Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:867
2026-09-11
Civiel recht
25/03749
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bewaarneming. Toerekenbaarheid tekortkoming bewaarnemer. Zorgplicht bewaarnemer (art. 7:602 BW). Invloed contractuele verzekeringsplicht bewaargever op zorgplicht bewaarnemer inzake treffen maatregelen tegen diefstal. Uitleg algemene voorwaarden. Exoneratiebeding in algemene voorwaarden (art. 6:237, aanhef en onder f BW).
Citeert (12)
- ECLI:NL:RBGEL:2023:7388 Rechtbank Gelderland 22-11-2023
- ECLI:NL:HR:1993:ZC0986 Hoge Raad 04-06-1993
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2511 Hoge Raad 28-11-1997
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2511 Hoge Raad 28-11-1997
- ECLI:NL:GHSHE:2022:2686 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-08-2022
- ECLI:NL:RBROT:2022:9039 Rechtbank Rotterdam 19-10-2022
- ECLI:NL:HR:1997:ZC2511 Hoge Raad 28-11-1997
- ECLI:NL:RBAMS:2019:10227 Rechtbank Amsterdam 28-08-2019
- ECLI:NL:RBGEL:2018:1806 Rechtbank Gelderland 25-04-2018
- ECLI:NL:RBZUT:2003:AQ8956 Rechtbank Zutphen 09-07-2003
- ECLI:NL:HR:2026:97 Hoge Raad 23-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1204 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (89.670 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03749
Zitting 11 september 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Anthevast B.V. (hierna: Anthevast)
tegen
UVM Verzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: UVM)
Inleiding
Deze zaak gaat mede over de vraag of Anthevast heeft voldaan aan haar zorgplicht als goed bewaarnemer (art. 7:602 BW) met betrekking tot een uit haar stalling gestolen camper. Het hof oordeelde dat dit niet het geval is en dat Anthevast aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Hiertegen komt Anthevast in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1Feiten
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.8 van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het arrest respectievelijk het hof).
1.2
Het gaat in deze zaak om de vraag of Anthevast tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingovereenkomst die zij had met een verzekerde van UVM (hierna: de stallingovereenkomst) en of Anthevast de daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden. De achtergrond daarvan is het volgende.
1.3
UVM is een verzekeringsmaatschappij. Zij biedt onder andere verzekeringen voor campers aan. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) had zijn camper bij UVM verzekerd tegen schade door diefstal.
1.4
Anthevast was tot 1 januari 2023 de exploitant van Caravanstalling Lingewaard (hierna: de stalling), die was gevestigd in een voormalige veilinghal in Bemmel. Op 23 augustus 2014 heeft [betrokkene 1] met de stalling (Anthevast) een stallingovereenkomst gesloten, waarin onder meer is opgenomen:
“5) Stallingnemer is verplicht een brand-/storm en diefstalverzekering af te sluiten (…)
6) Stallingnemer verklaart zich akkoord met de bijgevoegde algemene voorwaarden en tarieven.”
1.5
De Algemene Voorwaarden Caravanstalling Lingewaard van 2014 (hierna: de av) bevatten de volgende bepaling:
“Artikel 5: aansprakelijkheid
5.1
De bewaarneming van de zaak is voor eigen rekening en risico van stallingnemer. De zaak wordt bewaard in de stallingruimte welke voor onbevoegden is afgesloten. Het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht.
5.2
Stallingnemer dient de zaak, inclusief toebehoren, afdoende en deugdelijk te verzekeren tegen voorkomende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld schade, brand en diefstal. Stallinghouder heeft het recht op inzage in de verzekeringspolis.
5.3
Stallinghouder is nimmer aansprakelijk voor directe en/of indirecte schade aan de zaak en/of stallingnemer en/of (zaken van) derden, behoudens in het geval dat sprake is van opzet of grove schuld zijdens stallinghouder. Indien stallinghouder toch aansprakelijk is, dan is die aansprakelijkheid beperkt tot maximaal het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd. Indien schade niet onder enige dekking valt is stallinghouder niet aansprakelijk.”
1.6
Op 5 oktober 2022 heeft de beheerder van de stalling bij de politie aangifte gedaan van inbraak. In het proces-verbaal van aangifte staat dat de beheerder op 30 september 2022 voor het laatst in zijn kantoor aanwezig was. Op zaterdag 1 oktober 2022 waren er twee andere medewerkers aanwezig, omdat de beheerder zich had ziekgemeld. Op 5 oktober 2022 kwam de beheerder weer op het kantoor en zag toen dat er was ingebroken. De beheerder verklaart in het proces-verbaal van aangifte dat hij op 5 oktober 2022 rond 9.00 uur zag dat de kluis in het kantoor was opengebroken en dat dit met een slijptol gebeurd moest zijn. Hij zag dat het schuifraampje open stond. Dat stond ook open toen hij op 30 september 2022 het pand verliet.
