Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:882
2026-09-18
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
26/00304
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Procesrecht; devolutieve werking; voorwaardelijke schenking
Citeert (3)
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2861 Gerechtshof Den Haag 04-11-2025
- ECLI:NL:RBROT:2024:9954 Rechtbank Rotterdam 17-10-2024
- ECLI:NL:HR:2014:3075 Hoge Raad 31-10-2014
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (35.086 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00304
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[de vrouw]
tegen
[de man]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw (eiseres tot cassatie) respectievelijk de man (verweerder in cassatie).
1Inleiding
Na een verbreking van de affectieve relatie tussen partijen en gedurende een ogenschijnlijke ‘heropleving’ daarvan heeft de vrouw € 7000 overgeboekt naar de man, die het geld heeft aangewend voor de aankoopfinanciering van een woning. Kort daarna is de relatie alsnog definitief geëindigd. De vrouw vordert terugbetaling van het genoemde geldbedrag, primair op grond van geldlening en subsidiair op grond van onverschuldigde betaling. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw hem het geld heeft geschonken. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen en daartoe geoordeeld dat onvoldoende blijkt dat de vrouw de man het geld heeft geschonken en dat, zelfs als er een schenking zou zijn, deze is gedaan onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden. Het hof heeft de vordering alsnog afgewezen. Het hof oordeelde dat uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie kan worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen en dat dan ook niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een voorwaardelijke schenking. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking miskend door buiten de grieven van de man om te oordelen over de vraag of de schenking voorwaardelijk was gedaan. Het middel stelt verder dat het hof de positieve zijde van de devolutieve werking heeft miskend, omdat het de vrouw door het slagen van een grief had moeten toelaten tot het leveren van bewijs dat de schenking voorwaardelijk was gedaan. Mijns inziens slagen de klachten niet.
2Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van twee kinderen.
2.2
De vrouw heeft op 28 januari 2024 € 7.000 overgeboekt naar de bankrekening van de man. Op dat moment wilden partijen verder met hun relatie, die na een verbreking kort daarvoor was hersteld.
2.3
Enige tijd later is er een woning geleverd aan de man. Het genoemde bedrag van € 7.000 is aangewend voor de betaling van de koopprijs van de woning. Zonder dit bedrag was de man niet in staat de financiering van de woning rond te krijgen.
2.4
Kort daarna is de relatie van partijen weer geëindigd en is de man daar alleen gaan wonen.
3Procesverloop
In eerste aanleg
3.1
Bij dagvaarding van 23 mei 2024 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter). Zij heeft – in een tamelijk summiere dagvaarding – gevorderd dat de kantonrechter de man veroordeelt tot (terug)betaling van € 7.000, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2
Aan haar vordering heeft de vrouw primair ten grondslag gelegd dat partijen een overeenkomst van geldlening hebben gesloten en subsidiair dat sprake is van onverschuldigde betaling. Er lag volgens haar zonder overeenkomst geen rechtsgrond ten grondslag aan de betaling.
3.3
De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft betwist dat sprake is van een overeenkomst van geldlening en heeft aangevoerd dat sprake is van een schenking.
3.4
De kantonrechter heeft de zaak op 18 september 2024 mondeling behandeld. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
3.5
Bij vonnis van 17 oktober 2024 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 7.000 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.6
De kantonrechter oordeelde eerst onder het kopje ‘De lening staat niet vast’:
“4.2 [De vrouw] heeft ter onderbouwing van de lening een print van een op 28 januari 2024 gedateerde overeenkomst overgelegd. Zij stelt dat zij deze samen met [de man] op haar computer heeft gemaakt en digitaal ondertekend. [De man] betwist dit en voert aan, dat zijn handtekening onder deze tekst is vervalst.De overgelegde uitdraai bevat geen handtekening die [de man] heeft gezet, want [de vrouw] heeft het hele document gemaakt. Omdat nergens de instemming van [de man] uit blijkt, kan aan deze uitdraai geen bewijskracht worden toegekend.
4.3 [
De vrouw] heeft nog een verklaring van haar broer overgelegd. Hij heeft haar ‘in de periode van 1 februari’ telefonisch gesproken en toen heeft hij gehoord dat zij haar ex-partner geld zou lenen om de notaris te betalen. Deze verklaring stemt niet overeen met de verklaring van [de vrouw] op de zitting. Zij verklaarde dat zij op 28 januari 2024 samen met [de man], met wie ze toen juist weer een relatie had, op de bank in haar kamer op haar computer aan de overeenkomst zat te werken toen haar broer belde. [De man] betwist dit, zodat de juistheid van deze verklaring niet vast staat.Zelfs als de verklaring van de broer juist zou zijn, dan nog is dit onvoldoende om te kunnen oordelen dat de lening vast staat.
4.4 [
De vrouw] heeft de betwiste lening onvoldoende onderbouwd, dus die komt niet vast te staan.”
[voetnoten niet overgenomen, A-G]
3.7
De kantonrechter oordeelde vervolgens als volgt over de vraag of de vrouw recht heeft op terugbetaling van het bedrag van € 7.000:
“4.5 [De vrouw] stelt - als de lening niet komt vast te staan - dat zij zonder rechtsgrond € 7.000,00 aan [de man] heeft betaald, zodat hij het bedrag om die reden terug moet betalen.
4.6 [
De man] betwist dat er geen rechtsgrond voor de betaling was en voert in dat verband aan, dat [de vrouw] hem dit bedrag heeft geschonken.
4.7 [
De man] neemt over [de] reden waarom [de vrouw] hem het geld heeft gegeven wisselende standpunten in. In zijn conclusie staat dat er over terugbetaling niet is gesproken en op de zitting verklaart hij dat [de vrouw] had gezegd dat hij niet hoefde terug te betalen. Dat [de vrouw] het geld heeft geschonken blijkt dus onvoldoende.
4.8
Bovendien had [de man] moeten begrijpen, dat de betaling is gedaan, omdat het er toen op leek, dat partijen (toch) samen verder zouden gaan. Dan is een bijdrage in een woning, waar partijen eventueel samen met hun kinderen konden gaan wonen, een investering in de gezamenlijke toekomst. Zelfs als het een schenking zou zijn, had hij moeten begrijpen dat deze gedaan was onder de voorwaarde, dat de relatie bestendig zou zijn geworden. Dat ws niet het geval was vrijwel direct na ontvangst van het bedrag was de relatie weer uit.
4.9
De wettelijke rente over € 7.000,0 is verschuldigd vanaf 25 april 2024, omdat [de man] op 10 april 2024 schriftelijk in gebreke is gesteld en niet binnen 14 dagen heeft betaald.
4.10
Het heeft er alle schijn van dat [de vrouw] voor deze procedure een digitaal document heeft gemaakt buiten medeweten van [de man]. Daar staat tegenover, dat [de man] makkelijk zijn standpunt wijzigt als hem dat beter uitkomt. Beide partijen lijken niet veel om de waarheid te geven in deze procedure. Omdat zij in dit opzicht aan elkaar gewaagd zijn, is er geen reden sancties op te leggen aan een van partijen.”
[voetnoten niet overgenomen, A-G]
In hoger beroep
3.8
De man is, onder aanvoering van vier grieven, in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof).
3.9
De vrouw heeft verweer gevoerd.
3.10
Bij arrest van 4 november 2025 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover daarin de man is veroordeeld tot betaling van € 7.000 en de wettelijke rente. Het hof heeft de vordering van de vrouw alsnog afgewezen
3.11
Het hof heeft als volgt geoordeeld:
“Schending van de waarheidsplicht (grief I)
5.1
In eerste aanleg heeft de vrouw primair gesteld dat er tussen haar en de man een geldleningsovereenkomst is gesloten ter zake van het door haar aan de man verstrekte bedrag van € 7.000,-. Zij stelt dat zij deze samen met de man op haar computer heeft gemaakt en digitaal ondertekend. [De man] betwist dit en voert aan, dat zijn handtekening onder deze tekst is vervalst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een lening van de vrouw aan de man. De kantonrechter heeft hieraan ten grondslag gelegd dat, nu het door de vrouw overgelegde document geen handtekening bevat die door de man zelf is gezet, nergens de instemming van de man uit blijkt en dus aan de overgelegde uitdraai van de geldleningsovereenkomst geen bewijskracht kan worden toegekend. Ook de verklaring van de broer van de vrouw is daartoe onvoldoende, aldus de kantonrechter.
