Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:886
2026-09-18
Civiel recht
25/00968
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overheidsprivaatrecht. Uitleveringsrecht. Kort geding tegen uitlevering aan Chili op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie voor executie van onherroepelijke gevangenisstraf. Uitlevering i.s.m. art. 3 EVRM? Vertrouwensbeginsel en toezeggingen verzoekende staat. Uitlevering i.s.m. anti-discriminatieclausule art. 10 lid 1 Uitleveringswet?
Citeert (27)
- ECLI:NL:RBROT:2023:2094 Rechtbank Rotterdam 13-03-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1313 Hoge Raad 26-09-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:846 Parket bij de Hoge Raad 26-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9575 Rechtbank Den Haag 19-06-2024
- ECLI:NL:GHDHA:2025:49 Gerechtshof Den Haag 21-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1658 Hoge Raad 07-11-2025
- ECLI:NL:HR:2003:AE5288 Hoge Raad 08-07-2003
- ECLI:NL:HR:2017:463 Hoge Raad 21-03-2017
- ECLI:NL:HR:2019:24 Hoge Raad 08-01-2019
- ECLI:NL:HR:2003:AF3312 Hoge Raad 11-03-2003
- ECLI:NL:HR:2018:2019 Hoge Raad 30-10-2018
- ECLI:NL:HR:2014:1441 Hoge Raad 17-06-2014
- ECLI:NL:HR:2018:2019 Hoge Raad 30-10-2018
- ECLI:NL:HR:2003:AF3312 Hoge Raad 11-03-2003
- ECLI:NL:HR:2004:AP1534 Hoge Raad 07-09-2004
- ECLI:NL:HR:2017:463 Hoge Raad 21-03-2017
- ECLI:NL:HR:1990:AD7494 Hoge Raad 30-03-1990
- ECLI:NL:HR:1996:ZD0547 Hoge Raad 15-10-1996
- ECLI:NL:HR:2014:1680 Hoge Raad 11-07-2014
- ECLI:NL:HR:2025:592 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:HR:1996:ZD0547 Hoge Raad 15-10-1996
- ECLI:NL:HR:2025:592 Hoge Raad 25-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:92 Parket bij de Hoge Raad 24-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1950 Hoge Raad 19-12-2025
- ECLI:NL:HR:1975:AD7235 Hoge Raad 24-06-1975
- ECLI:NL:HR:2012:BW6798 Hoge Raad 29-05-2012
- ECLI:NL:HR:2025:592 Hoge Raad 25-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (106.962 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00968
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiseres] ,
eiseres tot cassatie,
advocaat: A. Knigge,
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
verweerder in cassatie,
advocaat: G.C. Nieuwland.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en de Staat.
1Inleiding
De Republiek Chili (hierna: Chili) heeft Nederland verzocht om de uitlevering van [eiseres] , met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan haar opgelegde gevangenisstraf voor ambtelijke verduistering in haar toenmalige functie van burgemeester van een Chileense stad. De uitleveringsrechter heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard. De minister heeft vervolgens besloten om [eiseres] aan Chili uit te leveren. In dit kort geding komt [eiseres] tegen dat besluit op. [eiseres] voert aan, voor zover van belang, (i) dat zij in Chileense detentie een reëel risico loopt op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling, (ii) dat geen sprake is van bevoegd gegeven, voldoende concrete garanties die dat risico wegnemen, en (iii) dat sprake zal zijn van discriminatoire detentie, omdat [eiseres] onder minder gunstige omstandigheden zal worden gedetineerd dan mannen die voor vergelijkbare feiten zijn veroordeeld.
De voorzieningenrechter en het hof hebben de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Het hof heeft geoordeeld (i) dat de Chileense autoriteiten bevoegd en voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de locatie van detentie, de duur van detentie en de omstandigheden in de penitentiaire inrichting waar [eiseres] zal worden geplaatst, waardoor genoemd risico zich niet voordoet, en (ii) dat een (verondersteld) verschil in detentieomstandigheden geen zelfstandige grond vormt om uitlevering te weigeren en dat het beroep op art. 10 lid 1 Uitleveringswet [eiseres] niet kan baten. In cassatie komt [eiseres] tegen deze oordelen op.
2Feiten en procesverloop
Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(i) [eiseres] is in Chili onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en één dag, met als bijkomende straf ‘disqualification to exercise political rights’, voor – naar Nederlands recht – ambtelijke verduistering in haar toenmalige functie van burgemeester van Antofagasta. Een dag voordat haar veroordeling onherroepelijk werd, is [eiseres] naar Nederland gereisd. Op 18 april 2022 heeft [eiseres] in Nederland een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij vreest voor vervolging op grond van haar politieke overtuiging en dat zij na terugkeer in Chili een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van onmenselijke of vernederende behandeling.
(ii) De Chileense autoriteiten hebben de Staat bij diplomatieke nota van 21 april 2022 verzocht om de uitlevering van [eiseres] , met het oog op de tenuitvoerlegging in Chili van de aan haar opgelegde gevangenisstraf.
(iii) Bij uitspraak van 13 maart 2023 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam de verzochte uitlevering van [eiseres] aan Chili toelaatbaar verklaard. De rechtbank heeft deze uitspraak bij brief van 13 maart 2023 aan de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) gezonden. Daarbij heeft de rechtbank aandacht gevraagd voor de lopende asielprocedure van [eiseres] in Nederland en de door haar in Chili beklede politieke functie. In verband hiermee heeft de rechtbank de minister in overweging gegeven het besluit over de uitlevering op te schorten totdat op de asielaanvraag zou zijn beslist. Ook heeft de rechtbank de minister geadviseerd om bij afwijzing van de asielaanvraag de Chileense autoriteiten om garanties te vragen, onder meer ter voorkoming van dreigende mensenrechtenschendingen.
(iv) Bij arrest van 26 september 2023 heeft de Hoge Raad het door [eiseres] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2023 ingestelde cassatieberoep verworpen.
(v) Bij brief van 11 december 2023 heeft de minister de Chileense autoriteiten verzocht om aanvullende informatie en garanties ten aanzien van [eiseres] te verstrekken. Bij diplomatieke nota van 7 februari 2024 heeft de Chileense ambassade in Nederland op deze brief gereageerd. Als bijlage bij de diplomatieke nota is een Engelse vertaling gevoegd van een brief van het Chileense ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 januari 2024. In die brief staat onder meer het volgende vermeld:
- p. 4-5 “(...) Thus, if she is surrendered by the Netherlands to the Republic of Chile, [eiseres] will not have to serve time in preventive detention, but will have to serve the balance of the pending conviction, which will be computed by subtracting the time of confinement that the extraditable person has already served in prison in the Netherlands, as a result of the extradition request filed by the Republic of Chile. (...)”
- p. 5 “(...) the national penitentiary authority has reported that, if extradited, [eiseres] will be confined in the [gevangenis 1] , which currently has an occupancy rate of 59,7%.”
- p. 7 “(…) a. Regarding medical care: Inmates who require treatment and hospitalization will be treated in the medical units that exist in the prison penitentiary facilities. In penitentiary facilities which are under a concession contract, the provisions of the respective contract regarding medical care will also be followed (...).”
- p. 8 “(...) c. As to living conditions: When the establishment provides clothing to inmates, it must be dignified and appropriate. However, inmates will have the right to wear their own clothing which must meet the same requirements article 45 of D.S. 518/1998). Every inmate has the right to have the Penitentiary Administration provide them with at least a cot (bed), mattress and blanket (...). Inmates will have the right to have the Administration provide them with food supervised by a nutrition specialist, physician or paramedic, and that corresponds
in quality and quantity to the minimum dietary and hygiene standards (...)”
- p. 10-14 “III. Request for additional information and warranties
Below, the Republic of Chile wishes to provide specific information regarding the questions
transmitted by letter dated December 11, 2023.
1. In which detention center will the person sought be placed during her preventive detention and in which detention center will she be placed after an eventual conviction?
(...)
Then, with regard to the detention center where [eiseres] will be confined, if she is extradited to the Republic of Chile, the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the [gevangenis 1] .
2. What are the dimensions of the cell(s) where the person sought will be placed and how many mates will she have to share her cell with?
In the [gevangenis 1] , the cell in which [eiseres] will be placed is 31 square meters, with capacity for 8 people, which results in an area of 3,875 square meters per inmate.
The [gevangenis 1] is a prison facility that houses exclusively the female prison population. Its designed capacity is for 949 inmates, but currently only 567 places are occupied, which means an occupancy rate of 59.7’.
3. Will the person sought have freedom of movement outside her cell? If so, for how many
hours a day?
In the penitentiary center where [eiseres] will be held, deconfinement begins at 8:30 and ends at 5:00 p.m. During the aforementioned period, people can remain in their rooms, in the hall, kitchen, dining room and yard of the penitentiary center.
4. Is there an offer of activities for the person sought?
In this regard Gendarmeria de Chile has reported that various workshops are available at the [gevangenis 1] on various topics such as computing, painting, gardening and sports. Likewise, there is a penal school that all women deprived of liberty can attend.
5. Can there be outdoor recreational activities?
In the [gevangenis 1] there is a yard in which various activities can be carried out, as well as a court to practice sports.
6. What sanitary services will the person sought have easy access to?
In the [gevangenis 1] all people deprived of liberty have access to toilets, showers, washbowls, and a full bathroom throughout the day, which includes confinement hours (from 5:00 p.m. to 8:30 a.m.).
Additionally, Gendarmeria de Chile has reported that the sanitary facilities of the aforementioned detention center are in good condition.
It is also reported that the aforementioned penitentiary center has recently been remodeled to improve living conditions. The works were inaugurated on June 22, 2023.
7. How is the privacy of the person sought guaranteed during the use of sanitary services?
In the [gevangenis 1] , both bathrooms and showers have doors that guarantee the privacy of the inmate.
8. Will the person sought have access to clean drinking water?
Yes, [gevangenis 1] has a drinking water network suitable for human consumption.
9. Does the cell where the person sought will be placed have access to sunlight?
Gendarmeria de Chile has reported that the cell will have access to sunlight.
10. Is there information available about incidents of violence in the detention center where the person sought will be placed? What measures have been taken to protect the person sought from prisoner violence, especially considering the fact that she is known to the Chilean press?
In the event that any type of violence occurs in prison facilities, Gendarmeria has established various reaction methods, with various security measures that are decided in each facility, under the standards defined in the applicable regulations.
Likewise, due to the characteristics of [eiseres] in case of being extradited to Chile, for having held a public position and her case being publicly known in the country, she will be placed in a unit with women with a low criminal profile, with the necessary security measures so that both her physical and psychological security are safeguarded.
(…)”
(vi) Bij beschikking van 27 februari 2024 heeft de minister de verzochte uitlevering van [eiseres] aan Chili toegestaan. De minister heeft, samengevat weergegeven, het volgende overwogen:
- de lopende asielprocedure vormt geen beletsel om te beschikken conform het bepaalde in art. 33 Uw en er is geen bijzondere reden om de beschikking aan te houden in afwachting van de asielprocedure, met dien verstande dat de feitelijke uitlevering zal plaatsvinden met inachtneming van de stand in de asielprocedure;
- er zijn, gelet op de inhoud van het advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 april 2022 om gevolg te geven aan het verzoek tot uitlevering, geen aanknopingspunten dat in het geval van [eiseres] sprake is van een discriminatoire vervolging of bestraffing vanwege politieke overtuiging als bedoeld in art. 10 Uw en daarmee is evenmin aannemelijk dat [eiseres] vanwege haar politieke overtuiging een risico loopt op schending van haar fundamentele mensenrechten;
- gelet op de door de Chileense autoriteiten verstrekte informatie over de detentiefaciliteit waar [eiseres] na uitlevering zal worden geplaatst en de voorzieningen en rechten die zij daar zal hebben, kan mede in het licht van het vertrouwensbeginsel niet worden aangenomen dat zij na uitlevering een risico loopt op een met art. 2 en/of 3 van het EVRM strijdige behandeling;
- een (dreigende) schending van art. 14 EVRM is als zodanig geen grond voor het weigeren van de verzochte uitlevering en – voor zover aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen – van een door art. 14 EVRM verboden onderscheid (dat een schending van art. 10 Uw en/of art. 2 en/of 3 EVRM tot gevolg zou hebben) is geen sprake.
(vii) In de Nederlandse vertaling van een door de Chileense advocaten van [eiseres] opgesteld verslag van een bijeenkomst van hen met de Chileense officieren van justitie op 3 juni 2024 staat onder meer, zakelijk weergegeven, vermeld dat de officieren van justitie tijdens die bijeenkomst hebben verklaard dat zij de bevoegde rechtbank van Antofagasta zullen verzoeken dat de tijd die [eiseres] in Nederland in detentie heeft doorgebracht, niet zal worden afgetrokken van de aan haar opgelegde gevangenisstraf. Onder punt 7 (“Overige achtergrondinformatie”) staat verder onder meer het volgende vermeld:
“Vanwege de strekking van de bijeenkomst en wat door de aanklagers is gerapporteerd weten zij niet:
7.1.- Reactie, toezeggingen en garanties die de staat Chili zou hebben gegeven in de uitleveringszaak van [eiseres] .
7.2.- Ze weten niet dat [eiseres] haar straf kan uitzitten in [gevangenis 1] . (...)”
(viii) Ter zitting in hoger beroep heeft [eiseres] nog twee stukken overgelegd (productie 31), namelijk (i) een verzoek van de Chileense advocaat van [eiseres] (ongedateerd) en (ii) de reactie van de rechtbank te Antofagasta van 22 november 2024, plus een Nederlandse vertaling van deze beide stukken. Uit stuk (i) blijkt dat de Chileense advocaat op enig moment de rechtbank te Antofagasta heeft laten weten dat [eiseres] haar woonplaats heeft gevestigd in [plaats] en dat deze advocaat de rechtbank verzoekt “opdracht te geven tot verwijzing van de gegevens naar de Rechtbank van Garantie met jurisdictie in (...) Santiago, het voorgaande tevens aangezien de Staat Chili, in de uitleveringsprocedure, heeft gegarandeerd dat de uitvoering van de straf moet worden uitgevoerd in de metropoolregio, en niet in de gemeente Antofagasta”. De reactie van de rechtbank Antofagasta luidt als volgt:
“Antofagasta, 22 november 2024
Ten aanzien van de hoofdzaak, houd er rekening mee.
Ten aanzien van het tweede, dit ziet op de merites wat te zijner tijd zal worden opgelost.
Ontvang een melding volgens het SIAGJ-register”
(ix) Op de asielaanvraag van [eiseres] is, nadat de voorzieningenrechter in dit kort geding vonnis had gewezen, negatief beslist. De zitting in het beroep tegen deze afwijzing was in januari 2025 gepland.
Procesverloop in feitelijke instanties
2.2
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de Chileense autoriteiten bevoegd en voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven, zodat erop mag worden vertrouwd dat de tijd die [eiseres] in Nederland in detentie heeft doorgebracht, zal worden afgetrokken van de opgelegde straf en dat zij in [gevangenis 1] zal worden geplaatst. Het hof heeft daarover overwogen:
“Dreigende schending van artikel 3 EVRM? (…)
Bevoegd gegeven en voldoende concrete garanties ten aanzien van locatie en duur gevangenisstraf?
6.7
Met de Staat en de voorzieningenrechter (en anders dan [eiseres] : grieven 1-3) is het hof van oordeel dat de Chileense autoriteiten met de brief van 25 januari 2024 voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de volgende onderwerpen (onderstrepingen hof):
a) de locatie waar [eiseres] haar detentie in Chili zal uitzitten, te weten [ [gevangenis 1] ]:
- p. 5 “(...) the national penitentiary authority has reported that, if extradited, [eiseres] will be confined in the [gevangenis 1]”
- p. 11 “(…) the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the [gevangenis 1]”
Dat er staat “has reported that” betekent niet dat geen sprake is van een toezegging. Er is informatie ingewonnen bij de verantwoordelijke instantie, deze heeft verklaard dat [eiseres] in [gevangenis 1] zal worden geplaatst en de Chileense autoriteiten hebben die expliciete garantie gegeven (zie ook hierna).
b) de duur van de resterende detentie: de tijd die in Nederland in (uitleverings)detentie is doorgebracht zal in Chili in mindering worden gebracht op de ten uitvoer te leggen
gevangenisstraf:
“Thus, if she is surrendered by the Netherlands to the Republic of Chile, [eiseres] will not have to serve time in preventive detention, but will have to serve the balance of the pending conviction, which will be computed by subtracting the time of confinement that the extraditable person has already served in prison in the Netherlands” (p.4/5)
c) de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] (hierop wordt hieronder teruggekomen).
6.8
[eiseres] klaagt over de incomplete weergave in het vonnis van de briefwisseling van december 2023 en januari 2024 (grief 1). Ook het hof heeft de brieven hierboven niet volledig geciteerd. Dat neemt niet weg dat het hof de brieven uiteraard geheel heeft gelezen en bij zijn beoordeling heeft betrokken. (…) Dat de brief geen garanties bevat kan dus niet worden volgehouden.
6.9
Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd (dit geldt ook voor de hierna nog te bespreken garanties ten aanzien van de detentieomstandigheden). Op zich is juist dat een (langdurige) uitleveringsrelatie, gebaseerd op bilaterale of multilaterale uitleveringsverdragen, een extra gewicht kan geven aan het vertrouwensbeginsel. Dat betekent echter niet, andersom, dat van vertrouwen (vrijwel) geen sprake kan zijn als tussen de betrokken staten geen uitleveringsverdrag van toepassing is (en/of als nog niet eerder iemand is uitgeleverd aan de verzoekende staat, zoals [eiseres] ook nog aanvoert). Het feit dat geen sprake is van een (bestendige) uitleveringsrelatie was aanleiding voor het verzoeken om informatie en garanties en daarop is positief gereageerd. Van belang is dat Chili net als Nederland partij is bij het IVBPR en het [VN-antifolterverdrag]. Ook is Chili lid van de Council of Europe’s Committee of Experts on the Operation of European Conventions on Co-operation in Criminal Matters (PC-OC), het expertcomité inzake strafrechtelijke samenwerking van de Raad van Europa. Chili is ook aangesloten bij het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens en erkent het individueel klachtrecht bij dat hof. Verder geldt dat Chili een nationaal, onafhankelijk mensenrechteninstituut heeft. Dit alles draagt bij aan het vertrouwen dat de Staat mag hebben in de naleving van de gegeven garanties. Overigens heeft de Staat onweersproken gesteld dat wel al langer los van uitlevering een bestendige rechtshulp-relatie met Chili bestaat.
6.10
[eiseres] heeft nog aangevoerd dat de brief van 25 januari 2024 afkomstig is van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken en dat dit ministerie niet bevoegd is garanties af te geven ten aanzien van de locatie, de duur of de omstandigheden van de detentie. Het hof volgt haar hierin niet. De Staat heeft er terecht op gewezen dat hij de brief langs de gebruikelijke diplomatieke route, door middel van een ‘note verbale’ van de Chileense ambassade, heeft ontvangen. In de ‘note verbale’ staat ook expliciet “has the honour to present the response of the Republic of Chile”. Er is dan ook geen reden er niet op te vertrouwen dat de Chileense Staat zich gebonden acht aan de gegeven garanties.
6.11
[eiseres] heeft in hoger beroep nog aanvullende informatie overgelegd, te weten een bevel tot gevangenneming van de rechtbank te Antofagasta van 24 maart 2022, een verslag van de Chileense advocaten van een bijeenkomst van hen met de Chileense officieren van justitie op 3 juni 2024 (…), en de reactie van de Chileense rechter van 22 november 2022 op een eerder verzoek van de Chileense advocaat (…). Ook deze aanvullende informatie doet niet af aan de gegeven garanties.
6.12
Wat betreft de garantie ten aanzien van de locatie van de detentie, stelt het hof voorop dat naar zijn oordeel voldoende duidelijk is dat met “the competent Prison Authority” wordt gedoeld op de ‘Gendarmeria de Chile’ (een gedecentraliseerde en autonome instelling die verantwoording aflegt aan het ministerie van Justitie en Mensenrechten, zie p. 5 van de brief van 25 januari 2024). Op basis van de nadere stukken kan niet worden vastgesteld dat alleen de rechter in Chili bevoegd is te beslissen over de plaats van detentie. De reactie van de rechtbank van 22 november 2024 is wat dat betreft veel te summier en te weinig zeggend en de Staat merkt verder terecht op dat het feit dat in een rechterlijk bevel tot gevangenneming staat vermeld naar welke locatie iemand moet worden overgebracht, niet betekent dat die rechter het laatste woord heeft over de plaats van detentie, met name niet als door de Chileense autoriteiten een garantie is gegeven ten aanzien van de locatie. In elk geval is niet aannemelijk dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter, zo hij of zij daartoe al (als enige) formeel bevoegd is, in weerwil van de gegeven garanties, zal weigeren om [eiseres] in [gevangenis 1] te plaatsen. Dat is ook niet onderbouwd.
6.13
In het licht van het voorgaande legt evenmin voldoende gewicht in de schaal dat de verantwoordelijke officier van justitie in maart 2023 heeft gezegd dat [eiseres] haar gehele straf zal moeten uitzitten in [gevangenis 3] . Volgens [eiseres] past deze mededeling in het Chileense systeem, nu de feiten aldaar hebben plaatsgevonden en de straf is opgelegd door de rechtbank aldaar. Wat daar ook van zij, deze mededeling is achterhaald door de latere, concrete en ondubbelzinnige garantie dat [eiseres] in [gevangenis 1] zal worden geplaatst. Garanties in uitleveringszaken kunnen meebrengen dat iemand anders wordt behandeld dan een ‘gewone’ gedetineerde.
6.14
Wat betreft de duur van de nog door te brengen detentie geldt het volgende. Enkel op basis van het verslag van de bijeenkomst van 3 juni 2024 kan niet worden aangenomen dat de Chileense rechter als enige bevoegd en in staat is om te beslissen of de in Nederland in detentie doorgebrachte tijd al dan niet zal worden afgetrokken. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om haar stelling van een nadere onderbouwing te voorzien. Zoals hierboven overwogen is uitgangspunt dat erop mag worden vertrouwd dat de gegeven garanties zullen – en dus ook kunnen – worden nageleefd. Bovendien geldt ook op dit punt dat als al zou moeten worden aangenomen dat de rechter de enige bevoegde instantie is, niet is onderbouwd en niet aannemelijk is dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter zich niets gelegen zal laten liggen aan de gegeven garanties. Daarbij is ook van belang dat ervan mag worden uitgegaan dat het Chileense openbaar
ministerie voor zover nodig medewerking zal verlenen aan de detentie-aftrek. Daaraan doen de andersluidende verklaringen van de Chileense officieren van justitie (zoals weergegeven in het verslag van 3 juni 2024) niet af. Uit niets blijkt dat de Chileense officieren van justitie op dat moment op de hoogte waren van de gegeven garanties: integendeel, uit onderdeel 7 van dat verslag – waarin volgens [eiseres] de interpretatie van de Chileense advocaat is weergegeven (zie ook pleitnota 14) – kan worden afgeleid dat zij daarvan niet op de hoogte waren. Hun verklaringen tijdens die bijeenkomst moeten dan ook in dat licht worden bezien. Door de Chileense staat gegeven garanties binden ook de Chileense officier van justitie. Er moet daarom van uit worden gegaan dat zij voor zover nodig medewerking zullen verlenen aan de naleving ervan (bijvoorbeeld door het indienen van verzoeken in overeenstemming met die garanties of door het zich niet verzetten tegen dergelijke verzoeken van de verdediging).
6.15
Hierboven is al vermeld dat de Othman-criteria (zie 6.7) niet gelden als een checklist die in elk geval afzonderlijk moet worden afgelopen. Het is dus niet zo dat garanties geen waarde hebben als geen sprake is van een monitoringsysteem of andere controlemechanismes. De Staat wijst er terecht op dat als dat zo zou zijn het vertrouwensbeginsel geen waarde meer zou hebben. Omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd, is er ook geen grond om nadere garanties te vragen en/of monitoring of controle te eisen (grief 5).
6.16
De tussenconclusie luidt dat erop mag worden vertrouwd dat de tijd die [eiseres] in Nederland in detentie heeft doorgebracht zal worden afgetrokken van de opgelegde straf en dat zij in [gevangenis 1] zal worden geplaatst (grief 3). Dat betekent dat niet ingegaan hoeft te worden op de detentieomstandigheden in [gevangenis 3] .”