1.7
Op 19 oktober 2022 heeft [betrokkene 1] via een online ophaalformulier op de website van de stalling laten weten dat hij zijn camper op 21 oktober 2022 wilde komen ophalen. De stalling heeft bevestigd dat de camper dan klaar zou staan. Bij het ophalen op 21 oktober 2022 bleek echter dat de camper van [betrokkene 1] niet meer aanwezig was.
1.8
[betrokkene 1] heeft bij zijn verzekeraar UVM melding gemaakt van diefstal. In opdracht van UVM is op 2 november 2022 een schaderapport opgemaakt. In dit rapport is voor de camper een dagwaarde van € 110.000,- opgenomen en voor de inventaris een dagwaarde van € 3.084,- (later aangepast naar € 3.059,-). UVM heeft de schade vervolgens conform de polisvoorwaarden aan [betrokkene 1] vergoed. UVM is daarmee als verzekeraar in de rechten van verzekerde [betrokkene 1] gesubrogeerd.
1.9
Tussen partijen heeft eerder een gerechtelijke procedure plaatsgevonden over een eerdere diefstal van een camper uit de stalling in 2020. Partijen hebben die kwestie uiteindelijk medio oktober 2022 minnelijk geregeld.
2Procesverloop
In eerste aanleg
2.1
UVM heeft Anthevast bij dagvaarding van 24 februari 2023 betrokken in een procedure voor de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank). UVM vorderde, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van verplichtingen op basis van de stallingovereenkomst;
II. Anthevast veroordeelt tot betaling van de schade ten bedrage van € 113.059,-, althans een bedrag dat de rechtbank rechtvaardig acht;
met veroordeling van Anthevast in de proceskosten.
2.2
Op 26 april 2023 heeft Anthevast een conclusie van antwoord ingediend.
2.3
Op 21 september 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Op 22 november 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen (hierna: het vonnis). Daarbij heeft zij, samengevat, de vorderingen van UVM afgewezen en UVM veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Anthevast.
In hoger beroep
2.5
Bij appeldagvaarding van 16 februari 2024 is UVM in hoger beroep gekomen van het vonnis.
2.6
Op 30 mei 2024 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden bij het hof, ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.7
Op 16 juli 2024 heeft UVM een memorie van grieven ingediend. Hierin heeft zij gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en de vorderingen van UVM in eerste aanleg alsnog toewijst, met veroordeling van Anthevast in de kosten van beide instanties, alles zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
2.8
Op 24 september 2024 heeft Anthevast een memorie van antwoord ingediend.
2.9
Op 21 januari 2025 heeft Anthevast een akte (overlegging producties) genomen, op 18 februari 2025 gevolgd door een antwoordakte van UVM.
2.10
Het hof heeft in het arrest, samengevat:
- het vonnis vernietigd;
- voor recht verklaard dat Anthevast toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de stallingovereenkomst;
- Anthevast veroordeeld tot betaling van € 113.059,- aan UVM;
- Anthevast veroordeeld tot betaling van de proceskosten van UVM in eerste aanleg en hoger beroep;
- de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het verder gevorderde afgewezen.
2.11
Hiertoe overwoog het hof, samengevat, als volgt.