5.2
Tegen dit oordeel is het hoger beroep niet gericht. De man stelt in hoger beroep echter wel dat de kantonrechter de inleidende vordering – die op een andere grond is toegewezen – had moeten afwijzen omdat de vrouw wat betreft het bovenstaande de waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden. De man stelt dat de vrouw in de door haar overgelegde geldleningsovereenkomst zijn (digitale) handtekening heeft vervalst. Hieraan had de kantonrechter een passend gevolg moeten geven, namelijk afwijzing van de inleidende vordering.
5.3
Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De rechter bepaalt zelf of hij aan een dergelijke schending gevolgen verbindt en zo ja, welke dit zijn.
5.4
Het hof stelt voorop dat het feit, dat de kantonrechter geen bewijskracht toekent aan de overgelegde uitdraai van de leningsovereenkomst, niet automatisch met zich brengt dat in rechte vast is komen te staan dat de overgelegde uitdraai is vervalst. Het hof kan – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – niet vaststellen dat de in het geding gebrachte leningsovereenkomst valselijk is opgemaakt en de handtekening buiten medeweten van de man onder het door de vrouw overgelegde document is geplaatst. Dit betekent dat grief I om die reden al niet kan slagen.
Wisselende standpunten, feitelijke grondslag, onverschuldigde betaling (grieven II en III)
5.5
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de man veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 7.000,-. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de man wisselende standpunten inneemt over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven, en dat dan ook onvoldoende blijkt dat de vrouw de man het geld heeft geschonken. Zelfs als het een schenking zou zijn, had de man moeten begrijpen dat deze is gedaan onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden, hetgeen niet het geval is, aldus de kantonrechter.
5.6
De man is het met deze overwegingen niet eens. Hij betwist wisselende standpunten te hebben ingenomen (grief II) en stelt dat de kantonrechter ten onrechte de feitelijke gronden heeft aangevuld door te overwegen dat de man had moeten begrijpen dat de betaling is gedaan toen het erop leek dat partijen (toch) samen verder zouden gaan (grief III). Volgens hem is dit niet door de vrouw aan haar vordering ten grondslag gelegd.
5.7
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter niet de feitelijke gronden heeft aangevuld, aangezien uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat tijdens de zitting met partijen is besproken dat de betaling van het bedrag van € 7.000,- heeft plaatsgevonden met het oog op het samen verder gaan van partijen. De vrouw heeft klaarblijkelijk naar voren willen brengen dat, nu dit niet is gebeurd, (ook) hierin een reden is gelegen dat de man het geld moet terugbetalen. De vrouw doet daarbij (subsidiair) een beroep op onverschuldigde betaling als grondslag voor haar vordering. Een schenking onder een voorwaarde kan, afhankelijk van de vervulling van die voorwaarde, leiden tot een onverschuldigde betaling, waardoor er alsnog moet worden terugbetaald. Grief III van de man faalt daarom. Grief II van de man slaagt wel, aangezien de kantonrechter aan zijn oordeel tot terugbetaling door de man mede ten grondslag heeft gelegd dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen in de procedure. Dit laatste blijkt echter niet uit de overgelegde stukken. Dit brengt mee dat het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
5.8
Voor toewijzing van een vordering uit onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW is vereist dat er zonder rechtsgrond een betaling heeft plaatsgevonden. De vrouw moet als eisende partij feiten en omstandigheden stellen, en zo nodig bewijzen, waaruit blijkt dat er een rechtsgrond ontbreekt. Dit is niet veranderd door de stelling van de man, in het kader van zijn betwisting, dat sprake is van een schenking. Niet ter discussie staat dat de man de woning niet kon kopen zonder het bedrag van € 7.000, - te krijgen en dat hij dit bedrag heeft gestoken in de aanschaf van de woning. De vrouw heeft de man het bedrag bewust gegeven voor de aankoop van de woning, terwijl duidelijk was dat de man dit niet zomaar zou kunnen terugbetalen, en zonder dat het hof kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling daarvan of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof kan uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen. Dat sprake was van een voorwaardelijke schenking, kan dan ook niet worden vastgesteld.
5.9
Nu er verder ook geen bewijsaanbod is gedaan in hoger beroep, is de vrouw niet in haar onderbouwing geslaagd. Dit betekent dat de grief van de man doel treft, zodat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende vordering van de vrouw alsnog zal afwijzen.”
In cassatie
3.12
Bij procesinleiding van 2 februari 2026 heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld van het arrest van 4 november 2025 (hierna: het arrest). Tegen de man is verstek verleend.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel is opgebouwd uit drie onderdelen.
Onderdeel 1 (‘Negatieve zijde devolutieve werking’)
4.2
Het eerste onderdeel bevat een inleiding. Daarin worden achtereenvolgens de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 van het vonnis van de kantonrechter, de grieven II en III en de rechtsoverwegingen 5.7 tot en met 5.9 van het bestreden arrest samengevat weergegeven.
4.3
Het onderdeel bevat vervolgens twee subonderdelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Subonderdeel 1.1 bevat een rechtsklacht die, als ik het goed zie, is gericht tegen de volgende oordelen:
- Het hof kan niet vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling van het bedrag van € 7.000 of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan (r.o. 5.8).
- Uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd kan niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen (r.o. 5.8).
- Grief II van de man slaagt en de vordering van de vrouw zal alsnog worden afgewezen (r.o. 5.9).
4.4
Volgens het subonderdeel heeft het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking miskend. Het subonderdeel voert daartoe, geparafraseerd en puntsgewijs weergegeven, het volgende aan:
- Tegen het oordeel over de voorwaardelijke schenking in r.o. 4.8 van het vonnis is de man in grief III alleen opgekomen met het betoog dat de kantonrechter in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vordering van de vrouw heeft aangevuld. De man heeft niet inhoudelijk gegriefd tegen dit oordeel.
- Het hof heeft geoordeeld dat grief III faalt. Daarmee stond vast dat, indien sprake was van een schenking, deze voorwaardelijk was.
- Het slagen van grief II tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.7 dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen, maakt niet dat het hof vervolgens, buiten de grieven om, kon oordelen over de vraag of de schenking voorwaardelijk was gedaan.
4.5
Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht. De klacht veronderstelt dat het hof in de grieven van de man een stelling heeft gelezen met de strekking dat hij de aan de schenking gestelde voorwaarde betwist. Volgens het subonderdeel is het oordeel in dat geval onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt dat de man in grief II uitsluitend heeft betoogd dat de beslissing van de kantonrechter dat hij wisselende standpunten over de rechtsgrond voor de betaling heeft ingenomen, onjuist is en dat hij in grief III uitsluitend heeft aangevoerd dat de kantonrechter de feitelijke grondslag van de vordering van de vrouw in strijd met art. 24 Rv heeft aangevuld. Het subonderdeel stelt dat ook overigens in de memorie van grieven nergens een inhoudelijke grief kan worden gelezen tegen het oordeel van de kantonrechter dat de man had moeten begrijpen dat een eventuele schenking voorwaardelijk was.
4.6
Ik zal eerst nader ingaan op het vonnis van de kantonrechter.
4.7
De kantonrechter heeft eerst geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een lening van de vrouw aan de man (r.o. 4.4). De vrouw heeft haar standpunt dat sprake was van een overeenkomt van geldlening in hoger beroep prijsgegeven. Dit dient in cassatie tot uitgangspunt.
