Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:890
2026-09-25
Civiel recht
25/04855
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Nationaliteitsrecht. Vaststelling Nederlanderschap (art. 17 jo. 4 lid 2 RWN). Stelplicht en bewijslast m.b.t. Nederlanderschap van erkenner ten tijde van erkenning.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17903 Rechtbank Den Haag 30-09-2025
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1512 Hoge Raad 28-10-1994
- ECLI:NL:HR:1988:AB8705 Hoge Raad 04-03-1988
- ECLI:NL:HR:1994:ZC1512 Hoge Raad 28-10-1994
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.366 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04855
Zitting 25 september 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verzoeker tot cassatie
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie
Partijen worden hierna aangeduid als de Staat respectievelijk verweerder in cassatie.
1Inleiding
1.1
In deze procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) stelt verweerder in cassatie dat hij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen op grond van art. 4 lid 2 RWN, omdat hij in 1998 in Suriname door een Nederlandse man is erkend. Vast staat dat de erkenner in 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Of de erkenner de Nederlandse nationaliteit ook nog had ten tijde van de erkenning in 1998, is tussen partijen in geschil.
1.2
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) geen concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de erkenner de Nederlandse nationaliteit, na de verkrijging hiervan in 1982, op enig moment heeft verloren. Bij die stand van zaken dient volgens de rechtbank ervan uit te worden gegaan dat de erkenner ten tijde van de erkenning van verweerder in cassatie in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank heeft het verzoek op grond van art. 17 jo. 4 lid 2 RWN toegewezen. De Staat komt hiertegen in cassatie.
1.3
De vraag die in cassatie aan de orde komt is, op wie de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het door art. 4 lid 2 RWN gestelde vereiste dat de erkenner ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit had.
2Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Verweerder in cassatie is op [geboortedatum] 1998 geboren te [plaats] (Suriname), tijdens het huwelijk van [de moeder] (hierna: de moeder), geboren op [geboortedatum] 1980, en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).
2.3
Bij vonnis van 21 april 1998 van de kantonrechter in het Eerste Kanton (Suriname) is dit huwelijk nietig verklaard. Het vonnis is op 30 april 1998 ingeschreven in het register van huwelijken van het ressort P/GH.
2.4
De moeder heeft de Surinaamse nationaliteit. De nationaliteit van [betrokkene 1] is onbekend.
2.5
Op de (kopie) geboorteakte van verweerder in cassatie staat de volgende aantekening, gedateerd op 9 juli 1998:
‘Blijkens akte ingeschreven in de registers van huwelijken van het ressort P/GH van Paramaribo op 30 april 1998, is bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo van 21 april 1998, het huwelijk gesloten tussen de ouders van het in tegenstaande akte genoemd kind nietig verklaard.’
2.6
Uit de (kopie) geboorteakte van verweerder in cassatie volgt dat hij bij akte, verleden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Paramaribo op 15 juli 1998, is erkend door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), geboren op [geboortedatum] 1965 te Suriname, en dat die erkenning is aangetekend op de geboorteakte op 20 juli 1998.
2.7
Uit een afschrift uit de (Nederlandse) Basisregistratie Personen (hierna: BRP) van 23 augustus 2023 blijkt dat [betrokkene 2] op dat moment was geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit.
2.8
Verweerder in cassatie is in het bezit van een Surinaams paspoort, afgegeven op 15 mei 2020.
2.9
In de onderhavige procedure, ingeleid op 10 juni 2024, heeft verweerder in cassatie op grond van art. 17 RWN een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap. Aan zijn verzoek heeft hij ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat hij als gevolg van de erkenning door een vader met de Nederlandse nationaliteit van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van art. 4 lid 2 RWN.
2.10
De IND heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Volgens de IND is de erkenning van verweerder in cassatie door [betrokkene 2] nietig, waardoor deze in Nederland niet kan worden erkend. Bovendien is volgens de IND niet aangetoond dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.
2.11
Bij beschikking van 30 september 2025 heeft de rechtbank Den Haag het verzoek toegewezen en vastgesteld dat verweerder in cassatie sinds 15 juli 1998 de Nederlandse nationaliteit bezit.
2.12
De Staat is (tijdig) in cassatie gekomen van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking). Door verweerder in cassatie is verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
In deze procedure heeft verweerder in cassatie zich op het standpunt gesteld dat hij van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van art. 4 lid 2 RWN, omdat hij door een Nederlandse man is erkend. In cassatie is niet langer in geschil dat [betrokkene 2] verweerder in cassatie op 15 juli 1998 in Suriname rechtsgeldig heeft erkend en dat deze erkenning op grond van art. 10:101 BW in aanmerking komt voor erkenning in Nederland. De discussie in cassatie spitst zich toe op de vraag op wie de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het door art. 4 lid 2 RWN gestelde vereiste dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank hierover het volgende overwogen:
‘Niet in geschil is dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 is mee genaturaliseerd met zijn moeder en aldus de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Door de IND zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat hij de Nederlandse nationaliteit nadien op enig moment heeft verloren. Bij die stand van zaken dient de rechtbank er vanuit te gaan dat [betrokkene 2] ook ten tijde van de erkenning van verzoeker in 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat verzoeker op 15 juli 1998 – als gevolg van de erkenning door [betrokkene 2] – op grond van artikel 4 lid 2 RWN de Nederlandse nationaliteit verkregen en dat zich daarna geen feiten of omstandigheden voorgedaan op grond waarvan verzoeker de Nederlandse nationaliteit weer heeft verloren.’
3.2
Tegen dit oordeel voert de Staat de volgende klachten aan.