- De stallingovereenkomst is een overeenkomst van bewaarneming (art. 7:600 BW). Op de bewaarnemer rust de verplichting om bij de bewaring actief de zorg van een goed bewaarnemer in acht te nemen (art. 7:602 BW). De bewaarnemer moet de zaak weer in de staat waarin deze is ontvangen, teruggeven aan de bewaargever (art. 7:605 BW). (rov. 3.4)
- Als een bewaarnemer de zaak niet kan teruggeven, schiet hij in beginsel tekort in de nakoming van de overeenkomst en is hij schadeplichtig. Dit is echter anders als de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, wat het geval kan zijn als hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De bewijslast hiervan rust op de bewaarnemer. (rov. 3.5)
- Anthevast diende als bewaarnemer actief zorg te dragen voor de camper en moest deze in dezelfde staat als waarin deze was ontvangen aan [betrokkene 1] teruggeven. Zij kan als gevolg van de diefstal niet voldoen aan haar teruggaveplicht en schiet daardoor tekort in de nakoming van de stallingovereenkomst. Anthevast stelt dat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend, omdat zij aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. Het is aan Anthevast om dit te bewijzen. (rov. 3.6)
- Bij het bepalen van de invulling van de zorgplicht van de bewaarnemer gaat het erom wat de bewaargever in de concrete omstandigheden van de bewaarnemer mag verwachten. In dit geval zijn de volgende omstandigheden van belang. De stallingovereenkomst bepaalt dat de bewaargever ( [betrokkene 1] ) een verzekering tegen diefstal afsluit. In art. 5.1 av is opgenomen dat Anthevast de zaak (de camper) bewaart in een voor onbevoegden afgesloten ruimte en dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht. Verder is van belang dat het gaat om een caravanstalling waar naar hun aard in elk geval voor een deel kostbare zaken worden gestald en dat Anthevast een professionele bewaarnemer is, die in haar stalling meer dan 2.000 plaatsen beschikbaar stelt. Tot slot is relevant dat de caravanstalling was gevestigd in een voormalige veilinghal. (rov. 3.7-3.9)
- In dit geval zijn [betrokkene 1] en Anthevast overeengekomen dat [betrokkene 1] voor een diefstalverzekering moet zorgen. Deze bepaling in de stallingovereenkomst brengt echter niet mee dat de zorgplicht van Anthevast om maatregelen te treffen ter beperking van het risico op diefstal minder ver reikt. De bepaling bevrijdt Anthevast slechts van de eventuele verwachting dat het (ook) aan haar als bewaarnemer is om een verzekering af te sluiten. Ten aanzien van dat specifieke onderdeel van de zorgplicht (namelijk welke partij zich verzekert tegen diefstal) hebben partijen een afspraak gemaakt die de verwachtingen tussen partijen duidelijk maakt. Deze afspraak werkt echter niet door in de verwachtingen omtrent de te treffen maatregelen tegen diefstal uit de stalling. [betrokkene 1] blijft daarvoor als bewaargever immers afhankelijk van Anthevast als bewaarnemer. Anthevast heeft weliswaar aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, maar die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte. De contractuele verzekeringsplicht betekent dan ook niet dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen. (rov. 3.10-3.11)
- In het licht van hetgeen [betrokkene 1] (UVM) van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten zijn de door Anthevast aangevoerde extra maatregelen tegen diefstal na de eerdere diefstal in 2020 niet voldoende. Uit de stallingovereenkomst, in het bijzonder art. 5.1 av, volgt immers dat Anthevast ook zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein. Bovendien mochten [betrokkene 1] /UVM in het licht van de zorgplicht verwachten dat Anthevast sinds de eerdere diefstal in 2020 de regels en procedures van, en de controle op, het beheer van de stalling heeft aangescherpt. (rov. 3.12-3.16)
- Anthevast heeft haar stelling inzake dit aangescherpte beleid, mede gezien de betwisting van UVM, onvoldoende onderbouwd. (rov. 3.17)
- Partijen twisten over de vraag of sprake was van cameratoezicht. Anthevast heeft onvoldoende onderbouwd dat het parkeerterrein was voorzien van cameratoezicht. Zij heeft slechts gesteld dat er een camera was die gericht was op de toegangsweg, dus niet op het parkeerterrein. Dat er cameratoezicht was zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast was overeengekomen en [betrokkene 1] daarom ook in het kader van de zorgplicht van Anthevast mocht verwachten, blijkt dus niet. Anthevast heeft daarmee, mede gezien de betwisting van UVM, onvoldoende onderbouwd dat zij op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan. (rov. 3.18-3.20)
- Dit betekent dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst en jegens UVM aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. (rov. 3.21)
- Anthevast heeft zich beroepen op het exoneratiebeding in art. 5.3 av. UVM heeft daar onder andere tegen ingebracht dat de bepaling onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:237, aanhef en onder f BW. (rov. 3.22)
- Het hof stelt voorop dat sprake is van een overeenkomst tussen Anthevast als gebruiker van de av enerzijds en [betrokkene 1] als natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf anderzijds, in wiens rechten UVM is gesubrogeerd. (rov. 3.23)