4.8
De kantonrechter heeft vervolgens de subsidiaire grondslag van de vordering van de vrouw beoordeeld. De vrouw betoogde dat zij zonder rechtsgrond € 7.000 aan de man heeft betaald. De kantonrechter zet niet uiteen wat de vrouw in dat verband heeft aangevoerd. De man heeft ter betwisting aangevoerd dat de vrouw hem het bedrag heeft geschonken. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de man over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven wisselende standpunten heeft ingenomen, en dat “dus” onvoldoende blijkt dat de vrouw hem het geld heeft geschonken (r.o. 4.7, slot). De kantonrechter oordeelde vervolgens in r.o. 4.8 dat de man “bovendien” had moeten begrijpen dat de betaling is gedaan aangezien het er toen op leek dat partijen (toch) samen verder zouden gaan. Zelfs als het een schenking zou zijn, zo oordeelde de kantonrechter, had de man moeten begrijpen dat deze was gedaan was onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden. Aangezien de relatie tussen partijen vrijwel direct na ontvangst van het bedrag door de man weer voorbij was, is deze voorwaarde niet in vervulling gegaan. Dit leidde tot het oordeel dat de man is gehouden om het door hem ontvangen bedrag van € 7.000 aan de vrouw terug te betalen.
4.9
Uit het vonnis blijkt niet duidelijk op welke grondslag de kantonrechter de vordering van de vrouw nu precies heeft toegewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een geldlening. Voorts blijkt volgens de kantonrechter onvoldoende dat sprake is geweest van een schenking. Als – naar het mij voorkomt – alternatief dragende reden voor de terugbetalingsverplichting overweegt de kantonrechter dat “zelfs als het een schenking zou zijn”, de man had moeten begrijpen dat deze gedaan was onder de voorwaarde, dat de relatie bestendig zou zijn geworden”. Kortom, de vrouw heeft onverschuldigd € 7000 aan de man betaald, omdat er geen overeenkomst aan de betaling ten grondslag lag (geldlening noch schenking), althans omdat er sprake van een voorwaardelijke schenking waarvan de voorwaarde niet in vervulling is gegaan.
4.10
De man heeft hoger beroep ingesteld. Grief I is in cassatie niet meer van belang. Grief II richtte zich tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.7 dat de man over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven, wisselende standpunten heeft ingenomen. De man stelt dat dit niet het geval is geweest. Voor de bespreking van de klachten acht ik het zinvol om een deel van de toelichting op de grief weer te geven:
“16. Omdat [de vrouw] middels een valse leenovereenkomst heeft willen aantonen dat er sprake was van een overeenkomst van geldlening, heeft [de man] bij conclusie van antwoord betwist dat er sprake was van een geldlening. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er niet gesproken is over een lening of terugbetalen. Terugbetalen is een wezenlijk aspect van een leenovereenkomst.
17. In de conclusie van antwoord is [de man] niet verder ingegaan op zijn standpunt dat het geldbedrag aan hem is geschonken. Dat is wel ter zitting nogmaals door hem naar voren gebracht. Een verweer dat ook al in de dagvaarding van [de vrouw] stond vermeld en dus ook bij haar en ook bij de kantonrechter bekend was.
18. Op grond van het hiervoor gestelde had de kantonrechter in r.o. 4.10 nimmer de conclusie mogen trekken dat [de man] gemakkelijk zijn standpunt wijzigt als dat hem uitkomt en dat hij niet om de waarheid zou geven. Daarvan is nimmer sprake geweest.
19. Het feit dat [de vrouw] zover is gegaan om een leenovereenkomst te vervalsen maakt enerzijds al hetgeen zij bij inleidende dagvaarding heeft gesteld ongeloofwaardig en anderzijds hetgeen door [de man] is aangevoerd over de schenking juist aannemelijk. Van de door de kantonrechter gestelde wisselende standpunten is dan ook geen sprake geweest.
20. Vervolgens merkt [de man] op dat hij, omdat hij niet juridisch is onderlegd, niet eerder inhoudelijk heeft gereageerd op het standpunt van [de vrouw] dat het bedrag van € 7.000,00 op grond van onverschuldigde betaling zou moeten worden terugbetaald.
21. Reden waarom [de man] thans stelt dat van een onverschuldigde betaling geen sprake is geweest, omdat [de vrouw] het geldbedrag aan [de man] heeft geschonken. Er is met andere woorden door [de vrouw] géén prestatie zonder rechtsgrond verricht.
(…)”
4.11
Het hof heeft geoordeeld dat de grief slaagt. Het hof heeft daartoe overwogen dat de kantonrechter aan zijn oordeel tot terugbetaling door de man mede ten grondslag heeft gelegd dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen in de procedure en dat dit laatste echter niet blijkt uit de overgelegde stukken. Dit brengt, zo oordeelde het hof, mee dat het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
4.12
Uit het slot van r.o. 5.7 kan worden afgeleid dat het hof grief II kennelijk zo heeft begrepen dat de man daarin niet alleen opkwam tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een schenking (r.o. 4.7), maar óók tegen het voor de beslissing van de kantonrechter alternatief dragende oordeel in r.o. 4.8 dat sprake is van een voorwaardelijke schenking. Het slagen van grief II bracht het hof er immers toe om in r.o. 5.8 opnieuw te oordelen over de vraag of de vrouw een vordering uit onverschuldigde betaling heeft. Ik acht de uitleg van het hof niet onbegrijpelijk in het licht van de hiervoor in 4.10 weergegeven passage. Daaruit, en in het bijzonder de randnummers 20 en 21, blijkt dat de man het niet eens is met het oordeel van de kantonrechter. Hij bepleit dat sprake is geweest van een schenking zonder terugbetalingsverplichting. In dat standpunt ligt besloten dat de man ook bestrijdt dat sprake is van de voorwaardelijke schenking zoals de kantonrechter die heeft aangenomen. Bovendien kan uit grief III met enige goede wil worden afgeleid dat de man het inhoudelijk niet eens was met het oordeel van de kantonrechter dat, zelfs als het een schenking zou zijn, hij had moeten begrijpen dat deze gedaan was onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden.
4.13
In het licht van het voorgaande kon het hof naar mijn mening de stellingen van de vrouw en het verweer van de man opnieuw beoordelen. Dit heeft het hof ook gedaan. Ik herhaal de volgende passage:
“Niet ter discussie staat dat de man de woning niet kon kopen zonder het bedrag van € 7.000, - te krijgen en dat hij dit bedrag heeft gestoken in de aanschaf van de woning. De vrouw heeft de man het bedrag bewust gegeven voor de aankoop van de woning, terwijl duidelijk was dat de man dit niet zomaar zou kunnen terugbetalen, en zonder dat het hof kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling daarvan of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof kan uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen. Dat sprake was van een voorwaardelijke schenking, kan dan ook niet worden vastgesteld.”
4.14
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, kan worden geconcludeerd dat het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking niet heeft miskend.
4.15
Gelet op het voorgaande slagen de rechtsklacht van subonderdeel 1.1 en de motiveringsklacht van subonderdeel 1.2 niet.
Onderdeel 2 (‘Positieve zijde devolutieve werking’)
4.16
Het tweede onderdeel is gericht tegen het oordeel in r.o. 5.9 dat, nu er verder ook geen bewijsaanbod is gedaan in hoger beroep, de vrouw niet in haar onderbouwing is geslaagd, en de daaropvolgende conclusie dat de grief van de man doel treft, dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat de vordering van de vrouw alsnog wordt afgewezen.
