Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:896

2026-09-29 Strafrecht 25/01183
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-09-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/01183
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Niet-ontvankelijkverklaring verdachte in hoger beroep. Termijnoverschrijding verontschuldigbaar? Aangevoerd wordt onder meer dat aan verdachte die geen Nederlands spreekt ten onrechte geen schriftelijke vertaling van dagvaarding in eerste aanleg is verstrekt a.b.i. art. 260 lid 5 Sv. AG acht oordeel hof dat overschrijding beroepstermijn niet verontschuldigbaar is en verdachte daarom niet-ontvankelijk is in hoger beroep, niet zonder meer begrijpelijk. De conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof.

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (19.175 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/01183

Zitting 29 september 2026




CONCLUSIE



D.J.M.W. Paridaens




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998,
hierna: de verdachte.





1Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 26 maart 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.


1.2
Namens de verdachte heeft H.M.W. Daamen, advocaat in Maastricht, één middel van cassatie voorgesteld.





2Het middel

2.1
Het middel keert zich tegen de beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.


2.2
Op 16 december 2022 heeft de politierechter in de rechtbank Gelderland de verdachte bij verstek veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest. Op 15 april 2024 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.


2.3
De ter terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2025 door de raadsman voorgedragen en overgelegde pleitnota houdt onder meer in:



“1.5 De dagvaarding voor de zitting van de rechtbank is blijkens de akte van uitreiking in persoon uitgereikt aan cliënt. Dan moet het beroep binnen 14 dagen na de uitspraak worden ingesteld (art. 408 lid 1 sub a Sv), wat in casu dus niet is gebeurd.





1.6

Ik meen echter dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is, nu sprake is van bijzondere, mijn cliënt niet toe te rekenen, omstandigheden. Dat zit hem in de combinatie van de toestand van cliënt ten tijde van zijn heenzending en het feit dat hij de Nederlandse taal niet beheerst en hem geen Italiaanse vertaling van de dagvaarding is uitgereikt.




[…]





Toestand cliënt




1.8

Ten tijde van zijn aanhouding in deze zaak en zijn heenzending twee dagen later was cliënt zwaar verslaafd aan drugs. Een paar weken later (eind december 2022) is hij teruggekeerd naar Italië, omdat hij toen inzag dat het zo echt niet meer verder kon. In Italië heeft hij, na een ambulant therapeutisch traject, een periode van 8 maanden intern in een kliniek verbleven om af te kicken. Dat is gelukt: hij is nog altijd clean en heeft inmiddels een eigen woning en werk. Zie ook de verklaring van de Therapeutische gemeenschap waar hij heeft verbleven, die ik in het Nederlands heb vertaald met behulp van Google Translate (bijlage 1). Daarin wordt de heroïneverslaving van cliënt ook bevestigd. Het is een feit van algemene bekendheid dat verslaving aan heroïne een ernstige psychische en lichamelijke aandoening is, die ongeneeslijk is (je blijft altijd verslaafd).




[,,,]





1.10

Toen ik cliënt voorhield dat hij had getekend voor ontvangst van de dagvaarding en tevens dat hij de inhoud van de dagvaarding had begrepen, gaf hij aan dat hij zich daarvan niets kon herinneren en dat hij toen in een dusdanige staat was dat hij alles tekende om maar naar buiten te kunnen om zijn volgende dosis te scoren. Hij had tijdens het verblijf in de cel te kampen met forse ontwenningsverschijnselen, bijv, veelvuldig braken. Dit blijkt ook uit de verklaring van cliënt die hij me gisteren zond en die ik aan deze pleitnota hecht (bijlage 2).




Cliënt spreekt geen Nederlands




1.11

Cliënt spreekt geen Nederlands. Dat blijkt al op p. 2 van het politiedossier, waar staat dat hij een tolk in de Italiaanse taal nodig heeft en in het Italiaans is verhoord. Dat was ook zijn taalkeuze bij de voorgeleiding na aanhouding en ook toen werd hij in het Italiaans gehoord Toen de politie ter plaatse kwam schreeuwde hij in het Engels en hij sprak ook in die taal met de politie (p. 18-19), dus niet in het Nederlands: ook daaruit blijkt dat hij het Nederlands niet beheerst. En het is niet voor niets dat ik zijn raadsman ben: hij heeft mij gekozen omdat hij met mij in het Italiaans kan communiceren.