3.2.1
De rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat de IND geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] de Nederlandse nationaliteit na 1982 op enig moment heeft verloren, niet meebrengt dat de rechtbank ervan uit diende te gaan dat [betrokkene 2] ook ten tijde van de erkenning in 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Het was niet aan de Staat om met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat [betrokkene 2] het Nederlanderschap vóór de erkenning had verloren. Het was aan verweerder in cassatie om aan te tonen dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning (nog) de Nederlandse nationaliteit had. De stelplicht en bewijslast van deze omstandigheid rusten op verweerder in cassatie en niet (voor het tegendeel) op de Staat. (onderdeel a)
3.2.2
Althans heeft de rechtbank miskend dat zij ofwel het verzoek had moeten afwijzen, ofwel verweerder in cassatie in de gelegenheid had moeten stellen om (alsnog) stukken te vergaren waaruit afgeleid zou kunnen worden of [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit had, althans nader onderzoek had moeten doen of gelasten, omdat: (i) door verweerder in cassatie geen enkel stuk is overgelegd met enige aanwijzing over de nationaliteit van [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning, en (ii) gesteld noch gebleken is dat verweerder in cassatie een voldoende poging heeft ondernomen om dergelijke stukken te vergaren, door het benaderen van het Surinaamse bevolkingsregister, het doen van een concreet verzoek aan [betrokkene 2] of anderszins. Hiertoe bestond te meer aanleiding, omdat: (iii) tussen de naturalisatie van [betrokkene 2] en de erkenning van verweerder in cassatie een zodanig lange periode (16 jaar) is verstreken, dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat in 1998 de nationaliteit van [betrokkene 2] nog dezelfde was als in 1982, (iv) [betrokkene 2] in 1995 Nederland heeft verlaten voor (naar zowel de Staat als verweerder in cassatie aanneemt) Suriname, en (v) een latere Surinaamse identiteitskaart van [betrokkene 2] bekend is. Althans heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen aanleiding heeft gezien om het overleggen van nadere stukken te gelasten of om anderszins nader onderzoek te doen of te gelasten. (onderdeel b)
3.2.3
Voor zover de rechtbank zich heeft gebaseerd op andere omstandigheden dan die in de bestreden rechtsoverweging (op p. 4 van de bestreden beschikking, aangehaald in 3.1 van mijn conclusie), is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat dat niet uit de bestreden beschikking blijkt. Voor zover de rechtbank gewicht zou hebben toegekend aan de omstandigheid dat uit een uittreksel uit de BRP volgt dat [betrokkene 2] op 23 augustus 2023 was geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit, heeft zij een rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven, nu (zoals de Staat ter zitting heeft uitgelegd) uit de BRP niet kan worden opgemaakt of een in het verleden geregistreerde Nederlandse nationaliteit nog steeds actueel is. (onderdeel c)
3.3
Bij de behandeling van de klachten stel ik het volgende voorop. In procedures tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 RWN geldt als uitgangspunt dat ‘(…) de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn, niet lijdelijk behoort op te stellen (…)’. De actieve rol die van de rechter wordt verlangd hangt samen met de aard van het verzoek, dat strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap. Dit betreft een kwestie die niet ter vrije bepaling van de verzoeker staat. Verder hangt de actieve rol van de rechter samen met het algemeen belang dat in nationaliteitsaangelegenheden in het geding is. Dit verklaart ook waarom de Staat in procedures tot vaststelling van het Nederlanderschap als belanghebbende wordt opgeroepen (art. 18 RWN). De rechter dient zijn actieve rol te vervullen aan de hand van de informatie die wordt verkregen uit de stellingen van de verzoeker en de Staat, de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting. Op basis van deze informatie zal de rechter zoveel mogelijk actief onderzoek dienen te doen naar de feiten die relevant kunnen zijn voor de vaststelling of het verlies van het Nederlanderschap. De verzoeker en de Staat blijven verantwoordelijk om de voor hun standpunt relevante feiten aan te voeren en te onderbouwen.
3.4
Art. 4 lid 2 RWN bepaalt: Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend. Degene die stelt dat hij op grond van deze bepaling de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, draagt de stelplicht en de bewijslast voor de feiten waaraan art. 4 lid 2 RWN het Nederlanderschap verbindt. Dit geldt ook voor het bezit van het Nederlanderschap van de erkenner ten tijde van de erkenning. Het lag dus op de weg van verweerder in cassatie om bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 de Nederlandse nationaliteit had. De vraag rijst of hiervoor voldoende is dat verweerder in cassatie bewijs overlegt waaruit blijkt, dan wel anderszins vast komt te staan dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Deze omstandigheid lijkt mij zonder meer relevant, maar of hiermee kan worden volstaan om het verzoek op grond van art. 4 lid 2 RWN gegrond te kunnen verklaren, zal, zo komt mij voor, afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Hierbij is van belang of verweerder in cassatie zich voldoende heeft ingespannen om bewijs te achterhalen waaruit blijkt dat [betrokkene 2] ook ten tijde van de erkenning Nederlander was. Ook is relevant of de Staat een beroep heeft gedaan op een verliesgrond van de Nederlandse nationaliteit van de erkenner, althans op grond van de stellingen van de Staat of anderszins in de procedure is gebleken van feiten en omstandigheden die een verliesgrond zouden kunnen opleveren.
3.5
In de literatuur hebben verschillende auteurs aandacht besteed aan de stelplicht en bewijslast in nationaliteitszaken.
3.5.1
Poortman heeft de volgende stelregel (‘continueringspresumptie’) geformuleerd:
‘Indien iemand ooit het Nederlanderschap heeft verkregen, dient te worden uitgegaan van het behoud van het Nederlanderschap zolang niet het rechtsfeit is bewezen ten gevolge waarvan het Nederlanderschap verloren zou zijn gegaan. Anders geformuleerd: het bovenstaande leidt tot de stelregel dat van het behoud van het Nederlanderschap dient te worden uitgegaan, tenzij een rechtsfeit waaraan het verlies is gekoppeld, is bewezen. De hier weergegeven stelregel op het gebied van het (Nederlandse) nationaliteitsrecht wordt (…) door mij aangeduid met ‘de continueringspresumptie’ (…).’
Poortman komt op grond van jurisprudentieonderzoek tot de volgende bewijslastverdeling:
‘De, naar mijn mening, belangrijkste uitkomst van het jurisprudentieonderzoek is wel dat kan worden vastgesteld dat de bewijslast voor het verlies van de Nederlandse nationaliteit, bij betwisting daarvan door de betrokkene, bij de Nederlandse overheid ligt.’
3.5.2
Dit standpunt werd eerder ook al ingenomen door Van Sasse van IJsselt:
‘Als algemene regel gelde, dat, van hem, die het Nederlanderschap heeft verkregen, niet gevergd kan worden, dat hij bewijze het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Wie de door de geboorte verkregen staat van Nederlanderschap zou willen betwisten, zal het rechtsfeit hebben aan te tonen, dat het Nederlanderschap verloren deed gaan.’