2.3
In dit kort geding komt [eiseres] op tegen de hiervoor in 2.1 onder (vi) genoemde beschikking van de minister om de uitlevering toe te staan. Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 22 april 2024 heeft [eiseres] de Staat gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Zij heeft gevorderd, voor zover van belang, primair een verbod aan de Staat om haar uit te leveren aan Chili en subsidiair een verbod om haar uit te leveren zolang de Staat geen bindende, concrete en op de persoon gerichte garanties heeft ontvangen van Chili die toereikend zijn om een (flagrante) schending van de in de dagvaarding genoemde fundamentele rechten te voorkomen, waarbij de Staat de mogelijkheid van actieve monitoring ter controle van de nakoming van deze garanties moet garanderen en de Staat zich bereid moet verklaren deze monitoring op zich te nemen.
[eiseres] heeft, voor zover van belang, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de minister met het besluit om haar aan Chili uit te leveren, onrechtmatig jegens haar handelt. Ten eerste is sprake van een reëel risico dat zij in Chileense detentie zal worden onderworpen aan een met art. 3 EVRM strijdige behandeling, en is geen sprake van bevoegd gegeven, voldoende concrete garanties. Zo is in elk geval onvoldoende duidelijk dat [eiseres] na uitlevering daadwerkelijk in de [gevangenis 1] (hierna: [gevangenis 1] ) zal worden geplaatst, en niet in de [gevangenis 3] (hierna: [gevangenis 3] ), terwijl in beide inrichtingen sprake is van detentieomstandigheden die in strijd zijn met art. 3 EVRM. Ten tweede zal na uitlevering sprake zijn van discriminatoire detentie, gelet op het feit dat [eiseres] – anders dan ter zake van fraude veroordeelde mannelijke politici – vanwege haar geslacht niet zal worden geplaatst in de (als beter bekend staande) [gevangenis 2] , hetgeen in strijd is met art. 14 jo art. 3 en 5 EVRM, art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM en art. 10 Uitleveringswet.
2.4
Bij vonnis van 19 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen.
Vaststaat dat Chili zowel partij is bij het IVBPR als het VN-antifolterverdrag, en daarnaast meewerkt aan onderzoeken en rapportages van het VN-Comité tegen Foltering en ook een nationaal onafhankelijk mensenrechteninstituut heeft. Hieruit volgt dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van moet worden uitgegaan dat de informatie die de Chileense autoriteiten in het kader van het uitleveringsverzoek hebben verstrekt, juist is, dat de door hen daarbij verstrekte garanties zullen worden nageleefd en dat de door genoemde verdragen beschermde grondrechten van [eiseres] na uitlevering door de Chileense autoriteiten zullen worden gerespecteerd. [eiseres] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar grondrechten na uitlevering niet zullen worden gerespecteerd doordat de verstrekte garanties niet zullen worden nageleefd (rov. 4.4-4.11).
Dat er in Chili mannen- en vrouwengevangenissen bestaan en dat er wellicht verschillen bestaan tussen die gevangenissen, is niet in strijd met het EVRM en zeker niet discriminatoir, zolang – zoals in dit geval – beide typen gevangenissen maar aan de krachtens het EVRM geldende minimumnormen voldoen. Onder die omstandigheden is van een schending van de discriminatieverboden van art. 14 EVRM en art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM geen sprake en evenmin is er in dat verband sprake van een situatie als bedoeld in art. 10 lid 1 Uitleveringswet (rov. 4.12).
2.5
[eiseres] heeft van het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. In hoger beroep heeft [eiseres] de grondslag van haar vorderingen aldus gewijzigd dat de stelling dat uitlevering leidt tot een discriminatoire behandeling niet langer is gebaseerd op art. 14 in samenhang met de art. 3 en 5 EVRM, maar op art. 14 in samenhang met de art. 3 en 8 EVRM. Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
Oordeel hof
2.6
Het hof heeft over het toepasselijke beoordelingskader overwogen (voetnoten weggelaten):
“Inleidende opmerkingen
6.1
Als de opgeëiste persoon (…) de beslissing van de Minister tot uitlevering aan de civiele rechter voorlegt en aanvoert dat de uitlevering in strijd is met fundamentele rechten moet de civiele rechter het besluit van de Minister volledig en ‘ex nunc’ (dat wil zeggen naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak) toetsen.
6.2
Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek vormt het zogeheten vertrouwensbeginsel (in de meeste gevallen) het uitgangspunt. Dit vertrouwensbeginsel houdt in dat Nederland, en dus ook de Nederlandse rechter, in beginsel erop vertrouwt dat (i) de informatie die de verzoekende staat verstrekt in het kader van het uitleveringsverzoek juist is, (ii) de verzoekende staat na uitlevering de grondrechten van de opgeëiste persoon niet zal schenden en (iii) de garanties die de verzoekende staat afgeeft zullen worden nagekomen. Het vertrouwensbeginsel wordt gebaseerd op de omstandigheid dat de verzoekende staat partij is bij het EVRM of het IVBPR en ook wel op de aanname dat Nederland alleen (uitleverings)verdragsrelaties onderhoudt met landen die de grondrechten respecteren. Het vertrouwensbeginsel zal moeten wijken als de opgeëiste persoon aannemelijk maakt dat er in zijn geval reden is om aan te nemen dat de grondrechten niet zullen worden gerespecteerd en/of dat er aanleiding is om te twijfelen aan de naleving van verstrekte garanties.
6.3
Het EHRM aanvaardt dat hechtenis een zekere mate van leedtoevoeging impliceert. Alleen leed dat “a minimum level of severity” heeft kan een schending van artikel 3 EVRM opleveren. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Het is aan de opgeëiste persoon om aannemelijk te maken dat er gegronde redenen (‘substantial grounds’) zijn om aan te nemen dat sprake is van een reëel risico (‘real risk’) dat uitlevering leidt tot een schending van artikel 3 EVRM, zoals in dit geval (onder meer) wordt aangevoerd. De beoordeling van wat een opgeëiste persoon te wachten staat is tot op zekere hoogte speculatief, hard bewijs kan van hem niet worden verlangd. De enkele mogelijkheid van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling (‘the mere possibility of ill-treatment’) is echter niet voldoende om uitlevering te verbieden. Dit betekent ook dat niet kan worden volstaan met een verwijzing naar een algemeen probleem met betrekking tot de naleving van mensenrechten in de verzoekende staat of met de stelling dat er in het gevangeniswezen van de verzoekende staat in algemene zin misstanden heersen. Het gaat steeds om de vraag of deze opgeëiste persoon na uitlevering een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Het is op zich mogelijk dat de situatie in het land van bestemming zo slecht is dat de uitgezette persoon onvermijdelijk met geweld te maken zal krijgen, maar dat is alleen denkbaar in ‘the most extreme cases’.
6.4
Omdat artikel 3 EVRM een van de meest fundamentele rechten en een absoluut verbod op marteling of onmenselijke behandeling omvat moet een ‘arguable claim’ ten aanzien van een dreigende schending met grote nauwkeurigheid (‘rigorous scrutiny’) worden beoordeeld.
6.5
Als de verzoekende staat garanties heeft gegeven, moeten die garanties voldoende concreet en op de persoon gericht zijn. In een zaak die ging over uitzetting en het risico op foltering, overwoog het EHRM dat het bij de beoordeling van garanties onder andere naar de volgende factoren zal kijken:
(i) whether the terms of the assurances have been disclosed to the Court;
(ii) whether the assurances are specific or are general and vague;
(iii) who has given the assurances and whether that person can bind the receiving State;
(iv) if the assurances have been issued by the central government of the receiving State, whether local authorities can be expected to abide by them;
(v) whether the assurances concerns treatment which is legal or illegal in the receiving State;
(vi) whether they have been given by a Contracting State;
(vii) the length and strength of bilateral relations between the sending and receiving States, including the receiving State’s record in abiding by similar assurances;
(viii) whether compliance with the assurances can be objectively verified through diplomatic or other monitoring mechanisms, including providing unfettered access to the applicant’s lawyers;
(ix) whether there is an effective system of protection against torture in the receiving State, including whether it is willing to cooperate with international monitoring mechanisms (including international human rights NGOs), and whether it is willing to investigate allegations of torture and to punish those responsible;
(x) whether the applicant has previously been ill-treated in the receiving State;
(xi) whether the reliability of the assurances has been examined by the domestic courts of the sending/Contracting State.
6.6
Dit is vooral een verzameling van gezichtspunten die het EHRM in een aantal verschillende zaken van belang heeft geacht. Het is niet een checklist die in elk afzonderlijk geval volledig moet worden afgelopen.”
2.7
Aansluitend heeft het hof geoordeeld dat er geen reëel risico bestaat op schending van art. 3 EVRM als [eiseres] in [gevangenis 1] wordt geplaatst, en dat de Chileense autoriteiten ook ten aanzien van de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven. Het hof heeft daarover overwogen (voetnoten weggelaten):
“Ook in [gevangenis 1] reëel risico schending artikel 3 EVRM?
6.17
Het EHRM acht van groot belang dat de detentieomstandigheden (in elk geval) aan de volgende eisen voldoen:
a. ieder gedetineerde heeft een individuele slaapplaats in een meerpersoonscel;
b. iedere gedetineerde moet ten minste 3 m2 tot zijn beschikking hebben (het voor de sanitaire voorzieningen bestemde vloeroppervlak mag daarbij niet worden meegeteld, de ruimte die het meubilair inneemt wel);
c. de gehele oppervlakte van de cel moet zodanig zijn dat de gedetineerden zich daarin vrij kunnen bewegen tussen het meubilair.
Dit zijn geen absolute eisen; of sprake is van omstandigheden in strijd met artikel 3 EVRM is steeds afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Als aan een of meer van deze vereisten niet is voldaan geldt echter wel een ‘strong presumption’ dat zich een schending voordoet van art. 3 EVRM en is het aan de Staat om voldoende compenserende factoren aan te dragen die samen maken dat van een schending toch geen sprake is.
6.18
Volgens [eiseres] bestaat er ook een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM als zij in [gevangenis 1] wordt geplaatst (grief 4). Het hof volgt haar daarin niet. De verwijzing naar algemene problemen in detentiecentra in Chili (o.a. overbevolking, geweld, slechte hygiëne) volstaat in dit verband niet en ook de overgelegde rapporten die specifiek gaan over [gevangenis 1] vormen onvoldoende basis voor de aanname van een reëel risico als door [eiseres] gesteld. Deze rapporten zijn van 2015 en 2019 en geven dus geen actueel beeld. Daar komt bij dat ook ten aanzien van de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] garanties zijn gegeven. Hierboven heeft het hof al uiteengezet waarom het van oordeel is dat de brief van 25 januari 2024 naast algemene informatie wel degelijk ook concrete, bevoegd gegeven garanties bevat en waarom wel op de naleving van de garanties mag worden vertrouwd. Het hof verwijst naar die uiteenzetting (6.7-6.10).
6.19
Door de Chileense autoriteiten zijn op de volgende punten voldoende concrete, op [eiseres] toegespitste garanties gegeven (…):
(i) "personal space’: [eiseres] wordt in een cel voor 8 personen geplaatst, waarbij zij debeschikking krijgt over 3,855 m2 persoonlijke leefruimte. Dat is dus meer dan de ondergrens van 3 m2 die het EHRM aanhoudt (de door [eiseres] aangehaalde normen van het Anti-Foltercomité zijn niet leidend). Er is geen reden om aan te nemen dat de sanitaire voorzieningen in de cel samen meer dan 8 x 0,855 m2 in beslag nemen waardoor de leefruimte alsnog door de ondergrens van 3 m2 zou zakken, en er is evenmin reden om aan te nemen dat [eiseres] zich niet vrij door de cel zal kunnen bewegen. Volgens de brief van 25 januari 2024 is de bezettingsgraad in [gevangenis 1] 59,7%. Van overbevolking is dus zeker geen sprake, integendeel. Dat dit inmiddels anders zou zijn is niet gesteld, laat staan onderbouwd. Het hof neemt daarom ook aan dat de mededeling dat elke gedetineerde een eigen bed, matras en deken krijgt, zal kunnen worden waargemaakt.
(ii) bewegingsvrijheid en activiteiten: [eiseres] zal van 8.30 uur tot 17.00 uur buiten de cel mogen zijn. Zij kan deelnemen aan workshops en andere activiteiten, zoals sport en onderwijs en er is ook gelegenheid om tijd in de buitenlucht door te brengen.
(iii) zonlicht: de cellen hebben toegang tot zonlicht.
(iv) veiligheid: de Chileense autoriteiten hebben gegarandeerd dat “due to the caracteristics of [eiseres] in case of being extradited to Chile, for having held a public position and her case being publicly known in the country” [eiseres] “will be placed in a unit with women with a low criminal profile, with the necesscuy security measures so that both her physical and psychological welfare are safeguarded”. Ook dit is een voldoende concrete garantie. Een nadere uiteenzetting van de veiligheidsmaatregelen is niet nodig.
(v) sanitair: [eiseres] zal vrij toegang hebben tot sanitaire voorzieningen gedurende de gehele dag en nacht (dus 24/7). De privacy wordt gewaarborgd door middel van deuren. Het sanitair is in goede conditie, waarbij is vermeld dat de inrichting recent is gerenoveerd.
(vi) drinkwater: er wordt voorzien in voldoende schoon drinkwater.
6.20
Op zich is juist dat het zwaarder is om in een meerpersoonscel te verblijven dan in een een- of tweepersoonscel en dat een ‘personal space’ van tussen de 3 m2 en 4 m2 een ‘weighty factor’ is bij de beoordeling van de vraag of de detentieomstandigheden in strijd komen met artikel 3 EVRM. Als daarnaast sprake is van “other aspects of inappropriate physical conditions of detention related to, in particular, access to outdoor exercise, natural light or air, availability of ventilation, adequacy of room temperature, the possibility of using the toilet in private, and compliance with basic sanitary and hygienic requirements” kan alsnog worden geconcludeerd dat detentieomstandigheden in strijd zijn met artikel 3 EVRM. In dit geval zijn er echter juist meerdere positieve factoren: een groot deel van de tijd mag buiten de cel worden doorgebracht, er wordt voorzien in activiteiten, ook in de buitenlucht, en de cel heeft toegang tot zonlicht. [eiseres] klaagt nog over het feit dat de brief geen informatie bevat over de temperatuurregeling en het voedsel. Ten eerste geldt dat wel degelijk iets wordt gezegd over voedsel: die zal van voldoende niveau zijn, zowel wat betreft hoeveelheid als wat betreft kwaliteit (aldus de brief van 25 januari 2024 op p. 8, (…)). Ten tweede is van belang dat in de brief van 11 december 2023 ook niet om specifieke informatie, laat staan om garanties, wordt verzocht over deze twee onderwerpen. Het feit dat de brief van 25 januari 2024 over voedsel alleen de hierboven informatie bevat en dat over de temperatuurregeling helemaal geen informatie wordt gegeven, betekent dus niet dat er reden tot zorg is. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd dat op die punten juist in [gevangenis 1] wezenlijke problemen te verwachten zijn.
(…)
Tussenconclusie
6.22
De conclusie luidt dat geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM, ook niet als alle door [eiseres] genoemde factoren in aanmerking worden genomen, waaronder de leefruimte tussen 3 m2 en 4 m2 in een meerpersoonscel (…). Er is ook geen reden voor monitoring (zie hierboven onder 6.15). Grieven 1 tot en met 5 falen.”
2.8
Voorts heeft het hof het beroep van [eiseres] op discriminatoire detentie na uitlevering verworpen:
“Discriminatoire detentie? (…)
6.23
[eiseres] heeft ook nog aangevoerd dat de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] slechter zijn dan in [gevangenis 2], waar mannen die voor vergelijkbare feiten zijn veroordeeld hun straf mogen uitzitten, en dat dit verschil alleen is gebaseerd op haar geslacht. Zij betoogt dat die omstandigheden binnen de werkingssfeer van artikel 3 EVRM vallen en ook, althans in elk geval, binnen de werkingssfeer van artikel 8 EVRM (o.a. inbreuk op familieleven door beperkingen in contact en resocialisatie, telefoongebruik en regels over bezoek zonder toezicht en inbreuk op lichamelijke integriteit door visitaties).
6.24
Op zich is juist dat ook als de detentieomstandigheden in een specifiek geval niet in strijd zijn met artikel 3 of artikel 8 EVRM, er niettemin sprake kan zijn van een discriminatoire behandeling in relatie tot die omstandigheden, als er een ongerechtvaardigd verschil in behandeling is dat valt binnen de ‘wider ambit’ van artikel 3 en/of artikel 8 EVRM. Verder is op zich juist dat het dossier aanwijzingen bevat voor de juistheid van de (door de Staat overigens betwiste) stelling dat de detentieomstandigheden in [gevangenis 2] gunstiger zijn dan in [gevangenis 1] , zij het dat de mate waarin de omstandigheden verschillen niet geheel duidelijk is. Dit alles baat [eiseres] echter niet. Ook als immers zou worden verondersteld dat het verschil in omstandigheden wezenlijk is en dat vrouwen als [eiseres] in dat opzicht in Chili worden gediscrimineerd, betekent dat nog niet dat die enkele omstandigheid een zelfstandige grond is om uitlevering te weigeren, ook al zijn de detentieomstandigheden als zodanig adequaat en niet in strijd met artikel 3 EVRM of met artikel 8 EVRM (dat de omstandigheden in [gevangenis 1] een schending opleveren van artikel 8 EVRM is betwist en niet onderbouwd). Dat in zo’n geval sprake is van een zelfstandige weigeringsgrond volgt niet uit de wet of de jurisprudentie en ligt ook los daarvan niet voor de hand. Het beroep op artikel 10 lid 1 Uw kan [eiseres] ook niet helpen. Het hof is met de Staat van oordeel dat detentie onder adequate omstandigheden niet geacht kan worden te vallen onder ‘het op andere wijze getroffen’ zijn in verband met de groep waartoe betrokkene behoort, louter omdat er een mannengevangenis is met betere omstandigheden.”
Procesverloop in cassatie
2.9
[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en een incidentele vordering ingesteld die ertoe strekte dat de bijlagen bij de procesinleiding in cassatie uit het procesdossier worden verwijderd. Bij arrest van 7 november 2025 heeft de Hoge Raad die vordering afgewezen.
Kort voor de datum van de schriftelijke toelichtingen in de hoofdzaak heeft de advocaat van [eiseres] in het digitale portaal van de Hoge Raad het bericht geplaatst dat onderdeel 3 van het cassatiemiddel wordt ingetrokken, omdat daar geen belang meer bij bestaat, en dat de advocaat van de Staat daarvan op de hoogte zal worden gebracht.
Partijen hebben ieder de zaak schriftelijk laten toelichten. [eiseres] heeft afgezien van repliek. De Staat heeft gedupliceerd.
3Bespreking van het middel
3.1
Het middel bevat drie onderdelen. Zoals juist hiervoor in 2.9 gezegd, is onderdeel 3 ingetrokken, zodat dit onderdeel verder onbesproken kan blijven.
Onderdeel 1 is gericht tegen het beoordelingskader dat het hof in rov. 6.1-6.6 heeft gegeven, en tegen de verwerping door het hof in rov. 6.7-6.22 van de stelling van [eiseres] dat een reëel risico bestaat dat bij haar detentie in Chili sprake zal zijn van een schending van art. 3 EVRM.
Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping door het hof in rov. 6.24 van het beroep van [eiseres] op art. 10 lid 1 Uitleveringswet.
Alvorens het middel te bespreken, sta ik hierna eerst stil bij de maatstaven die zijn aan te leggen bij de beoordeling van de vorderingen in deze zaak.
Verdragsgrondslag voor uitlevering
3.2
Uitlevering vindt in Nederland uitsluitend plaats krachtens een verdrag (art. 2 lid 3 Grondwet en art. 2 Uitleveringswet). De strekking van deze eis is dat aan uitleveringen een onderzoek vooraf dient te gaan naar het vertrouwen dat in het rechtsstelsel van de verzoekende staat kan worden gesteld. De gedachte is dat bij het sluiten van een verdrag een dergelijk onderzoek plaatsvindt. Nederland heeft met vele landen een uitleveringsverdrag, hetzij bilateraal, zoals met de Verenigde Staten, hetzij multilateraal, zoals het Europees Uitleveringsverdrag (hierna: EUV) met de landen die lid zijn van de Raad van Europa. Voor de Unie geldt een kaderbesluit dat de verplichting tot ‘overlevering’ regelt (waarmee uitlevering wordt bedoeld).
3.3
Tussen Nederland en Chili is geen uitleveringsverdrag van toepassing, althans geen verdrag dat kan worden aangeduid als een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin. Het uitleveringsverzoek in deze zaak is gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (hierna kort aangeduid met de Engelse afkorting ‘UNCAC’). Zowel Nederland als Chili is partij bij dit verdrag. In art. 43 lid 1 UNCAC is bepaald dat de staten die partij zijn, samenwerken bij strafzaken met betrekking tot corruptie, onder meer op het gebied van uitlevering. De bepalingen omtrent uitlevering, zoals opgenomen in art. 44 UNCAC, zijn van toepassing op de overeenkomstig het verdrag strafbaar gestelde feiten indien de opgeëiste persoon zich bevindt op het grondgebied van de aangezochte staat, mits het strafbare feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht, strafbaar is ingevolge het nationale recht van zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat. In art. 17 UNCAC is onder meer ambtelijke verduistering als strafbaar feit aangemerkt. Dit is het feit waarvoor [eiseres] in Chili is veroordeeld.
In art. 44 lid 5 UNCAC is bepaald dat, als een staat de uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag en een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere staat waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, hij het verdrag kan beschouwen als rechtsgrondslag voor uitlevering wat betreft de strafbare feiten waarop het artikel van toepassing is. Als een staat het verdrag als zodanig wenst te beschouwen, dient hij overeenkomstig het bepaalde in art. 44 lid 6 onder a UNCAC de secretaris-generaal van de VN daarvan in kennis stellen. Nederland heeft een dergelijke verklaring afgelegd.
3.4
De Uitleveringswet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat uitlevering plaatsvindt op grond van verdragen zoals het UNCAC. In art. 51a lid 1 Uitleveringswet is bepaald dat voor de in het tweede lid genoemde feiten, strafbaar te stellen ingevolge de in dat lid genoemde verdragen, kan worden uitgeleverd aan staten die partij zijn bij het desbetreffende verdrag. Deze bepaling is in 1973 ingevoerd met het oog op de uitvoering van het Verdrag van Den Haag en het Verdrag van Montreal, welke verdragen bepalingen bevatten die vergelijkbaar zijn met art. 44 lid 5 UNCAC. De regering zag zich door deze twee verdragen gesteld voor een moeilijkheid, omdat in Nederland, als gezegd, uitlevering uitsluitend mogelijk is op grond van een verdrag. Gelet op de wenselijkheid om uitlevering mogelijk te maken in de door de Verdragen van Den Haag en Montreal beheerste gevallen, is ervoor gekozen die verdragen zélf in de Uitleveringswet als een grondslag voor uitlevering aan te wijzen. Volgens de minister betrof dat op zichzelf geen afwijking van art. 2 Uitleveringswet, omdat die bepaling niet is beperkt tot uitleveringsverdragen in eigenlijke zin. Omdat de aangezochte staat in het geval dat geen uitleveringsverdrag in eigenlijke zin van toepassing is – welk soort verdrag de verplichting over en weer pleegt te bevatten om binnen de voorwaarden van het verdrag tot uitlevering aan het andere land over te gaan –, zelf de voorwaarden voor uitlevering mag vaststellen, is in art. 51a lid 3 Uitleveringswet bepaald dat uitlevering op deze grondslag geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de Uitleveringswet en, zo nodig, de bepalingen van het hiervoor genoemde EUV.
In het kader van de goedkeuring van het UNCAC door Nederland is dat verdrag toegevoegd aan de opsomming in art. 51a lid 2 Uitleveringswet. Hiermee is (dus) eveneens tot uitdrukking gebracht dat Nederland het UNCAC als rechtsgrondslag voor uitlevering heeft aanvaard.