- Art. 6:237, aanhef en onder f BW bepaalt dat een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Art. 5.3 av bepaalt dat Anthevast nimmer aansprakelijk is voor schade aan de camper, behoudens opzet of grove schuld, en dat als Anthevast toch aansprakelijk is, dat is beperkt tot het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd. (rov. 3.24)
- Anthevast stelt dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren. Uitgaande van die stelling, heeft art. 5.3 av als effect dat Anthevast zich in feite geheel bevrijdt van haar verplichting tot schadevergoeding, dus ook indien die schadeplichtigheid voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van de primaire verbintenis tot teruggave: een kernverplichting. Dit kan tevens tot effect hebben dat er voor Anthevast geen prikkel meer bestaat om haar zorgplicht na te komen, en dat eventuele schade als gevolg van het schenden van die zorgplicht op de eigen verzekeraar van de stallingnemer, in dit geval UVM voor [betrokkene 1] , wordt afgewenteld, zoals in deze kwestie ook is gebeurd. Het beding leidt in dit concrete geval dan ook tot een onevenwichtige risicoverdeling. Dat een dergelijk exoneratiebeding gebruikelijk is, wat Anthevast heeft gesteld en UVM niet heeft betwist, maakt het effect van het beding in deze concrete omstandigheden niet anders en leidt daarom niet tot een ander oordeel. (rov. 3.25)
- Anthevast heeft onvoldoende aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is. Zij kan dus geen beroep doen op dit beding. (rov. 3.26)
- UVM heeft gesteld dat de schade € 113.059,- bedraagt. Anthevast heeft het schadebedrag onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof gaat dan ook uit van het door UVM gestelde schadebedrag. De door Anthevast aan UVM te vergoeden schade bedraagt dus € 113.059,-. (rov. 3.27)
- De conclusie is dat het hoger beroep slaagt. Omdat Anthevast in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Anthevast veroordelen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als in eerste aanleg. De veroordelingen in deze uitspraak zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. (rov. 3.28-3.29)
In cassatie
2.12
Bij procesinleiding van 15 oktober 2025 heeft Anthevast (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
2.13
UVM heeft bij verweerschrift van 9 januari 2026 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2.14
Partijen hebben ieder hun stellingen schriftelijk toegelicht en vervolgens afgezien van het nemen van een repliek respectievelijk dupliek.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van Anthevast bestaat uit vijf onderdelen.
Onderdeel 1
(“De verzekeringsplicht (rov. 3.6 en 3.11)”)
3.2
Het onderdeel bevat twee subonderdelen.
3.3
Subonderdeel 1.1 vangt aan met een opsomming van vier oordelen uit het arrest die, aldus het subonderdeel, van een onjuiste rechtsopvatting blijk geven en/of onbegrijpelijk zijn.
- Ten eerste het oordeel uit rov. 3.6 dat Anthevast als bewaarnemer actief zorg zou hebben dienen te dragen voor de camper en de camper uiteindelijk weer in dezelfde staat als waarin deze ontvangen was aan [betrokkene 1] zou hebben moeten teruggeven.
- Ten tweede het oordeel uit rov. 3.11 dat, aldus het subonderdeel, de bepaling in art. 5.2 av - waaruit volgt dat [betrokkene 1] als bewaargever (stallingnemer) zelf voor een diefstalverzekering moet zorgen - niet zou meebrengen dat de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer (stallinggever) om maatregelen te treffen ter beperking van het risico op diefstal minder ver reikt.
- Ten derde en vierde de oordelen uit rov. 3.11 dat de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet zou doorwerken in de verwachtingen omtrent de te treffen maatregelen tegen diefstal uit de stalling en dat de contractuele verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet zou betekenen dat hij hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen.
3.4
Het subonderdeel formuleert vervolgens eerst een rechtsklacht, dan een motiveringsklacht. Ik geef de rechtsklacht weer onder (i), de motiveringsklacht onder (ii).
(i) Het hof heeft miskend dat de verplichting voor een bewaargever ( [betrokkene 1] ) om zelf voor een diefstalverzekering te zorgen, wèl meebrengt dat de zorgplicht van de bewaarnemer (Anthevast) om maatregelen te treffen ter beperking van het risico op diefstal minder ver reikt.
(ii) Althans is zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom deze verzekeringsplicht niet zou meebrengen dat de zorgplicht minder ver reikt. Immers, als een bewaargever zelf voor een diefstalverzekering moet zorgen, maar zijn verzekeraar, nadat hij uitgekeerd heeft vanwege een diefstal, zich kan verhalen op de bewaarnemer wegens een tekortschieten in de zorgplicht, heeft de verzekeringsplicht in de av per saldo geen voordeel voor Anthevast. Dit rechtsgevolg is onaannemelijk. Omdat het hof niet motiveert waarom, ondanks dit onaannemelijke rechtsgevolg, Anthevasts zorgplicht niet minder ver reikt, voldoet het arrest niet aan het vereiste dat het voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor zowel partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Behandeling
3.5
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.6
Eerst de rechtsklacht.
