkbare conclusie: R. Rijnhout e.a., De collectieve actie in Nederland en daarbuiten: deel 2. Evaluatie Wet afwikkeling massaschade in collectieve actie (2020-2025), Den Haag: Boom 2025, p. 141; X.E. Kramer & E.A.G, van Schagen, ‘Internationaal privaat- en procesrecht 2016-2023 (deel II)’, TvC 2024, afl. 3, p. 138-139. Verder wijs ik nog op Mankowski 2023b, p. 441. Mankowski schrijft: “Arts. 17-19 are not concerned with collective redress.”.


Wallinga, Heikens & Kortmann 2024, p. 297-298. De auteurs verwijzen naar Mankowski 2023b (vorige voetnoot).


Mankowski 2023c, p. 465-466.


Rutten & Pletting, punt 3-6. De auteurs noemen daarna echter ook tegenargumenten (punt 7-8). Zie ook Visser 2023, p. 107.


Concl. A-G M. Bobek van 14 november 2017, ECLI:EU:C:2017:863, punt 119-123 (Schrems/Facebook).


Wallinga, Heikens & Kortmann 2024, p. 317, p. 324; Mankowski 2023c, p. 465-466, p. 470; Visser 2023, p. 109.


Zie de procesinleiding, onder A.


Hof Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1051, rov. 2.4-2.5.


Zie de procesinleiding, onder A.


Zie punt 11-12 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


Zie punt 11 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Zie punt 3-6 van de repliek.


Zie onder meer: HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, rov. 3.4.3, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda; HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1077, NJ 2015/453, rov. 3.3.2.


Zie HvJ EU 16 juni 2016, C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449, punt 42-46 (Universal Music International Holding); HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37, punt 58-65 (Kolassa/Barclays).


Zie HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:566, rov. 3.4.4, NJ 2019/260, m.nt. L. Strikwerda; HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443, rov. 4.1.3-4.1.5. Het voorgaande geldt blijkens genoemde arresten ook voor het onderzoek van de Nederlandse rechter naar zijn bevoegdheid aan de hand van de commune regels voor internationale rechtsmacht.


Zie de procesinleiding, onder A.1.


Zie de procesinleiding, voetnoot 4. Zie ook punt 13 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Zie rov. 2.4 van het bestreden arrest.


Zie rov. 2.5 van het bestreden arrest.


HvJ EG 1 oktober 2002, C-167/00, ECLI:EU:C:2002:555, NJ 2005/221, m.nt. P. Vlas (VKI/Henkel). Dit arrest komt bij de bespreking van subonderdeel A.2 aan de orde.


Concl. A-G M. Bobek van 14 november 2017, ECLI:EU:C:2017:863, punt 88 (Schrems/Facebook).


Procesinleiding, punt A.1.


Zie punt 13 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Zie voor de conclusie: concl. A-G N. Jääskinen van 11 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2443 (CDC Hydrogen Peroxide). SMC wijst in het bijzonder op punt 27 en punt 32 van de conclusie. Zie voor het arrest van het Hof van Justitie: HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC Hydrogen Peroxide).


Zie voetnoot 4 van de procesinleiding en voetnoot 12 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Dit kan worden afgeleid uit de omschrijving van (de functies van) het doeltreffendheidsbeginsel in de literatuur. Zie bijvoorbeeld Asser/Hartkamp 3-I 2023/109 e.v., in het bijzonder nrs. 109-111; T. Tridimas, The General Principles of EU Law, Oxford: Oxford University Press 2009, p. 418 e.v. Zie in vergelijkbare zin punt 23 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


Dit laat onverlet dat regels van materieel Unierecht van invloed kunnen zijn op de uitleg van Unierechtelijke bevoegdheidsregels. Dit zien we o.a. bij claims na kartelinbreuken. Daar werkt het mededingingsrechtelijke concept ‘economische eenheid’ met daaraan verbonden de aansprakelijkheid van de (top)holdingvennootschap voor een kartelinbreuk die feitelijk is begaan door een dochtervennootschap door in de uitleg van het begrip ‘nauwe band’ (tussen ingestelde vorderingen) in art. 8 Brussel I-bis. Zie HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:814, RvdW 2026/650 (Athenian Breweries).