4.17
Het onderdeel bevat twee subonderdelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Subonderdeel 2.1 betoogt dat, zo het hof niet reeds als vaststaand had moeten aannemen dat de vrouw aan de schenking de voorwaarde had verbonden dat de relatie tussen haar en de man bestendig was (zie onderdeel 1), het hof de vrouw in verband met het slagen van grief II had moeten toelaten “tot het leveren van bewijs dat die voorwaarde aan de schenking verbonden was.” Het subonderdeel stelt dat de vrouw in eerste aanleg bewijs heeft aangeboden van al haar stellingen, en specifiek van de stelling dat geen sprake was van een schenking. Daarin ligt, zo stelt het subonderdeel, besloten een bewijsaanbod dat aan de schenking de opschortende voorwaarde is verbonden van een bestendige relatie. Met het oordeel in r.o. 5.7 dat het hof met het slagen van grief II de zaak inhoudelijk zal beoordelen en het oordeel in r.o. 5.8 dat het hof niet kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling van het verstrekte bedrag of dat de verstrekking onder voorwaarden zou zijn gedaan, kwam volgens het subonderdeel ook het bewijsaanbod van de vrouw in eerste aanleg weer “in het vizier.” Het onderdeel bevat de klacht dat het hof met het bestreden oordeel in zoverre de positieve zijde van de devolutieve werking heeft miskend. Volgens het subonderdeel had het hof het bewijsaanbod van de vrouw in eerste aanleg bij zijn beslissing moeten betrekken en, als voldoende specifiek en ter zake dienend, moeten honoreren. Dat de vrouw, zo vervolgt het subonderdeel, dat bewijsaanbod in hoger beroep niet heeft herhaald, maakt dat niet anders.
4.18
Subonderdeel 2.2 bevat de klacht dat, voor zover het hof meende te kunnen volstaan met een beoordeling van de stellingen van partijen zonder in te gaan op het bewijsaanbod van de vrouw, dat oordeel eveneens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt dat het bewijsaanbod van de vrouw in de inleidende dagvaarding ter zake dienend was en voldoende specifiek, zodat de vrouw tot nadere bewijslevering moest worden toegelaten voordat het hof kon toekomen aan een definitieve waardering van de stellingen (en eventuele overige bewijsmiddelen) van partijen. In dit verband is volgens het subonderdeel mede van belang dat aangenomen moet worden dat het bewijsaanbod ook een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs omvatte. De enkele omstandigheid dat in eerste aanleg niet uitdrukkelijk ook is vermeld dat bewijs werd aangeboden door middel van het horen van getuigen, maakt dat niet anders, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat de omstandigheid dat de vrouw in hoger beroep niet alsnog uitdrukkelijk getuigenbewijs heeft aangeboden, dit ook niet anders maakt, aangezien het bewijsaanbod in eerste aanleg met het slagen van grief II binnen de grenzen van het door de grieven ontsloten deel van de rechtsstrijd lag en door het hof bij zijn beslissing had moeten worden betrokken. In het geval dat het hof van oordeel zou zijn dat het in eerste aanleg gedane bewijsaanbod niet voldoende ter zake dienend en specifiek is, is dat oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk in het licht van de tekst van het bewijsaanbod, waarin uitdrukkelijk bewijs wordt aangeboden van het feit dat geen sprake is geweest van schenking en dus wel van een onverschuldigde betaling.
4.19
Het bewuste bewijsaanbod (inleidende dagvaarding, onder punt 7) luidt:
“Eisers [de vrouw en haar vader, A-G] bieden bewijs aan van al h[u]n stellingen, door alle middelen rechtens, zonder daarmee enige onverplichte bewijslast op zich te nemen. Meer specifiek bieden eisers bewijs aan van hun stelling dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening en niet van een schenking.”
4.20
Art. 166 lid 1 Rv bepaalt dat een verhoor van getuigen plaatsvindt als bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten en een partij bewijs heeft aangeboden van feiten die betwist zijn en die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste jurisprudentie dient een bewijsaanbod, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, voldoende concreet en specifiek te zijn. Daarmee wordt bedoeld dat duidelijk moet zijn op welke (relevante) feiten het bewijsaanbod betrekking heeft en wie daarover kunnen verklaren. Of een bewijsaanbod voldoende concreet en specifiek is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.21
Als de devolutieve werking al meebrengt dat door het slagen van grief II het bewijsaanbod van de vrouw in eerste aanleg weer in beeld kwam, dan moet mijns inziens worden aangenomen dat dit bewijsaanbod klaarblijkelijk niet voldoende concreet en specifiek is en naar mijn mening daarnaast ook niet ter zake dienend. De vrouw heeft “bewijs” aangeboden van haar standpunt dat sprake is van een overeenkomst van geldlening (wat, indien bewezen, meebrengt dat van een schenking geen sprake is). Het bewijsaanbod ziet op een (negatief) rechtsgevolg en verduidelijkt niet op welke (relevante) feiten het betrekking heeft en wie daarover kan verklaren. In de eerste plaats is het bewijsaanbod dus evident niet feitelijk genoeg, in de tweede plaats was de grondslag van geldlening in hoger beroep niet meer aan de orde. Zie hiervoor in alinea 4.7. Het hof kon dus om twee redenen aan het bewijsaanbod voorbijgaan. De klachten stuiten hierop af.
4.22
Ook onderdeel 2 kan dus niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3 (‘Voortbouwklacht’)
4.23
Het derde onderdeel bouwt uitsluitend voort op de klachten van de hiervoor besproken onderdelen, die niet tot cassatie kunnen leiden.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Hof Den Haag 4 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2861, randnummers 2.1-2.4.
De vordering is mede ingesteld door de vader van de vrouw. Die zou het bedrag ter beschikking hebben gesteld. De kantonrechter heeft de vordering, voor zover die is ingesteld door de vader, afgewezen (r.o. 4.1). Dit punt is thans niet meer aan de orde.
Rb. Rotterdam (ktr.) 17 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9954.
De tekst van de laatste zin van r.o. 4.8 loopt niet goed. Ik heb de tekst letterlijk overgenomen.
Zie het bestreden arrest, r.o. 5.2 (eerste zin), en de procesinleiding onder punt 4 (slot).
In de inleidende dagvaarding onder 5 staat: “Er lag immers zonder overeenkomst geen rechtsgrond ten grondslag aan de betaling.”
Ik geef toe dat ik hier, in navolging van de procesinleiding, in zekere zin invulling geef aan de uitspraak. Dat van een schenking onder opschortende voorwaarde sprake zou zijn, heeft de kantonrechter niet uitdrukkelijk beslist. Gelet op de formulering van r.o. 4.8 ligt dat m.i. wel meer voor de hand dan dat geoordeeld is dat sprake is van een ontbindende voorwaarde dat de relatie niet bestendig zou zijn geworden (alhoewel dat misschien een beter passende schoen zou zijn geweest). Voor de goede orde merk ik nog op dat de betaling zelf niet voorwaardelijk is: de feitelijke handeling is er wel of niet.
Ik merk op dat deze oordelen (overwegingen) in cassatie niet zelfstandig worden bestreden.
Dit blijkt ook uit de eerste zin van r.o. 5.6: “De man is het met deze overwegingen niet eens.”
Zie: Tekst & Commentaar Burgerlijke rechtsvordering, 2026, art. 166, aant. 4b (F.J.P. Lock), met verwijzing naar o.m. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, NJ 2014/485.
Ik merk in dat verband overigens op dat de vrouw in de inleidende dagvaarding geen concrete stellingen heeft ingenomen over waarom van een (onvoorwaardelijke) schenking geen sprake is.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/00304
Zitting 18 september 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[de vrouw]
tegen
[de man]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vrouw (eiseres tot cassatie) respectievelijk de man (verweerder in cassatie).
1Inleiding
Na een verbreking van de affectieve relatie tussen partijen en gedurende een ogenschijnlijke ‘heropleving’ daarvan heeft de vrouw € 7000 overgeboekt naar de man, die het geld heeft aangewend voor de aankoopfinanciering van een woning. Kort daarna is de relatie alsnog definitief geëindigd. De vrouw vordert terugbetaling van het genoemde geldbedrag, primair op grond van geldlening en subsidiair op grond van onverschuldigde betaling. De man stelt zich op het standpunt dat de vrouw hem het geld heeft geschonken. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen en daartoe geoordeeld dat onvoldoende blijkt dat de vrouw de man het geld heeft geschonken en dat, zelfs als er een schenking zou zijn, deze is gedaan onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden. Het hof heeft de vordering alsnog afgewezen. Het hof oordeelde dat uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie kan worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen en dat dan ook niet kan worden vastgesteld dat sprake was van een voorwaardelijke schenking. Volgens het cassatiemiddel heeft het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking miskend door buiten de grieven van de man om te oordelen over de vraag of de schenking voorwaardelijk was gedaan. Het middel stelt verder dat het hof de positieve zijde van de devolutieve werking heeft miskend, omdat het de vrouw door het slagen van een grief had moeten toelaten tot het leveren van bewijs dat de schenking voorwaardelijk was gedaan. Mijns inziens slagen de klachten niet.