3.5.3
In gelijke zin De Groot/Tratnik:
‘Indien iemand beweert de Nederlandse nationaliteit te hebben verworven moet hij in de regel op zijn minst aannemelijk maken dat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die voor hem de verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg hebben gehad. Indien het Nederlanderschap van iemand, te wiens aanzien vast staat, dat hij ooit de Nederlandse nationaliteit heeft verworven, wordt betwist, dan dient degene die dat betwist de feiten of omstandigheden die de Nederlandse nationaliteit van de betrokkene zouden hebben doen verliezen, aan te tonen. Omstandigheden van verschillende aard kunnen echter nopen tot afwijking van deze twee ‘hoofdregels’.’
3.5.4
Steun voor dit standpunt kan worden gevonden in HR 28 oktober 1994:
‘3.4 Onderdeel 3 van het middel (…) heeft tot uitgangspunten - samengevat weergegeven - dat in procedures op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap - waarbij niet in een tweede feitelijke instantie is voorzien - de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn, niet lijdelijk behoort op te stellen, alsmede dat, nu [verzoekster] ten tijde van de souvereiniteitsoverdracht haar Nederlandse nationaliteit had behouden, terwijl de Staat stelt dat zij die nationaliteit sedertdien - door het doen van een optie in de zin van art. 3 OTS - heeft verloren, het op de weg van de Staat ligt om, in het bijzonder door overlegging van daartoe in aanmerking komende bescheiden, de juistheid van die stelling te staven. Deze uitgangspunten zijn juist.
(…)’.
3.5.5
Een ander, meer genuanceerd, standpunt is te vinden bij Von Maltzahn:
‘De opvatting van de rechtbank is steeds geweest dat het gegeven, dat vast staat dat iemand de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten, voor de oordeelsvorming gewicht in de schaal legt. Het kan onder omstandigheden het vermoeden opleveren, dat iemand nog steeds Nederlander is, maar dat behoeft niet zo te zijn. In de laatstgenoemde uitspraak gaven de omstandigheden: dat verzoeker vanuit Nederland naar Suriname was vertrokken en dat in zijn paspoort, naar moest worden aangenomen, alleen in- en uitreisstempels van Suriname stonden, aanleiding voor het vermoeden dat verzoeker het Nederlanderschap door verblijf van meer dan twee jaar in Suriname had verloren. Het was daarop aan verzoeker om voldoende aannemelijk te maken dat hij steeds in Frans Guyana had verbleven. Nu hij op dit punt geen bewijsmateriaal verschafte, werd zijn verzoek afgewezen.
Op soortgelijke wijze is de rechtbank te werk gegaan in de eerste twee besproken uitspraken. Het enkele gegeven, dat iemand in het verleden Nederlander was geweest, leverde op voorhand nog niet het vermoeden op dat hij Nederlander was gebleven. Anderzijds leverde de omstandigheid, dat deze persoon met een vreemd (Indonesisch of Surinaams) paspoort Nederland was binnengekomen, op zich zelf evenmin het vermoeden op dat die persoon om die reden geen Nederlander meer was. Nader onderzoek moest uitwijzen wat het meest aannemelijk was. In beide uitspraken kwam de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, betrokkene Nederlander was gebleven. (…) Naar mijn mening leidt de benadering van de rechtbank er toe dat op Staat en verzoeker gelijkelijk de taak rust de rechtbank zo goed en zo veel mogelijk materiaal voor haar oordeelsvorming te verschaffen. De bewijslastverdeling van Poortman nodigt de rechtbank daarentegen uit zich lijdelijk op te stellen en stimuleert de verzoeker zuinig met zijn informatieverschaffing te zijn. Het zal immers niet in zijn belang zijn de bewijslast voor de Staat te verlichten. Op deze wijze kan de waarheidsvinding te kort komen.’
3.6
Ongeacht van welk van de hiervoor genoemde standpunten wordt uitgegaan, meen ik dat de klachten van de Staat niet tot cassatie kunnen leiden. Ik leg dit als volgt uit.
3.7
Voor het bewijs dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 de Nederlandse nationaliteit had, heeft verweerder in cassatie zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen omdat hij is mee genaturaliseerd met zijn moeder. De IND heeft erkend dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verweerder in cassatie heeft getracht om contact te leggen met [betrokkene 2] teneinde een bewijsstuk te verkrijgen waaruit blijk dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning nog steeds Nederlander was. Dat is hem niet gelukt, omdat [betrokkene 2] hieraan geen gehoor heeft gegeven. Het is aan de rechtbank als feitenrechter om te beoordelen of onder deze omstandigheden voldoende vast is komen te staan dat voldaan is aan de voorwaarde van art. 4 lid 2 RWN dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning van verweerder in cassatie nog in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Hierbij is van belang wat het standpunt van de Staat is geweest over de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] .
3.8
Bij e-mailbericht van 2 november 2023, voorafgaand aan de onderhavige procedure, heeft de IND in het kader van een nationaliteitsonderzoek aan de advocaat van verweerder in cassatie bericht dat ten aanzien van de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] (mogelijk) sprake is van de verliesgrond in art. 15 lid 1 sub a RWN (‘Omdat betrokkene [ [betrokkene 2] , A-G] in het bezit is van een Surinaams identiteitsbewijs, heeft hij klaarblijkelijk na zijn terugkeer naar Suriname, de Surinaamse nationaliteit vrijwillig herkregen. De IND stelt zich op het standpunt dat betrokkene na 8 augustus 1995 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit ingevolge artikel 15 lid 1 onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).’), dan wel de verliesgrond in art. 15 lid 1 sub c RWN (‘Voor zover betrokkene in het bezit was van de Surinaamse en de Nederlandse nationaliteit, dan heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op 1 april 2013 ingevolge artikel 15 lid 1 onder c van de RWN, zoals die gold tot 1 april 2022, door een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf te hebben buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de EU.’). De Staat heeft dit standpunt niet gehandhaafd in de onderhavige procedure.