3.7
Voor zover de klacht de opvatting voorstaat dat in alle gevallen geldt dat een verzekeringsplicht voor een bewaargever meebrengt dat de zorgplicht van de bewaarnemer inzake het treffen van maatregelen ter voorkoming van diefstal minder ver reikt, geldt dat deze opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Ik licht toe.
3.7.1
De door een bewaarnemer jegens de bewaargever bij de bewaring in acht te nemen zorg is die van een goed bewaarnemer (art. 7:602 BW). De wetgever heeft geen expliciete aandacht besteed aan de vraag hoe ver de zorg van de bewaarnemer in een concreet geval moet gaan. Zoals A-G Mok al opmerkte, wordt in de Toelichting Meijers op art. 7:602 BW verwezen naar “artikel 6.1.6.1”, zijnde het huidige art. 6:27 BW dat ziet op de zorgplicht van een schuldenaar voor een af te leveren individueel bepaalde zaak. Ik citeer:
“Dit ten gunste van de bewaarnemer gemaakte verschil, dat is ingegeven door de gedachte dat de bewaarneming in het algemeen een vriendendienst is, past niet meer in deze tijd, waarin veelal de bewaargever niet weet welke zorg de bewaarnemer aan zijn eigen zaken pleegt te besteden. Bovendien is er geen reden om de bewaarnemer die met zijn eigen zaak slordig omgaat, een vrijbrief te geven dat ook te doen met de zaken die een ander hem toevertrouwt, ook al ontvangt hij geen bewaarloon. Vandaar dat dit artikel de bewaarnemer geheel algemeen voorschrijft de zorg van een goed bewaarder in acht te nemen. Men vergelijke artikel 6.1.6.1.”
3.7.2
Naar luid van art. 6:27 BW is een schuldenaar gehouden zorg te dragen voor een zaak “op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen”. Hieruit blijkt dat de inhoud van de zorgplicht die uit hoofde van dit artikel kan worden verlangd, van geval tot geval moet worden bepaald. De wetsgeschiedenis van de bepaling onderstreept dit:
“Welke inspanning en welke opofferingen men zich als ‘goed schuldenaar’ moet getroosten, hangt af van de aard van de overeenkomst en van de omstandigheden. In Boek 7 zal voor enkele bijzondere overeenkomsten de norm van dit artikel enigszins worden gepreciseerd.
(…)
In het gewijzigd ontwerp is in navolging van het Beneluxontwerp Nakoming (artikel 1.1) de voorkeur gegeven aan een iets uitvoeriger omschrijving, die mede tot uiting brengt dat de inspanningen die in dit verband van de schuldenaar kunnen worden geëist afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud en strekking van de verbintenis, de gewoonte, de aard van het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf en de middelen waarover een schuldenaar die een zodanig beroep of bedrijf uitoefent, pleegt te beschikken.”
3.7.3
Het is in dit licht dan ook niet verrassend dat de zorgplicht uit art. 7:602 BW - een open norm - in de rechtspraak en de literatuur wordt ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van de overeenkomst, de aard van de zaak, de professionaliteit van de bewaarnemer en de redelijkheid en billijkheid. Zo’n benadering ligt natuurlijk ook voor de hand, want “[w]at van een goed bewaarder in concreto aan zorg verlangd kan worden is niet in abstracto aan te geven”. Hierbij past het niet om aan te nemen dat in alle gevallen, dus categorisch, geldt dat een verzekeringsplicht voor een bewaargever (wat kan worden gezien als een relevante omstandigheid) meebrengt dat de zorgplicht van de bewaarnemer inzake het treffen van maatregelen ter voorkoming van diefstal minder ver reikt. Zo’n automatisme bestaat rechtens niet.
3.8
Ik zie de klacht evenmin doel treffen voor zover zij bedoelt dat in dit concrete geval het hof heeft miskend dat de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] (hier de bewaargever) meebrengt dat de zorgplicht van Anthevast (hier de bewaarnemer) tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van diefstal minder ver reikt. Ik licht weer toe.