HvJ EU 21 mei 2015, C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335, punt 62-63 (CDC Hydrogen Peroxide).


Zie in vergelijkbare zin punt 24 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


HvJ EG 1 oktober 2002, C-167/00, ECLI:EU:C:2002:555 (VKI/Henkel).


Zie de procesinleiding, onder A.2. SMC verwijst (in voetnoot 5) naar punt 5 van de annotatie van Vlas bij het arrest VKI/Henkel (NJ 2005/221). Airbnb betoogt dat dit arrest niet relevant is voor de onderhavige zaak, omdat het arrest zag op een andere bevoegdheidsgrond dan (thans) is opgenomen in art. 18 lid 1 Brussel-bis. Zie punt 38 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


Zie punt 14 van de schriftelijke toelichting van SMC.


HvJ EG 1 oktober 2002, C-167/00, ECLI:EU:C:2002:555, punt 38-40 (VKI/Henkel).


Dit wordt door Airbnb betwist, zie punt 45 van de schriftelijke toelichting van Airbnb (met verdere verwijzingen).


Zie de procesinleiding, onder A.3.


Ten Wolde 2021, p. 347. Zie in vergelijkbare zin F. Ibili, T&C Rv, commentaar op art. 4 Verordening Brussel I-bis, aant. 1h (online, laatst bijgewerkt 15 februari 2026); Strikwerda & Schaafsma 2026, p. 60; P. Vlas, GS Burgerlijke Rechtsvordering, commentaar op art. 5 Brussel I-bis (online, laatst bijgewerkt 21 april 2020).


Zie reeds m.b.t. het EEX-Verdrag: HvJ EG 1 maart 2005, C-281/02, ECLI:EU:C:2005:120, in het bijzonder punt 44-45 (Owusu).


Zie daarover: M. Krekels & N. Nilwik, ‘Is it time to regulate third-party litigation funding?’, Ondernemingsrecht 2024/8. Aanleiding voor dat artikel was een resolutie van het Europees Parlement van 13 september 2022. In die zelfde resolutie wordt de Europese Commissie aangespoord om over dit onderwerp een studie te verrichten. Op 21 maart 2025 heeft de Commissie een zeer uitgebreid rapport van het verantwoordelijke Directoraat-Generaal gepubliceerd, met als titel Mapping Third Party Litigation Funding in the European Union. Europese wetgeving hierover is er vooralsnog niet.


Ter uitvoering van Richtlijn 2020/1828 is in Ierland voor consumenten de mogelijkheid ingevoerd om collectief te procederen. Zie: Representative Actions for the Protection of the Collective Interests of Consumers Act 2023 (No. 22 of 2023). Deze wet, waar SMC in de schriftelijke toelichting naar verwijst, is op 30 april 2024 in werking getreden. Zie Commencement Order 2024, S.I. No. 181 of 2024.


Zie de procesinleiding, onder A.4.


Zie punt 22 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Zie de hiervoor besproken arresten, met name Schrems/Facebook (ECLI:EU:C:2018:37) en Club la Costa (ECLI:EU:C:2023:672).


Vgl. HvJ EG 6 oktober 1982, C-283/81, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10-21 (CILFIT) en meer recent HvJ EU 24 maart 2026, C-767/23, ECLI:EU:C:2026:243, punt 20-23 (Remling).


Zie voor dit alles de procesinleiding, onder B.


Rb. Amsterdam 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5310 en Rb. Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8330.


Concl. A-G M. Campos Sánchez-Bordona van 27 maart 2025, ECLI:EU:C:2025:212 (Stichting Right to Consumer Justice c.s./Apple).


HvJ EU 7 december 2010, C-585/08 en C-144/09, ECLI:EU:C:2020:740 (Pammer/Reederei Karl Schlüter & Alpenhof/Heller). Zie voetnoot 15 van de procesinleiding.


Zie procesinleiding, onder B.1.


Zie in die zin ook punt 62 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


Zie Rb. Amsterdam 16 augustus 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:5310 en Rb. Amsterdam 20 december 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:8330. Inmiddels heeft de rechtbank Amsterdam geoordeeld dat zij voor een gedeelte van de ingestelde vorderingen bevoegd is en heeft iedere verdere beslissing aangehouden in afwachting van de uitspraak van de Hoge Raad in twee dieselzaken (24/04589 en 25/00198). Zie: Rb. Amsterdam 13 mei 2026, ECLI:NL:RBAMS:2026:4577. De twee dieselzaken gaan overigens primair over art. 8 punt 1 Brussel I-bis.