3.9
Voor zover het middel zou betogen dat, nu in de procedure is gebleken dat (i) [betrokkene 2] in 1995 Nederland heeft verlaten voor Suriname en (ii) een latere Surinaamse identiteitskaart van [betrokkene 2] bekend is, de rechtbank op grond van haar actieve rol onderzoek had moeten doen c.q. gelasten naar de aanwezigheid van een van de verliesgronden in art. 15 lid 1 sub a RWN (vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit) en art. 15 lid 1 sub c RWN (tien jaar hoofdverblijf in het buitenland door een bipatride Nederlander) ten aanzien van de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] , gaat het middel eraan voorbij dat de genoemde omstandigheden hoe dan ook geen verliesgrond kunnen opleveren. Hiervoor is namelijk vereist dat vast komt te staan dat [betrokkene 2] de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Tot die vaststelling kan echter niet worden gekomen op grond van (uitsluitend) de Surinaamse identiteitskaart van [betrokkene 2] , omdat – zoals de Staat zelf ook erkent – deze identiteitskaart ook kan worden verstrekt aan Surinaamse ingezetenen met een vreemde nationaliteit. De Staat heeft niet op andere gronden aangevoerd dan wel stellingen ingenomen waarin besloten ligt dat (rekening moet worden gehouden met een reële mogelijkheid dat) [betrokkene 2] de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.
3.10
De rechtbank heeft in het standpunt van de Staat, de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding gezien om rekening te houden met een reële mogelijkheid dat [betrokkene 2] zijn Nederlandse nationaliteit, nadat hij deze in 1982 had verkregen, op enig moment heeft verloren. Omdat er geen aanwijzingen bestonden voor het verlies van de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] , heeft de rechtbank aangenomen dat [betrokkene 2] zijn in 1982 verkregen Nederlandse nationaliteit nog steeds had ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998. Dit oordeel van de rechtbank kan ik goed volgen.
3.11
Voor zover verweerder in cassatie verantwoordelijk is voor het aandragen van informatie en bewijsstukken om vast te kunnen stellen of [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 nog Nederlander was, is de rechtbank kennelijk van oordeel dat hij zich van deze verantwoordelijkheid heeft gekweten door zijn (tevergeefs gebleken) inspanningen om in contact te komen met [betrokkene 2] teneinde bewijs te verkrijgen waaruit blijkt dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning nog in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Dit oordeel van de rechtbank komt mij niet onbegrijpelijk voor.
3.12
Ten slotte mist het middel feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het oordeel van de rechtbank over de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 (mede) is gebaseerd op het (op p. 2 van de bestreden beschikking onder de feiten vermelde) afschrift uit de BRP van 23 augustus 2023. Uit de bestreden beschikking blijkt namelijk niet dat de rechtbank zijn oordeel over de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning mede heeft gebaseerd op het BRP uittreksel.
3.13
Op grond van het voorgaande meen ik dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie p. 1-2 van de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17903.
Het ressort P/GH is het (overkoepelende) gerechtshof in het ressort Paramaribo.
Bestreden beschikking, p. 4.
HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1512, NJ 1996/280, m.nt. G.R. de Groot, rov. 3.4.
HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8705, NJ 1989/628, m.nt. G.R. de Groot, rov. 3.
C.S. Poortman, Rechterlijke vaststelling van het bezit van de nationaliteit in Nederland en Duitsland, 1996, p. 138.
Poortman, a.w., p. 398; voor de uitgebreide onderbouwing van deze conclusie, zie p. 125 t/m 273.
Th.K.M.J. van Sasse van IJsselt, De Nederlandse nationaliteitswetgeving critisch bezien, HPS 1953, p. 56.
G.R. de Groot/M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht, 1986, p. 131; vgl. G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 17 RWN, aant. 8.
HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1512, NJ 1996/280, m.nt. G.R. de Groot.
D.H. von Maltzahn, Het verlies van het Nederlanderschap in de jurisprudentie van de rechtbank te ’s-Gravenhage, bezien over de periode van 1 oktober 1986 tot en met oktober 1993, twee vragen, in: Aan de grenzen van het Nederlanderschap (Liber Amicorum F.Th. Zilverentant), 1998, p. 152-153.
Zie p. 2 van de aan de rechtbank gerichte brief van 23 oktober 2024 van de advocaat van verweerder in cassatie: ‘Hij [ [betrokkene 2] , A-G] is op [geboortedatum] .1965 in Suriname geboren en verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Zijn ouders waren ook in Suriname geboren en hadden de Nederlandse nationaliteit. Voorzover bekend kwam hij op minderjarige leeftijd met ouder(s) naar Nederland. Zijn ouder(s) werd(en) tot Nederlander genaturaliseerd en hij werd meegenaturaliseerd. De ouder(s) en het kind herkregen hiermee na de onafhankelijkheid van Suriname de Nederlandse nationaliteit.’
Zie p. 3 van de aan de rechtbank gerichte brief van 27 maart 2025 van de IND: ‘ [betrokkene 2] is geboren op [geboortedatum] 1965 in het district Suriname (Suriname) als natuurlijk kind van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1944 in Suriname, herkreeg het Nederlanderschap door naturalisatie op 20 april 1982 ingevolge artikel 5 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI). [betrokkene 2] is als minderjarige meegenaturaliseerd met zijn moeder en verkreeg de Nederlandse nationaliteit ingevolge artikel 6 van de WNI op 20 april 1982.’
Vgl. p. 5-6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 september 2025.
Het e-mailbericht van 2 november 2023 is te vinden als productie 3 bij het inleidende verzoekschrift van verweerder in cassatie.
Zie procesinleiding in cassatie, onder 23.
Zie procesinleiding in cassatie, onder 23. Vgl. de informatie op https://burgerzaken.gov.sr/identiteitskaart
Zie p. 5-6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 september 2025.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/04855
Zitting 25 september 2026
CONCLUSIE
F. Ibili
In de zaak
de Staat der Nederlanden (Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst),
verzoeker tot cassatie
tegen
[verweerder] ,
verweerder in cassatie
Partijen worden hierna aangeduid als de Staat respectievelijk verweerder in cassatie.
1Inleiding
1.1
In deze procedure tot vaststelling van het Nederlanderschap op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: RWN) stelt verweerder in cassatie dat hij van rechtswege de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen op grond van art. 4 lid 2 RWN, omdat hij in 1998 in Suriname door een Nederlandse man is erkend. Vast staat dat de erkenner in 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Of de erkenner de Nederlandse nationaliteit ook nog had ten tijde van de erkenning in 1998, is tussen partijen in geschil.
1.2
In de bestreden beschikking heeft de rechtbank overwogen dat door de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: IND) geen concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat de erkenner de Nederlandse nationaliteit, na de verkrijging hiervan in 1982, op enig moment heeft verloren. Bij die stand van zaken dient volgens de rechtbank ervan uit te worden gegaan dat de erkenner ten tijde van de erkenning van verweerder in cassatie in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. De rechtbank heeft het verzoek op grond van art. 17 jo. 4 lid 2 RWN toegewezen. De Staat komt hiertegen in cassatie.