Vertrouwensbeginsel in het uitleveringsrecht
3.5
Het in het uitleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel brengt mee dat bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek ervan moet worden uitgegaan dat de verzoekende staat de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon zal respecteren. Zoals hiervoor opgemerkt, vormt het vertrouwen dat dit het geval is, de basis voor het aangaan van een uitleveringsverdrag en voor de uitlevering in een individueel geval. Dat vertrouwen is passend bij de internationale samenwerking tussen staten. Bij een uitleveringsverzoek gaan staten er dan ook over en weer van uit – en dienen zij er over en weer van uit te gaan – dat het rechtsstelsel van en de praktijk in de andere staat voldoen aan de daaraan te stellen eisen, dat de mededelingen die zij elkaar doen, juist zijn en dat toezeggingen over en weer worden nagekomen.
Het vertrouwensbeginsel spreekt wat betreft de naleving van het EVRM nogal vanzelf in verhouding tot andere staten die zijn aangesloten bij het EVRM, maar geldt ook in verhouding tot staten die niet bij het EVRM zijn aangesloten. Veel staten, waaronder ook Chili – zoals het hof in aanmerking heeft genomen in rov. 6.9 –, zijn aangesloten bij het IVBPR, dat vergelijkbare bepalingen kent als het EVRM, of vergelijkbare verdragen waarbij fundamentele rechten worden beschermd.
3.6
Het ontbreken van een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin betekent volgens de Hoge Raad niet dat het vertrouwensbeginsel niet geldt. Gaat het om een verdrag genoemd in art. 51a lid 2 Uitleveringswet dan geldt dat beginsel volgens de Hoge Raad evenzeer. In een arrest van 30 oktober 2018 over een uitlevering aan Marokko overweegt de Hoge Raad:
“3.2.1 (…) Uitgangspunt is (…) dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon door de verzoekende Staat de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR, zullen worden gerespecteerd. Dat geldt zowel indien het uitleveringsverzoek is gebaseerd op een (multilateraal of een bilateraal) uitleveringsverdrag in eigenlijke zin als indien het steunt op een verdrag dat is vermeld in het tweede lid van art. 51a Uitleveringswet — zoals hier het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97) en het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 68) — in welk geval op grond van het derde lid van art. 51a uitlevering geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9).”
In de literatuur wordt betoogd dat voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel onderscheid moet worden gemaakt naar de aard van de verdragsgrondslag, in de zin dat geen of minder vertrouwen passend is wanneer het uitleveringsverzoek is gebaseerd op een in art. 51a lid 2 Uitleveringswet genoemd verdrag. Gewezen wordt op het feit dat bij die verdragen ook staten partij zijn die mensenrechten niet hoog in het vaandel hebben staan. Voor dit betoog pleit dat bij het sluiten van de in art. 51a lid 2 Uitleveringswet genoemde verdragen in de regel geen voorafgaand onderzoek zal hebben plaatsgevonden naar het vertrouwen dat in de rechtsstelsels van de andere verdragsluitende staten kan worden gesteld.
Het vertrouwensbeginsel geldt niet absoluut
3.7
In de juist hiervoor genoemde uitspraken van de Hoge Raad wordt een dergelijk onderscheid echter niet gemaakt. Mogelijk vindt dit zijn verklaring daarin dat het vertrouwensbeginsel toch al niet onbeperkt geldt. Als concrete aanwijzingen bestaan (‘een gegrond vermoeden’) dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, moet dit beginsel namelijk wijken. Uit de gelding van het vertrouwensbeginsel volgt in wezen slechts dat de stelplicht en bewijslast terzake in beginsel bij de opgeëiste persoon rusten. Die regel past ook bij uitleveringen die niet plaatsvinden op basis van een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin, omdat de minister daarbij in het concrete geval dat uitlevering is verzocht van een persoon, behoort na te gaan of geen verdragsschending dreigt door de uitlevering en, evenals bij de verdragssluiting die door minister wordt voorbereid, uitgangspunt mag zijn dat dit onderzoek naar behoren is uitgevoerd. Daarbij valt erop te wijzen dat art. 51a lid 3 Uitvoeringswet en de in art. 51a lid 2 genoemde verdragen zonder meer de mogelijkheid bieden om als voorwaarde voor uitlevering waarborgen te verlangen dat de rechten van de opgeëiste persoon niet zullen worden geschonden (zie hiervoor in 3.4). Mocht een land een slechte reputatie of conduitestaat hebben wat betreft het respecteren van mensenrechten of het nakomen van verplichtingen of toezeggingen, dan legt dat uiteraard het nodige gewicht in de schaal bij de vraag of genoemde concrete aanwijzingen bestaan en of het daaruit volgende risico door waarborgen voldoende is weggenomen.
3.8
Omdat een schending van fundamentele rechten door een uitlevering een schending van het EVRM oplevert door Nederland, welke schending veelal zwaarder weegt dan de naleving van de eventuele verplichting van Nederland tot naleving van de uitleveringsplicht van het betrokken verdrag – uitleveringsverdragen in eigenlijke zin bevatten vaak een dergelijke verplichting, zonder een voorbehoud voor het geval dat een risico bestaat op genoemde schendig van fundamentele rechten –, zal Nederland bij zulke aanwijzingen de uitlevering steeds moeten weigeren.
3.9
In het stelsel van de Uitleveringswet is de beoordeling van de vraag of een uitlevering een schending oplevert van fundamentele rechten, aan de minister en dus niet aan de uitleveringsrechter. Deze bevoegdheidsverdeling berust daarop dat de minister mogelijkheden heeft om onderzoek te doen en in staat is om van de verzoekende staat eventuele waarborgen te bedingen om een schending te voorkomen, zodat de uitlevering alsnog kan plaatsvinden. Tegen het uitleveringsbesluit van de minister kan de opgeëiste persoon, zoals in dit kort geding gebeurt, opkomen bij de burgerlijke rechter, aangezien de wet geen andere rechtsgang daarvoor openstelt. De burgerlijke rechter moet het oordeel van de minister over een schending van fundamentele rechten vol toetsen.
Reëel risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM
3.10
[eiseres] heeft aangevoerd dat zij een reëel risico loopt dat zij bij uitlevering zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Art. 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit verbod is volgens het EHRM “one of the most fundamental values of democratic societies” en “a value of civilisation closely bound up with respect for human dignity, part of the very essence of the Convention”.Niet elk geval van ‘ill-treatment’ levert een schending op van art. 3 EVRM. Er moet sprake zijn van “a minimum level of severity”, dat afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval.
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat art. 3 EVRM in de weg staat aan uitlevering in het geval “where substantial grounds have been shown for believing that the person concerned, if extradited, faces a real risk of being subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment in the requesting country”.De stelplicht en bewijslast ten aanzien van een reëel risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM rusten op de opgeëiste persoon. Als de opgeëiste persoon slaagt in dergelijk bewijs, is het aan de aangezochte staat om iedere twijfel weg te nemen.
De beoordeling van een ‘arguable claim’ moet “rigorous” zijn. Daarbij moeten de voorzienbare gevolgen van de uitlevering worden onderzocht, in het licht van de algemene situatie in de verzoekende staat en de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. De beoordeling moet ex nunc plaatsvinden.
Garanties door verzoekende staat
3.11
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat door de verzoekende staat verstrekte garanties moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon door uitlevering wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Het enkele feit dat garanties zijn gegeven, vormt als zodanig nog geen afdoende waarborg tegen het reële risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM, zo dat in beginsel aanwezig is. De rechter die over de uitlevering oordeelt, moet van het EHRM dan ook in dat geval onderzoeken “whether assurances provide, in their practical application, a sufficient guarantee that the applicant will be protected against the risk of ill-treatment”.
De beoordeling van de “practical application” van de garanties en het gewicht dat aan de garanties kan worden toegekend, bestaat volgens de rechtspraak van het EHRM uit twee stappen. Eerst moet worden onderzocht of de algemene mensenrechtensituatie in de verzoekende staat uitsluit dat garanties kunnen worden geaccepteerd. Als het antwoord daarop ontkennend luidt – hetgeen volgens het EHRM veelal het geval zal zijn –, dan moet de rechter de kwaliteit van de garanties beoordelen, alsmede de vraag beantwoorden of daarop kan worden vertrouwd in het licht van de praktijk in de verzoekende staat. Daarbij dienen volgens de uitspraak Othman onder meer de volgende factoren te worden bezien, voor zover de stellingen van de opgeëiste persoon of de relevante feiten en omstandigheden van de zaak daartoe aanleiding geven:
“189. More usually, the Court will assess first, the quality of assurances given and, second, whether, in light of the receiving State's practices they can be relied upon. In doing so, the Court will have regard, inter alia, to the following factors:
(i) whether the terms of the assurances have been disclosed to the Court (…);
(ii) whether the assurances are specific or are general and vague (…);
(iii) who has given the assurances and whether that person can bind the receiving State (…);
(iv) if the assurances have been issued by the central government of the receiving State, whether local authorities can be expected to abide by them (…);
(v) whether the assurances concerns treatment which is legal or illegal in the receiving State (…);
(vi) whether they have been given by a Contracting State (…);
(vii) the length and strength of bilateral relations between the sending and receiving States, including the receiving State's record in abiding by similar assurances (…);
(viii) whether compliance with the assurances can be objectively verified through diplomatic or other monitoring mechanisms, including providing unfettered access to the applicant's lawyers (…);
(iv) whether there is an effective system of protection against torture in the receiving State, including whether it is willing to cooperate with international monitoring mechanisms (including international human rights NGOs), and whether it is willing to investigate allegations of torture and to punish those responsible (…);
(x) whether the applicant has previously been ill-treated in the receiving State (…); and
(xi) whether the reliability of the assurances has been examined by the domestic courts of the sending/Contracting State (…).”
Bespreking oordeel hof
3.12
Uit het voorgaande volgt dat het hof in rov. 6.2 is uitgegaan van de juiste betekenis van het vertrouwensbeginsel en dat het hof bij de beoordeling van de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties in rov. 6.7 e.v. terecht van het vertrouwensbeginsel is uitgegaan (zie hiervoor in 3.5-3.7). Uit het voorgaande volgt voorts dat het hof in rov. 6.3-6.6 is uitgegaan van de juiste maatstaven voor de beoordeling van de stelling van [eiseres] dat een reëel risico bestaat dat bij haar detentie in Chili sprake zal zijn van een schending van art. 3 EVRM. Hetgeen het hof daar overweegt komt immers overeen met hetgeen hiervoor in 3.10-3.11 is vermeld.
Het hof heeft allereerst in rov. 6.7-6.16 vastgesteld dat de Chileense autoriteiten met de brief van 25 januari 2024 bevoegd en voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de locatie van detentie, te weten [gevangenis 1] , en de duur van de resterende detentie, dat wil zeggen dat de duur van de in Nederland doorgebrachte uitleveringsdetentie zal worden afgetrokken van de Chileense gevangenisstraf. Naar het hof vaststelt, is er geen reden om aan te nemen dat deze niet worden nageleefd. De stellingen van [eiseres] dat, kort gezegd, daarover twijfel kan bestaan, gelet op de inhoud van de brief, de bevoegdheidsverdeling in Chili met betrekking tot beslissingen over de detentie van tot gevangenisstraf veroordeelden, en de informatie uit Chili over de zienswijze van plaatselijke autoriteiten die [eiseres] heeft ingebracht, heeft het hof daarbij uitdrukkelijk behandeld en gemotiveerd verworpen dan wel onvoldoende geoordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat er geen grond is om monitoring of controle van de gegeven garanties te eisen, omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd.
Het hof heeft in rov. 6.18 de stelling van [eiseres] verworpen dat er een reëel risico op schending van art. 3 EVRM bestaat als zij in [gevangenis 1] wordt geplaatst. Volgens het hof heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Tegen dit oordeel komt het middel niet op.
Vervolgens heeft het hof in rov. 6.18-6.21 vastgesteld – ten overvloede, gelet op het in de vorige alinea genoemde oordeel, dat berust op hetgeen hiervoor in 3.11 tweede zin is vermeld – dat ook op dit punt de garanties van de Chileense autoriteiten voldoende zijn en dat op de naleving daarvan kan worden vertrouwd, voor welke vaststellingen het hof mede verwijst naar zijn overwegingen in rov. 6.8-6.15.
3.13
De hiervoor in 3.12 tweede tot en met vierde alinea weergegeven overwegingen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ze zijn in overeenstemming met de hiervoor in 3.12 eerste alinea genoemde maatstaven, die het hof als gezegd met zoveel woorden heeft toegepast. Het oordeel van het hof dat de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties voldoende zijn, kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Dat oordeel is immers feitelijk en betreft deels de uitleg van het relevante Chileense recht, welke uitleg in cassatie op grond van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO niet door de Hoge Raad op juistheid wordt gecontroleerd. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat oordeel niet. Het hof heeft de stellingen van [eiseres] over de garanties besproken en met een als zodanig toereikende en begrijpelijke motivering verworpen.
Bespreking onderdeel 1
3.14
Op het voorgaande stuiten de klachten van onderdeel 1 kort gezegd af. Ik bespreek die klachten hierna iets uitvoeriger.
3.15
Zoals in het incident in dit cassatieberoep al orde was, heeft [eiseres] bij de procesinleiding in cassatie diverse bijlagen overgelegd die dateren van na het arrest van het hof en deze ten grondslag gelegd aan de klachten van subonderdeel 1.3. Die klachten doen daarmee een beroep op feitelijke nova die als zodanig niet toelaatbaar zijn in cassatie (art. 419 lid 2 Rv). Het middel voert aan dat deze nova toch zouden moeten worden toegelaten omdat zij worden aangevoerd om een schending van art. 3 EVRM te voorkomen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2025 in zaak 24/03194, waarin hetzelfde beroep werd gedaan ter rechtvaardiging van in cassatie aangevoerde nova, volgt dat dit beroep niet opgaat. De Hoge Raad overwoog in dat arrest:
“3.6 Betrokkene heeft met juistheid aangevoerd dat art. 3 EVRM moet worden gezien als een van de meest fundamentele bepalingen van het EVRM en dat het een absoluut karakter heeft en dat art. 13 EVRM recht geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Daaruit volgt echter niet dat de Hoge Raad als cassatierechter in een civielrechtelijke procedure, in afwijking van art. 419 lid 2 Rv, kan treden in een feitelijk onderzoek naar de detentieomstandigheden die betrokkene na het bestreden arrest heeft ondervonden. Aan de Hoge Raad liggen uitsluitend ter toets voor de klachten die in cassatie zijn aangevoerd tegen het bestreden arrest. Aan betrokkene staan andere middelen ten dienste, zoals een (nieuwe) vordering in kort geding, om aan de orde te stellen dat uit nieuwe feiten en omstandigheden volgt dat zijn detentieomstandigheden niet in overeenstemming zijn met de volgens de Staat verstrekte garanties. De Hoge Raad zal derhalve de verklaring niet bij zijn beoordeling betrekken.”
[eiseres] zal hetgeen volgens haar uit de nova volgt, dus in een nieuw geding aan de orde moeten stellen. Uit een en ander volgt dat subonderdeel 1.3 niet voor behandeling vatbaar is.
3.16
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het door het hof in rov. 6.1-6.6 uiteengezette beoordelingskader en de toepassing daarvan in rov. 6.7-6.16, blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht wordt uitgewerkt in subonderdeel 1.2. Volgens dat subonderdeel had het hof bij de beoordeling van de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties niet het vertrouwensbeginsel tot uitgangspunt mogen nemen, omdat tussen Nederland en Chili geen uitleveringsverdrag van toepassing is, er ook geen sprake is van een bestendige uitleveringsrelatie of -ervaring met Chili, de uitlevering uitsluitend plaatsvindt krachtens art. 51a lid 1 en 2 Uitleveringswet in samenhang met het UNCAC, en in cassatie vaststaat – nu het hof dat in het midden heeft gelaten – dat [eiseres] bij uitlevering en plaatsing in [gevangenis 3] wordt blootgesteld aan het reële risico op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling. Dat het hof dit heeft miskend blijkt ook daaruit dat het hof het door het EHRM in Othman voorgeschreven toetsingskader voor diplomatieke garanties niet (volledig) heeft toegepast, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel valt op zijn beurt nader uiteen in acht nadere klachten (a-h), waaruit volgens het subonderdeel volgt dat het hof het voorgaande heeft miskend.
- Onder a: het oordeel van het hof in rov. 6.7-6.9 dat sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige reacties ten aanzien van de locatie van detentie, de duur van detentie en de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] is onjuist, omdat de brief van 25 januari 2024 niet een bevestiging bevat dat hetgeen het hof als garanties kwalificeert heeft te gelden als ‘binding upon the authorities’, althans onbegrijpelijk, aangezien niet duidelijk is hoe en door wie hetgeen het hof als garanties kwalificeert in de praktijk jegens [eiseres] gestand zal worden gedaan.
- Onder b: het oordeel van het hof in rov. 6.7 en 6.9 dat sprake is van voldoende concrete op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd, berust niet op een onderzoek naar of deze garanties ‘in their practical application’ een voldoende waarborg vormen gelet op de algemene mensenrechtensituatie in Chili, en of gelet op de kwaliteit van deze garanties en de overige omstandigheden, ‘in light of the receiving State’s practices’, op die garanties kan worden vertrouwd.
- Onder c: het oordeel van het hof in rov. 6.10 dat er geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de Chileense Staat zich gebonden acht aan de gegeven garanties, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’, en is voorts onbegrijpelijk, omdat uit dat oordeel niet blijkt waarom de scheiding der machten geen beletsel is voor de minister van buitenlandse zaken van Chili om bindende garanties te geven over de locatie, duur en detentieomstandigheden.
- Onder d: het oordeel van het hof in rov. 6.11 en 6.12 dat niet kan worden vastgesteld dat alleen de rechter in Chili bevoegd is te beslissen over de plaats van detentie, en dat in elk geval niet aannemelijk is dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter, zo hij of zij daartoe al (als enige) formeel bevoegd is, in weerwil van de gegeven garanties, zal weigeren om [eiseres] in [gevangenis 1] te plaatsen, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’. Het hof heeft met dat oordeel voorts miskend (i) dat [eiseres] heeft betoogd dat de scheiding der machten eraan in de weg staat dat de minister van buitenlandse zaken van Chili de nakoming van de plaatsing kan garanderen, (ii) dat het niet op de weg ligt van [eiseres] om aannemelijk te maken dat (er een reëel risico bestaat dat) de garantie niet bevoegd is gegeven door een instantie die de autoriteiten kan binden, en (iii) dat het hof de garantie had moeten toetsen op haar ‘practical application’ en met name of de rechter in Chili zich gebonden zal achten aan een door het ministerie van buitenlandse zaken gegeven garantie.
- Onder e: het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat in het licht van het voorgaande evenmin voldoende gewicht in de schaal legt dat de verantwoordelijke officier van justitie in maart 2023 heeft gezegd dat [eiseres] haar gehele straf zal moeten uitzitten in [gevangenis 3] , berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’.
- Onder f: het oordeel van het hof in rov. 6.14 over de duur van de nog door te brengen detentie berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’. Het hof heeft met dat oordeel voorts miskend (i) dat het niet op de weg van [eiseres] ligt aannemelijk te maken dat de garantie waarop de Staat zich beroept niet bevoegd is gegeven door een instantie die de autoriteiten kan binden, dat (ii) dat het hof had moeten onderzoeken of erop mag worden vertrouwd dat de gegeven garanties worden nagekomen, in plaats van tot uitgangspunt te nemen dat op nakoming daarvan kan worden vertrouwd, en (iii) dat het hof de garantie had moeten toetsen op haar ‘practical application’ en met name of de rechter in Chili en de Chileense officier van justitie zich gebonden achten aan een door het ministerie van buitenlandse zaken gegeven garantie.
- Onder g: het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat, omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd, er ook geen grond is om nadere garanties te vragen en/of monitoring of controle te eisen, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’. Het hof heeft met dat oordeel voorts miskend (i) dat het al dan niet bestaan van een monitoringsmechanisme een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of, en zo ja, welk gewicht aan ‘assurances’ kan worden gegeven, en (ii) dat in een geval zoals dit, waarin een uitleveringsverdrag ontbreekt en geen sprake is van een bestendige uitleveringsrelatie, aan het ontbreken van een mogelijkheid tot monitoring of controle betekenis moet worden toegekend.
- Onder h: in het licht van het voorgaande kan de tussenconclusie in rov. 6.16 evenmin in stand blijven.
3.17
De klachten van de subonderdelen stuiten alle af op hetgeen hiervoor in 3.13 is vermeld. Een heel aantal klachten gaat uit van een onjuist begrip van de hiervoor in 3.11 vermelde beoordeling volgens de Othman-uitspraak. Anders dan die klachten tot uitgangspunt nemen, zijn de verschillende elementen van die beoordeling geen eisen die moeten worden afgelopen en aan ieder waarvan moet zijn voldaan (zoals bijvoorbeeld dat daarvan steeds moet blijken uit de bij veel klachten in subonderdeel 1.2 ingeroepen ‘receiving State’s practices’). Het hof heeft dus terecht in deze zin in rov. 6.6 overwogen, welke overweging het middel niet bestrijdt. Het gaat bij die beoordeling om een ‘algehele’ beoordeling van hetgeen is gebleken en door betrokkene is aangevoerd: in het licht daarvan moet sprake zijn van een sufficient guarantee (zie m.n. hiervoor in 3.11 tweede alinea).
Veel klachten van de subonderdelen zien er voorts aan voorbij dat de stelplicht en bewijslast van het feit dat een reëel risico op schending van art. 3 EVRM bestaat en dat de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties dus onvoldoende zijn – het hof heeft beide punten tezamen beoordeeld in rov. 6.7-6.16 –, bij [eiseres] rustte. De klachten vermelden geen feiten of stellingen van [eiseres] in het licht waarvan de overwegingen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zouden zijn. Het hof is uitdrukkelijk op de stellingen van [eiseres] ingegaan en zijn oordeel daarover is als al gezegd niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel bevat althans geen steekhoudende klachten die dat aanvoeren. Evenmin voert het middel aan dat het hof stellingen van [eiseres] ten onrechte niet heeft behandeld.
3.18
Subonderdeel 1.4 bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking.
3.19
Subonderdeel 1.5 klaagt dat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling of [eiseres] blootstaat aan een “real risk of ill-treatment” na uitlevering aan Chili en detentie in [gevangenis 1] niet ermee kan volstaan om enerzijds in rov. 6.19 vast te stellen dat [eiseres] geplaatst zal worden op een 8-persoonscel en anderzijds in rov. 6.20 te verzuimen zich ervan te vergewissen dat ondanks die ‘weighty factor’ de garanties in hun ‘practical application’ een voldoende waarborg vormen dat [eiseres] na uitlevering geen met art. 3 EVRM strijdige behandeling ontvangt.
3.20
Hiervoor in 3.12 derde en vierde alinea is opgemerkt dat de overwegingen van het hof in rov. 6.19-6.20 ten overvloede zijn gegeven. Het subonderdeel faalt dus al bij gebrek aan belang. Overigens is het subonderdeel om dezelfde redenen ongegrond als subonderdeel 1.2.
Onderdeel 2; beroep op non-discriminatieclausule
3.21
Onderdeel 2 heeft betrekking op de verwerping door het hof in rov. 6.24 van het beroep van [eiseres] op art. 10 lid 1 Uitleveringswet, welke bepaling ook wel wordt aangeduid als de non-discriminatieclausule.
Achtergrond van de non-discriminatieclausule
3.22
De non-discriminatieclausule in het uitleveringsrecht houdt in dat uitlevering mag (of moet) worden geweigerd als het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling de opgeëiste persoon te vervolgen, te straffen of anderszins te treffen op de grond dat hij tot een bepaalde groep behoort. De non-discriminatieclausule strekt aldus ter bescherming van de opgeëiste persoon.
De non-discriminatieclausule hangt nauw samen met het fundamentele beginsel van non-refoulement, dat is neergelegd in art. 33 lid 1 VN-Vluchtelingenverdrag. Volgens die bepaling mag een vluchteling, zoals gedefinieerd in het verdrag, niet worden uitgezet of teruggeleid naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. De non-discriminatieclausule is bedoeld om uiting te geven aan het beginsel van non-refoulement in het uitleveringsrecht. De non-discriminatieclausule wordt in de literatuur daarom ook wel aangeduid als de vluchtelingenexceptie.