2Feiten
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan.
2.1
Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van twee kinderen.
2.2
De vrouw heeft op 28 januari 2024 € 7.000 overgeboekt naar de bankrekening van de man. Op dat moment wilden partijen verder met hun relatie, die na een verbreking kort daarvoor was hersteld.
2.3
Enige tijd later is er een woning geleverd aan de man. Het genoemde bedrag van € 7.000 is aangewend voor de betaling van de koopprijs van de woning. Zonder dit bedrag was de man niet in staat de financiering van de woning rond te krijgen.
2.4
Kort daarna is de relatie van partijen weer geëindigd en is de man daar alleen gaan wonen.
3Procesverloop
In eerste aanleg
3.1
Bij dagvaarding van 23 mei 2024 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank Rotterdam, sector kanton (hierna: de kantonrechter). Zij heeft – in een tamelijk summiere dagvaarding – gevorderd dat de kantonrechter de man veroordeelt tot (terug)betaling van € 7.000, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2
Aan haar vordering heeft de vrouw primair ten grondslag gelegd dat partijen een overeenkomst van geldlening hebben gesloten en subsidiair dat sprake is van onverschuldigde betaling. Er lag volgens haar zonder overeenkomst geen rechtsgrond ten grondslag aan de betaling.
3.3
De man heeft verweer gevoerd. Hij heeft betwist dat sprake is van een overeenkomst van geldlening en heeft aangevoerd dat sprake is van een schenking.
3.4
De kantonrechter heeft de zaak op 18 september 2024 mondeling behandeld. Van de mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
3.5
Bij vonnis van 17 oktober 2024 (hierna: het vonnis) heeft de kantonrechter de man veroordeeld om aan de vrouw een bedrag van € 7.000 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.6
De kantonrechter oordeelde eerst onder het kopje ‘De lening staat niet vast’:
“4.2 [De vrouw] heeft ter onderbouwing van de lening een print van een op 28 januari 2024 gedateerde overeenkomst overgelegd. Zij stelt dat zij deze samen met [de man] op haar computer heeft gemaakt en digitaal ondertekend. [De man] betwist dit en voert aan, dat zijn handtekening onder deze tekst is vervalst.De overgelegde uitdraai bevat geen handtekening die [de man] heeft gezet, want [de vrouw] heeft het hele document gemaakt. Omdat nergens de instemming van [de man] uit blijkt, kan aan deze uitdraai geen bewijskracht worden toegekend.
4.3 [
De vrouw] heeft nog een verklaring van haar broer overgelegd. Hij heeft haar ‘in de periode van 1 februari’ telefonisch gesproken en toen heeft hij gehoord dat zij haar ex-partner geld zou lenen om de notaris te betalen. Deze verklaring stemt niet overeen met de verklaring van [de vrouw] op de zitting. Zij verklaarde dat zij op 28 januari 2024 samen met [de man], met wie ze toen juist weer een relatie had, op de bank in haar kamer op haar computer aan de overeenkomst zat te werken toen haar broer belde. [De man] betwist dit, zodat de juistheid van deze verklaring niet vast staat.Zelfs als de verklaring van de broer juist zou zijn, dan nog is dit onvoldoende om te kunnen oordelen dat de lening vast staat.
4.4 [
De vrouw] heeft de betwiste lening onvoldoende onderbouwd, dus die komt niet vast te staan.”
[voetnoten niet overgenomen, A-G]
3.7
De kantonrechter oordeelde vervolgens als volgt over de vraag of de vrouw recht heeft op terugbetaling van het bedrag van € 7.000:
“4.5 [De vrouw] stelt - als de lening niet komt vast te staan - dat zij zonder rechtsgrond € 7.000,00 aan [de man] heeft betaald, zodat hij het bedrag om die reden terug moet betalen.
4.6 [
De man] betwist dat er geen rechtsgrond voor de betaling was en voert in dat verband aan, dat [de vrouw] hem dit bedrag heeft geschonken.
4.7 [
De man] neemt over [de] reden waarom [de vrouw] hem het geld heeft gegeven wisselende standpunten in. In zijn conclusie staat dat er over terugbetaling niet is gesproken en op de zitting verklaart hij dat [de vrouw] had gezegd dat hij niet hoefde terug te betalen. Dat [de vrouw] het geld heeft geschonken blijkt dus onvoldoende.
4.8
Bovendien had [de man] moeten begrijpen, dat de betaling is gedaan, omdat het er toen op leek, dat partijen (toch) samen verder zouden gaan. Dan is een bijdrage in een woning, waar partijen eventueel samen met hun kinderen konden gaan wonen, een investering in de gezamenlijke toekomst. Zelfs als het een schenking zou zijn, had hij moeten begrijpen dat deze gedaan was onder de voorwaarde, dat de relatie bestendig zou zijn geworden. Dat ws niet het geval was vrijwel direct na ontvangst van het bedrag was de relatie weer uit.
4.9
De wettelijke rente over € 7.000,0 is verschuldigd vanaf 25 april 2024, omdat [de man] op 10 april 2024 schriftelijk in gebreke is gesteld en niet binnen 14 dagen heeft betaald.
4.10
Het heeft er alle schijn van dat [de vrouw] voor deze procedure een digitaal document heeft gemaakt buiten medeweten van [de man]. Daar staat tegenover, dat [de man] makkelijk zijn standpunt wijzigt als hem dat beter uitkomt. Beide partijen lijken niet veel om de waarheid te geven in deze procedure. Omdat zij in dit opzicht aan elkaar gewaagd zijn, is er geen reden sancties op te leggen aan een van partijen.”
[voetnoten niet overgenomen, A-G]
In hoger beroep
3.8
De man is, onder aanvoering van vier grieven, in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het hof).
3.9
De vrouw heeft verweer gevoerd.
3.10
Bij arrest van 4 november 2025 heeft het hof het vonnis van de kantonrechter vernietigd voor zover daarin de man is veroordeeld tot betaling van € 7.000 en de wettelijke rente. Het hof heeft de vordering van de vrouw alsnog afgewezen
3.11
Het hof heeft als volgt geoordeeld:
“Schending van de waarheidsplicht (grief I)
5.1
In eerste aanleg heeft de vrouw primair gesteld dat er tussen haar en de man een geldleningsovereenkomst is gesloten ter zake van het door haar aan de man verstrekte bedrag van € 7.000,-. Zij stelt dat zij deze samen met de man op haar computer heeft gemaakt en digitaal ondertekend. [De man] betwist dit en voert aan, dat zijn handtekening onder deze tekst is vervalst. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een lening van de vrouw aan de man. De kantonrechter heeft hieraan ten grondslag gelegd dat, nu het door de vrouw overgelegde document geen handtekening bevat die door de man zelf is gezet, nergens de instemming van de man uit blijkt en dus aan de overgelegde uitdraai van de geldleningsovereenkomst geen bewijskracht kan worden toegekend. Ook de verklaring van de broer van de vrouw is daartoe onvoldoende, aldus de kantonrechter.
5.2
Tegen dit oordeel is het hoger beroep niet gericht. De man stelt in hoger beroep echter wel dat de kantonrechter de inleidende vordering – die op een andere grond is toegewezen – had moeten afwijzen omdat de vrouw wat betreft het bovenstaande de waarheidsplicht van artikel 21 van het Wetboek Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft geschonden. De man stelt dat de vrouw in de door haar overgelegde geldleningsovereenkomst zijn (digitale) handtekening heeft vervalst. Hieraan had de kantonrechter een passend gevolg moeten geven, namelijk afwijzing van de inleidende vordering.