HvJ EU 2 december 2025, C-34/24, ECLI:EU:C:2025:936 (Stichting Right to Consumer Justice c.s./Apple).


HvJ EU 2 december 2025, C-34/24, ECLI:EU:C:2025:936, punt 76 en dictum (Stichting Right to Consumer Justice c.s./Apple). Ik wijs er nog op dat Advocaat-Generaal Campos Sánchez-Bordona deze uitleg van art. 7 lid 2 Brussel I-bis van de hand wees. Zie: concl. A-G M. Campos Sánchez-Bordona van 27 maart 2025, ECLI:EU:C:2025:212, punt 64-67 en punt 125.


HvJ EU 2 december 2025, C-34/24, ECLI:EU:C:2025:936, punt 71-75 (Stichting Right to Consumer Justice c.s./Apple).


Zie de punten 53-57 en 59-62 van het arrest.


Zie voor een weergave van die arresten de conclusie van A-G Vlas van 22 november 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1238, nr. 2.6-2.10 (Alpbacher Bergbahn).


HvJ EU 7 december 2010, C-585/08 en C-144/09, ECLI:EU:C:2010:740, punt 94 en dictum (Pammer/Reederei Karl Schlüter & Alpenhof/Heller). Dit zijn ook factoren die door SMC zijn aangevoerd in deze zaak ter onderbouwing van haar betoog dat de Nederlandse rechter internationale bevoegdheid heeft.


Ibidem, punt 92 en dictum.


Ibidem, punt 93 en dictum.


In die zin ook punt 63 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


In voetnoot 16 van de procesinleiding.


Punt 12-15 van de conclusie van antwoord in het incident in eerste aanleg van SMC; punt 13-15 nadere akte SMC in plaats van mondelinge behandeling in eerste aanleg.


Punt 14 nadere akte SMC in plaats van mondelinge behandeling in eerste aanleg.


Punt 44-52 van de memorie van grieven van SMC.


Punt 56-62 van de memorie van grieven van SMC


Zie voor dit alles de procesinleiding, onder B.2.


Airbnb heeft ook deze lezing voorgesteld, zie punt 68 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


HvJ EG 9 juli 2009, C-204/08, ECLI:EU:C:2009:439 (Rehder/Air Baltic).


Zie punt 53 en 54 van de memorie van grieven. SMC verwijst ook nog naar de conclusie van antwoord in het incident in eerste aanleg (punt 12-15) en de nadere akte van SMC in plaats van mondelinge behandeling in eerste aanleg (punt 13-19). Daaruit blijkt dat SMC heeft betoogd dat de diensten van Airbnb in Nederland worden verstrekt. In dat verband heeft zij aangevoerd dat niet in geschil zal zijn dat de diensten van Airbnb in Nederland zijn verstrekt en heeft zij op verschillende stellingen van Airbnb gewezen waaruit in haar optiek blijkt dat de diensten worden verstrekt in Nederland. Uit de genoemde randnummers van de nadere akte van SMC in plaats van mondelinge behandeling in eerste aanleg blijkt verder dat SMC heeft aangevoerd dat het ook mogelijk is om diensten in Nederland vanuit een ander land te verstrekken en dat (dus) in het midden kan blijven vanuit waar Airbnb de diensten heeft verstrekt, dat geen onderscheid moet worden gemaakt tussen het aanbieden van het platform en het toestaan van toegang tot het platform en dat SMC het betoog van Airbnb dat het aannemen van bevoegdheid van de Nederlandse rechter op grond van art. 7 lid 1 Brussel I-bis onvoorspelbaar of onvoorzienbaar zou zijn, gemotiveerd heeft weersproken. Hiermee reageert SMC op de repliek van Airbnb in het bevoegdheidsincident en dupliek ten aanzien van niet-ontvankelijkheid ex artikel 1018c lid 5 Rv, van 12 oktober 2022 (in eerste aanleg).


Punt 24 van de memorie van antwoord.



Ibid. Airbnb verwijst in dit verband naar HvJ EU 19 december 2019, C-390/18, ECLI:EU:C:2019:1112 (Airbnb).