In dit opzicht houdt de non-discriminatieclausule ook verband met de exceptie voor politieke delicten (art. 11 Uitleveringsgwet). Die exceptie houdt in dat uitlevering mag (of moet) worden geweigerd als het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat als een politiek delict wordt beschouwd. Vóór de opkomst van de non-discriminatieclausule na de Tweede Wereldoorlog was deze exceptie het primaire middel om de opgeëiste persoon te beschermen tegen bepaalde vormen van repressie in de verzoekende staat. De non-discriminatieclausule breidt die bescherming in zoverre uit dat zij er (mede) toe strekt te voorkomen dat de verzoekende staat uitlevering nastreeft voor een commuun delict, terwijl het die staat in werkelijkheid is te doen om de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon voor een politiek delict.
3.23
De non-discriminatieclausule is in het uitleveringsrecht onder meer neergelegd in het EUV. Art. 3 lid 1 EUV verbiedt uitlevering in gevallen waarin het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de verzoekende staat als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd. Art. 3 lid 2 EUV bepaalt dat hetzelfde geldt als de aangezochte staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het uitleveringsverzoek voor een niet-politiek delict is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed.
Art. 10 lid 1 Uitleveringswet
3.24
Het in art. 3 lid 2 EUV bepaalde is in het nationale recht neergelegd in art. 10 lid 1 Uitleveringswet. Art. 10 lid 1 Uitleveringswet bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de minister een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het uitleveringsverzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort.
Het oordeel of een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het uitleveringsverzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen is voorbehouden aan de minister, zoals al volgt uit de wettekst. De reden daarvoor is, blijkens de parlementaire toelichting, dat de regering de beschikking heeft over informatie omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen en ten opzichte van de verzoekende staat de volledige verantwoordelijkheid dient te dragen voor de beslissing om al dan niet uit te leveren. In de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de burgerlijke rechter komt de toetsing van het oordeel van de minister dus aan de burgerlijke rechter toe.
Samenhang tussen uitleveringsverzoek en discriminatoire behandeling
3.25
De tekst van art. 10 lid 1 Uitleveringswet wijkt op een aantal punten af van die van art. 3 lid 2 EUV. Voor deze zaak is met name van belang dat art. 10 lid 1 Uitleveringswet, anders dan art. 3 lid 2 EUV, niet voorschrijft dat het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling om de opgeëiste persoon te vervolgen of te bestraffen op een discriminatoire grond. In het wetsontwerp was dat element wel overgenomen, in de zin dat het uitleveringsverzoek moest zijn gedaan met het oogmerk om de opgeëiste persoon te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen op een discriminatoire grond. Bij amendement is het vereiste van dat oogmerk geschrapt en de huidige tekst tot stand gekomen. Uit de toelichting op het amendement blijkt dat daarmee niet een wijziging van de weigeringsgrond is beoogd, maar uitsluitend een verlichting van de op de minister rustende bewijslast in dit verband:
“Het ontwerp eist, dat bij het verzoek het oogmerk aanwezig is om de opgeëiste persoon discriminatoir te behandelen. Dit oogmerk zal door de Minister vaak moeilijk kunnen worden aangetoond. Veel eenvoudiger is het voor de Minister te stellen, dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon discriminatoir zal worden behandeld. Uit diplomatieke overwegingen zal het voor de Minister moeilijker zijn de andere Regering te verdenken van discriminatoire oogmerken, dan eenvoudig te stellen dat discriminatoire behandeling zal plaatsvinden, waarbij in het midden kan worden gelaten of dit met of zonder toedoen van de verzoekende Regering zal plaatsvinden.”
‘Op andere wijze getroffen’ in art. 10 lid 1 Uitleveringswet
3.26
In de parlementaire geschiedenis komt niet duidelijk naar voren wat onder het ‘op andere wijze getroffen’ in de zin van art. 10 lid 1 Uitleveringswet moet worden verstaan, anders dan dat hiermee wordt gedoeld op discriminatie die als feitelijk gevolg van de uitlevering is te verwachten. Overeenkomstig de betekenis van het begrip ‘getroffen’ (in de Engelse tekst van art. 3 lid 2 EUV ‘prejudiced’) wordt in de literatuur ervan uitgegaan dat sprake moet zijn van benadeling. Swart merkt op:
“Het opvallendste verschil tussen het Vluchtelingenverdrag enerzijds en de Uitleveringswet, het Europees Uitleveringsverdrag en het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme anderzijds is dat zij een verschillende inhoud geven aan het vervolgingsbegrip. Naar de heersende opvatting houdt het begrip vervolging in het Vluchtelingenverdrag in dat op bepaalde gronden een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de rechten van de mens. Men neemt aan dat de andere teksten deze zware eis niet stellen. De Europese verdragen gebruiken het begrip vervolging in zijn juridisch-technische betekenis, en stellen als voorwaarde dat de positie van de betrokkene door een strafvervolging of een bestraffing nadelig wordt beïnvloed vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid. De Uitleveringswet sluit daar in iets andere bewoordingen bij aan. Dat lijkt te betekenen dat het nadeel dat voor de persoon dreigt, niet noodzakelijk hoeft te bestaan in een ernstige schending van een mensenrecht maar ook van lichtere aard kan zijn. Te denken valt dan aan al degenen die niet in strikte zin vluchteling zijn maar van wie ‘gelet op de politieke situatie in het land waaruit zij afkomstig zijn, in redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij naar dat land terugkeren’. Inderdaad heeft de Nederlandse regering bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme het standpunt ingenomen dat deze groep van personen, die in het Nederlandse toelatingsbeleid doorgaans als asielgerechtigden worden aangeduid, door artikel 5 van dit verdrag en artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag tegen uitlevering worden beschermd.”
Smeulers meent eveneens dat geen sprake hoeft te zijn van ernstige mensenrechtenschendingen, en dat ook minder ernstige schendingen voldoende zijn om aan uitlevering in de weg te staan, mits het gaat om ernstige bezwaren, zodat niet ieder nadeel aan een uitlevering in de weg zal staan.
Art. 44 lid 15 UNCAC
3.27
Volledigheidshalve merk ik nog op dat ook het UNCAC, het verdrag waarop het uitleveringsverzoek in deze zaak is gebaseerd, een aan art. 3 lid 2 EUV verwante clausule bevat. In art. 44 lid 15 UNCAC is bepaald dat niets in het verdrag zo mag worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering zou inhouden indien de aangezochte staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
Art. 44 lid 15 UNCAC sluit dus niet uit, gelet op zijn bewoordingen (“niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat”), dat een aangezochte staat op grond van de non-discriminatieclausule in zijn nationale recht een uitleveringsverzoek waarop het verdrag van toepassing is, weigert. Art. 51a lid 3 Uitleveringswet voorziet voor het Nederlandse recht ook in die mogelijkheid, door de verwijzing naar de andere bepalingen van die wet en het EUV.
Oordeel hof
3.28
Het hof heeft het beroep van [eiseres] op art. 10 lid 1 Uitleveringswet in rov. 6.24 verworpen, omdat detentie onder adequate omstandigheden niet geacht kan worden te vallen onder ‘het op andere wijze getroffen’ zijn in verband met de groep waartoe zij behoort, louter omdat er een mannengevangenis is met betere omstandigheden. Even daarvoor overweegt het hof in rov. 6.24 dat ook als zou worden verondersteld dat het verschil in omstandigheden wezenlijk is en dat vrouwen als [eiseres] in dat opzicht in Chili worden gediscrimineerd, dat nog niet betekent dat die enkele omstandigheid een zelfstandige grond is om uitlevering te weigeren, ook al zijn de detentieomstandigheden als zodanig adequaat en niet in strijd met art. 3 of art. 8 EVRM. Dat in zo’n geval sprake is van een zelfstandige weigeringsgrond volgt niet uit de wet of de jurisprudentie en ligt ook los daarvan niet voor de hand, aldus het hof.
3.29
Het oordeel van het hof is juist. Zoals uit het voorgaande volgt, gaat het er bij art. 10 lid 1 Uitleveringswet om of sprake is van een uitleveringsbeletsel in verband met de nadelige behandeling die de opgeëiste persoon ten deel zal vallen na uitlevering vanwege zijn persoon of persoonlijke kenmerken. Aan het beroep op art. 10 lid 1 Uitleveringswet van [eiseres] heeft zij ten grondslag gelegd dat in Chili voor een bepaalde groep van delinquenten – die net als zij zijn veroordeeld voor fraude-delicten – een afzonderlijke mannengevangenis bestaat met betere detentieomstandigheden (zie hiervoor in 2.2). [eiseres] komt als vrouw voor plaatsing in die gevangenis uiteraard niet in aanmerking (zij stelt ook niet dat dit wel geval zou zijn of wel het geval zou moeten zijn). De vrouwengevangenis waarvoor [eiseres] wel in aanmerking komt, voldoet op zichzelf aan de te stellen eisen, naar het hof vaststelt. Gelet op een en ander heeft het hof terecht geoordeeld dat het verschil in behandeling dat mannen en vrouwen aldus ten deel valt in Chili, geen grond voor toepassing van art. 10 lid 1 Uitleveringswet oplevert. Het is immers evident niet zo dat een vrouw als [eiseres] met een en ander een nadelige behandeling ten deel valt. De reden dat zij niet in de mannengevangenis met betere omstandigheden wordt geplaatst, is immers, blijkens reeds haar eigen stelling, dat daarin voor vrouwen nu eenmaal geen plaats is, met andere woorden plaatsing in die gevangenis voor haar onmogelijk is. Dat levert wellicht wel een discriminatoire behandeling van vrouwen (en dus van [eiseres] ) op, maar dat is niet de ongunstige behandeling waar het bij art. 10 lid 1 Uitleveringswet om gaat. Dat dit feit als zodanig aan een uitlevering in de weg zou kunnen staan, zoals het betoog van [eiseres] in deze zaak in drie instanties op neerkomt, valt ook niet in te zien.
Bespreking klachten onderdeel 2
3.30
Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 10 lid 1 Uitleveringswet een zelfstandige weigeringsgrond voor discriminatie inhoudt. Subonderdeel 2.2 voert subsidiair aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het hof heeft vastgesteld dat de omstandigheden in [gevangenis 1] minder gunstig zijn dan in [gevangenis 2] en in cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dit verschil wezenlijk is. Daarop gelet is onbegrijpelijk waarom een wezenlijke achterstelling van [eiseres] omdat zij een vrouw is, in het kader van art. 10 lid 1 Uitleveringswet geen (zelfstandige) weigeringsgrond oplevert, aldus het subonderdeel.
3.31
Deze klachten falen om de hiervoor in 3.29 genoemde redenen.
Slotsom
3.32
Het middel is ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 3.1-3.9.
Rb. Rotterdam 13 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2094.
HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1313 (art. 81 lid 1 RO). Zie voor de conclusie voor het arrest ECLI:NL:PHR:2023:846.
Uit de procesinleiding in cassatie van [eiseres] (onder 2.8) blijkt dat de zitting op 24 februari 2025 heeft plaatsgevonden. De huidige stand van de asielprocedure blijkt niet uit de stukken. Partijen zijn daar geen van beiden op ingegaan.
Zie de vaststellingen van het hof in rov. 4.1-4.2. De in rov. 4.1 als meer subsidiair en uiterst subsidiair omschreven vorderingen spelen in cassatie geen rol meer en zijn hier daarom weggelaten. Hetzelfde geldt voor de in rov. 4.2(3) en (4) weergegeven grondslagen voor de vorderingen van [eiseres] .
Rb. Den Haag 19 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9575.
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16 december 1966, Trb. 1969, 99.
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, New York, 10 december 1984, Trb. 1985, 69.
Zie de vaststelling van het hof in rov. 5.1.
Hof Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:49.
Zie voetnoot 3 van mijn eerdere conclusie in deze zaak.
HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1658, NJ 2025/313.
Bericht van 25 februari 2026. Reden voor de intrekking is volgens het bericht dat de Staat “inmiddels heeft aangegeven de uitkomst van de asielrechter af te wachten”.
Terzijde merk ik op dat [eiseres] , naar valt af te leiden uit de partijvermelding in de uitspraken en de processtukken, zich in uitleveringsdetentie bevindt, vermoedelijk dus al vanaf april 2022. De duur van die detentie benadert daarmee inmiddels dus die van de straf waarvoor de uitlevering is verzocht.
Vgl. V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 14-16, met verwijzing naar en een beschrijving van de (grond)wetsgeschiedenis. Vgl. ook HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 (strafkamer), rov. 3.1.2, en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 (strafkamer), m.nt. R. Rozemond, rov. 3.5.
New York, 31 oktober 2003, Trb. 2004, 11.
Zie het overzicht op: https://treaties.un.org/pages/viewdetails.aspx?src=treaty&mtdsg_no=xviii-14&chapter=18#16.
Zie het in de vorige voetnoot genoemde overzicht onder ‘Notifications made under article 6 (3), 44 (6)(a) and 46 (13) and (14)’ en ‘Netherlands (Kingdom of the)’. Zie ook rov. 7.1, tweede alinea, van het vonnis van de uitleveringsrechter, dat hiervoor in voetnoot 2 is aangehaald.
Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, 's-Gravenhage, 16 december 1970, Stb. 1971, 50.
Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, Montreal, 23 september 1971, Stb. 1971, 218.
Zie art. 8 lid 2 van beide verdragen.
Zie Kamerstukken II 1971/1972, 11866, nr. 3 (MvT), p. 5.
Zie Kamerstukken II 1971/1972, 11866, nr. 3 (MvT), p. 7.
Zie Staten-Generaal 2005/06, 30808 (R18150), A en nr. 1, p. 3-4.
Zie onder 30 van de conclusie van A-G Paridaens vóór HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:24, NJ 2019/53.
Zie nader over het vertrouwensbeginsel T. Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, deel II, V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 19-20, en H. Sanders, Handboek uitleverings-overleveringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 19-20.
Zie HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (strafkamer), rov. 3.4.
Chili heeft ook het individueel klachtrecht op grond van het Facultatief Protocol behorend bij het IVBPR erkend. Zie voor de gegevens van Chili: https://indicators.ohchr.org/. Zoals het hof overweegt in rov. 6.9, heeft Chili ook een onafhankelijke nationale toezichthouder op de naleving van mensenrechten.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228 (strafkamer), m.nt. N. Rozemond. Zie eerder in deze zin HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441, AA20150495 (strafkamer), m.nt. E. van Sliedregt, rov. 3.3, m.b.t. uitlevering aan Rwanda op grond van het Genocideverdrag.
Zie onder 2 van de NJ-noot van N. Rozemond onder HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228 (strafkamer), en V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in Van Elst & Van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht 2022, p. 201-202. Namens [eiseres] wordt naar deze literatuur verwezen. Zie onder 1.12 van haar schriftelijke toelichting.
Zie onder meer HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (strafkamer), rov. 3.3, HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534, NJ 2004/595 (strafkamer), rov. 3.4.2, en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 (strafkamer), m.nt. N. Rozemond, rov. 3.6.
Zie over het eventuele conflict van verdragsverplichtingen HR 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249, m.nt. A.H.J. Swart. Vaste rechtspraak van het EHRM is dat “[i]n the case of an extradition, a Contracting State finds itself under an obligation to cooperate in international criminal matters. However, that obligation is subject to the same State’s obligation to respect the absolute nature of the prohibition under Article 3 of the Convention”. Zie o.a. EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 94, en EHRM 3 november 2022, nr. 22854/20, NJ 2024/127, m.nt. N. Keijzer (Sanchez-Sanchez v. the United Kingdom), rov. 83.
Zie aldus HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 (strafkamer), m.nt. T.M. Schalken onder NJ 1997/534, rov. 5.3.1, HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip, rov. 3.4.3, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:592, NJ 2026/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.2.2.
Zie aldus HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 (strafkamer), m.nt. T.M. Schalken onder NJ 1997/534, rov. 5.3.2, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis.
Zie HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:592, NJ 2026/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.2.1-3.2.2, met verwijzing naar eerdere uitspraken.
Zie bijv. EHRM 21 november 2019, nr. 47287/15 (Ilias and Ahmed v. Hungary), rov. 124. Zie ook de op de website van het EHRM gepubliceerde ECHR Guide on Article 3 – Prohibition of torture, laatstelijk geüpdatet op 31 augustus 2026, onder 2, met verwijzingen naar oudere rechtspraak.
Zie uitgebreid de ECHR Guide on Article 3 – Prohibition of torture, laatstelijk geüpdatet op 31 augustus 2026, onder 5-8, met verwijzingen naar rechtspraak.
Zie voor het eerst EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88, NJ 1990/158, m.nt. E.A. Alkema (Soering v. the United Kingdom), rov. 91, en meer recent EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 93-94.
EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 109.
Zie rov. 95, 106-107 en 109 van het overzichtsarrest Khasanov and Rakhmanov v. Russia.
Zie EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer (Othman v. the United Kingdom), rov. 185 en 187-189, en meer recent EHRM (GK) 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 101.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer (Othman v. the United Kingdom). Zie over dit beoordelingskader ook de ECHR Guide – Immigration, laatstelijk geüpdatet op 28 februari 2026, onder 87, en de conclusie in zaak 24/00465, ECLI:NL:PHR:2025:92, onder 3.17-3.18.
Hetzelfde geldt voor rechtbank en A-G in de uitleveringsprocedure in deze zaak. Vgl. rov. 7.1, derde alinea, van het vonnis van de rechtbank en onder 6 van de conclusie van de A-G, beide hiervoor in 2.1 al aangehaald.
Dat de vaststelling in rov. 6.18-6.21 ten overvloede is, brengt het hof in rov. 6.18 tot uitdrukking met de woorden ‘Daar komt bij’.
Zie over een en ander meer uitvoerig mijn conclusie in het incident onder 3.1 en 3.22-3.24.
HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1950, NJ 2026/30, JBPr 2026/36, m.nt. P.A. Fruytier.
Dat wordt allicht niet anders door het feit dat zij nog niet is uitgeleverd.
Ware het anders, dan zouden de klachten ervan m.i. ongegrond zijn. Ik zie geen reden om terug te komen van het (voorlopig) oordeel onder 3.25 van mijn eerdere conclusie.
Zie V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, par. V.5.1 (p. 211-212), met verdere verwijzingen in voetnoot 936.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951, Trb. 1951, 131.
Zie over de verhouding tussen het beginsel van non-refoulement en de non-discriminatieclausule nader S. Kapferer, ‘The Interface between Extradition and Asylum’, PPLA/2003/05, november 2003, onder 249-252.
Zie bijv. WvSv/IISS, A.L. Melai/A.H. Klip e.a. II.8.7 (I.C.A. ter Stege, voorheen bewerkt door A.H.J. Swart, actueel t/m 27-07-2016), A. Smeulers, In staat van uitlevering, Antwerpen: Intersentia 2002, par. 1.4.2, en A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, onder 264 e.v.
Zie V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, par. V.5.1 (p. 211), met verdere verwijzingen. Zie over de verhouding tussen de exceptie voor een politiek delict en de non-discriminatieclausule uitgebreid WvSv/IISS, A.L. Melai/A.H. Klip e.a. II.8.7 (I.C.A. ter Stege, voorheen bewerkt door A.H.J. Swart, actueel t/m 27-07-2016).
Zie nader G.S. Goodwin-Gill & J. McAdam, The Refugee in International Law, Oxford: Oxford University Press 2009, par. 3.3.3 (p. 258). Vgl. ook Kamerstukken II 1981/82, 15971 (R 1133), nr. 10 (MvA), p. 6.
Zie Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 3 (MvT), par. 5, onder art. 10.
Zie aldus HR 24 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD7235, NJ 1976/85 (strafkamer). Hetzelfde geldt voor de beoordeling van een beroep op art. 33 lid 1 VN-Vluchtelingenverdrag. Zie HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6798, NJ 2012/368 (strafkamer), rov. 3.6.3.
Vgl. Kamerstukken II 1965/66, 8054, nr. 10 (MvA), p. 5, en Kamerstukken I 1966/67, 8054, nr. 9 (Eindverslag), p. 3.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:592, NJ 2026/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.2.2, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
Afgaande op de tekst van art. 3 lid 2 EUV lijkt de daarin geëiste ‘bedoeling’ zich niet mede uit te strekken tot de ongunstige behandeling van de opgeëiste persoon anders dan door vervolging of bestraffing. Een verschil tussen beide kan echter niet worden gemaakt, aldus de regering. Zie Kamerstukken II 1966/67, 8054, nr. 15 (Nota n.a.v. Verslag), p. 1: “De ondergetekenden menen, dat de keuze tussen beide formuleringen voor de praktische toepassing van de bepaling nauwelijks van belang is. In gevallen, waarin discriminatie als feitelijk gevolg van de uitlevering is te verwachten, zal het oogmerk van discriminatie wel altijd kunnen worden vermoed. Uit een oogpunt van systematiek gaat de voorkeur van de ondergetekenden uit naar de formulering van artikel 10, eerste lid, van het wetsontwerp. Zij kunnen niet inzien, waarom — in het voetspoor van artikel 3, tweede lid, van het verdrag — bij gevaar voor discriminatoire vervolging of bestraffing het oogmerk van de verzoekende staat, bij gevaar voor discriminatie van andere aard daarentegen het te verwachten feitelijk gevolg van de uitlevering beslissend moet zijn, indien werkelijk zou zijn bedoeld daarmede voor beide gevallen verschillende criteria aan te leggen.”
Zie Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 1-2.
Zie Kamerstukken II 1966/67, 8054, nr. 17.
A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, onder 267 (p. 307).
A. Smeulers, In staat van uitlevering, Antwerpen: Intersentia 2002, p. 35.
Dat kan anders zijn als het toepasselijke verdrag een non-discriminatieclausule bevat die als zelfstandige weigeringsgrond is geformuleerd. Vgl. H.D. Sanders, Handboek uitleverings-overleveringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, par. 2.5.4.2, met verwijzingen naar rechtspraak in voetnoot 601.
De minister heeft in de beschikking tot uitlevering (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)) het beroep van [eiseres] op de non-discriminatieclausule verworpen op de grond dat [eiseres] niet (voldoende) heeft onderbouwd dat mannelijke gedetineerden in [gevangenis 2] een gunstigere behandeling krijgen dan zij na haar uitlevering, waardoor zij zou worden getroffen. Zie prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00968
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[eiseres] ,
eiseres tot cassatie,
advocaat: A. Knigge,
tegen
de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid),
verweerder in cassatie,
advocaat: G.C. Nieuwland.
Partijen worden hierna aangeduid als [eiseres] en de Staat.
1Inleiding
De Republiek Chili (hierna: Chili) heeft Nederland verzocht om de uitlevering van [eiseres] , met het oog op de tenuitvoerlegging van een aan haar opgelegde gevangenisstraf voor ambtelijke verduistering in haar toenmalige functie van burgemeester van een Chileense stad. De uitleveringsrechter heeft de uitlevering toelaatbaar verklaard. De minister heeft vervolgens besloten om [eiseres] aan Chili uit te leveren. In dit kort geding komt [eiseres] tegen dat besluit op. [eiseres] voert aan, voor zover van belang, (i) dat zij in Chileense detentie een reëel risico loopt op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling, (ii) dat geen sprake is van bevoegd gegeven, voldoende concrete garanties die dat risico wegnemen, en (iii) dat sprake zal zijn van discriminatoire detentie, omdat [eiseres] onder minder gunstige omstandigheden zal worden gedetineerd dan mannen die voor vergelijkbare feiten zijn veroordeeld.
De voorzieningenrechter en het hof hebben de vorderingen van [eiseres] afgewezen. Het hof heeft geoordeeld (i) dat de Chileense autoriteiten bevoegd en voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de locatie van detentie, de duur van detentie en de omstandigheden in de penitentiaire inrichting waar [eiseres] zal worden geplaatst, waardoor genoemd risico zich niet voordoet, en (ii) dat een (verondersteld) verschil in detentieomstandigheden geen zelfstandige grond vormt om uitlevering te weigeren en dat het beroep op art. 10 lid 1 Uitleveringswet [eiseres] niet kan baten. In cassatie komt [eiseres] tegen deze oordelen op.
2Feiten en procesverloop
Feiten
2.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
(i) [eiseres] is in Chili onherroepelijk veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en één dag, met als bijkomende straf ‘disqualification to exercise political rights’, voor – naar Nederlands recht – ambtelijke verduistering in haar toenmalige functie van burgemeester van Antofagasta. Een dag voordat haar veroordeling onherroepelijk werd, is [eiseres] naar Nederland gereisd. Op 18 april 2022 heeft [eiseres] in Nederland een asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft [eiseres] ten grondslag gelegd dat zij vreest voor vervolging op grond van haar politieke overtuiging en dat zij na terugkeer in Chili een reëel risico loopt op ernstige schade als gevolg van onmenselijke of vernederende behandeling.