5.3
Artikel 21 Rv bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt deze verplichting niet nageleefd, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. De rechter bepaalt zelf of hij aan een dergelijke schending gevolgen verbindt en zo ja, welke dit zijn.
5.4
Het hof stelt voorop dat het feit, dat de kantonrechter geen bewijskracht toekent aan de overgelegde uitdraai van de leningsovereenkomst, niet automatisch met zich brengt dat in rechte vast is komen te staan dat de overgelegde uitdraai is vervalst. Het hof kan – gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de vrouw – niet vaststellen dat de in het geding gebrachte leningsovereenkomst valselijk is opgemaakt en de handtekening buiten medeweten van de man onder het door de vrouw overgelegde document is geplaatst. Dit betekent dat grief I om die reden al niet kan slagen.
Wisselende standpunten, feitelijke grondslag, onverschuldigde betaling (grieven II en III)
5.5
In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de man veroordeeld tot terugbetaling van het bedrag van € 7.000,-. Daarbij heeft de kantonrechter overwogen dat de man wisselende standpunten inneemt over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven, en dat dan ook onvoldoende blijkt dat de vrouw de man het geld heeft geschonken. Zelfs als het een schenking zou zijn, had de man moeten begrijpen dat deze is gedaan onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden, hetgeen niet het geval is, aldus de kantonrechter.
5.6
De man is het met deze overwegingen niet eens. Hij betwist wisselende standpunten te hebben ingenomen (grief II) en stelt dat de kantonrechter ten onrechte de feitelijke gronden heeft aangevuld door te overwegen dat de man had moeten begrijpen dat de betaling is gedaan toen het erop leek dat partijen (toch) samen verder zouden gaan (grief III). Volgens hem is dit niet door de vrouw aan haar vordering ten grondslag gelegd.
5.7
Het hof is van oordeel dat de kantonrechter niet de feitelijke gronden heeft aangevuld, aangezien uit het proces-verbaal van de zitting volgt dat tijdens de zitting met partijen is besproken dat de betaling van het bedrag van € 7.000,- heeft plaatsgevonden met het oog op het samen verder gaan van partijen. De vrouw heeft klaarblijkelijk naar voren willen brengen dat, nu dit niet is gebeurd, (ook) hierin een reden is gelegen dat de man het geld moet terugbetalen. De vrouw doet daarbij (subsidiair) een beroep op onverschuldigde betaling als grondslag voor haar vordering. Een schenking onder een voorwaarde kan, afhankelijk van de vervulling van die voorwaarde, leiden tot een onverschuldigde betaling, waardoor er alsnog moet worden terugbetaald. Grief III van de man faalt daarom. Grief II van de man slaagt wel, aangezien de kantonrechter aan zijn oordeel tot terugbetaling door de man mede ten grondslag heeft gelegd dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen in de procedure. Dit laatste blijkt echter niet uit de overgelegde stukken. Dit brengt mee dat het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
5.8
Voor toewijzing van een vordering uit onverschuldigde betaling ex artikel 6:203 BW is vereist dat er zonder rechtsgrond een betaling heeft plaatsgevonden. De vrouw moet als eisende partij feiten en omstandigheden stellen, en zo nodig bewijzen, waaruit blijkt dat er een rechtsgrond ontbreekt. Dit is niet veranderd door de stelling van de man, in het kader van zijn betwisting, dat sprake is van een schenking. Niet ter discussie staat dat de man de woning niet kon kopen zonder het bedrag van € 7.000, - te krijgen en dat hij dit bedrag heeft gestoken in de aanschaf van de woning. De vrouw heeft de man het bedrag bewust gegeven voor de aankoop van de woning, terwijl duidelijk was dat de man dit niet zomaar zou kunnen terugbetalen, en zonder dat het hof kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling daarvan of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof kan uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen. Dat sprake was van een voorwaardelijke schenking, kan dan ook niet worden vastgesteld.
5.9
Nu er verder ook geen bewijsaanbod is gedaan in hoger beroep, is de vrouw niet in haar onderbouwing geslaagd. Dit betekent dat de grief van de man doel treft, zodat het hof het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende vordering van de vrouw alsnog zal afwijzen.”
In cassatie
3.12
Bij procesinleiding van 2 februari 2026 heeft de vrouw – tijdig – cassatieberoep ingesteld van het arrest van 4 november 2025 (hierna: het arrest). Tegen de man is verstek verleend.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel is opgebouwd uit drie onderdelen.
Onderdeel 1 (‘Negatieve zijde devolutieve werking’)
4.2
Het eerste onderdeel bevat een inleiding. Daarin worden achtereenvolgens de rechtsoverwegingen 4.7 en 4.8 van het vonnis van de kantonrechter, de grieven II en III en de rechtsoverwegingen 5.7 tot en met 5.9 van het bestreden arrest samengevat weergegeven.
4.3
Het onderdeel bevat vervolgens twee subonderdelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Subonderdeel 1.1 bevat een rechtsklacht die, als ik het goed zie, is gericht tegen de volgende oordelen:
- Het hof kan niet vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling van het bedrag van € 7.000 of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan (r.o. 5.8).
- Uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd kan niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen (r.o. 5.8).
- Grief II van de man slaagt en de vordering van de vrouw zal alsnog worden afgewezen (r.o. 5.9).
4.4
Volgens het subonderdeel heeft het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking miskend. Het subonderdeel voert daartoe, geparafraseerd en puntsgewijs weergegeven, het volgende aan:
- Tegen het oordeel over de voorwaardelijke schenking in r.o. 4.8 van het vonnis is de man in grief III alleen opgekomen met het betoog dat de kantonrechter in strijd met art. 24 Rv de feitelijke grondslag van de vordering van de vrouw heeft aangevuld. De man heeft niet inhoudelijk gegriefd tegen dit oordeel.
- Het hof heeft geoordeeld dat grief III faalt. Daarmee stond vast dat, indien sprake was van een schenking, deze voorwaardelijk was.
- Het slagen van grief II tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.7 dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen, maakt niet dat het hof vervolgens, buiten de grieven om, kon oordelen over de vraag of de schenking voorwaardelijk was gedaan.
4.5
Subonderdeel 1.2 bevat een motiveringsklacht. De klacht veronderstelt dat het hof in de grieven van de man een stelling heeft gelezen met de strekking dat hij de aan de schenking gestelde voorwaarde betwist. Volgens het subonderdeel is het oordeel in dat geval onbegrijpelijk. Het subonderdeel stelt dat de man in grief II uitsluitend heeft betoogd dat de beslissing van de kantonrechter dat hij wisselende standpunten over de rechtsgrond voor de betaling heeft ingenomen, onjuist is en dat hij in grief III uitsluitend heeft aangevoerd dat de kantonrechter de feitelijke grondslag van de vordering van de vrouw in strijd met art. 24 Rv heeft aangevuld. Het subonderdeel stelt dat ook overigens in de memorie van grieven nergens een inhoudelijke grief kan worden gelezen tegen het oordeel van de kantonrechter dat de man had moeten begrijpen dat een eventuele schenking voorwaardelijk was.
4.6
Ik zal eerst nader ingaan op het vonnis van de kantonrechter.
4.7
De kantonrechter heeft eerst geoordeeld dat niet vast is komen te staan dat sprake is van een lening van de vrouw aan de man (r.o. 4.4). De vrouw heeft haar standpunt dat sprake was van een overeenkomt van geldlening in hoger beroep prijsgegeven. Dit dient in cassatie tot uitgangspunt.