1.12

Uit het formulier dat aan de Akte van uitreiking is gehecht blijkt niet dat cliënt in een taal die hij verstaat op de hoogte is gesteld van de tenlastelegging en de datum en tijd van de zitting. Het is niet in het Italiaans medegedeeld, zo blijkt uit het ontbreken van een kruisje bij het eerste vakje. De toelichting zou wel in het Italiaans zijn uitgereikt, maar dat betreft enkel de algemene informatie. Tot slot zou cliënt hebben aangegeven dat hij de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen.




1.13

Cliënt heeft dit formulier weliswaar getekend, maar ook dit formulier is enkel in het Nederlands gesteld, terwijl niet blijkt wat er mondeling is besproken en in welke taal. Ik acht het ook onvoorstelbaar dat cliënt daadwerkelijk de inhoud van de dagvaarding zou hebben begrepen, als deze niet voor hem is vertaald in het Italiaans, of tenminste in het Engels. Cliënt bestrijdt dat ook.




1.14

Art. 260 lid 5 Wetboek van Strafvordering luidt:




‘Indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, wordt hem onverwijld een
schriftelijke vertaling
van de dagvaarding verstrekt dan wel wordt hem in een voor hem begrijpelijke taal
schriftelijk
mededeling gedaan van de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen alsmede een korte omschrijving van het feit en de mededelingen, bedoeld in het derde lid, tweede volzin, en het vierde lid.' (onderstreping raadsman)





1.15

Er zit wel een vertaling van de dagvaarding in het Italiaans in het dossier, maar niet blijkt wanneer die is gemaakt en of, hoe en wanneer deze aan cliënt zou zijn verstrekt. In de praktijk komt het vaak voor dat men met de heenzending van een verdachte niet wacht totdat de dagvaarding integraal is vertaald en dat de vertaling wordt nagezonden.




1.16

Het moet er dus voor worden gehouden dat cliënt, ingegeven door zijn ontwenningsverschijnselen, maar heeft getekend om er vanaf te zijn en niet daadwerkelijk heeft begrepen waarvoor hij tekende. Nu evenmin is gebleken dat hij een Italiaanse vertaling van de dagvaarding, althans de essentialia daarvan, op papier heeft meegekregen waaruit hij op een later moment had kunnen begrijpen waar, wanneer en waarvoor hij terecht moest staan, acht ik de termijnoverschrijding verontschuldigbaar.




1.17

Het moet er dan ook voor worden gehouden dat art. 260 lid 5 Wetboek van Strafvordering is geschonden.




1.18

Er was dan ook sprake van een zodanige psychische gesteldheid bij cliënt dat in verband daarmee het verzuim tijdig hoger beroep in te stellen niet aan hem kan worden toegerekend (ECLI:NL:HR:2004:AN8587, nog herhaald in bijv. ECLI:NL:HR:2023:341). Dat het ontbreken van een vertaling in een taal die de verdachte beheerst eveneens relevant is in het kader van de verontschuldigbaarheid van de termijnoverschrijding blijkt bijv. uit ECLI:NL:HR:2019:1534, waarin de mededeling verstekuitspraak niet was vertaald.




1.19

Ik verzoek u dan ook cliënt ontvankelijk te achten in het door hem ingestelde hoger beroep en de behandeling van de zaak aan te houden tot een nadere terechtzitting, waarop de zaak inhoudelijk wordt behandeld in hoger beroep.”



2.4
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 26 maart 2025 houdt in:



“De raadsman voegt daaraan nog toe:


Er blijkt niet dat de vertaling van de dagvaarding aan verdachte is uitgereikt.





De advocaat-generaal voert het woord:


De akte van uitreiking met de vertaling zit in het dossier. De toelichting van de dagvaarding is in het Italiaans uitgereikt.





De raadsman voert het woord:


In de “bijlage vertalen dagvaarding - bij akte van uitreiking” staat na “Hierbij verklaar ik, verbalisant, dat” een kopje/optie “de dagvaarding (...)via de tolk/tolkentelefoon in de Italiaanse taal werd vertaald”. Er staat geen kruisje bij dit kopje/deze optie.”