(ii) De Chileense autoriteiten hebben de Staat bij diplomatieke nota van 21 april 2022 verzocht om de uitlevering van [eiseres] , met het oog op de tenuitvoerlegging in Chili van de aan haar opgelegde gevangenisstraf.
(iii) Bij uitspraak van 13 maart 2023 heeft de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam de verzochte uitlevering van [eiseres] aan Chili toelaatbaar verklaard. De rechtbank heeft deze uitspraak bij brief van 13 maart 2023 aan de minister van Justitie en Veiligheid (hierna: de minister) gezonden. Daarbij heeft de rechtbank aandacht gevraagd voor de lopende asielprocedure van [eiseres] in Nederland en de door haar in Chili beklede politieke functie. In verband hiermee heeft de rechtbank de minister in overweging gegeven het besluit over de uitlevering op te schorten totdat op de asielaanvraag zou zijn beslist. Ook heeft de rechtbank de minister geadviseerd om bij afwijzing van de asielaanvraag de Chileense autoriteiten om garanties te vragen, onder meer ter voorkoming van dreigende mensenrechtenschendingen.
(iv) Bij arrest van 26 september 2023 heeft de Hoge Raad het door [eiseres] tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 13 maart 2023 ingestelde cassatieberoep verworpen.
(v) Bij brief van 11 december 2023 heeft de minister de Chileense autoriteiten verzocht om aanvullende informatie en garanties ten aanzien van [eiseres] te verstrekken. Bij diplomatieke nota van 7 februari 2024 heeft de Chileense ambassade in Nederland op deze brief gereageerd. Als bijlage bij de diplomatieke nota is een Engelse vertaling gevoegd van een brief van het Chileense ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 januari 2024. In die brief staat onder meer het volgende vermeld:
- p. 4-5 “(...) Thus, if she is surrendered by the Netherlands to the Republic of Chile, [eiseres] will not have to serve time in preventive detention, but will have to serve the balance of the pending conviction, which will be computed by subtracting the time of confinement that the extraditable person has already served in prison in the Netherlands, as a result of the extradition request filed by the Republic of Chile. (...)”
- p. 5 “(...) the national penitentiary authority has reported that, if extradited, [eiseres] will be confined in the [gevangenis 1] , which currently has an occupancy rate of 59,7%.”
- p. 7 “(…) a. Regarding medical care: Inmates who require treatment and hospitalization will be treated in the medical units that exist in the prison penitentiary facilities. In penitentiary facilities which are under a concession contract, the provisions of the respective contract regarding medical care will also be followed (...).”
- p. 8 “(...) c. As to living conditions: When the establishment provides clothing to inmates, it must be dignified and appropriate. However, inmates will have the right to wear their own clothing which must meet the same requirements article 45 of D.S. 518/1998). Every inmate has the right to have the Penitentiary Administration provide them with at least a cot (bed), mattress and blanket (...). Inmates will have the right to have the Administration provide them with food supervised by a nutrition specialist, physician or paramedic, and that corresponds
in quality and quantity to the minimum dietary and hygiene standards (...)”
- p. 10-14 “III. Request for additional information and warranties
Below, the Republic of Chile wishes to provide specific information regarding the questions
transmitted by letter dated December 11, 2023.
1. In which detention center will the person sought be placed during her preventive detention and in which detention center will she be placed after an eventual conviction?
(...)
Then, with regard to the detention center where [eiseres] will be confined, if she is extradited to the Republic of Chile, the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the [gevangenis 1] .
2. What are the dimensions of the cell(s) where the person sought will be placed and how many mates will she have to share her cell with?
In the [gevangenis 1] , the cell in which [eiseres] will be placed is 31 square meters, with capacity for 8 people, which results in an area of 3,875 square meters per inmate.
The [gevangenis 1] is a prison facility that houses exclusively the female prison population. Its designed capacity is for 949 inmates, but currently only 567 places are occupied, which means an occupancy rate of 59.7’.
3. Will the person sought have freedom of movement outside her cell? If so, for how many
hours a day?
In the penitentiary center where [eiseres] will be held, deconfinement begins at 8:30 and ends at 5:00 p.m. During the aforementioned period, people can remain in their rooms, in the hall, kitchen, dining room and yard of the penitentiary center.
4. Is there an offer of activities for the person sought?
In this regard Gendarmeria de Chile has reported that various workshops are available at the [gevangenis 1] on various topics such as computing, painting, gardening and sports. Likewise, there is a penal school that all women deprived of liberty can attend.
5. Can there be outdoor recreational activities?
In the [gevangenis 1] there is a yard in which various activities can be carried out, as well as a court to practice sports.
6. What sanitary services will the person sought have easy access to?
In the [gevangenis 1] all people deprived of liberty have access to toilets, showers, washbowls, and a full bathroom throughout the day, which includes confinement hours (from 5:00 p.m. to 8:30 a.m.).
Additionally, Gendarmeria de Chile has reported that the sanitary facilities of the aforementioned detention center are in good condition.
It is also reported that the aforementioned penitentiary center has recently been remodeled to improve living conditions. The works were inaugurated on June 22, 2023.
7. How is the privacy of the person sought guaranteed during the use of sanitary services?
In the [gevangenis 1] , both bathrooms and showers have doors that guarantee the privacy of the inmate.
8. Will the person sought have access to clean drinking water?
Yes, [gevangenis 1] has a drinking water network suitable for human consumption.
9. Does the cell where the person sought will be placed have access to sunlight?
Gendarmeria de Chile has reported that the cell will have access to sunlight.
10. Is there information available about incidents of violence in the detention center where the person sought will be placed? What measures have been taken to protect the person sought from prisoner violence, especially considering the fact that she is known to the Chilean press?
In the event that any type of violence occurs in prison facilities, Gendarmeria has established various reaction methods, with various security measures that are decided in each facility, under the standards defined in the applicable regulations.
Likewise, due to the characteristics of [eiseres] in case of being extradited to Chile, for having held a public position and her case being publicly known in the country, she will be placed in a unit with women with a low criminal profile, with the necessary security measures so that both her physical and psychological security are safeguarded.
(…)”
(vi) Bij beschikking van 27 februari 2024 heeft de minister de verzochte uitlevering van [eiseres] aan Chili toegestaan. De minister heeft, samengevat weergegeven, het volgende overwogen:
- de lopende asielprocedure vormt geen beletsel om te beschikken conform het bepaalde in art. 33 Uw en er is geen bijzondere reden om de beschikking aan te houden in afwachting van de asielprocedure, met dien verstande dat de feitelijke uitlevering zal plaatsvinden met inachtneming van de stand in de asielprocedure;
- er zijn, gelet op de inhoud van het advies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 25 april 2022 om gevolg te geven aan het verzoek tot uitlevering, geen aanknopingspunten dat in het geval van [eiseres] sprake is van een discriminatoire vervolging of bestraffing vanwege politieke overtuiging als bedoeld in art. 10 Uw en daarmee is evenmin aannemelijk dat [eiseres] vanwege haar politieke overtuiging een risico loopt op schending van haar fundamentele mensenrechten;
- gelet op de door de Chileense autoriteiten verstrekte informatie over de detentiefaciliteit waar [eiseres] na uitlevering zal worden geplaatst en de voorzieningen en rechten die zij daar zal hebben, kan mede in het licht van het vertrouwensbeginsel niet worden aangenomen dat zij na uitlevering een risico loopt op een met art. 2 en/of 3 van het EVRM strijdige behandeling;
- een (dreigende) schending van art. 14 EVRM is als zodanig geen grond voor het weigeren van de verzochte uitlevering en – voor zover aan een inhoudelijke beoordeling wordt toegekomen – van een door art. 14 EVRM verboden onderscheid (dat een schending van art. 10 Uw en/of art. 2 en/of 3 EVRM tot gevolg zou hebben) is geen sprake.
(vii) In de Nederlandse vertaling van een door de Chileense advocaten van [eiseres] opgesteld verslag van een bijeenkomst van hen met de Chileense officieren van justitie op 3 juni 2024 staat onder meer, zakelijk weergegeven, vermeld dat de officieren van justitie tijdens die bijeenkomst hebben verklaard dat zij de bevoegde rechtbank van Antofagasta zullen verzoeken dat de tijd die [eiseres] in Nederland in detentie heeft doorgebracht, niet zal worden afgetrokken van de aan haar opgelegde gevangenisstraf. Onder punt 7 (“Overige achtergrondinformatie”) staat verder onder meer het volgende vermeld:
“Vanwege de strekking van de bijeenkomst en wat door de aanklagers is gerapporteerd weten zij niet:
7.1.- Reactie, toezeggingen en garanties die de staat Chili zou hebben gegeven in de uitleveringszaak van [eiseres] .
7.2.- Ze weten niet dat [eiseres] haar straf kan uitzitten in [gevangenis 1] . (...)”
(viii) Ter zitting in hoger beroep heeft [eiseres] nog twee stukken overgelegd (productie 31), namelijk (i) een verzoek van de Chileense advocaat van [eiseres] (ongedateerd) en (ii) de reactie van de rechtbank te Antofagasta van 22 november 2024, plus een Nederlandse vertaling van deze beide stukken. Uit stuk (i) blijkt dat de Chileense advocaat op enig moment de rechtbank te Antofagasta heeft laten weten dat [eiseres] haar woonplaats heeft gevestigd in [plaats] en dat deze advocaat de rechtbank verzoekt “opdracht te geven tot verwijzing van de gegevens naar de Rechtbank van Garantie met jurisdictie in (...) Santiago, het voorgaande tevens aangezien de Staat Chili, in de uitleveringsprocedure, heeft gegarandeerd dat de uitvoering van de straf moet worden uitgevoerd in de metropoolregio, en niet in de gemeente Antofagasta”. De reactie van de rechtbank Antofagasta luidt als volgt:
“Antofagasta, 22 november 2024
Ten aanzien van de hoofdzaak, houd er rekening mee.
Ten aanzien van het tweede, dit ziet op de merites wat te zijner tijd zal worden opgelost.
Ontvang een melding volgens het SIAGJ-register”
(ix) Op de asielaanvraag van [eiseres] is, nadat de voorzieningenrechter in dit kort geding vonnis had gewezen, negatief beslist. De zitting in het beroep tegen deze afwijzing was in januari 2025 gepland.
Procesverloop in feitelijke instanties
2.2
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de Chileense autoriteiten bevoegd en voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven, zodat erop mag worden vertrouwd dat de tijd die [eiseres] in Nederland in detentie heeft doorgebracht, zal worden afgetrokken van de opgelegde straf en dat zij in [gevangenis 1] zal worden geplaatst. Het hof heeft daarover overwogen:
“Dreigende schending van artikel 3 EVRM? (…)
Bevoegd gegeven en voldoende concrete garanties ten aanzien van locatie en duur gevangenisstraf?
6.7
Met de Staat en de voorzieningenrechter (en anders dan [eiseres] : grieven 1-3) is het hof van oordeel dat de Chileense autoriteiten met de brief van 25 januari 2024 voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de volgende onderwerpen (onderstrepingen hof):
a) de locatie waar [eiseres] haar detentie in Chili zal uitzitten, te weten [ [gevangenis 1] ]:
- p. 5 “(...) the national penitentiary authority has reported that, if extradited, [eiseres] will be confined in the [gevangenis 1]”
- p. 11 “(…) the competent Prison Authority has reported that she will be confined in the [gevangenis 1]”
Dat er staat “has reported that” betekent niet dat geen sprake is van een toezegging. Er is informatie ingewonnen bij de verantwoordelijke instantie, deze heeft verklaard dat [eiseres] in [gevangenis 1] zal worden geplaatst en de Chileense autoriteiten hebben die expliciete garantie gegeven (zie ook hierna).
b) de duur van de resterende detentie: de tijd die in Nederland in (uitleverings)detentie is doorgebracht zal in Chili in mindering worden gebracht op de ten uitvoer te leggen
gevangenisstraf:
“Thus, if she is surrendered by the Netherlands to the Republic of Chile, [eiseres] will not have to serve time in preventive detention, but will have to serve the balance of the pending conviction, which will be computed by subtracting the time of confinement that the extraditable person has already served in prison in the Netherlands” (p.4/5)
c) de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] (hierop wordt hieronder teruggekomen).
6.8
[eiseres] klaagt over de incomplete weergave in het vonnis van de briefwisseling van december 2023 en januari 2024 (grief 1). Ook het hof heeft de brieven hierboven niet volledig geciteerd. Dat neemt niet weg dat het hof de brieven uiteraard geheel heeft gelezen en bij zijn beoordeling heeft betrokken. (…) Dat de brief geen garanties bevat kan dus niet worden volgehouden.
6.9
Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd (dit geldt ook voor de hierna nog te bespreken garanties ten aanzien van de detentieomstandigheden). Op zich is juist dat een (langdurige) uitleveringsrelatie, gebaseerd op bilaterale of multilaterale uitleveringsverdragen, een extra gewicht kan geven aan het vertrouwensbeginsel. Dat betekent echter niet, andersom, dat van vertrouwen (vrijwel) geen sprake kan zijn als tussen de betrokken staten geen uitleveringsverdrag van toepassing is (en/of als nog niet eerder iemand is uitgeleverd aan de verzoekende staat, zoals [eiseres] ook nog aanvoert). Het feit dat geen sprake is van een (bestendige) uitleveringsrelatie was aanleiding voor het verzoeken om informatie en garanties en daarop is positief gereageerd. Van belang is dat Chili net als Nederland partij is bij het IVBPR en het [VN-antifolterverdrag]. Ook is Chili lid van de Council of Europe’s Committee of Experts on the Operation of European Conventions on Co-operation in Criminal Matters (PC-OC), het expertcomité inzake strafrechtelijke samenwerking van de Raad van Europa. Chili is ook aangesloten bij het Inter-Amerikaans Hof voor de Rechten van de Mens en erkent het individueel klachtrecht bij dat hof. Verder geldt dat Chili een nationaal, onafhankelijk mensenrechteninstituut heeft. Dit alles draagt bij aan het vertrouwen dat de Staat mag hebben in de naleving van de gegeven garanties. Overigens heeft de Staat onweersproken gesteld dat wel al langer los van uitlevering een bestendige rechtshulp-relatie met Chili bestaat.
6.10
[eiseres] heeft nog aangevoerd dat de brief van 25 januari 2024 afkomstig is van het Chileense Ministerie van Buitenlandse Zaken en dat dit ministerie niet bevoegd is garanties af te geven ten aanzien van de locatie, de duur of de omstandigheden van de detentie. Het hof volgt haar hierin niet. De Staat heeft er terecht op gewezen dat hij de brief langs de gebruikelijke diplomatieke route, door middel van een ‘note verbale’ van de Chileense ambassade, heeft ontvangen. In de ‘note verbale’ staat ook expliciet “has the honour to present the response of the Republic of Chile”. Er is dan ook geen reden er niet op te vertrouwen dat de Chileense Staat zich gebonden acht aan de gegeven garanties.
6.11
[eiseres] heeft in hoger beroep nog aanvullende informatie overgelegd, te weten een bevel tot gevangenneming van de rechtbank te Antofagasta van 24 maart 2022, een verslag van de Chileense advocaten van een bijeenkomst van hen met de Chileense officieren van justitie op 3 juni 2024 (…), en de reactie van de Chileense rechter van 22 november 2022 op een eerder verzoek van de Chileense advocaat (…). Ook deze aanvullende informatie doet niet af aan de gegeven garanties.
6.12
Wat betreft de garantie ten aanzien van de locatie van de detentie, stelt het hof voorop dat naar zijn oordeel voldoende duidelijk is dat met “the competent Prison Authority” wordt gedoeld op de ‘Gendarmeria de Chile’ (een gedecentraliseerde en autonome instelling die verantwoording aflegt aan het ministerie van Justitie en Mensenrechten, zie p. 5 van de brief van 25 januari 2024). Op basis van de nadere stukken kan niet worden vastgesteld dat alleen de rechter in Chili bevoegd is te beslissen over de plaats van detentie. De reactie van de rechtbank van 22 november 2024 is wat dat betreft veel te summier en te weinig zeggend en de Staat merkt verder terecht op dat het feit dat in een rechterlijk bevel tot gevangenneming staat vermeld naar welke locatie iemand moet worden overgebracht, niet betekent dat die rechter het laatste woord heeft over de plaats van detentie, met name niet als door de Chileense autoriteiten een garantie is gegeven ten aanzien van de locatie. In elk geval is niet aannemelijk dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter, zo hij of zij daartoe al (als enige) formeel bevoegd is, in weerwil van de gegeven garanties, zal weigeren om [eiseres] in [gevangenis 1] te plaatsen. Dat is ook niet onderbouwd.
6.13
In het licht van het voorgaande legt evenmin voldoende gewicht in de schaal dat de verantwoordelijke officier van justitie in maart 2023 heeft gezegd dat [eiseres] haar gehele straf zal moeten uitzitten in [gevangenis 3] . Volgens [eiseres] past deze mededeling in het Chileense systeem, nu de feiten aldaar hebben plaatsgevonden en de straf is opgelegd door de rechtbank aldaar. Wat daar ook van zij, deze mededeling is achterhaald door de latere, concrete en ondubbelzinnige garantie dat [eiseres] in [gevangenis 1] zal worden geplaatst. Garanties in uitleveringszaken kunnen meebrengen dat iemand anders wordt behandeld dan een ‘gewone’ gedetineerde.
6.14
Wat betreft de duur van de nog door te brengen detentie geldt het volgende. Enkel op basis van het verslag van de bijeenkomst van 3 juni 2024 kan niet worden aangenomen dat de Chileense rechter als enige bevoegd en in staat is om te beslissen of de in Nederland in detentie doorgebrachte tijd al dan niet zal worden afgetrokken. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om haar stelling van een nadere onderbouwing te voorzien. Zoals hierboven overwogen is uitgangspunt dat erop mag worden vertrouwd dat de gegeven garanties zullen – en dus ook kunnen – worden nageleefd. Bovendien geldt ook op dit punt dat als al zou moeten worden aangenomen dat de rechter de enige bevoegde instantie is, niet is onderbouwd en niet aannemelijk is dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter zich niets gelegen zal laten liggen aan de gegeven garanties. Daarbij is ook van belang dat ervan mag worden uitgegaan dat het Chileense openbaar
ministerie voor zover nodig medewerking zal verlenen aan de detentie-aftrek. Daaraan doen de andersluidende verklaringen van de Chileense officieren van justitie (zoals weergegeven in het verslag van 3 juni 2024) niet af. Uit niets blijkt dat de Chileense officieren van justitie op dat moment op de hoogte waren van de gegeven garanties: integendeel, uit onderdeel 7 van dat verslag – waarin volgens [eiseres] de interpretatie van de Chileense advocaat is weergegeven (zie ook pleitnota 14) – kan worden afgeleid dat zij daarvan niet op de hoogte waren. Hun verklaringen tijdens die bijeenkomst moeten dan ook in dat licht worden bezien. Door de Chileense staat gegeven garanties binden ook de Chileense officier van justitie. Er moet daarom van uit worden gegaan dat zij voor zover nodig medewerking zullen verlenen aan de naleving ervan (bijvoorbeeld door het indienen van verzoeken in overeenstemming met die garanties of door het zich niet verzetten tegen dergelijke verzoeken van de verdediging).
6.15
Hierboven is al vermeld dat de Othman-criteria (zie 6.7) niet gelden als een checklist die in elk geval afzonderlijk moet worden afgelopen. Het is dus niet zo dat garanties geen waarde hebben als geen sprake is van een monitoringsysteem of andere controlemechanismes. De Staat wijst er terecht op dat als dat zo zou zijn het vertrouwensbeginsel geen waarde meer zou hebben. Omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd, is er ook geen grond om nadere garanties te vragen en/of monitoring of controle te eisen (grief 5).
6.16
De tussenconclusie luidt dat erop mag worden vertrouwd dat de tijd die [eiseres] in Nederland in detentie heeft doorgebracht zal worden afgetrokken van de opgelegde straf en dat zij in [gevangenis 1] zal worden geplaatst (grief 3). Dat betekent dat niet ingegaan hoeft te worden op de detentieomstandigheden in [gevangenis 3] .”
2.3
In dit kort geding komt [eiseres] op tegen de hiervoor in 2.1 onder (vi) genoemde beschikking van de minister om de uitlevering toe te staan. Bij de deze procedure inleidende dagvaarding van 22 april 2024 heeft [eiseres] de Staat gedagvaard voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. Zij heeft gevorderd, voor zover van belang, primair een verbod aan de Staat om haar uit te leveren aan Chili en subsidiair een verbod om haar uit te leveren zolang de Staat geen bindende, concrete en op de persoon gerichte garanties heeft ontvangen van Chili die toereikend zijn om een (flagrante) schending van de in de dagvaarding genoemde fundamentele rechten te voorkomen, waarbij de Staat de mogelijkheid van actieve monitoring ter controle van de nakoming van deze garanties moet garanderen en de Staat zich bereid moet verklaren deze monitoring op zich te nemen.
[eiseres] heeft, voor zover van belang, aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat de minister met het besluit om haar aan Chili uit te leveren, onrechtmatig jegens haar handelt. Ten eerste is sprake van een reëel risico dat zij in Chileense detentie zal worden onderworpen aan een met art. 3 EVRM strijdige behandeling, en is geen sprake van bevoegd gegeven, voldoende concrete garanties. Zo is in elk geval onvoldoende duidelijk dat [eiseres] na uitlevering daadwerkelijk in de [gevangenis 1] (hierna: [gevangenis 1] ) zal worden geplaatst, en niet in de [gevangenis 3] (hierna: [gevangenis 3] ), terwijl in beide inrichtingen sprake is van detentieomstandigheden die in strijd zijn met art. 3 EVRM. Ten tweede zal na uitlevering sprake zijn van discriminatoire detentie, gelet op het feit dat [eiseres] – anders dan ter zake van fraude veroordeelde mannelijke politici – vanwege haar geslacht niet zal worden geplaatst in de (als beter bekend staande) [gevangenis 2] , hetgeen in strijd is met art. 14 jo art. 3 en 5 EVRM, art. 1 Twaalfde Protocol bij het EVRM en art. 10 Uitleveringswet.
2.4
Bij vonnis van 19 juni 2024 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van [eiseres] afgewezen. De voorzieningenrechter heeft, voor zover van belang, het volgende overwogen.
Vaststaat dat Chili zowel partij is bij het IVBPR als het VN-antifolterverdrag, en daarnaast meewerkt aan onderzoeken en rapportages van het VN-Comité tegen Foltering en ook een nationaal onafhankelijk mensenrechteninstituut heeft. Hieruit volgt dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in beginsel van moet worden uitgegaan dat de informatie die de Chileense autoriteiten in het kader van het uitleveringsverzoek hebben verstrekt, juist is, dat de door hen daarbij verstrekte garanties zullen worden nageleefd en dat de door genoemde verdragen beschermde grondrechten van [eiseres] na uitlevering door de Chileense autoriteiten zullen worden gerespecteerd. [eiseres] heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat haar grondrechten na uitlevering niet zullen worden gerespecteerd doordat de verstrekte garanties niet zullen worden nageleefd (rov. 4.4-4.11).
Dat er in Chili mannen- en vrouwengevangenissen bestaan en dat er wellicht verschillen bestaan tussen die gevangenissen, is niet in strijd met het EVRM en zeker niet discriminatoir, zolang – zoals in dit geval – beide typen gevangenissen maar aan de krachtens het EVRM geldende minimumnormen voldoen. Onder die omstandigheden is van een schending van de discriminatieverboden van art. 14 EVRM en art. 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM geen sprake en evenmin is er in dat verband sprake van een situatie als bedoeld in art. 10 lid 1 Uitleveringswet (rov. 4.12).
2.5
[eiseres] heeft van het vonnis van de voorzieningenrechter hoger beroep ingesteld bij het hof Den Haag. In hoger beroep heeft [eiseres] de grondslag van haar vorderingen aldus gewijzigd dat de stelling dat uitlevering leidt tot een discriminatoire behandeling niet langer is gebaseerd op art. 14 in samenhang met de art. 3 en 5 EVRM, maar op art. 14 in samenhang met de art. 3 en 8 EVRM. Bij arrest van 21 januari 2025 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigd.