1.3
De vraag die in cassatie aan de orde komt is, op wie de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het door art. 4 lid 2 RWN gestelde vereiste dat de erkenner ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit had.
2Feiten en procesverloop
2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
2.2
Verweerder in cassatie is op [geboortedatum] 1998 geboren te [plaats] (Suriname), tijdens het huwelijk van [de moeder] (hierna: de moeder), geboren op [geboortedatum] 1980, en [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ).
2.3
Bij vonnis van 21 april 1998 van de kantonrechter in het Eerste Kanton (Suriname) is dit huwelijk nietig verklaard. Het vonnis is op 30 april 1998 ingeschreven in het register van huwelijken van het ressort P/GH.
2.4
De moeder heeft de Surinaamse nationaliteit. De nationaliteit van [betrokkene 1] is onbekend.
2.5
Op de (kopie) geboorteakte van verweerder in cassatie staat de volgende aantekening, gedateerd op 9 juli 1998:
‘Blijkens akte ingeschreven in de registers van huwelijken van het ressort P/GH van Paramaribo op 30 april 1998, is bij vonnis van de Kantonrechter in het Eerste Kanton te Paramaribo van 21 april 1998, het huwelijk gesloten tussen de ouders van het in tegenstaande akte genoemd kind nietig verklaard.’
2.6
Uit de (kopie) geboorteakte van verweerder in cassatie volgt dat hij bij akte, verleden voor de ambtenaar van de burgerlijke stand van Paramaribo op 15 juli 1998, is erkend door [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ), geboren op [geboortedatum] 1965 te Suriname, en dat die erkenning is aangetekend op de geboorteakte op 20 juli 1998.
2.7
Uit een afschrift uit de (Nederlandse) Basisregistratie Personen (hierna: BRP) van 23 augustus 2023 blijkt dat [betrokkene 2] op dat moment was geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit.
2.8
Verweerder in cassatie is in het bezit van een Surinaams paspoort, afgegeven op 15 mei 2020.
2.9
In de onderhavige procedure, ingeleid op 10 juni 2024, heeft verweerder in cassatie op grond van art. 17 RWN een verzoek ingediend tot vaststelling van het Nederlanderschap. Aan zijn verzoek heeft hij ten grondslag gelegd, kort gezegd, dat hij als gevolg van de erkenning door een vader met de Nederlandse nationaliteit van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van art. 4 lid 2 RWN.
2.10
De IND heeft geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek. Volgens de IND is de erkenning van verweerder in cassatie door [betrokkene 2] nietig, waardoor deze in Nederland niet kan worden erkend. Bovendien is volgens de IND niet aangetoond dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.
2.11
Bij beschikking van 30 september 2025 heeft de rechtbank Den Haag het verzoek toegewezen en vastgesteld dat verweerder in cassatie sinds 15 juli 1998 de Nederlandse nationaliteit bezit.
2.12
De Staat is (tijdig) in cassatie gekomen van deze beschikking (hierna: de bestreden beschikking). Door verweerder in cassatie is verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
In deze procedure heeft verweerder in cassatie zich op het standpunt gesteld dat hij van rechtswege het Nederlanderschap heeft verkregen op grond van art. 4 lid 2 RWN, omdat hij door een Nederlandse man is erkend. In cassatie is niet langer in geschil dat [betrokkene 2] verweerder in cassatie op 15 juli 1998 in Suriname rechtsgeldig heeft erkend en dat deze erkenning op grond van art. 10:101 BW in aanmerking komt voor erkenning in Nederland. De discussie in cassatie spitst zich toe op de vraag op wie de stelplicht en bewijslast rust ten aanzien van het door art. 4 lid 2 RWN gestelde vereiste dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. In de bestreden beschikking heeft de rechtbank hierover het volgende overwogen:
‘Niet in geschil is dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 is mee genaturaliseerd met zijn moeder en aldus de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Door de IND zijn geen concrete feiten en omstandigheden gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat hij de Nederlandse nationaliteit nadien op enig moment heeft verloren. Bij die stand van zaken dient de rechtbank er vanuit te gaan dat [betrokkene 2] ook ten tijde van de erkenning van verzoeker in 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit.
De rechtbank stelt gelet op het voorgaande vast dat verzoeker op 15 juli 1998 – als gevolg van de erkenning door [betrokkene 2] – op grond van artikel 4 lid 2 RWN de Nederlandse nationaliteit verkregen en dat zich daarna geen feiten of omstandigheden voorgedaan op grond waarvan verzoeker de Nederlandse nationaliteit weer heeft verloren.’
3.2
Tegen dit oordeel voert de Staat de volgende klachten aan.