2.5
Het hof heeft het volgende overwogen en beslist:



“Ontvankelijkheid van het hoger beroep





Verdachte is in eerste aanleg gedagvaard om op 16 december 2022 te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen. De inleidende dagvaarding is op 17 november 2022 op het politiebureau in persoon uitgereikt. Uit de “bijlage vertalen dagvaarding - bij akte van uitreiking” blijkt dat verdachte de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen. Het hof heeft geen reden om aan deze mededeling te twijfelen nu uit het dossier volgt dat verdachte in een taal die hij begrijpt, mogelijk de Engelse taal, die hij beheerst, de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen. Daarnaast is verdachte over het op de dagvaarding vermelde feit kort daarvoor met behulp van een tolk Italiaans gehoord. Voorts blijkt dat de toelichting van de dagvaarding in de Italiaanse taal aan verdachte is uitgereikt. Dat de in de Italiaanse taal vertaalde dagvaarding, die in het dossier zit, mogelijk niet op het politiebureau is uitgereikt maar is nagezonden, maakt het voorgaande niet anders.





In de toelichting van de dagvaarding staat dat het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis dient te worden ingesteld.





Verdachte is op 16 december 2022 bij verstek veroordeeld.





Gelet op het bepaalde in artikel 408 lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering, had verdachte binnen 14 dagen na 16 december 2022 hoger beroep moeten instellen. Verdachte heeft echter op 15 april 2024 hoger beroep ingesteld.





Nu het hoger beroep niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn is ingesteld en niet van omstandigheden is gebleken die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, zal verdachte daarin niet ontvankelijk worden verklaard.





BESLISSING





Het hof:


Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep.”




2.6
Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De wet bepaalt in welke gevallen tegen een rechterlijke uitspraak een rechtsmiddel kan worden ingesteld en binnen welke termijn dit moet gebeuren. Die termijnen zijn van openbare orde. Overschrijding van de termijn voor het instellen van hoger beroep door de verdachte, zoals in dit geval, betekent in de regel dat dit hoger beroep niet-ontvankelijk is. Dit gevolg kan daaraan uitsluitend dan niet worden verbonden, als sprake is van bijzondere, de verdachte niet toe te rekenen, omstandigheden die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn. Daarvan kan onder meer sprake zijn in het geval dat de verdachte in strijd met art. 260 lid 5 Sv niet een schriftelijke vertaling van de dagvaarding in een voor hem begrijpelijke taal heeft ontvangen.


2.7
In de toelichting op het middel wordt onder meer aangevoerd dat het hof ten onrechte in het midden heeft gelaten of en, zo ja, hoe de zich in het dossier bevindende vertaling van de dagvaarding in eerste aanleg in de Italiaanse taal aan de verdachte is verstrekt en of deze hem ook daadwerkelijk (tijdig) heeft bereikt, terwijl dit van doorslaggevend belang is voor de vraag of art. 260 lid 5 Sv is nageleefd en het al dan niet naleven van deze bepaling van belang is bij de beoordeling of een termijnoverschrijding bij het instellen van hoger beroep verontschuldigbaar is.


2.8
Art. 260 lid 5 Sv schrijft voor dat indien de verdachte de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst, aan hem onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding wordt verstrekt dan wel hem in een voor hem begrijpelijke taal schriftelijk mededeling wordt gedaan van onder meer de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen. Aan deze verplichting kan worden voldaan door het verstrekken van een integrale vertaling van de dagvaarding, dat wil zeggen een vertaling van de door het openbaar ministerie opgestelde dagvaarding met inbegrip van de mededelingen die daarin zijn opgenomen dan wel daarbij zijn gevoegd.


2.9
Het hof heeft in zijn overwegingen betreffende de ontvankelijkheid van het hoger beroep vastgesteld dat de verdachte de Nederlandse taal niet machtig is en heeft vervolgens vastgesteld dat de dagvaarding om voor de politierechter te verschijnen op 17 november 2022 aan hem op het politiebureau in persoon is uitgereikt. Het hof heeft verder vastgesteld dat uit de ‘bijlage vertalen dagvaarding – bij akte van uitreiking’ blijkt dat de verdachte de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen en het hof geen reden heeft om aan deze mededeling te twijfelen nu uit het dossier volgt dat verdachte in een taal die hij begrijpt, mogelijk de Engelse taal, die hij beheerst, de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen. Ook is vastgesteld dat de verdachte daarnaast over het op de dagvaarding vermelde feit kort daarvoor met behulp van een tolk Italiaans gehoord. Daarnaast is vastgesteld dat de toelichting van de dagvaarding in de Italiaanse taal aan verdachte is uitgereikt. Dat de in de Italiaanse taal vertaalde dagvaarding, die in het dossier zit, mogelijk niet op het politiebureau is uitgereikt maar is nagezonden, maakt het voorgaande volgens het hof niet anders. Het hof heeft erop gewezen dat in de toelichting van de dagvaarding vermeld staat dat het hoger beroep binnen 14 dagen na het vonnis dient te worden ingesteld en de verdachte op 16 december 2022 bij verstek is veroordeeld, terwijl hij op 15 april 2024 hoger beroep heeft ingesteld en hij daarmee buiten de termijn van veertien dagen na het wijzen van vonnis hoger beroep heeft ingesteld. Het hof heeft geoordeeld dat niet van omstandigheden is gebleken die de overschrijding van de termijn verontschuldigbaar doen zijn, zodat de verdachte in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard.