Oordeel hof
2.6
Het hof heeft over het toepasselijke beoordelingskader overwogen (voetnoten weggelaten):
“Inleidende opmerkingen
6.1
Als de opgeëiste persoon (…) de beslissing van de Minister tot uitlevering aan de civiele rechter voorlegt en aanvoert dat de uitlevering in strijd is met fundamentele rechten moet de civiele rechter het besluit van de Minister volledig en ‘ex nunc’ (dat wil zeggen naar de stand van zaken ten tijde van de uitspraak) toetsen.
6.2
Bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek vormt het zogeheten vertrouwensbeginsel (in de meeste gevallen) het uitgangspunt. Dit vertrouwensbeginsel houdt in dat Nederland, en dus ook de Nederlandse rechter, in beginsel erop vertrouwt dat (i) de informatie die de verzoekende staat verstrekt in het kader van het uitleveringsverzoek juist is, (ii) de verzoekende staat na uitlevering de grondrechten van de opgeëiste persoon niet zal schenden en (iii) de garanties die de verzoekende staat afgeeft zullen worden nagekomen. Het vertrouwensbeginsel wordt gebaseerd op de omstandigheid dat de verzoekende staat partij is bij het EVRM of het IVBPR en ook wel op de aanname dat Nederland alleen (uitleverings)verdragsrelaties onderhoudt met landen die de grondrechten respecteren. Het vertrouwensbeginsel zal moeten wijken als de opgeëiste persoon aannemelijk maakt dat er in zijn geval reden is om aan te nemen dat de grondrechten niet zullen worden gerespecteerd en/of dat er aanleiding is om te twijfelen aan de naleving van verstrekte garanties.
6.3
Het EHRM aanvaardt dat hechtenis een zekere mate van leedtoevoeging impliceert. Alleen leed dat “a minimum level of severity” heeft kan een schending van artikel 3 EVRM opleveren. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen. Het is aan de opgeëiste persoon om aannemelijk te maken dat er gegronde redenen (‘substantial grounds’) zijn om aan te nemen dat sprake is van een reëel risico (‘real risk’) dat uitlevering leidt tot een schending van artikel 3 EVRM, zoals in dit geval (onder meer) wordt aangevoerd. De beoordeling van wat een opgeëiste persoon te wachten staat is tot op zekere hoogte speculatief, hard bewijs kan van hem niet worden verlangd. De enkele mogelijkheid van een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling (‘the mere possibility of ill-treatment’) is echter niet voldoende om uitlevering te verbieden. Dit betekent ook dat niet kan worden volstaan met een verwijzing naar een algemeen probleem met betrekking tot de naleving van mensenrechten in de verzoekende staat of met de stelling dat er in het gevangeniswezen van de verzoekende staat in algemene zin misstanden heersen. Het gaat steeds om de vraag of deze opgeëiste persoon na uitlevering een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Het is op zich mogelijk dat de situatie in het land van bestemming zo slecht is dat de uitgezette persoon onvermijdelijk met geweld te maken zal krijgen, maar dat is alleen denkbaar in ‘the most extreme cases’.
6.4
Omdat artikel 3 EVRM een van de meest fundamentele rechten en een absoluut verbod op marteling of onmenselijke behandeling omvat moet een ‘arguable claim’ ten aanzien van een dreigende schending met grote nauwkeurigheid (‘rigorous scrutiny’) worden beoordeeld.
6.5
Als de verzoekende staat garanties heeft gegeven, moeten die garanties voldoende concreet en op de persoon gericht zijn. In een zaak die ging over uitzetting en het risico op foltering, overwoog het EHRM dat het bij de beoordeling van garanties onder andere naar de volgende factoren zal kijken:
(i) whether the terms of the assurances have been disclosed to the Court;
(ii) whether the assurances are specific or are general and vague;
(iii) who has given the assurances and whether that person can bind the receiving State;
(iv) if the assurances have been issued by the central government of the receiving State, whether local authorities can be expected to abide by them;
(v) whether the assurances concerns treatment which is legal or illegal in the receiving State;
(vi) whether they have been given by a Contracting State;
(vii) the length and strength of bilateral relations between the sending and receiving States, including the receiving State’s record in abiding by similar assurances;
(viii) whether compliance with the assurances can be objectively verified through diplomatic or other monitoring mechanisms, including providing unfettered access to the applicant’s lawyers;
(ix) whether there is an effective system of protection against torture in the receiving State, including whether it is willing to cooperate with international monitoring mechanisms (including international human rights NGOs), and whether it is willing to investigate allegations of torture and to punish those responsible;
(x) whether the applicant has previously been ill-treated in the receiving State;
(xi) whether the reliability of the assurances has been examined by the domestic courts of the sending/Contracting State.
6.6
Dit is vooral een verzameling van gezichtspunten die het EHRM in een aantal verschillende zaken van belang heeft geacht. Het is niet een checklist die in elk afzonderlijk geval volledig moet worden afgelopen.”
2.7
Aansluitend heeft het hof geoordeeld dat er geen reëel risico bestaat op schending van art. 3 EVRM als [eiseres] in [gevangenis 1] wordt geplaatst, en dat de Chileense autoriteiten ook ten aanzien van de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven. Het hof heeft daarover overwogen (voetnoten weggelaten):
“Ook in [gevangenis 1] reëel risico schending artikel 3 EVRM?
6.17
Het EHRM acht van groot belang dat de detentieomstandigheden (in elk geval) aan de volgende eisen voldoen:
a. ieder gedetineerde heeft een individuele slaapplaats in een meerpersoonscel;
b. iedere gedetineerde moet ten minste 3 m2 tot zijn beschikking hebben (het voor de sanitaire voorzieningen bestemde vloeroppervlak mag daarbij niet worden meegeteld, de ruimte die het meubilair inneemt wel);
c. de gehele oppervlakte van de cel moet zodanig zijn dat de gedetineerden zich daarin vrij kunnen bewegen tussen het meubilair.
Dit zijn geen absolute eisen; of sprake is van omstandigheden in strijd met artikel 3 EVRM is steeds afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Als aan een of meer van deze vereisten niet is voldaan geldt echter wel een ‘strong presumption’ dat zich een schending voordoet van art. 3 EVRM en is het aan de Staat om voldoende compenserende factoren aan te dragen die samen maken dat van een schending toch geen sprake is.
6.18
Volgens [eiseres] bestaat er ook een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM als zij in [gevangenis 1] wordt geplaatst (grief 4). Het hof volgt haar daarin niet. De verwijzing naar algemene problemen in detentiecentra in Chili (o.a. overbevolking, geweld, slechte hygiëne) volstaat in dit verband niet en ook de overgelegde rapporten die specifiek gaan over [gevangenis 1] vormen onvoldoende basis voor de aanname van een reëel risico als door [eiseres] gesteld. Deze rapporten zijn van 2015 en 2019 en geven dus geen actueel beeld. Daar komt bij dat ook ten aanzien van de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] garanties zijn gegeven. Hierboven heeft het hof al uiteengezet waarom het van oordeel is dat de brief van 25 januari 2024 naast algemene informatie wel degelijk ook concrete, bevoegd gegeven garanties bevat en waarom wel op de naleving van de garanties mag worden vertrouwd. Het hof verwijst naar die uiteenzetting (6.7-6.10).
6.19
Door de Chileense autoriteiten zijn op de volgende punten voldoende concrete, op [eiseres] toegespitste garanties gegeven (…):
(i) "personal space’: [eiseres] wordt in een cel voor 8 personen geplaatst, waarbij zij debeschikking krijgt over 3,855 m2 persoonlijke leefruimte. Dat is dus meer dan de ondergrens van 3 m2 die het EHRM aanhoudt (de door [eiseres] aangehaalde normen van het Anti-Foltercomité zijn niet leidend). Er is geen reden om aan te nemen dat de sanitaire voorzieningen in de cel samen meer dan 8 x 0,855 m2 in beslag nemen waardoor de leefruimte alsnog door de ondergrens van 3 m2 zou zakken, en er is evenmin reden om aan te nemen dat [eiseres] zich niet vrij door de cel zal kunnen bewegen. Volgens de brief van 25 januari 2024 is de bezettingsgraad in [gevangenis 1] 59,7%. Van overbevolking is dus zeker geen sprake, integendeel. Dat dit inmiddels anders zou zijn is niet gesteld, laat staan onderbouwd. Het hof neemt daarom ook aan dat de mededeling dat elke gedetineerde een eigen bed, matras en deken krijgt, zal kunnen worden waargemaakt.
(ii) bewegingsvrijheid en activiteiten: [eiseres] zal van 8.30 uur tot 17.00 uur buiten de cel mogen zijn. Zij kan deelnemen aan workshops en andere activiteiten, zoals sport en onderwijs en er is ook gelegenheid om tijd in de buitenlucht door te brengen.
(iii) zonlicht: de cellen hebben toegang tot zonlicht.
(iv) veiligheid: de Chileense autoriteiten hebben gegarandeerd dat “due to the caracteristics of [eiseres] in case of being extradited to Chile, for having held a public position and her case being publicly known in the country” [eiseres] “will be placed in a unit with women with a low criminal profile, with the necesscuy security measures so that both her physical and psychological welfare are safeguarded”. Ook dit is een voldoende concrete garantie. Een nadere uiteenzetting van de veiligheidsmaatregelen is niet nodig.
(v) sanitair: [eiseres] zal vrij toegang hebben tot sanitaire voorzieningen gedurende de gehele dag en nacht (dus 24/7). De privacy wordt gewaarborgd door middel van deuren. Het sanitair is in goede conditie, waarbij is vermeld dat de inrichting recent is gerenoveerd.
(vi) drinkwater: er wordt voorzien in voldoende schoon drinkwater.
6.20
Op zich is juist dat het zwaarder is om in een meerpersoonscel te verblijven dan in een een- of tweepersoonscel en dat een ‘personal space’ van tussen de 3 m2 en 4 m2 een ‘weighty factor’ is bij de beoordeling van de vraag of de detentieomstandigheden in strijd komen met artikel 3 EVRM. Als daarnaast sprake is van “other aspects of inappropriate physical conditions of detention related to, in particular, access to outdoor exercise, natural light or air, availability of ventilation, adequacy of room temperature, the possibility of using the toilet in private, and compliance with basic sanitary and hygienic requirements” kan alsnog worden geconcludeerd dat detentieomstandigheden in strijd zijn met artikel 3 EVRM. In dit geval zijn er echter juist meerdere positieve factoren: een groot deel van de tijd mag buiten de cel worden doorgebracht, er wordt voorzien in activiteiten, ook in de buitenlucht, en de cel heeft toegang tot zonlicht. [eiseres] klaagt nog over het feit dat de brief geen informatie bevat over de temperatuurregeling en het voedsel. Ten eerste geldt dat wel degelijk iets wordt gezegd over voedsel: die zal van voldoende niveau zijn, zowel wat betreft hoeveelheid als wat betreft kwaliteit (aldus de brief van 25 januari 2024 op p. 8, (…)). Ten tweede is van belang dat in de brief van 11 december 2023 ook niet om specifieke informatie, laat staan om garanties, wordt verzocht over deze twee onderwerpen. Het feit dat de brief van 25 januari 2024 over voedsel alleen de hierboven informatie bevat en dat over de temperatuurregeling helemaal geen informatie wordt gegeven, betekent dus niet dat er reden tot zorg is. [eiseres] heeft ook niet onderbouwd dat op die punten juist in [gevangenis 1] wezenlijke problemen te verwachten zijn.
(…)
Tussenconclusie
6.22
De conclusie luidt dat geen sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM, ook niet als alle door [eiseres] genoemde factoren in aanmerking worden genomen, waaronder de leefruimte tussen 3 m2 en 4 m2 in een meerpersoonscel (…). Er is ook geen reden voor monitoring (zie hierboven onder 6.15). Grieven 1 tot en met 5 falen.”
2.8
Voorts heeft het hof het beroep van [eiseres] op discriminatoire detentie na uitlevering verworpen:
“Discriminatoire detentie? (…)
6.23
[eiseres] heeft ook nog aangevoerd dat de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] slechter zijn dan in [gevangenis 2], waar mannen die voor vergelijkbare feiten zijn veroordeeld hun straf mogen uitzitten, en dat dit verschil alleen is gebaseerd op haar geslacht. Zij betoogt dat die omstandigheden binnen de werkingssfeer van artikel 3 EVRM vallen en ook, althans in elk geval, binnen de werkingssfeer van artikel 8 EVRM (o.a. inbreuk op familieleven door beperkingen in contact en resocialisatie, telefoongebruik en regels over bezoek zonder toezicht en inbreuk op lichamelijke integriteit door visitaties).
6.24
Op zich is juist dat ook als de detentieomstandigheden in een specifiek geval niet in strijd zijn met artikel 3 of artikel 8 EVRM, er niettemin sprake kan zijn van een discriminatoire behandeling in relatie tot die omstandigheden, als er een ongerechtvaardigd verschil in behandeling is dat valt binnen de ‘wider ambit’ van artikel 3 en/of artikel 8 EVRM. Verder is op zich juist dat het dossier aanwijzingen bevat voor de juistheid van de (door de Staat overigens betwiste) stelling dat de detentieomstandigheden in [gevangenis 2] gunstiger zijn dan in [gevangenis 1] , zij het dat de mate waarin de omstandigheden verschillen niet geheel duidelijk is. Dit alles baat [eiseres] echter niet. Ook als immers zou worden verondersteld dat het verschil in omstandigheden wezenlijk is en dat vrouwen als [eiseres] in dat opzicht in Chili worden gediscrimineerd, betekent dat nog niet dat die enkele omstandigheid een zelfstandige grond is om uitlevering te weigeren, ook al zijn de detentieomstandigheden als zodanig adequaat en niet in strijd met artikel 3 EVRM of met artikel 8 EVRM (dat de omstandigheden in [gevangenis 1] een schending opleveren van artikel 8 EVRM is betwist en niet onderbouwd). Dat in zo’n geval sprake is van een zelfstandige weigeringsgrond volgt niet uit de wet of de jurisprudentie en ligt ook los daarvan niet voor de hand. Het beroep op artikel 10 lid 1 Uw kan [eiseres] ook niet helpen. Het hof is met de Staat van oordeel dat detentie onder adequate omstandigheden niet geacht kan worden te vallen onder ‘het op andere wijze getroffen’ zijn in verband met de groep waartoe betrokkene behoort, louter omdat er een mannengevangenis is met betere omstandigheden.”
Procesverloop in cassatie
2.9
[eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep en een incidentele vordering ingesteld die ertoe strekte dat de bijlagen bij de procesinleiding in cassatie uit het procesdossier worden verwijderd. Bij arrest van 7 november 2025 heeft de Hoge Raad die vordering afgewezen.
Kort voor de datum van de schriftelijke toelichtingen in de hoofdzaak heeft de advocaat van [eiseres] in het digitale portaal van de Hoge Raad het bericht geplaatst dat onderdeel 3 van het cassatiemiddel wordt ingetrokken, omdat daar geen belang meer bij bestaat, en dat de advocaat van de Staat daarvan op de hoogte zal worden gebracht.
Partijen hebben ieder de zaak schriftelijk laten toelichten. [eiseres] heeft afgezien van repliek. De Staat heeft gedupliceerd.
3Bespreking van het middel
3.1
Het middel bevat drie onderdelen. Zoals juist hiervoor in 2.9 gezegd, is onderdeel 3 ingetrokken, zodat dit onderdeel verder onbesproken kan blijven.
Onderdeel 1 is gericht tegen het beoordelingskader dat het hof in rov. 6.1-6.6 heeft gegeven, en tegen de verwerping door het hof in rov. 6.7-6.22 van de stelling van [eiseres] dat een reëel risico bestaat dat bij haar detentie in Chili sprake zal zijn van een schending van art. 3 EVRM.
Onderdeel 2 is gericht tegen de verwerping door het hof in rov. 6.24 van het beroep van [eiseres] op art. 10 lid 1 Uitleveringswet.
Alvorens het middel te bespreken, sta ik hierna eerst stil bij de maatstaven die zijn aan te leggen bij de beoordeling van de vorderingen in deze zaak.
Verdragsgrondslag voor uitlevering
3.2
Uitlevering vindt in Nederland uitsluitend plaats krachtens een verdrag (art. 2 lid 3 Grondwet en art. 2 Uitleveringswet). De strekking van deze eis is dat aan uitleveringen een onderzoek vooraf dient te gaan naar het vertrouwen dat in het rechtsstelsel van de verzoekende staat kan worden gesteld. De gedachte is dat bij het sluiten van een verdrag een dergelijk onderzoek plaatsvindt. Nederland heeft met vele landen een uitleveringsverdrag, hetzij bilateraal, zoals met de Verenigde Staten, hetzij multilateraal, zoals het Europees Uitleveringsverdrag (hierna: EUV) met de landen die lid zijn van de Raad van Europa. Voor de Unie geldt een kaderbesluit dat de verplichting tot ‘overlevering’ regelt (waarmee uitlevering wordt bedoeld).
3.3
Tussen Nederland en Chili is geen uitleveringsverdrag van toepassing, althans geen verdrag dat kan worden aangeduid als een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin. Het uitleveringsverzoek in deze zaak is gebaseerd op het Verdrag van de Verenigde Naties tegen corruptie (hierna kort aangeduid met de Engelse afkorting ‘UNCAC’). Zowel Nederland als Chili is partij bij dit verdrag. In art. 43 lid 1 UNCAC is bepaald dat de staten die partij zijn, samenwerken bij strafzaken met betrekking tot corruptie, onder meer op het gebied van uitlevering. De bepalingen omtrent uitlevering, zoals opgenomen in art. 44 UNCAC, zijn van toepassing op de overeenkomstig het verdrag strafbaar gestelde feiten indien de opgeëiste persoon zich bevindt op het grondgebied van de aangezochte staat, mits het strafbare feit waarvoor om uitlevering wordt verzocht, strafbaar is ingevolge het nationale recht van zowel de verzoekende staat als de aangezochte staat. In art. 17 UNCAC is onder meer ambtelijke verduistering als strafbaar feit aangemerkt. Dit is het feit waarvoor [eiseres] in Chili is veroordeeld.
In art. 44 lid 5 UNCAC is bepaald dat, als een staat de uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag en een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere staat waarmee hij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, hij het verdrag kan beschouwen als rechtsgrondslag voor uitlevering wat betreft de strafbare feiten waarop het artikel van toepassing is. Als een staat het verdrag als zodanig wenst te beschouwen, dient hij overeenkomstig het bepaalde in art. 44 lid 6 onder a UNCAC de secretaris-generaal van de VN daarvan in kennis stellen. Nederland heeft een dergelijke verklaring afgelegd.
3.4
De Uitleveringswet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat uitlevering plaatsvindt op grond van verdragen zoals het UNCAC. In art. 51a lid 1 Uitleveringswet is bepaald dat voor de in het tweede lid genoemde feiten, strafbaar te stellen ingevolge de in dat lid genoemde verdragen, kan worden uitgeleverd aan staten die partij zijn bij het desbetreffende verdrag. Deze bepaling is in 1973 ingevoerd met het oog op de uitvoering van het Verdrag van Den Haag en het Verdrag van Montreal, welke verdragen bepalingen bevatten die vergelijkbaar zijn met art. 44 lid 5 UNCAC. De regering zag zich door deze twee verdragen gesteld voor een moeilijkheid, omdat in Nederland, als gezegd, uitlevering uitsluitend mogelijk is op grond van een verdrag. Gelet op de wenselijkheid om uitlevering mogelijk te maken in de door de Verdragen van Den Haag en Montreal beheerste gevallen, is ervoor gekozen die verdragen zélf in de Uitleveringswet als een grondslag voor uitlevering aan te wijzen. Volgens de minister betrof dat op zichzelf geen afwijking van art. 2 Uitleveringswet, omdat die bepaling niet is beperkt tot uitleveringsverdragen in eigenlijke zin. Omdat de aangezochte staat in het geval dat geen uitleveringsverdrag in eigenlijke zin van toepassing is – welk soort verdrag de verplichting over en weer pleegt te bevatten om binnen de voorwaarden van het verdrag tot uitlevering aan het andere land over te gaan –, zelf de voorwaarden voor uitlevering mag vaststellen, is in art. 51a lid 3 Uitleveringswet bepaald dat uitlevering op deze grondslag geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de Uitleveringswet en, zo nodig, de bepalingen van het hiervoor genoemde EUV.
In het kader van de goedkeuring van het UNCAC door Nederland is dat verdrag toegevoegd aan de opsomming in art. 51a lid 2 Uitleveringswet. Hiermee is (dus) eveneens tot uitdrukking gebracht dat Nederland het UNCAC als rechtsgrondslag voor uitlevering heeft aanvaard.
Vertrouwensbeginsel in het uitleveringsrecht
3.5
Het in het uitleveringsrecht geldende vertrouwensbeginsel brengt mee dat bij de beoordeling van het uitleveringsverzoek ervan moet worden uitgegaan dat de verzoekende staat de fundamentele rechten van de opgeëiste persoon zal respecteren. Zoals hiervoor opgemerkt, vormt het vertrouwen dat dit het geval is, de basis voor het aangaan van een uitleveringsverdrag en voor de uitlevering in een individueel geval. Dat vertrouwen is passend bij de internationale samenwerking tussen staten. Bij een uitleveringsverzoek gaan staten er dan ook over en weer van uit – en dienen zij er over en weer van uit te gaan – dat het rechtsstelsel van en de praktijk in de andere staat voldoen aan de daaraan te stellen eisen, dat de mededelingen die zij elkaar doen, juist zijn en dat toezeggingen over en weer worden nagekomen.
Het vertrouwensbeginsel spreekt wat betreft de naleving van het EVRM nogal vanzelf in verhouding tot andere staten die zijn aangesloten bij het EVRM, maar geldt ook in verhouding tot staten die niet bij het EVRM zijn aangesloten. Veel staten, waaronder ook Chili – zoals het hof in aanmerking heeft genomen in rov. 6.9 –, zijn aangesloten bij het IVBPR, dat vergelijkbare bepalingen kent als het EVRM, of vergelijkbare verdragen waarbij fundamentele rechten worden beschermd.
3.6
Het ontbreken van een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin betekent volgens de Hoge Raad niet dat het vertrouwensbeginsel niet geldt. Gaat het om een verdrag genoemd in art. 51a lid 2 Uitleveringswet dan geldt dat beginsel volgens de Hoge Raad evenzeer. In een arrest van 30 oktober 2018 over een uitlevering aan Marokko overweegt de Hoge Raad:
“3.2.1 (…) Uitgangspunt is (…) dat bij de beoordeling van een uitleveringsverzoek dat is gebaseerd op een uitleveringsverdrag, in beginsel moet worden uitgegaan van het vertrouwen dat bij de vervolging en berechting van de opgeëiste persoon door de verzoekende Staat de daarop betrekking hebbende fundamentele rechten die zijn neergelegd in het EVRM en het IVBPR, zullen worden gerespecteerd. Dat geldt zowel indien het uitleveringsverzoek is gebaseerd op een (multilateraal of een bilateraal) uitleveringsverdrag in eigenlijke zin als indien het steunt op een verdrag dat is vermeld in het tweede lid van art. 51a Uitleveringswet — zoals hier het op 20 december 1988 te Wenen tot stand gekomen Verdrag van de Verenigde Naties tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen (Trb. 1989, 97) en het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad (Trb. 2001, 68) — in welk geval op grond van het derde lid van art. 51a uitlevering geschiedt met inachtneming van de bepalingen van de Uitleveringswet en het Europees Verdrag betreffende uitlevering van 13 december 1957 (Trb. 1965, 9).”
In de literatuur wordt betoogd dat voor de toepassing van het vertrouwensbeginsel onderscheid moet worden gemaakt naar de aard van de verdragsgrondslag, in de zin dat geen of minder vertrouwen passend is wanneer het uitleveringsverzoek is gebaseerd op een in art. 51a lid 2 Uitleveringswet genoemd verdrag. Gewezen wordt op het feit dat bij die verdragen ook staten partij zijn die mensenrechten niet hoog in het vaandel hebben staan. Voor dit betoog pleit dat bij het sluiten van de in art. 51a lid 2 Uitleveringswet genoemde verdragen in de regel geen voorafgaand onderzoek zal hebben plaatsgevonden naar het vertrouwen dat in de rechtsstelsels van de andere verdragsluitende staten kan worden gesteld.