3.2.1
De rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat de IND geen concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld op basis waarvan kan worden geconcludeerd dat [betrokkene 2] de Nederlandse nationaliteit na 1982 op enig moment heeft verloren, niet meebrengt dat de rechtbank ervan uit diende te gaan dat [betrokkene 2] ook ten tijde van de erkenning in 1998 in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Het was niet aan de Staat om met concrete feiten en omstandigheden aannemelijk te maken dat [betrokkene 2] het Nederlanderschap vóór de erkenning had verloren. Het was aan verweerder in cassatie om aan te tonen dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning (nog) de Nederlandse nationaliteit had. De stelplicht en bewijslast van deze omstandigheid rusten op verweerder in cassatie en niet (voor het tegendeel) op de Staat. (onderdeel a)
3.2.2
Althans heeft de rechtbank miskend dat zij ofwel het verzoek had moeten afwijzen, ofwel verweerder in cassatie in de gelegenheid had moeten stellen om (alsnog) stukken te vergaren waaruit afgeleid zou kunnen worden of [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning de Nederlandse nationaliteit had, althans nader onderzoek had moeten doen of gelasten, omdat: (i) door verweerder in cassatie geen enkel stuk is overgelegd met enige aanwijzing over de nationaliteit van [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning, en (ii) gesteld noch gebleken is dat verweerder in cassatie een voldoende poging heeft ondernomen om dergelijke stukken te vergaren, door het benaderen van het Surinaamse bevolkingsregister, het doen van een concreet verzoek aan [betrokkene 2] of anderszins. Hiertoe bestond te meer aanleiding, omdat: (iii) tussen de naturalisatie van [betrokkene 2] en de erkenning van verweerder in cassatie een zodanig lange periode (16 jaar) is verstreken, dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat in 1998 de nationaliteit van [betrokkene 2] nog dezelfde was als in 1982, (iv) [betrokkene 2] in 1995 Nederland heeft verlaten voor (naar zowel de Staat als verweerder in cassatie aanneemt) Suriname, en (v) een latere Surinaamse identiteitskaart van [betrokkene 2] bekend is. Althans heeft de rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom zij geen aanleiding heeft gezien om het overleggen van nadere stukken te gelasten of om anderszins nader onderzoek te doen of te gelasten. (onderdeel b)
3.2.3
Voor zover de rechtbank zich heeft gebaseerd op andere omstandigheden dan die in de bestreden rechtsoverweging (op p. 4 van de bestreden beschikking, aangehaald in 3.1 van mijn conclusie), is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd, omdat dat niet uit de bestreden beschikking blijkt. Voor zover de rechtbank gewicht zou hebben toegekend aan de omstandigheid dat uit een uittreksel uit de BRP volgt dat [betrokkene 2] op 23 augustus 2023 was geregistreerd met de Nederlandse nationaliteit, heeft zij een rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel gegeven, nu (zoals de Staat ter zitting heeft uitgelegd) uit de BRP niet kan worden opgemaakt of een in het verleden geregistreerde Nederlandse nationaliteit nog steeds actueel is. (onderdeel c)
3.3
Bij de behandeling van de klachten stel ik het volgende voorop. In procedures tot vaststelling van het Nederlanderschap op grond van art. 17 RWN geldt als uitgangspunt dat ‘(…) de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn, niet lijdelijk behoort op te stellen (…)’. De actieve rol die van de rechter wordt verlangd hangt samen met de aard van het verzoek, dat strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap. Dit betreft een kwestie die niet ter vrije bepaling van de verzoeker staat. Verder hangt de actieve rol van de rechter samen met het algemeen belang dat in nationaliteitsaangelegenheden in het geding is. Dit verklaart ook waarom de Staat in procedures tot vaststelling van het Nederlanderschap als belanghebbende wordt opgeroepen (art. 18 RWN). De rechter dient zijn actieve rol te vervullen aan de hand van de informatie die wordt verkregen uit de stellingen van de verzoeker en de Staat, de onderliggende stukken en het verhandelde ter zitting. Op basis van deze informatie zal de rechter zoveel mogelijk actief onderzoek dienen te doen naar de feiten die relevant kunnen zijn voor de vaststelling of het verlies van het Nederlanderschap. De verzoeker en de Staat blijven verantwoordelijk om de voor hun standpunt relevante feiten aan te voeren en te onderbouwen.
3.4
Art. 4 lid 2 RWN bepaalt: Nederlander wordt de minderjarige vreemdeling die na zijn geboorte en voor de leeftijd van zeven jaar door een Nederlander wordt erkend. Degene die stelt dat hij op grond van deze bepaling de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen, draagt de stelplicht en de bewijslast voor de feiten waaraan art. 4 lid 2 RWN het Nederlanderschap verbindt. Dit geldt ook voor het bezit van het Nederlanderschap van de erkenner ten tijde van de erkenning. Het lag dus op de weg van verweerder in cassatie om bewijsstukken te overleggen waaruit blijkt dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 de Nederlandse nationaliteit had. De vraag rijst of hiervoor voldoende is dat verweerder in cassatie bewijs overlegt waaruit blijkt, dan wel anderszins vast komt te staan dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Deze omstandigheid lijkt mij zonder meer relevant, maar of hiermee kan worden volstaan om het verzoek op grond van art. 4 lid 2 RWN gegrond te kunnen verklaren, zal, zo komt mij voor, afhankelijk zijn van de omstandigheden van het geval. Hierbij is van belang of verweerder in cassatie zich voldoende heeft ingespannen om bewijs te achterhalen waaruit blijkt dat [betrokkene 2] ook ten tijde van de erkenning Nederlander was. Ook is relevant of de Staat een beroep heeft gedaan op een verliesgrond van de Nederlandse nationaliteit van de erkenner, althans op grond van de stellingen van de Staat of anderszins in de procedure is gebleken van feiten en omstandigheden die een verliesgrond zouden kunnen opleveren.
3.5
In de literatuur hebben verschillende auteurs aandacht besteed aan de stelplicht en bewijslast in nationaliteitszaken.
3.5.1
Poortman heeft de volgende stelregel (‘continueringspresumptie’) geformuleerd:
‘Indien iemand ooit het Nederlanderschap heeft verkregen, dient te worden uitgegaan van het behoud van het Nederlanderschap zolang niet het rechtsfeit is bewezen ten gevolge waarvan het Nederlanderschap verloren zou zijn gegaan. Anders geformuleerd: het bovenstaande leidt tot de stelregel dat van het behoud van het Nederlanderschap dient te worden uitgegaan, tenzij een rechtsfeit waaraan het verlies is gekoppeld, is bewezen. De hier weergegeven stelregel op het gebied van het (Nederlandse) nationaliteitsrecht wordt (…) door mij aangeduid met ‘de continueringspresumptie’ (…).’
Poortman komt op grond van jurisprudentieonderzoek tot de volgende bewijslastverdeling:
‘De, naar mijn mening, belangrijkste uitkomst van het jurisprudentieonderzoek is wel dat kan worden vastgesteld dat de bewijslast voor het verlies van de Nederlandse nationaliteit, bij betwisting daarvan door de betrokkene, bij de Nederlandse overheid ligt.’
3.5.2
Dit standpunt werd eerder ook al ingenomen door Van Sasse van IJsselt:
‘Als algemene regel gelde, dat, van hem, die het Nederlanderschap heeft verkregen, niet gevergd kan worden, dat hij bewijze het Nederlanderschap niet te hebben verloren. Wie de door de geboorte verkregen staat van Nederlanderschap zou willen betwisten, zal het rechtsfeit hebben aan te tonen, dat het Nederlanderschap verloren deed gaan.’
3.5.3
In gelijke zin De Groot/Tratnik:
‘Indien iemand beweert de Nederlandse nationaliteit te hebben verworven moet hij in de regel op zijn minst aannemelijk maken dat zich feiten of omstandigheden hebben voorgedaan die voor hem de verkrijging van het Nederlanderschap tot gevolg hebben gehad. Indien het Nederlanderschap van iemand, te wiens aanzien vast staat, dat hij ooit de Nederlandse nationaliteit heeft verworven, wordt betwist, dan dient degene die dat betwist de feiten of omstandigheden die de Nederlandse nationaliteit van de betrokkene zouden hebben doen verliezen, aan te tonen. Omstandigheden van verschillende aard kunnen echter nopen tot afwijking van deze twee ‘hoofdregels’.’