4.8
De kantonrechter heeft vervolgens de subsidiaire grondslag van de vordering van de vrouw beoordeeld. De vrouw betoogde dat zij zonder rechtsgrond € 7.000 aan de man heeft betaald. De kantonrechter zet niet uiteen wat de vrouw in dat verband heeft aangevoerd. De man heeft ter betwisting aangevoerd dat de vrouw hem het bedrag heeft geschonken. De kantonrechter heeft geoordeeld dat de man over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven wisselende standpunten heeft ingenomen, en dat “dus” onvoldoende blijkt dat de vrouw hem het geld heeft geschonken (r.o. 4.7, slot). De kantonrechter oordeelde vervolgens in r.o. 4.8 dat de man “bovendien” had moeten begrijpen dat de betaling is gedaan aangezien het er toen op leek dat partijen (toch) samen verder zouden gaan. Zelfs als het een schenking zou zijn, zo oordeelde de kantonrechter, had de man moeten begrijpen dat deze was gedaan was onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden. Aangezien de relatie tussen partijen vrijwel direct na ontvangst van het bedrag door de man weer voorbij was, is deze voorwaarde niet in vervulling gegaan. Dit leidde tot het oordeel dat de man is gehouden om het door hem ontvangen bedrag van € 7.000 aan de vrouw terug te betalen.
4.9
Uit het vonnis blijkt niet duidelijk op welke grondslag de kantonrechter de vordering van de vrouw nu precies heeft toegewezen. De kantonrechter heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat sprake is van een geldlening. Voorts blijkt volgens de kantonrechter onvoldoende dat sprake is geweest van een schenking. Als – naar het mij voorkomt – alternatief dragende reden voor de terugbetalingsverplichting overweegt de kantonrechter dat “zelfs als het een schenking zou zijn”, de man had moeten begrijpen dat deze gedaan was onder de voorwaarde, dat de relatie bestendig zou zijn geworden”. Kortom, de vrouw heeft onverschuldigd € 7000 aan de man betaald, omdat er geen overeenkomst aan de betaling ten grondslag lag (geldlening noch schenking), althans omdat er sprake van een voorwaardelijke schenking waarvan de voorwaarde niet in vervulling is gegaan.
4.10
De man heeft hoger beroep ingesteld. Grief I is in cassatie niet meer van belang. Grief II richtte zich tegen het oordeel van de kantonrechter in r.o. 4.7 dat de man over de reden waarom de vrouw hem het geld heeft gegeven, wisselende standpunten heeft ingenomen. De man stelt dat dit niet het geval is geweest. Voor de bespreking van de klachten acht ik het zinvol om een deel van de toelichting op de grief weer te geven:
“16. Omdat [de vrouw] middels een valse leenovereenkomst heeft willen aantonen dat er sprake was van een overeenkomst van geldlening, heeft [de man] bij conclusie van antwoord betwist dat er sprake was van een geldlening. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er niet gesproken is over een lening of terugbetalen. Terugbetalen is een wezenlijk aspect van een leenovereenkomst.
17. In de conclusie van antwoord is [de man] niet verder ingegaan op zijn standpunt dat het geldbedrag aan hem is geschonken. Dat is wel ter zitting nogmaals door hem naar voren gebracht. Een verweer dat ook al in de dagvaarding van [de vrouw] stond vermeld en dus ook bij haar en ook bij de kantonrechter bekend was.
18. Op grond van het hiervoor gestelde had de kantonrechter in r.o. 4.10 nimmer de conclusie mogen trekken dat [de man] gemakkelijk zijn standpunt wijzigt als dat hem uitkomt en dat hij niet om de waarheid zou geven. Daarvan is nimmer sprake geweest.
19. Het feit dat [de vrouw] zover is gegaan om een leenovereenkomst te vervalsen maakt enerzijds al hetgeen zij bij inleidende dagvaarding heeft gesteld ongeloofwaardig en anderzijds hetgeen door [de man] is aangevoerd over de schenking juist aannemelijk. Van de door de kantonrechter gestelde wisselende standpunten is dan ook geen sprake geweest.
20. Vervolgens merkt [de man] op dat hij, omdat hij niet juridisch is onderlegd, niet eerder inhoudelijk heeft gereageerd op het standpunt van [de vrouw] dat het bedrag van € 7.000,00 op grond van onverschuldigde betaling zou moeten worden terugbetaald.
21. Reden waarom [de man] thans stelt dat van een onverschuldigde betaling geen sprake is geweest, omdat [de vrouw] het geldbedrag aan [de man] heeft geschonken. Er is met andere woorden door [de vrouw] géén prestatie zonder rechtsgrond verricht.
(…)”
4.11
Het hof heeft geoordeeld dat de grief slaagt. Het hof heeft daartoe overwogen dat de kantonrechter aan zijn oordeel tot terugbetaling door de man mede ten grondslag heeft gelegd dat de man wisselende standpunten heeft ingenomen in de procedure en dat dit laatste echter niet blijkt uit de overgelegde stukken. Dit brengt, zo oordeelde het hof, mee dat het hof de zaak inhoudelijk zal beoordelen.
4.12
Uit het slot van r.o. 5.7 kan worden afgeleid dat het hof grief II kennelijk zo heeft begrepen dat de man daarin niet alleen opkwam tegen het oordeel van de kantonrechter dat geen sprake is van een schenking (r.o. 4.7), maar óók tegen het voor de beslissing van de kantonrechter alternatief dragende oordeel in r.o. 4.8 dat sprake is van een voorwaardelijke schenking. Het slagen van grief II bracht het hof er immers toe om in r.o. 5.8 opnieuw te oordelen over de vraag of de vrouw een vordering uit onverschuldigde betaling heeft. Ik acht de uitleg van het hof niet onbegrijpelijk in het licht van de hiervoor in 4.10 weergegeven passage. Daaruit, en in het bijzonder de randnummers 20 en 21, blijkt dat de man het niet eens is met het oordeel van de kantonrechter. Hij bepleit dat sprake is geweest van een schenking zonder terugbetalingsverplichting. In dat standpunt ligt besloten dat de man ook bestrijdt dat sprake is van de voorwaardelijke schenking zoals de kantonrechter die heeft aangenomen. Bovendien kan uit grief III met enige goede wil worden afgeleid dat de man het inhoudelijk niet eens was met het oordeel van de kantonrechter dat, zelfs als het een schenking zou zijn, hij had moeten begrijpen dat deze gedaan was onder de voorwaarde dat de relatie bestendig zou zijn geworden.
4.13
In het licht van het voorgaande kon het hof naar mijn mening de stellingen van de vrouw en het verweer van de man opnieuw beoordelen. Dit heeft het hof ook gedaan. Ik herhaal de volgende passage:
“Niet ter discussie staat dat de man de woning niet kon kopen zonder het bedrag van € 7.000, - te krijgen en dat hij dit bedrag heeft gestoken in de aanschaf van de woning. De vrouw heeft de man het bedrag bewust gegeven voor de aankoop van de woning, terwijl duidelijk was dat de man dit niet zomaar zou kunnen terugbetalen, en zonder dat het hof kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling daarvan of dat de verstrekking van het bedrag onder voorwaarden zou zijn gedaan. Naar het oordeel van het hof kan uit hetgeen door de vrouw is aangevoerd niet de conclusie worden getrokken dat de man had moeten begrijpen dat hij bij beëindiging van de relatie het geldbedrag zou moeten terugbetalen. Dat sprake was van een voorwaardelijke schenking, kan dan ook niet worden vastgesteld.”
4.14
Uit hetgeen hiervoor is overwogen, kan worden geconcludeerd dat het hof de negatieve zijde van de devolutieve werking niet heeft miskend.
4.15
Gelet op het voorgaande slagen de rechtsklacht van subonderdeel 1.1 en de motiveringsklacht van subonderdeel 1.2 niet.
Onderdeel 2 (‘Positieve zijde devolutieve werking’)
4.16
Het tweede onderdeel is gericht tegen het oordeel in r.o. 5.9 dat, nu er verder ook geen bewijsaanbod is gedaan in hoger beroep, de vrouw niet in haar onderbouwing is geslaagd, en de daaropvolgende conclusie dat de grief van de man doel treft, dat het bestreden vonnis wordt vernietigd en dat de vordering van de vrouw alsnog wordt afgewezen.