Het vertrouwensbeginsel geldt niet absoluut
3.7
In de juist hiervoor genoemde uitspraken van de Hoge Raad wordt een dergelijk onderscheid echter niet gemaakt. Mogelijk vindt dit zijn verklaring daarin dat het vertrouwensbeginsel toch al niet onbeperkt geldt. Als concrete aanwijzingen bestaan (‘een gegrond vermoeden’) dat de opgeëiste persoon zal worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, moet dit beginsel namelijk wijken. Uit de gelding van het vertrouwensbeginsel volgt in wezen slechts dat de stelplicht en bewijslast terzake in beginsel bij de opgeëiste persoon rusten. Die regel past ook bij uitleveringen die niet plaatsvinden op basis van een uitleveringsverdrag in eigenlijke zin, omdat de minister daarbij in het concrete geval dat uitlevering is verzocht van een persoon, behoort na te gaan of geen verdragsschending dreigt door de uitlevering en, evenals bij de verdragssluiting die door minister wordt voorbereid, uitgangspunt mag zijn dat dit onderzoek naar behoren is uitgevoerd. Daarbij valt erop te wijzen dat art. 51a lid 3 Uitvoeringswet en de in art. 51a lid 2 genoemde verdragen zonder meer de mogelijkheid bieden om als voorwaarde voor uitlevering waarborgen te verlangen dat de rechten van de opgeëiste persoon niet zullen worden geschonden (zie hiervoor in 3.4). Mocht een land een slechte reputatie of conduitestaat hebben wat betreft het respecteren van mensenrechten of het nakomen van verplichtingen of toezeggingen, dan legt dat uiteraard het nodige gewicht in de schaal bij de vraag of genoemde concrete aanwijzingen bestaan en of het daaruit volgende risico door waarborgen voldoende is weggenomen.
3.8
Omdat een schending van fundamentele rechten door een uitlevering een schending van het EVRM oplevert door Nederland, welke schending veelal zwaarder weegt dan de naleving van de eventuele verplichting van Nederland tot naleving van de uitleveringsplicht van het betrokken verdrag – uitleveringsverdragen in eigenlijke zin bevatten vaak een dergelijke verplichting, zonder een voorbehoud voor het geval dat een risico bestaat op genoemde schendig van fundamentele rechten –, zal Nederland bij zulke aanwijzingen de uitlevering steeds moeten weigeren.
3.9
In het stelsel van de Uitleveringswet is de beoordeling van de vraag of een uitlevering een schending oplevert van fundamentele rechten, aan de minister en dus niet aan de uitleveringsrechter. Deze bevoegdheidsverdeling berust daarop dat de minister mogelijkheden heeft om onderzoek te doen en in staat is om van de verzoekende staat eventuele waarborgen te bedingen om een schending te voorkomen, zodat de uitlevering alsnog kan plaatsvinden. Tegen het uitleveringsbesluit van de minister kan de opgeëiste persoon, zoals in dit kort geding gebeurt, opkomen bij de burgerlijke rechter, aangezien de wet geen andere rechtsgang daarvoor openstelt. De burgerlijke rechter moet het oordeel van de minister over een schending van fundamentele rechten vol toetsen.
Reëel risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM
3.10
[eiseres] heeft aangevoerd dat zij een reëel risico loopt dat zij bij uitlevering zal worden onderworpen aan een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Art. 3 EVRM bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Dit verbod is volgens het EHRM “one of the most fundamental values of democratic societies” en “a value of civilisation closely bound up with respect for human dignity, part of the very essence of the Convention”.Niet elk geval van ‘ill-treatment’ levert een schending op van art. 3 EVRM. Er moet sprake zijn van “a minimum level of severity”, dat afhankelijk is van alle omstandigheden van het geval.
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat art. 3 EVRM in de weg staat aan uitlevering in het geval “where substantial grounds have been shown for believing that the person concerned, if extradited, faces a real risk of being subjected to torture or to inhuman or degrading treatment or punishment in the requesting country”.De stelplicht en bewijslast ten aanzien van een reëel risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM rusten op de opgeëiste persoon. Als de opgeëiste persoon slaagt in dergelijk bewijs, is het aan de aangezochte staat om iedere twijfel weg te nemen.
De beoordeling van een ‘arguable claim’ moet “rigorous” zijn. Daarbij moeten de voorzienbare gevolgen van de uitlevering worden onderzocht, in het licht van de algemene situatie in de verzoekende staat en de persoonlijke omstandigheden van de opgeëiste persoon. De beoordeling moet ex nunc plaatsvinden.
Garanties door verzoekende staat
3.11
Het is vaste rechtspraak van het EHRM dat door de verzoekende staat verstrekte garanties moeten worden betrokken bij de beoordeling van de vraag of de opgeëiste persoon door uitlevering wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM. Het enkele feit dat garanties zijn gegeven, vormt als zodanig nog geen afdoende waarborg tegen het reële risico op een behandeling in strijd met art. 3 EVRM, zo dat in beginsel aanwezig is. De rechter die over de uitlevering oordeelt, moet van het EHRM dan ook in dat geval onderzoeken “whether assurances provide, in their practical application, a sufficient guarantee that the applicant will be protected against the risk of ill-treatment”.
De beoordeling van de “practical application” van de garanties en het gewicht dat aan de garanties kan worden toegekend, bestaat volgens de rechtspraak van het EHRM uit twee stappen. Eerst moet worden onderzocht of de algemene mensenrechtensituatie in de verzoekende staat uitsluit dat garanties kunnen worden geaccepteerd. Als het antwoord daarop ontkennend luidt – hetgeen volgens het EHRM veelal het geval zal zijn –, dan moet de rechter de kwaliteit van de garanties beoordelen, alsmede de vraag beantwoorden of daarop kan worden vertrouwd in het licht van de praktijk in de verzoekende staat. Daarbij dienen volgens de uitspraak Othman onder meer de volgende factoren te worden bezien, voor zover de stellingen van de opgeëiste persoon of de relevante feiten en omstandigheden van de zaak daartoe aanleiding geven:
“189. More usually, the Court will assess first, the quality of assurances given and, second, whether, in light of the receiving State's practices they can be relied upon. In doing so, the Court will have regard, inter alia, to the following factors:
(i) whether the terms of the assurances have been disclosed to the Court (…);
(ii) whether the assurances are specific or are general and vague (…);
(iii) who has given the assurances and whether that person can bind the receiving State (…);
(iv) if the assurances have been issued by the central government of the receiving State, whether local authorities can be expected to abide by them (…);
(v) whether the assurances concerns treatment which is legal or illegal in the receiving State (…);
(vi) whether they have been given by a Contracting State (…);
(vii) the length and strength of bilateral relations between the sending and receiving States, including the receiving State's record in abiding by similar assurances (…);
(viii) whether compliance with the assurances can be objectively verified through diplomatic or other monitoring mechanisms, including providing unfettered access to the applicant's lawyers (…);
(iv) whether there is an effective system of protection against torture in the receiving State, including whether it is willing to cooperate with international monitoring mechanisms (including international human rights NGOs), and whether it is willing to investigate allegations of torture and to punish those responsible (…);
(x) whether the applicant has previously been ill-treated in the receiving State (…); and
(xi) whether the reliability of the assurances has been examined by the domestic courts of the sending/Contracting State (…).”
Bespreking oordeel hof
3.12
Uit het voorgaande volgt dat het hof in rov. 6.2 is uitgegaan van de juiste betekenis van het vertrouwensbeginsel en dat het hof bij de beoordeling van de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties in rov. 6.7 e.v. terecht van het vertrouwensbeginsel is uitgegaan (zie hiervoor in 3.5-3.7). Uit het voorgaande volgt voorts dat het hof in rov. 6.3-6.6 is uitgegaan van de juiste maatstaven voor de beoordeling van de stelling van [eiseres] dat een reëel risico bestaat dat bij haar detentie in Chili sprake zal zijn van een schending van art. 3 EVRM. Hetgeen het hof daar overweegt komt immers overeen met hetgeen hiervoor in 3.10-3.11 is vermeld.
Het hof heeft allereerst in rov. 6.7-6.16 vastgesteld dat de Chileense autoriteiten met de brief van 25 januari 2024 bevoegd en voldoende concrete en op de persoon gerichte garanties hebben gegeven ten aanzien van de locatie van detentie, te weten [gevangenis 1] , en de duur van de resterende detentie, dat wil zeggen dat de duur van de in Nederland doorgebrachte uitleveringsdetentie zal worden afgetrokken van de Chileense gevangenisstraf. Naar het hof vaststelt, is er geen reden om aan te nemen dat deze niet worden nageleefd. De stellingen van [eiseres] dat, kort gezegd, daarover twijfel kan bestaan, gelet op de inhoud van de brief, de bevoegdheidsverdeling in Chili met betrekking tot beslissingen over de detentie van tot gevangenisstraf veroordeelden, en de informatie uit Chili over de zienswijze van plaatselijke autoriteiten die [eiseres] heeft ingebracht, heeft het hof daarbij uitdrukkelijk behandeld en gemotiveerd verworpen dan wel onvoldoende geoordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat er geen grond is om monitoring of controle van de gegeven garanties te eisen, omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd.
Het hof heeft in rov. 6.18 de stelling van [eiseres] verworpen dat er een reëel risico op schending van art. 3 EVRM bestaat als zij in [gevangenis 1] wordt geplaatst. Volgens het hof heeft zij die stelling onvoldoende onderbouwd. Tegen dit oordeel komt het middel niet op.
Vervolgens heeft het hof in rov. 6.18-6.21 vastgesteld – ten overvloede, gelet op het in de vorige alinea genoemde oordeel, dat berust op hetgeen hiervoor in 3.11 tweede zin is vermeld – dat ook op dit punt de garanties van de Chileense autoriteiten voldoende zijn en dat op de naleving daarvan kan worden vertrouwd, voor welke vaststellingen het hof mede verwijst naar zijn overwegingen in rov. 6.8-6.15.
3.13
De hiervoor in 3.12 tweede tot en met vierde alinea weergegeven overwegingen van het hof geven geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Ze zijn in overeenstemming met de hiervoor in 3.12 eerste alinea genoemde maatstaven, die het hof als gezegd met zoveel woorden heeft toegepast. Het oordeel van het hof dat de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties voldoende zijn, kan in cassatie niet op juistheid worden onderzocht. Dat oordeel is immers feitelijk en betreft deels de uitleg van het relevante Chileense recht, welke uitleg in cassatie op grond van art. 79 lid 1, aanhef en onder b, RO niet door de Hoge Raad op juistheid wordt gecontroleerd. Onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd is dat oordeel niet. Het hof heeft de stellingen van [eiseres] over de garanties besproken en met een als zodanig toereikende en begrijpelijke motivering verworpen.
Bespreking onderdeel 1
3.14
Op het voorgaande stuiten de klachten van onderdeel 1 kort gezegd af. Ik bespreek die klachten hierna iets uitvoeriger.
3.15
Zoals in het incident in dit cassatieberoep al orde was, heeft [eiseres] bij de procesinleiding in cassatie diverse bijlagen overgelegd die dateren van na het arrest van het hof en deze ten grondslag gelegd aan de klachten van subonderdeel 1.3. Die klachten doen daarmee een beroep op feitelijke nova die als zodanig niet toelaatbaar zijn in cassatie (art. 419 lid 2 Rv). Het middel voert aan dat deze nova toch zouden moeten worden toegelaten omdat zij worden aangevoerd om een schending van art. 3 EVRM te voorkomen. Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2025 in zaak 24/03194, waarin hetzelfde beroep werd gedaan ter rechtvaardiging van in cassatie aangevoerde nova, volgt dat dit beroep niet opgaat. De Hoge Raad overwoog in dat arrest:
“3.6 Betrokkene heeft met juistheid aangevoerd dat art. 3 EVRM moet worden gezien als een van de meest fundamentele bepalingen van het EVRM en dat het een absoluut karakter heeft en dat art. 13 EVRM recht geeft op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Daaruit volgt echter niet dat de Hoge Raad als cassatierechter in een civielrechtelijke procedure, in afwijking van art. 419 lid 2 Rv, kan treden in een feitelijk onderzoek naar de detentieomstandigheden die betrokkene na het bestreden arrest heeft ondervonden. Aan de Hoge Raad liggen uitsluitend ter toets voor de klachten die in cassatie zijn aangevoerd tegen het bestreden arrest. Aan betrokkene staan andere middelen ten dienste, zoals een (nieuwe) vordering in kort geding, om aan de orde te stellen dat uit nieuwe feiten en omstandigheden volgt dat zijn detentieomstandigheden niet in overeenstemming zijn met de volgens de Staat verstrekte garanties. De Hoge Raad zal derhalve de verklaring niet bij zijn beoordeling betrekken.”
[eiseres] zal hetgeen volgens haar uit de nova volgt, dus in een nieuw geding aan de orde moeten stellen. Uit een en ander volgt dat subonderdeel 1.3 niet voor behandeling vatbaar is.
3.16
Subonderdeel 1.1 klaagt dat het door het hof in rov. 6.1-6.6 uiteengezette beoordelingskader en de toepassing daarvan in rov. 6.7-6.16, blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting. Deze klacht wordt uitgewerkt in subonderdeel 1.2. Volgens dat subonderdeel had het hof bij de beoordeling van de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties niet het vertrouwensbeginsel tot uitgangspunt mogen nemen, omdat tussen Nederland en Chili geen uitleveringsverdrag van toepassing is, er ook geen sprake is van een bestendige uitleveringsrelatie of -ervaring met Chili, de uitlevering uitsluitend plaatsvindt krachtens art. 51a lid 1 en 2 Uitleveringswet in samenhang met het UNCAC, en in cassatie vaststaat – nu het hof dat in het midden heeft gelaten – dat [eiseres] bij uitlevering en plaatsing in [gevangenis 3] wordt blootgesteld aan het reële risico op een met art. 3 EVRM strijdige behandeling. Dat het hof dit heeft miskend blijkt ook daaruit dat het hof het door het EHRM in Othman voorgeschreven toetsingskader voor diplomatieke garanties niet (volledig) heeft toegepast, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel valt op zijn beurt nader uiteen in acht nadere klachten (a-h), waaruit volgens het subonderdeel volgt dat het hof het voorgaande heeft miskend.
- Onder a: het oordeel van het hof in rov. 6.7-6.9 dat sprake is van voldoende concrete, op de persoon gerichte en ondubbelzinnige reacties ten aanzien van de locatie van detentie, de duur van detentie en de detentieomstandigheden in [gevangenis 1] is onjuist, omdat de brief van 25 januari 2024 niet een bevestiging bevat dat hetgeen het hof als garanties kwalificeert heeft te gelden als ‘binding upon the authorities’, althans onbegrijpelijk, aangezien niet duidelijk is hoe en door wie hetgeen het hof als garanties kwalificeert in de praktijk jegens [eiseres] gestand zal worden gedaan.
- Onder b: het oordeel van het hof in rov. 6.7 en 6.9 dat sprake is van voldoende concrete op de persoon gerichte en ondubbelzinnige garanties en dat er geen reden is om aan te nemen dat deze niet zullen worden nageleefd, berust niet op een onderzoek naar of deze garanties ‘in their practical application’ een voldoende waarborg vormen gelet op de algemene mensenrechtensituatie in Chili, en of gelet op de kwaliteit van deze garanties en de overige omstandigheden, ‘in light of the receiving State’s practices’, op die garanties kan worden vertrouwd.
- Onder c: het oordeel van het hof in rov. 6.10 dat er geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de Chileense Staat zich gebonden acht aan de gegeven garanties, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’, en is voorts onbegrijpelijk, omdat uit dat oordeel niet blijkt waarom de scheiding der machten geen beletsel is voor de minister van buitenlandse zaken van Chili om bindende garanties te geven over de locatie, duur en detentieomstandigheden.
- Onder d: het oordeel van het hof in rov. 6.11 en 6.12 dat niet kan worden vastgesteld dat alleen de rechter in Chili bevoegd is te beslissen over de plaats van detentie, en dat in elk geval niet aannemelijk is dat (er een reëel risico bestaat dat) de rechter, zo hij of zij daartoe al (als enige) formeel bevoegd is, in weerwil van de gegeven garanties, zal weigeren om [eiseres] in [gevangenis 1] te plaatsen, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’. Het hof heeft met dat oordeel voorts miskend (i) dat [eiseres] heeft betoogd dat de scheiding der machten eraan in de weg staat dat de minister van buitenlandse zaken van Chili de nakoming van de plaatsing kan garanderen, (ii) dat het niet op de weg ligt van [eiseres] om aannemelijk te maken dat (er een reëel risico bestaat dat) de garantie niet bevoegd is gegeven door een instantie die de autoriteiten kan binden, en (iii) dat het hof de garantie had moeten toetsen op haar ‘practical application’ en met name of de rechter in Chili zich gebonden zal achten aan een door het ministerie van buitenlandse zaken gegeven garantie.
- Onder e: het oordeel van het hof in rov. 6.13 dat in het licht van het voorgaande evenmin voldoende gewicht in de schaal legt dat de verantwoordelijke officier van justitie in maart 2023 heeft gezegd dat [eiseres] haar gehele straf zal moeten uitzitten in [gevangenis 3] , berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’.
- Onder f: het oordeel van het hof in rov. 6.14 over de duur van de nog door te brengen detentie berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’. Het hof heeft met dat oordeel voorts miskend (i) dat het niet op de weg van [eiseres] ligt aannemelijk te maken dat de garantie waarop de Staat zich beroept niet bevoegd is gegeven door een instantie die de autoriteiten kan binden, dat (ii) dat het hof had moeten onderzoeken of erop mag worden vertrouwd dat de gegeven garanties worden nagekomen, in plaats van tot uitgangspunt te nemen dat op nakoming daarvan kan worden vertrouwd, en (iii) dat het hof de garantie had moeten toetsen op haar ‘practical application’ en met name of de rechter in Chili en de Chileense officier van justitie zich gebonden achten aan een door het ministerie van buitenlandse zaken gegeven garantie.
- Onder g: het oordeel van het hof in rov. 6.15 dat, omdat er in dit geval geen reden is om er niet op te vertrouwen dat de garanties zullen worden nageleefd, er ook geen grond is om nadere garanties te vragen en/of monitoring of controle te eisen, berust evenmin op een onderzoek naar de ‘receiving State’s practices’. Het hof heeft met dat oordeel voorts miskend (i) dat het al dan niet bestaan van een monitoringsmechanisme een omstandigheid is die in aanmerking moet worden genomen bij de beoordeling of, en zo ja, welk gewicht aan ‘assurances’ kan worden gegeven, en (ii) dat in een geval zoals dit, waarin een uitleveringsverdrag ontbreekt en geen sprake is van een bestendige uitleveringsrelatie, aan het ontbreken van een mogelijkheid tot monitoring of controle betekenis moet worden toegekend.
- Onder h: in het licht van het voorgaande kan de tussenconclusie in rov. 6.16 evenmin in stand blijven.
3.17
De klachten van de subonderdelen stuiten alle af op hetgeen hiervoor in 3.13 is vermeld. Een heel aantal klachten gaat uit van een onjuist begrip van de hiervoor in 3.11 vermelde beoordeling volgens de Othman-uitspraak. Anders dan die klachten tot uitgangspunt nemen, zijn de verschillende elementen van die beoordeling geen eisen die moeten worden afgelopen en aan ieder waarvan moet zijn voldaan (zoals bijvoorbeeld dat daarvan steeds moet blijken uit de bij veel klachten in subonderdeel 1.2 ingeroepen ‘receiving State’s practices’). Het hof heeft dus terecht in deze zin in rov. 6.6 overwogen, welke overweging het middel niet bestrijdt. Het gaat bij die beoordeling om een ‘algehele’ beoordeling van hetgeen is gebleken en door betrokkene is aangevoerd: in het licht daarvan moet sprake zijn van een sufficient guarantee (zie m.n. hiervoor in 3.11 tweede alinea).
Veel klachten van de subonderdelen zien er voorts aan voorbij dat de stelplicht en bewijslast van het feit dat een reëel risico op schending van art. 3 EVRM bestaat en dat de door de Chileense autoriteiten gegeven garanties dus onvoldoende zijn – het hof heeft beide punten tezamen beoordeeld in rov. 6.7-6.16 –, bij [eiseres] rustte. De klachten vermelden geen feiten of stellingen van [eiseres] in het licht waarvan de overwegingen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd zouden zijn. Het hof is uitdrukkelijk op de stellingen van [eiseres] ingegaan en zijn oordeel daarover is als al gezegd niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel bevat althans geen steekhoudende klachten die dat aanvoeren. Evenmin voert het middel aan dat het hof stellingen van [eiseres] ten onrechte niet heeft behandeld.
3.18
Subonderdeel 1.4 bevat slechts een voortbouwklacht en behoeft daarom geen bespreking.
3.19
Subonderdeel 1.5 klaagt dat het hof heeft miskend dat het bij de beoordeling of [eiseres] blootstaat aan een “real risk of ill-treatment” na uitlevering aan Chili en detentie in [gevangenis 1] niet ermee kan volstaan om enerzijds in rov. 6.19 vast te stellen dat [eiseres] geplaatst zal worden op een 8-persoonscel en anderzijds in rov. 6.20 te verzuimen zich ervan te vergewissen dat ondanks die ‘weighty factor’ de garanties in hun ‘practical application’ een voldoende waarborg vormen dat [eiseres] na uitlevering geen met art. 3 EVRM strijdige behandeling ontvangt.
3.20
Hiervoor in 3.12 derde en vierde alinea is opgemerkt dat de overwegingen van het hof in rov. 6.19-6.20 ten overvloede zijn gegeven. Het subonderdeel faalt dus al bij gebrek aan belang. Overigens is het subonderdeel om dezelfde redenen ongegrond als subonderdeel 1.2.
Onderdeel 2; beroep op non-discriminatieclausule
3.21
Onderdeel 2 heeft betrekking op de verwerping door het hof in rov. 6.24 van het beroep van [eiseres] op art. 10 lid 1 Uitleveringswet, welke bepaling ook wel wordt aangeduid als de non-discriminatieclausule.
Achtergrond van de non-discriminatieclausule
3.22
De non-discriminatieclausule in het uitleveringsrecht houdt in dat uitlevering mag (of moet) worden geweigerd als het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling de opgeëiste persoon te vervolgen, te straffen of anderszins te treffen op de grond dat hij tot een bepaalde groep behoort. De non-discriminatieclausule strekt aldus ter bescherming van de opgeëiste persoon.
De non-discriminatieclausule hangt nauw samen met het fundamentele beginsel van non-refoulement, dat is neergelegd in art. 33 lid 1 VN-Vluchtelingenverdrag. Volgens die bepaling mag een vluchteling, zoals gedefinieerd in het verdrag, niet worden uitgezet of teruggeleid naar de grenzen van een grondgebied waar zijn leven of vrijheid bedreigd zou worden op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een bepaalde sociale groep of zijn politieke overtuiging. De non-discriminatieclausule is bedoeld om uiting te geven aan het beginsel van non-refoulement in het uitleveringsrecht. De non-discriminatieclausule wordt in de literatuur daarom ook wel aangeduid als de vluchtelingenexceptie.
In dit opzicht houdt de non-discriminatieclausule ook verband met de exceptie voor politieke delicten (art. 11 Uitleveringsgwet). Die exceptie houdt in dat uitlevering mag (of moet) worden geweigerd als het uitleveringsverzoek betrekking heeft op een strafbaar feit dat als een politiek delict wordt beschouwd. Vóór de opkomst van de non-discriminatieclausule na de Tweede Wereldoorlog was deze exceptie het primaire middel om de opgeëiste persoon te beschermen tegen bepaalde vormen van repressie in de verzoekende staat. De non-discriminatieclausule breidt die bescherming in zoverre uit dat zij er (mede) toe strekt te voorkomen dat de verzoekende staat uitlevering nastreeft voor een commuun delict, terwijl het die staat in werkelijkheid is te doen om de vervolging en bestraffing van de opgeëiste persoon voor een politiek delict.
3.23
De non-discriminatieclausule is in het uitleveringsrecht onder meer neergelegd in het EUV. Art. 3 lid 1 EUV verbiedt uitlevering in gevallen waarin het strafbare feit waarvoor zij wordt verzocht, door de verzoekende staat als een politiek delict of als een met een dergelijk delict samenhangend feit wordt beschouwd. Art. 3 lid 2 EUV bepaalt dat hetzelfde geldt als de aangezochte staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het uitleveringsverzoek voor een niet-politiek delict is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid, dan wel dat de positie van de betrokkene om een van deze redenen ongunstig dreigt te worden beïnvloed.