3.5.4
Steun voor dit standpunt kan worden gevonden in HR 28 oktober 1994:
‘3.4 Onderdeel 3 van het middel (…) heeft tot uitgangspunten - samengevat weergegeven - dat in procedures op de voet van art. 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap - waarbij niet in een tweede feitelijke instantie is voorzien - de rechter zich met betrekking tot het onderzoek naar de feiten die voor de vaststelling van de nationaliteit van belang zijn, niet lijdelijk behoort op te stellen, alsmede dat, nu [verzoekster] ten tijde van de souvereiniteitsoverdracht haar Nederlandse nationaliteit had behouden, terwijl de Staat stelt dat zij die nationaliteit sedertdien - door het doen van een optie in de zin van art. 3 OTS - heeft verloren, het op de weg van de Staat ligt om, in het bijzonder door overlegging van daartoe in aanmerking komende bescheiden, de juistheid van die stelling te staven. Deze uitgangspunten zijn juist.
(…)’.
3.5.5
Een ander, meer genuanceerd, standpunt is te vinden bij Von Maltzahn:
‘De opvatting van de rechtbank is steeds geweest dat het gegeven, dat vast staat dat iemand de Nederlandse nationaliteit heeft bezeten, voor de oordeelsvorming gewicht in de schaal legt. Het kan onder omstandigheden het vermoeden opleveren, dat iemand nog steeds Nederlander is, maar dat behoeft niet zo te zijn. In de laatstgenoemde uitspraak gaven de omstandigheden: dat verzoeker vanuit Nederland naar Suriname was vertrokken en dat in zijn paspoort, naar moest worden aangenomen, alleen in- en uitreisstempels van Suriname stonden, aanleiding voor het vermoeden dat verzoeker het Nederlanderschap door verblijf van meer dan twee jaar in Suriname had verloren. Het was daarop aan verzoeker om voldoende aannemelijk te maken dat hij steeds in Frans Guyana had verbleven. Nu hij op dit punt geen bewijsmateriaal verschafte, werd zijn verzoek afgewezen.
Op soortgelijke wijze is de rechtbank te werk gegaan in de eerste twee besproken uitspraken. Het enkele gegeven, dat iemand in het verleden Nederlander was geweest, leverde op voorhand nog niet het vermoeden op dat hij Nederlander was gebleven. Anderzijds leverde de omstandigheid, dat deze persoon met een vreemd (Indonesisch of Surinaams) paspoort Nederland was binnengekomen, op zich zelf evenmin het vermoeden op dat die persoon om die reden geen Nederlander meer was. Nader onderzoek moest uitwijzen wat het meest aannemelijk was. In beide uitspraken kwam de rechtbank uiteindelijk tot het oordeel dat, alle omstandigheden in aanmerking genomen, betrokkene Nederlander was gebleven. (…) Naar mijn mening leidt de benadering van de rechtbank er toe dat op Staat en verzoeker gelijkelijk de taak rust de rechtbank zo goed en zo veel mogelijk materiaal voor haar oordeelsvorming te verschaffen. De bewijslastverdeling van Poortman nodigt de rechtbank daarentegen uit zich lijdelijk op te stellen en stimuleert de verzoeker zuinig met zijn informatieverschaffing te zijn. Het zal immers niet in zijn belang zijn de bewijslast voor de Staat te verlichten. Op deze wijze kan de waarheidsvinding te kort komen.’
3.6
Ongeacht van welk van de hiervoor genoemde standpunten wordt uitgegaan, meen ik dat de klachten van de Staat niet tot cassatie kunnen leiden. Ik leg dit als volgt uit.
3.7
Voor het bewijs dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 de Nederlandse nationaliteit had, heeft verweerder in cassatie zich op het standpunt gesteld dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen omdat hij is mee genaturaliseerd met zijn moeder. De IND heeft erkend dat [betrokkene 2] op 20 april 1982 de Nederlandse nationaliteit heeft verkregen. Verweerder in cassatie heeft getracht om contact te leggen met [betrokkene 2] teneinde een bewijsstuk te verkrijgen waaruit blijk dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning nog steeds Nederlander was. Dat is hem niet gelukt, omdat [betrokkene 2] hieraan geen gehoor heeft gegeven. Het is aan de rechtbank als feitenrechter om te beoordelen of onder deze omstandigheden voldoende vast is komen te staan dat voldaan is aan de voorwaarde van art. 4 lid 2 RWN dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning van verweerder in cassatie nog in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Hierbij is van belang wat het standpunt van de Staat is geweest over de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] .
3.8
Bij e-mailbericht van 2 november 2023, voorafgaand aan de onderhavige procedure, heeft de IND in het kader van een nationaliteitsonderzoek aan de advocaat van verweerder in cassatie bericht dat ten aanzien van de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] (mogelijk) sprake is van de verliesgrond in art. 15 lid 1 sub a RWN (‘Omdat betrokkene [ [betrokkene 2] , A-G] in het bezit is van een Surinaams identiteitsbewijs, heeft hij klaarblijkelijk na zijn terugkeer naar Suriname, de Surinaamse nationaliteit vrijwillig herkregen. De IND stelt zich op het standpunt dat betrokkene na 8 augustus 1995 de Nederlandse nationaliteit heeft verloren door het vrijwillig verkrijgen van een andere nationaliteit ingevolge artikel 15 lid 1 onder a van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).’), dan wel de verliesgrond in art. 15 lid 1 sub c RWN (‘Voor zover betrokkene in het bezit was van de Surinaamse en de Nederlandse nationaliteit, dan heeft hij de Nederlandse nationaliteit verloren op 1 april 2013 ingevolge artikel 15 lid 1 onder c van de RWN, zoals die gold tot 1 april 2022, door een ononderbroken periode van tien jaar hoofdverblijf te hebben buiten Nederland, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, en buiten de EU.’). De Staat heeft dit standpunt niet gehandhaafd in de onderhavige procedure.