4.17
Het onderdeel bevat twee subonderdelen, die zich voor gezamenlijke bespreking lenen. Subonderdeel 2.1 betoogt dat, zo het hof niet reeds als vaststaand had moeten aannemen dat de vrouw aan de schenking de voorwaarde had verbonden dat de relatie tussen haar en de man bestendig was (zie onderdeel 1), het hof de vrouw in verband met het slagen van grief II had moeten toelaten “tot het leveren van bewijs dat die voorwaarde aan de schenking verbonden was.” Het subonderdeel stelt dat de vrouw in eerste aanleg bewijs heeft aangeboden van al haar stellingen, en specifiek van de stelling dat geen sprake was van een schenking. Daarin ligt, zo stelt het subonderdeel, besloten een bewijsaanbod dat aan de schenking de opschortende voorwaarde is verbonden van een bestendige relatie. Met het oordeel in r.o. 5.7 dat het hof met het slagen van grief II de zaak inhoudelijk zal beoordelen en het oordeel in r.o. 5.8 dat het hof niet kan vaststellen dat partijen afspraken hebben gemaakt over een eventuele terugbetaling van het verstrekte bedrag of dat de verstrekking onder voorwaarden zou zijn gedaan, kwam volgens het subonderdeel ook het bewijsaanbod van de vrouw in eerste aanleg weer “in het vizier.” Het onderdeel bevat de klacht dat het hof met het bestreden oordeel in zoverre de positieve zijde van de devolutieve werking heeft miskend. Volgens het subonderdeel had het hof het bewijsaanbod van de vrouw in eerste aanleg bij zijn beslissing moeten betrekken en, als voldoende specifiek en ter zake dienend, moeten honoreren. Dat de vrouw, zo vervolgt het subonderdeel, dat bewijsaanbod in hoger beroep niet heeft herhaald, maakt dat niet anders.
4.18
Subonderdeel 2.2 bevat de klacht dat, voor zover het hof meende te kunnen volstaan met een beoordeling van de stellingen van partijen zonder in te gaan op het bewijsaanbod van de vrouw, dat oordeel eveneens blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Het subonderdeel stelt dat het bewijsaanbod van de vrouw in de inleidende dagvaarding ter zake dienend was en voldoende specifiek, zodat de vrouw tot nadere bewijslevering moest worden toegelaten voordat het hof kon toekomen aan een definitieve waardering van de stellingen (en eventuele overige bewijsmiddelen) van partijen. In dit verband is volgens het subonderdeel mede van belang dat aangenomen moet worden dat het bewijsaanbod ook een aanbod tot het leveren van getuigenbewijs omvatte. De enkele omstandigheid dat in eerste aanleg niet uitdrukkelijk ook is vermeld dat bewijs werd aangeboden door middel van het horen van getuigen, maakt dat niet anders, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel stelt dat de omstandigheid dat de vrouw in hoger beroep niet alsnog uitdrukkelijk getuigenbewijs heeft aangeboden, dit ook niet anders maakt, aangezien het bewijsaanbod in eerste aanleg met het slagen van grief II binnen de grenzen van het door de grieven ontsloten deel van de rechtsstrijd lag en door het hof bij zijn beslissing had moeten worden betrokken. In het geval dat het hof van oordeel zou zijn dat het in eerste aanleg gedane bewijsaanbod niet voldoende ter zake dienend en specifiek is, is dat oordeel volgens het subonderdeel onbegrijpelijk in het licht van de tekst van het bewijsaanbod, waarin uitdrukkelijk bewijs wordt aangeboden van het feit dat geen sprake is geweest van schenking en dus wel van een onverschuldigde betaling.
4.19
Het bewuste bewijsaanbod (inleidende dagvaarding, onder punt 7) luidt:
“Eisers [de vrouw en haar vader, A-G] bieden bewijs aan van al h[u]n stellingen, door alle middelen rechtens, zonder daarmee enige onverplichte bewijslast op zich te nemen. Meer specifiek bieden eisers bewijs aan van hun stelling dat er sprake is van een overeenkomst van geldlening en niet van een schenking.”
4.20
Art. 166 lid 1 Rv bepaalt dat een verhoor van getuigen plaatsvindt als bewijs door getuigen bij de wet is toegelaten en een partij bewijs heeft aangeboden van feiten die betwist zijn en die tot de beslissing van de zaak kunnen leiden. Volgens vaste jurisprudentie dient een bewijsaanbod, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, voldoende concreet en specifiek te zijn. Daarmee wordt bedoeld dat duidelijk moet zijn op welke (relevante) feiten het bewijsaanbod betrekking heeft en wie daarover kunnen verklaren. Of een bewijsaanbod voldoende concreet en specifiek is, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval.
4.21
Als de devolutieve werking al meebrengt dat door het slagen van grief II het bewijsaanbod van de vrouw in eerste aanleg weer in beeld kwam, dan moet mijns inziens worden aangenomen dat dit bewijsaanbod klaarblijkelijk niet voldoende concreet en specifiek is en naar mijn mening daarnaast ook niet ter zake dienend. De vrouw heeft “bewijs” aangeboden van haar standpunt dat sprake is van een overeenkomst van geldlening (wat, indien bewezen, meebrengt dat van een schenking geen sprake is). Het bewijsaanbod ziet op een (negatief) rechtsgevolg en verduidelijkt niet op welke (relevante) feiten het betrekking heeft en wie daarover kan verklaren. In de eerste plaats is het bewijsaanbod dus evident niet feitelijk genoeg, in de tweede plaats was de grondslag van geldlening in hoger beroep niet meer aan de orde. Zie hiervoor in alinea 4.7. Het hof kon dus om twee redenen aan het bewijsaanbod voorbijgaan. De klachten stuiten hierop af.
4.22
Ook onderdeel 2 kan dus niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 3 (‘Voortbouwklacht’)
4.23
Het derde onderdeel bouwt uitsluitend voort op de klachten van de hiervoor besproken onderdelen, die niet tot cassatie kunnen leiden.
5Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Hof Den Haag 4 november 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2861, randnummers 2.1-2.4.
De vordering is mede ingesteld door de vader van de vrouw. Die zou het bedrag ter beschikking hebben gesteld. De kantonrechter heeft de vordering, voor zover die is ingesteld door de vader, afgewezen (r.o. 4.1). Dit punt is thans niet meer aan de orde.
Rb. Rotterdam (ktr.) 17 oktober 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:9954.
De tekst van de laatste zin van r.o. 4.8 loopt niet goed. Ik heb de tekst letterlijk overgenomen.
Zie het bestreden arrest, r.o. 5.2 (eerste zin), en de procesinleiding onder punt 4 (slot).
In de inleidende dagvaarding onder 5 staat: “Er lag immers zonder overeenkomst geen rechtsgrond ten grondslag aan de betaling.”
Ik geef toe dat ik hier, in navolging van de procesinleiding, in zekere zin invulling geef aan de uitspraak. Dat van een schenking onder opschortende voorwaarde sprake zou zijn, heeft de kantonrechter niet uitdrukkelijk beslist. Gelet op de formulering van r.o. 4.8 ligt dat m.i. wel meer voor de hand dan dat geoordeeld is dat sprake is van een ontbindende voorwaarde dat de relatie niet bestendig zou zijn geworden (alhoewel dat misschien een beter passende schoen zou zijn geweest). Voor de goede orde merk ik nog op dat de betaling zelf niet voorwaardelijk is: de feitelijke handeling is er wel of niet.
Ik merk op dat deze oordelen (overwegingen) in cassatie niet zelfstandig worden bestreden.
Dit blijkt ook uit de eerste zin van r.o. 5.6: “De man is het met deze overwegingen niet eens.”
Zie: Tekst & Commentaar Burgerlijke rechtsvordering, 2026, art. 166, aant. 4b (F.J.P. Lock), met verwijzing naar o.m. HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3075, NJ 2014/485.
Ik merk in dat verband overigens op dat de vrouw in de inleidende dagvaarding geen concrete stellingen heeft ingenomen over waarom van een (onvoorwaardelijke) schenking geen sprake is.