Art. 10 lid 1 Uitleveringswet
3.24
Het in art. 3 lid 2 EUV bepaalde is in het nationale recht neergelegd in art. 10 lid 1 Uitleveringswet. Art. 10 lid 1 Uitleveringswet bepaalt dat uitlevering niet wordt toegestaan in gevallen waarin naar het oordeel van de minister een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het uitleveringsverzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen in verband met zijn godsdienstige, levensbeschouwelijke of politieke overtuiging, zijn nationaliteit, zijn ras of de groep van de bevolking waartoe hij behoort.
Het oordeel of een gegrond vermoeden bestaat dat bij inwilliging van het uitleveringsverzoek de opgeëiste persoon zal worden vervolgd, gestraft of op andere wijze getroffen is voorbehouden aan de minister, zoals al volgt uit de wettekst. De reden daarvoor is, blijkens de parlementaire toelichting, dat de regering de beschikking heeft over informatie omtrent de politieke situatie en de strafrechtspleging in andere landen en ten opzichte van de verzoekende staat de volledige verantwoordelijkheid dient te dragen voor de beslissing om al dan niet uit te leveren. In de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de burgerlijke rechter komt de toetsing van het oordeel van de minister dus aan de burgerlijke rechter toe.
Samenhang tussen uitleveringsverzoek en discriminatoire behandeling
3.25
De tekst van art. 10 lid 1 Uitleveringswet wijkt op een aantal punten af van die van art. 3 lid 2 EUV. Voor deze zaak is met name van belang dat art. 10 lid 1 Uitleveringswet, anders dan art. 3 lid 2 EUV, niet voorschrijft dat het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling om de opgeëiste persoon te vervolgen of te bestraffen op een discriminatoire grond. In het wetsontwerp was dat element wel overgenomen, in de zin dat het uitleveringsverzoek moest zijn gedaan met het oogmerk om de opgeëiste persoon te vervolgen, te straffen of op andere wijze te treffen op een discriminatoire grond. Bij amendement is het vereiste van dat oogmerk geschrapt en de huidige tekst tot stand gekomen. Uit de toelichting op het amendement blijkt dat daarmee niet een wijziging van de weigeringsgrond is beoogd, maar uitsluitend een verlichting van de op de minister rustende bewijslast in dit verband:
“Het ontwerp eist, dat bij het verzoek het oogmerk aanwezig is om de opgeëiste persoon discriminatoir te behandelen. Dit oogmerk zal door de Minister vaak moeilijk kunnen worden aangetoond. Veel eenvoudiger is het voor de Minister te stellen, dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon discriminatoir zal worden behandeld. Uit diplomatieke overwegingen zal het voor de Minister moeilijker zijn de andere Regering te verdenken van discriminatoire oogmerken, dan eenvoudig te stellen dat discriminatoire behandeling zal plaatsvinden, waarbij in het midden kan worden gelaten of dit met of zonder toedoen van de verzoekende Regering zal plaatsvinden.”
‘Op andere wijze getroffen’ in art. 10 lid 1 Uitleveringswet
3.26
In de parlementaire geschiedenis komt niet duidelijk naar voren wat onder het ‘op andere wijze getroffen’ in de zin van art. 10 lid 1 Uitleveringswet moet worden verstaan, anders dan dat hiermee wordt gedoeld op discriminatie die als feitelijk gevolg van de uitlevering is te verwachten. Overeenkomstig de betekenis van het begrip ‘getroffen’ (in de Engelse tekst van art. 3 lid 2 EUV ‘prejudiced’) wordt in de literatuur ervan uitgegaan dat sprake moet zijn van benadeling. Swart merkt op:
“Het opvallendste verschil tussen het Vluchtelingenverdrag enerzijds en de Uitleveringswet, het Europees Uitleveringsverdrag en het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme anderzijds is dat zij een verschillende inhoud geven aan het vervolgingsbegrip. Naar de heersende opvatting houdt het begrip vervolging in het Vluchtelingenverdrag in dat op bepaalde gronden een ernstige inbreuk wordt gemaakt op de rechten van de mens. Men neemt aan dat de andere teksten deze zware eis niet stellen. De Europese verdragen gebruiken het begrip vervolging in zijn juridisch-technische betekenis, en stellen als voorwaarde dat de positie van de betrokkene door een strafvervolging of een bestraffing nadelig wordt beïnvloed vanwege zijn ras, godsdienst, nationaliteit of politieke gezindheid. De Uitleveringswet sluit daar in iets andere bewoordingen bij aan. Dat lijkt te betekenen dat het nadeel dat voor de persoon dreigt, niet noodzakelijk hoeft te bestaan in een ernstige schending van een mensenrecht maar ook van lichtere aard kan zijn. Te denken valt dan aan al degenen die niet in strikte zin vluchteling zijn maar van wie ‘gelet op de politieke situatie in het land waaruit zij afkomstig zijn, in redelijkheid niet verlangd kan worden dat zij naar dat land terugkeren’. Inderdaad heeft de Nederlandse regering bij gelegenheid van de parlementaire behandeling van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme het standpunt ingenomen dat deze groep van personen, die in het Nederlandse toelatingsbeleid doorgaans als asielgerechtigden worden aangeduid, door artikel 5 van dit verdrag en artikel 3 van het Europees Uitleveringsverdrag tegen uitlevering worden beschermd.”
Smeulers meent eveneens dat geen sprake hoeft te zijn van ernstige mensenrechtenschendingen, en dat ook minder ernstige schendingen voldoende zijn om aan uitlevering in de weg te staan, mits het gaat om ernstige bezwaren, zodat niet ieder nadeel aan een uitlevering in de weg zal staan.
Art. 44 lid 15 UNCAC
3.27
Volledigheidshalve merk ik nog op dat ook het UNCAC, het verdrag waarop het uitleveringsverzoek in deze zaak is gebaseerd, een aan art. 3 lid 2 EUV verwante clausule bevat. In art. 44 lid 15 UNCAC is bepaald dat niets in het verdrag zo mag worden uitgelegd dat het een verplichting tot uitlevering zou inhouden indien de aangezochte staat ernstige redenen heeft om aan te nemen dat het uitleveringsverzoek is gedaan met de bedoeling een persoon te vervolgen of te straffen op grond van zijn geslacht, ras, godsdienst, nationaliteit, etnische afkomst of politieke overtuiging of dat inwilliging van het verzoek de positie van die persoon om een van deze redenen ongunstig zou kunnen beïnvloeden.
Art. 44 lid 15 UNCAC sluit dus niet uit, gelet op zijn bewoordingen (“niets in dit Verdrag mag zo worden uitgelegd dat”), dat een aangezochte staat op grond van de non-discriminatieclausule in zijn nationale recht een uitleveringsverzoek waarop het verdrag van toepassing is, weigert. Art. 51a lid 3 Uitleveringswet voorziet voor het Nederlandse recht ook in die mogelijkheid, door de verwijzing naar de andere bepalingen van die wet en het EUV.
Oordeel hof
3.28
Het hof heeft het beroep van [eiseres] op art. 10 lid 1 Uitleveringswet in rov. 6.24 verworpen, omdat detentie onder adequate omstandigheden niet geacht kan worden te vallen onder ‘het op andere wijze getroffen’ zijn in verband met de groep waartoe zij behoort, louter omdat er een mannengevangenis is met betere omstandigheden. Even daarvoor overweegt het hof in rov. 6.24 dat ook als zou worden verondersteld dat het verschil in omstandigheden wezenlijk is en dat vrouwen als [eiseres] in dat opzicht in Chili worden gediscrimineerd, dat nog niet betekent dat die enkele omstandigheid een zelfstandige grond is om uitlevering te weigeren, ook al zijn de detentieomstandigheden als zodanig adequaat en niet in strijd met art. 3 of art. 8 EVRM. Dat in zo’n geval sprake is van een zelfstandige weigeringsgrond volgt niet uit de wet of de jurisprudentie en ligt ook los daarvan niet voor de hand, aldus het hof.
3.29
Het oordeel van het hof is juist. Zoals uit het voorgaande volgt, gaat het er bij art. 10 lid 1 Uitleveringswet om of sprake is van een uitleveringsbeletsel in verband met de nadelige behandeling die de opgeëiste persoon ten deel zal vallen na uitlevering vanwege zijn persoon of persoonlijke kenmerken. Aan het beroep op art. 10 lid 1 Uitleveringswet van [eiseres] heeft zij ten grondslag gelegd dat in Chili voor een bepaalde groep van delinquenten – die net als zij zijn veroordeeld voor fraude-delicten – een afzonderlijke mannengevangenis bestaat met betere detentieomstandigheden (zie hiervoor in 2.2). [eiseres] komt als vrouw voor plaatsing in die gevangenis uiteraard niet in aanmerking (zij stelt ook niet dat dit wel geval zou zijn of wel het geval zou moeten zijn). De vrouwengevangenis waarvoor [eiseres] wel in aanmerking komt, voldoet op zichzelf aan de te stellen eisen, naar het hof vaststelt. Gelet op een en ander heeft het hof terecht geoordeeld dat het verschil in behandeling dat mannen en vrouwen aldus ten deel valt in Chili, geen grond voor toepassing van art. 10 lid 1 Uitleveringswet oplevert. Het is immers evident niet zo dat een vrouw als [eiseres] met een en ander een nadelige behandeling ten deel valt. De reden dat zij niet in de mannengevangenis met betere omstandigheden wordt geplaatst, is immers, blijkens reeds haar eigen stelling, dat daarin voor vrouwen nu eenmaal geen plaats is, met andere woorden plaatsing in die gevangenis voor haar onmogelijk is. Dat levert wellicht wel een discriminatoire behandeling van vrouwen (en dus van [eiseres] ) op, maar dat is niet de ongunstige behandeling waar het bij art. 10 lid 1 Uitleveringswet om gaat. Dat dit feit als zodanig aan een uitlevering in de weg zou kunnen staan, zoals het betoog van [eiseres] in deze zaak in drie instanties op neerkomt, valt ook niet in te zien.
Bespreking klachten onderdeel 2
3.30
Subonderdeel 2.1 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 10 lid 1 Uitleveringswet een zelfstandige weigeringsgrond voor discriminatie inhoudt. Subonderdeel 2.2 voert subsidiair aan dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is. Het hof heeft vastgesteld dat de omstandigheden in [gevangenis 1] minder gunstig zijn dan in [gevangenis 2] en in cassatie moet ervan worden uitgegaan dat dit verschil wezenlijk is. Daarop gelet is onbegrijpelijk waarom een wezenlijke achterstelling van [eiseres] omdat zij een vrouw is, in het kader van art. 10 lid 1 Uitleveringswet geen (zelfstandige) weigeringsgrond oplevert, aldus het subonderdeel.
3.31
Deze klachten falen om de hiervoor in 3.29 genoemde redenen.
Slotsom
3.32
Het middel is ongegrond. Het beroep leent zich voor toepassing van art. 81 RO.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Vgl. de vaststellingen van het hof in rov. 3.1-3.9.
Rb. Rotterdam 13 maart 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:2094.
HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1313 (art. 81 lid 1 RO). Zie voor de conclusie voor het arrest ECLI:NL:PHR:2023:846.
Uit de procesinleiding in cassatie van [eiseres] (onder 2.8) blijkt dat de zitting op 24 februari 2025 heeft plaatsgevonden. De huidige stand van de asielprocedure blijkt niet uit de stukken. Partijen zijn daar geen van beiden op ingegaan.
Zie de vaststellingen van het hof in rov. 4.1-4.2. De in rov. 4.1 als meer subsidiair en uiterst subsidiair omschreven vorderingen spelen in cassatie geen rol meer en zijn hier daarom weggelaten. Hetzelfde geldt voor de in rov. 4.2(3) en (4) weergegeven grondslagen voor de vorderingen van [eiseres] .
Rb. Den Haag 19 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9575.
Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, New York, 16 december 1966, Trb. 1969, 99.
Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke en onterende behandeling of bestraffing, New York, 10 december 1984, Trb. 1985, 69.
Zie de vaststelling van het hof in rov. 5.1.
Hof Den Haag 21 januari 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:49.
Zie voetnoot 3 van mijn eerdere conclusie in deze zaak.
HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1658, NJ 2025/313.
Bericht van 25 februari 2026. Reden voor de intrekking is volgens het bericht dat de Staat “inmiddels heeft aangegeven de uitkomst van de asielrechter af te wachten”.
Terzijde merk ik op dat [eiseres] , naar valt af te leiden uit de partijvermelding in de uitspraken en de processtukken, zich in uitleveringsdetentie bevindt, vermoedelijk dus al vanaf april 2022. De duur van die detentie benadert daarmee inmiddels dus die van de straf waarvoor de uitlevering is verzocht.
Vgl. V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 14-16, met verwijzing naar en een beschrijving van de (grond)wetsgeschiedenis. Vgl. ook HR 8 juli 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE5288 (strafkamer), rov. 3.1.2, en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 (strafkamer), m.nt. R. Rozemond, rov. 3.5.
New York, 31 oktober 2003, Trb. 2004, 11.
Zie het overzicht op: https://treaties.un.org/pages/viewdetails.aspx?src=treaty&mtdsg_no=xviii-14&chapter=18#16.
Zie het in de vorige voetnoot genoemde overzicht onder ‘Notifications made under article 6 (3), 44 (6)(a) and 46 (13) and (14)’ en ‘Netherlands (Kingdom of the)’. Zie ook rov. 7.1, tweede alinea, van het vonnis van de uitleveringsrechter, dat hiervoor in voetnoot 2 is aangehaald.
Verdrag tot bestrijding van het wederrechtelijk in zijn macht brengen van luchtvaartuigen, 's-Gravenhage, 16 december 1970, Stb. 1971, 50.
Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de burgerluchtvaart, Montreal, 23 september 1971, Stb. 1971, 218.
Zie art. 8 lid 2 van beide verdragen.
Zie Kamerstukken II 1971/1972, 11866, nr. 3 (MvT), p. 5.
Zie Kamerstukken II 1971/1972, 11866, nr. 3 (MvT), p. 7.
Zie Staten-Generaal 2005/06, 30808 (R18150), A en nr. 1, p. 3-4.
Zie onder 30 van de conclusie van A-G Paridaens vóór HR 8 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:24, NJ 2019/53.
Zie nader over het vertrouwensbeginsel T. Kraniotis, Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (diss. Nijmegen), Deventer: Wolters Kluwer 2016, deel II, V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, p. 19-20, en H. Sanders, Handboek uitleverings-overleveringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, p. 19-20.
Zie HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (strafkamer), rov. 3.4.
Chili heeft ook het individueel klachtrecht op grond van het Facultatief Protocol behorend bij het IVBPR erkend. Zie voor de gegevens van Chili: https://indicators.ohchr.org/. Zoals het hof overweegt in rov. 6.9, heeft Chili ook een onafhankelijke nationale toezichthouder op de naleving van mensenrechten.
HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228 (strafkamer), m.nt. N. Rozemond. Zie eerder in deze zin HR 17 juni 2014, ECLI:NL:HR:2014:1441, AA20150495 (strafkamer), m.nt. E. van Sliedregt, rov. 3.3, m.b.t. uitlevering aan Rwanda op grond van het Genocideverdrag.
Zie onder 2 van de NJ-noot van N. Rozemond onder HR 30 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:2019, NJ 2019/228 (strafkamer), en V.H. Glerum & N. Rozemond, ‘Uitlevering’, in Van Elst & Van Sliedregt, Handboek internationaal strafrecht 2022, p. 201-202. Namens [eiseres] wordt naar deze literatuur verwezen. Zie onder 1.12 van haar schriftelijke toelichting.
Zie onder meer HR 11 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF3312, NJ 2004/42 (strafkamer), rov. 3.3, HR 7 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1534, NJ 2004/595 (strafkamer), rov. 3.4.2, en HR 21 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:463, NJ 2017/276 (strafkamer), m.nt. N. Rozemond, rov. 3.6.
Zie over het eventuele conflict van verdragsverplichtingen HR 30 maart 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD7494, NJ 1991/249, m.nt. A.H.J. Swart. Vaste rechtspraak van het EHRM is dat “[i]n the case of an extradition, a Contracting State finds itself under an obligation to cooperate in international criminal matters. However, that obligation is subject to the same State’s obligation to respect the absolute nature of the prohibition under Article 3 of the Convention”. Zie o.a. EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 94, en EHRM 3 november 2022, nr. 22854/20, NJ 2024/127, m.nt. N. Keijzer (Sanchez-Sanchez v. the United Kingdom), rov. 83.
Zie aldus HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 (strafkamer), m.nt. T.M. Schalken onder NJ 1997/534, rov. 5.3.1, HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1680, NJ 2016/14, m.nt. A.H. Klip, rov. 3.4.3, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:592, NJ 2026/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.2.2.
Zie aldus HR 15 oktober 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZD0547, NJ 1997/533 (strafkamer), m.nt. T.M. Schalken onder NJ 1997/534, rov. 5.3.2, met verwijzing naar de wetsgeschiedenis.
Zie HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:592, NJ 2026/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.2.1-3.2.2, met verwijzing naar eerdere uitspraken.
Zie bijv. EHRM 21 november 2019, nr. 47287/15 (Ilias and Ahmed v. Hungary), rov. 124. Zie ook de op de website van het EHRM gepubliceerde ECHR Guide on Article 3 – Prohibition of torture, laatstelijk geüpdatet op 31 augustus 2026, onder 2, met verwijzingen naar oudere rechtspraak.
Zie uitgebreid de ECHR Guide on Article 3 – Prohibition of torture, laatstelijk geüpdatet op 31 augustus 2026, onder 5-8, met verwijzingen naar rechtspraak.
Zie voor het eerst EHRM 7 juli 1989, nr. 14038/88, NJ 1990/158, m.nt. E.A. Alkema (Soering v. the United Kingdom), rov. 91, en meer recent EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 93-94.
EHRM 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 109.
Zie rov. 95, 106-107 en 109 van het overzichtsarrest Khasanov and Rakhmanov v. Russia.
Zie EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer (Othman v. the United Kingdom), rov. 185 en 187-189, en meer recent EHRM (GK) 29 april 2022, nrs. 28492/15 en 49975/15, NJ 2022/269, m.nt. B.E.P. Myjer (Khasanov and Rakhmanov v. Russia), rov. 101.
EHRM 17 januari 2012, nr. 8139/09, NJ 2013/360, m.nt. N. Keijzer (Othman v. the United Kingdom). Zie over dit beoordelingskader ook de ECHR Guide – Immigration, laatstelijk geüpdatet op 28 februari 2026, onder 87, en de conclusie in zaak 24/00465, ECLI:NL:PHR:2025:92, onder 3.17-3.18.
Hetzelfde geldt voor rechtbank en A-G in de uitleveringsprocedure in deze zaak. Vgl. rov. 7.1, derde alinea, van het vonnis van de rechtbank en onder 6 van de conclusie van de A-G, beide hiervoor in 2.1 al aangehaald.
Dat de vaststelling in rov. 6.18-6.21 ten overvloede is, brengt het hof in rov. 6.18 tot uitdrukking met de woorden ‘Daar komt bij’.
Zie over een en ander meer uitvoerig mijn conclusie in het incident onder 3.1 en 3.22-3.24.
HR 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1950, NJ 2026/30, JBPr 2026/36, m.nt. P.A. Fruytier.
Dat wordt allicht niet anders door het feit dat zij nog niet is uitgeleverd.
Ware het anders, dan zouden de klachten ervan m.i. ongegrond zijn. Ik zie geen reden om terug te komen van het (voorlopig) oordeel onder 3.25 van mijn eerdere conclusie.
Zie V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, par. V.5.1 (p. 211-212), met verdere verwijzingen in voetnoot 936.
Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, 28 juli 1951, Trb. 1951, 131.
Zie over de verhouding tussen het beginsel van non-refoulement en de non-discriminatieclausule nader S. Kapferer, ‘The Interface between Extradition and Asylum’, PPLA/2003/05, november 2003, onder 249-252.
Zie bijv. WvSv/IISS, A.L. Melai/A.H. Klip e.a. II.8.7 (I.C.A. ter Stege, voorheen bewerkt door A.H.J. Swart, actueel t/m 27-07-2016), A. Smeulers, In staat van uitlevering, Antwerpen: Intersentia 2002, par. 1.4.2, en A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, onder 264 e.v.
Zie V.H. Glerum, De weigeringsgronden bij uitlevering en overlevering, Wolf Legal Publishers: Nijmegen 2013, par. V.5.1 (p. 211), met verdere verwijzingen. Zie over de verhouding tussen de exceptie voor een politiek delict en de non-discriminatieclausule uitgebreid WvSv/IISS, A.L. Melai/A.H. Klip e.a. II.8.7 (I.C.A. ter Stege, voorheen bewerkt door A.H.J. Swart, actueel t/m 27-07-2016).
Zie nader G.S. Goodwin-Gill & J. McAdam, The Refugee in International Law, Oxford: Oxford University Press 2009, par. 3.3.3 (p. 258). Vgl. ook Kamerstukken II 1981/82, 15971 (R 1133), nr. 10 (MvA), p. 6.
Zie Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 3 (MvT), par. 5, onder art. 10.
Zie aldus HR 24 juni 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD7235, NJ 1976/85 (strafkamer). Hetzelfde geldt voor de beoordeling van een beroep op art. 33 lid 1 VN-Vluchtelingenverdrag. Zie HR 29 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW6798, NJ 2012/368 (strafkamer), rov. 3.6.3.
Vgl. Kamerstukken II 1965/66, 8054, nr. 10 (MvA), p. 5, en Kamerstukken I 1966/67, 8054, nr. 9 (Eindverslag), p. 3.
Vgl. HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:592, NJ 2026/29, m.nt. N. Keijzer, rov. 3.2.2, met verwijzingen naar eerdere rechtspraak.
Afgaande op de tekst van art. 3 lid 2 EUV lijkt de daarin geëiste ‘bedoeling’ zich niet mede uit te strekken tot de ongunstige behandeling van de opgeëiste persoon anders dan door vervolging of bestraffing. Een verschil tussen beide kan echter niet worden gemaakt, aldus de regering. Zie Kamerstukken II 1966/67, 8054, nr. 15 (Nota n.a.v. Verslag), p. 1: “De ondergetekenden menen, dat de keuze tussen beide formuleringen voor de praktische toepassing van de bepaling nauwelijks van belang is. In gevallen, waarin discriminatie als feitelijk gevolg van de uitlevering is te verwachten, zal het oogmerk van discriminatie wel altijd kunnen worden vermoed. Uit een oogpunt van systematiek gaat de voorkeur van de ondergetekenden uit naar de formulering van artikel 10, eerste lid, van het wetsontwerp. Zij kunnen niet inzien, waarom — in het voetspoor van artikel 3, tweede lid, van het verdrag — bij gevaar voor discriminatoire vervolging of bestraffing het oogmerk van de verzoekende staat, bij gevaar voor discriminatie van andere aard daarentegen het te verwachten feitelijk gevolg van de uitlevering beslissend moet zijn, indien werkelijk zou zijn bedoeld daarmede voor beide gevallen verschillende criteria aan te leggen.”
Zie Kamerstukken II 1964/65, 8054, nr. 1-2.
Zie Kamerstukken II 1966/67, 8054, nr. 17.
A.H.J. Swart, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: Tjeenk Willink 1986, onder 267 (p. 307).
A. Smeulers, In staat van uitlevering, Antwerpen: Intersentia 2002, p. 35.
Dat kan anders zijn als het toepasselijke verdrag een non-discriminatieclausule bevat die als zelfstandige weigeringsgrond is geformuleerd. Vgl. H.D. Sanders, Handboek uitleverings-overleveringsrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2014, par. 2.5.4.2, met verwijzingen naar rechtspraak in voetnoot 601.
De minister heeft in de beschikking tot uitlevering (zie hiervoor in 2.1 onder (vi)) het beroep van [eiseres] op de non-discriminatieclausule verworpen op de grond dat [eiseres] niet (voldoende) heeft onderbouwd dat mannelijke gedetineerden in [gevangenis 2] een gunstigere behandeling krijgen dan zij na haar uitlevering, waardoor zij zou worden getroffen. Zie prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.