Punt 25-27 van de memorie van antwoord.


Deze formulering gebruikt Airbnb ook in punt 25 van de memorie van antwoord.


Ook Airbnb wijst hier in de schriftelijke toelichting (punt 69) op.


In eerste aanleg heeft Airbnb zowel de formulering ‘vanuit Ierland’ als ‘in Ierland’ gebruikt. Zie voor laatstgenoemde formulering bijvoorbeeld punt 15 en 31 van de repliek van Airbnb in het bevoegdheidsincident en dupliek ten aanzien van niet-ontvankelijkheid ex artikel 1018c lid 5 Rv, van 12 oktober 2022. Naar ik begrijp is dit ook het stuk waarnaar Airbnb in punt 69 van haar schriftelijke toelichting verwijst.


Rb. 21 juni 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:8562, rov. 4.16. SMC heeft daartegen niet gegriefd. In rov. 4.18 van het vonnis gebruikt de rechtbank de formulering ‘vanuit Ierland’.


Zie de procesinleiding, onder B.3.


Vgl. hetgeen ik n.a.v. subonderdeel A.3 schreef.


Zie in die zin ook punt 49 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


Hoe groot de kans is dat dit lukt valt niet in zijn algemeenheid te zeggen. Voor een onderneming kan het echter de voorkeur verdienen om te maken te hebben met één zaak waarin gebundelde vorderingen zijn ingesteld, dan met een groot aantal individuele zaken bij verschillende gerechten.


De ‘achterban’ van een claimstichting moet dan zijn geïdentificeerd en niet slechts identificeerbaar zijn kan dus niet pas hangende de procedure worden opgebouwd.


Zie bijvoorbeeld punt 43 van de memorie van grieven: “SMC zal hierna toelichten dat (i) Airbnb haar diensten aan de Gedupeerden hoofdzakelijk verstrekt heeft in Nederland, (ii) dit in lijn is met vergelijkbare rechtspraak en wetgeving, (iii) dit beantwoordt aan de beginselen van voorspelbaarheid en nabijheid en (iv) een andersluidende uitkomst tot volstrekt onwenselijke situaties zal leiden.” Zie ook punt 63 van de memorie van grieven.


Zie de procesinleiding, onder B.4.


Zie punt 39 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Zie de procesinleiding, onder B.5.


HvJ EU 3 februari 2022, C-20/21, ECLI:EU:C:2022:71 (LOT Polish Airlines).


HvJ EU 11 juli 2018, C-88/17, ECLI:EU:C:2018:558 (Zürich Insurance/ALS).


Zie punt 41 van de schriftelijke toelichting van SMC.


Hof Den Haag 27 mei 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1051, rov. 2.22-2.24.


Uit de schriftelijke toelichting blijkt dat het gaat om de vordering tot vernietiging van het servicekostenbeding in de Gebruiksvoorwaarden van Airbnb, opgenomen onder V van het petitum van de dagvaarding in eerste aanleg van SMC. Zie punt 43 van de schriftelijke toelichting.


Rb Amsterdam 9 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6488 (TikTok). SMC licht deze verwijzing in punt 44-45 van haar schriftelijke toelichting toe.


Zie de procesinleiding, onder C.1.


Zie ook,onder verwijzing naar rechtspraak van het Hof, punt 82 van de schriftelijke toelichting van Airbnb.


Zie de in nr. 4.21 geciteerde rechtspraak van het Hof.


HvJ EU 13 maart 2014, C-548/12, ECLI:EU:C:2014:148, punt 26-27 (Brogsitter).


HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950, punt 29-31 (Wikingerhof).


Rb. Amsterdam 9 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6488 (TikTok).


Rb. Amsterdam 9 november 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:6488, rov. 5.16 (TikTok).


Zie punt 83-94 van de memorie van grieven.


Zie punt 37-39 van de memorie van antwoord.


Zie de procesinleiding, onder C.2.


In die zin reeds punt 37 van de memorie van antwoord van Airbnb.


HR 19 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1725 (Airbnb). SMC wijst in het bijzonder op rov. 3.4.2 van het arrest.


SMC wijst op rov. 3.4.2, tweede en derde volzin, en rov. 3.4.3 van het Airbnb-arrest.