3.9
Voor zover het middel zou betogen dat, nu in de procedure is gebleken dat (i) [betrokkene 2] in 1995 Nederland heeft verlaten voor Suriname en (ii) een latere Surinaamse identiteitskaart van [betrokkene 2] bekend is, de rechtbank op grond van haar actieve rol onderzoek had moeten doen c.q. gelasten naar de aanwezigheid van een van de verliesgronden in art. 15 lid 1 sub a RWN (vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit) en art. 15 lid 1 sub c RWN (tien jaar hoofdverblijf in het buitenland door een bipatride Nederlander) ten aanzien van de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] , gaat het middel eraan voorbij dat de genoemde omstandigheden hoe dan ook geen verliesgrond kunnen opleveren. Hiervoor is namelijk vereist dat vast komt te staan dat [betrokkene 2] de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen. Tot die vaststelling kan echter niet worden gekomen op grond van (uitsluitend) de Surinaamse identiteitskaart van [betrokkene 2] , omdat – zoals de Staat zelf ook erkent – deze identiteitskaart ook kan worden verstrekt aan Surinaamse ingezetenen met een vreemde nationaliteit. De Staat heeft niet op andere gronden aangevoerd dan wel stellingen ingenomen waarin besloten ligt dat (rekening moet worden gehouden met een reële mogelijkheid dat) [betrokkene 2] de Surinaamse nationaliteit heeft verkregen.
3.10
De rechtbank heeft in het standpunt van de Staat, de gedingstukken en het verhandelde ter zitting geen aanleiding gezien om rekening te houden met een reële mogelijkheid dat [betrokkene 2] zijn Nederlandse nationaliteit, nadat hij deze in 1982 had verkregen, op enig moment heeft verloren. Omdat er geen aanwijzingen bestonden voor het verlies van de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] , heeft de rechtbank aangenomen dat [betrokkene 2] zijn in 1982 verkregen Nederlandse nationaliteit nog steeds had ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998. Dit oordeel van de rechtbank kan ik goed volgen.
3.11
Voor zover verweerder in cassatie verantwoordelijk is voor het aandragen van informatie en bewijsstukken om vast te kunnen stellen of [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 nog Nederlander was, is de rechtbank kennelijk van oordeel dat hij zich van deze verantwoordelijkheid heeft gekweten door zijn (tevergeefs gebleken) inspanningen om in contact te komen met [betrokkene 2] teneinde bewijs te verkrijgen waaruit blijkt dat [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning nog in het bezit was van de Nederlandse nationaliteit. Dit oordeel van de rechtbank komt mij niet onbegrijpelijk voor.
3.12
Ten slotte mist het middel feitelijke grondslag voor zover het ervan uitgaat dat het oordeel van de rechtbank over de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning op 15 juli 1998 (mede) is gebaseerd op het (op p. 2 van de bestreden beschikking onder de feiten vermelde) afschrift uit de BRP van 23 augustus 2023. Uit de bestreden beschikking blijkt namelijk niet dat de rechtbank zijn oordeel over de Nederlandse nationaliteit van [betrokkene 2] ten tijde van de erkenning mede heeft gebaseerd op het BRP uittreksel.
3.13
Op grond van het voorgaande meen ik dat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie p. 1-2 van de in cassatie bestreden beschikking van de rechtbank Den Haag van 30 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17903.
Het ressort P/GH is het (overkoepelende) gerechtshof in het ressort Paramaribo.
Bestreden beschikking, p. 4.
HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1512, NJ 1996/280, m.nt. G.R. de Groot, rov. 3.4.
HR 4 maart 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8705, NJ 1989/628, m.nt. G.R. de Groot, rov. 3.
C.S. Poortman, Rechterlijke vaststelling van het bezit van de nationaliteit in Nederland en Duitsland, 1996, p. 138.
Poortman, a.w., p. 398; voor de uitgebreide onderbouwing van deze conclusie, zie p. 125 t/m 273.
Th.K.M.J. van Sasse van IJsselt, De Nederlandse nationaliteitswetgeving critisch bezien, HPS 1953, p. 56.
G.R. de Groot/M. Tratnik, Nederlands nationaliteitsrecht, 1986, p. 131; vgl. G.R. de Groot, GS Personen- en familierecht, art. 17 RWN, aant. 8.
HR 28 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1512, NJ 1996/280, m.nt. G.R. de Groot.
D.H. von Maltzahn, Het verlies van het Nederlanderschap in de jurisprudentie van de rechtbank te ’s-Gravenhage, bezien over de periode van 1 oktober 1986 tot en met oktober 1993, twee vragen, in: Aan de grenzen van het Nederlanderschap (Liber Amicorum F.Th. Zilverentant), 1998, p. 152-153.
Zie p. 2 van de aan de rechtbank gerichte brief van 23 oktober 2024 van de advocaat van verweerder in cassatie: ‘Hij [ [betrokkene 2] , A-G] is op [geboortedatum] .1965 in Suriname geboren en verkreeg bij geboorte de Nederlandse nationaliteit. Zijn ouders waren ook in Suriname geboren en hadden de Nederlandse nationaliteit. Voorzover bekend kwam hij op minderjarige leeftijd met ouder(s) naar Nederland. Zijn ouder(s) werd(en) tot Nederlander genaturaliseerd en hij werd meegenaturaliseerd. De ouder(s) en het kind herkregen hiermee na de onafhankelijkheid van Suriname de Nederlandse nationaliteit.’
Zie p. 3 van de aan de rechtbank gerichte brief van 27 maart 2025 van de IND: ‘ [betrokkene 2] is geboren op [geboortedatum] 1965 in het district Suriname (Suriname) als natuurlijk kind van [betrokkene 3] . [betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum] 1944 in Suriname, herkreeg het Nederlanderschap door naturalisatie op 20 april 1982 ingevolge artikel 5 van de Wet op het Nederlanderschap en het ingezetenschap van 1892 (WNI). [betrokkene 2] is als minderjarige meegenaturaliseerd met zijn moeder en verkreeg de Nederlandse nationaliteit ingevolge artikel 6 van de WNI op 20 april 1982.’
Vgl. p. 5-6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 september 2025.
Het e-mailbericht van 2 november 2023 is te vinden als productie 3 bij het inleidende verzoekschrift van verweerder in cassatie.
Zie procesinleiding in cassatie, onder 23.
Zie procesinleiding in cassatie, onder 23. Vgl. de informatie op https://burgerzaken.gov.sr/identiteitskaart
Zie p. 5-6 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling bij de rechtbank op 9 september 2025.