2.10
Uit de vaststellingen van het hof kan slechts volgen dat aan de verdachte, die de Nederlandse taal niet machtig is, een ‘toelichting op de dagvaarding’ is uitgereikt in de Italiaanse taal. Het hof heeft weliswaar vastgesteld dat een in de Italiaanse taal vertaalde dagvaarding in het dossier zit, maar heeft ten aanzien daarvan slechts overwogen dat deze mogelijk niet op het politiebureau is uitgereikt maar is nagezonden. Daarmee heeft het hof niet vastgesteld dat deze vertaling aan de verdachte is verstrekt dan wel is nagezonden en kan uit de vaststellingen van het hof niet volgen dat aan de verdachte – zoals art. 260 lid 5 Sv voorschrijft – onverwijld een schriftelijke vertaling van de dagvaarding is uitgereikt dan wel dat anderszins in een voor de verdachte begrijpelijke taal de in die bepaling bedoelde schriftelijke mededeling is gedaan. Mede in aanmerking genomen dat uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken ook niet kan blijken dat dit is geschied, moet dus worden aangenomen dat aan het vereiste van art. 260 lid 5 Sv niet is voldaan. Daarmee kan sprake zijn van een geval waarin de termijnoverschrijding verontschuldigbaar is.


2.11
Of daarvan sprake is, hangt mede af van de verdere overwegingen van het hof waarom naar zijn oordeel geen sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding. Het hof heeft er in dat verband allereerst op gewezen dat uit de ‘bijlage vertalen dagvaarding – bij akte van uitreiking’ blijkt dat de verdachte de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen en het hof geen reden heeft om aan deze mededeling te twijfelen nu uit het dossier volgt dat verdachte in een taal die hij begrijpt, mogelijk de Engelse taal, die hij beheerst, de inhoud van de dagvaarding heeft begrepen. Deze overweging is niet toereikend voor het oordeel dat geen sprake is van verontschuldigbare termijnoverschrijding, reeds omdat het hof niet heeft vastgesteld – en gelet op de processtukken ook niet heeft kunnen vaststellen – in welke taal de verbalisant met de verdachte heeft gecommuniceerd en wat daarbij met hem is besproken. Ook de vaststelling dat de verdachte over het op de dagvaarding vermelde feit kort daarvoor met behulp van een tolk Italiaans is gehoord en dat de toelichting van de dagvaarding in de Italiaanse taal aan de verdachte is uitgereikt, lijkt mij daarvoor ontoereikend, omdat daarmee de verdachte nog niet is geïnformeerd over de plaats, datum en het tijdstip waarop de verdachte ter terechtzitting moet verschijnen.


2.12
Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof dat de overschrijding van de beroepstermijn niet verontschuldigbaar is, niet zonder meer begrijpelijk. In het verlengde daarvan is ook beslissing van het hof om de verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep niet zonder meer begrijpelijk.





3Slotsom

3.1
Het middel slaagt.


3.2
Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.


3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het hof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



AG




Parketnummer: 21-001674-24.


HR 6 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8587, r.o. 3.3-3.4.


HR 9 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:871, r.o. 2.5.2.


HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:773, r.o. 2.4.2.


Vgl. HR 9 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:871, r.o. 2.6.


Vgl. t.a.v. art. 366 lid 4 Sv: HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:2018:2008, r.o. 2.5 en HR 8 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1534, NJ 2020/326 m.nt. J.W. Ouwekerk, r.o. 2.5.