3.8.1
Het hof zet in rov. 3.7 uiteen dat de inhoud van de zorgplicht van de bewaarnemer afhangt van de omstandigheden van het geval, waarvan het hof een groot aantal benoemt. Dit een en ander betekent volgens het hof, blijkens rov. 3.8 en kort gezegd, dat het bij het bepalen van de invulling van de zorgplicht van de bewaarnemer erom gaat wat de bewaargever in de gegeven omstandigheden van de bewaarnemer mag verwachten. In rov. 3.9 licht het hof toe, gelet op het in rov. 3.7-3.8 vervatte toetsingskader, welke omstandigheden in dit concrete geval van belang zijn.
3.8.2
Dat in de stallingovereenkomst is bepaald dat de bewaargever, dus [betrokkene 1] , een verzekering tegen diefstal afsluit, is - naar het hof in rov. 3.9 onderkent - slechts een van de omstandigheden in dit concrete geval. In het logische verlengde van rov. 3.7-3.9 ligt ’s hofs oordeel in rov. 3.10 dat, waar onder omstandigheden van een bewaarnemer (stallinghouder) kan worden verwacht dat hij een verzekering tegen diefstal uit de stalling afsluit, in dit concrete geval [betrokkene 1] en Anthevast in de stallingovereenkomst juist zijn overeengekomen dat [betrokkene 1] als bewaargever (stallingnemer) zelf voor een dergelijke diefstalverzekering moet zorgen.
3.8.3
Dit is in cassatie allemaal - en m.i. terecht - niet bestreden.
3.8.4
Tegen deze achtergrond oordeelt het hof in rov. 3.11 dat die contractuele verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet meebrengt dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te treffen, dus dat in zoverre die zorgplicht afnam (het hof zegt trouwens evenmin dat door die verzekeringsplicht die zorgplicht in zoverre toenam). Het hof plaatst dit in het eerder genoemde perspectief dat het bij het bepalen van de invulling van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer erom gaat wat [betrokkene 1] als bewaargever in de gegeven omstandigheden van Anthevast mag verwachten. Meer precies: mocht [betrokkene 1] verwachten dat die verzekeringsplicht van hem niet meebrengt dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer minder maatregelen tegen diefstal hoefde te treffen? Die vraag beantwoordt het hof in rov. 3.11 dus bevestigend.
3.8.5
Daarbij betrekt het hof blijkens rov. 3.11, eerste alinea dat die verzekeringsplicht van [betrokkene 1] in de onderlinge verhouding Anthevast wel bevrijdt van iets, te weten de eventuele verwachting dat het (ook) aan haar als bewaarnemer is om een verzekering af te sluiten. Ten aanzien van dat specifieke punt (welke partij verzekert zich tegen diefstal?) hebben partijen een afspraak gemaakt die de verwachtingen ter zake tussen partijen duidelijk maakt: dát is aan [betrokkene 1] . Deze contractuele allocatie van een verzekeringsplicht is aldus voordelig voor Anthevast: het is daardoor immers duidelijk dat het niet op haar weg ligt zo’n diefstalverzekering af te sluiten, met de consequenties van dien als zij dit zou nalaten. Die afspraak werkt echter niet door, zo vervolgt het hof in rov. 3.11, eerste alinea, in de verwachtingen op een ander punt: de te treffen maatregelen tegen diefstal uit de stalling. Oftewel, die enkele afspraak beïnvloedt de situatie nog niet zodanig dat [betrokkene 1] in de totaliteit van de hier gegeven omstandigheden zijn verwachtingen op dit punt neerwaarts moest bijstellen, aldus dat Anthevast door die afspraak kon volstaan met minder verreikende maatregelen tegen diefstal uit de stalling dan zonder die afspraak het geval was geweest. Daarbij neemt het hof in aanmerking - nog steeds in rov. 3.11, eerste alinea - dat [betrokkene 1] , als bewaargever, voor het treffen van dergelijke maatregelen afhankelijk blijft van Anthevast, als bewaarnemer.
3.8.6
Daarmee zegt het hof in wezen dat het contractueel alloceren van een verzekeringsplicht bij [betrokkene 1] als bewaargever, waarmee duidelijk is dat dit punt buiten de zorgplicht van Anthevast als (professionele) bewaarnemer valt, niet automatisch ertoe leidt dat de gehoudenheid van Anthevast om hier maatregelen te treffen tegen diefstal uit de stalling minder ver reikt. Dit komt mij niet onjuist voor. Deze benadering van het hof strookt met diens - in cassatie dus onbestreden - vooropstellingen in rov. 3.7-3.10. Onderdeel daarvan is dat de inhoud van de zorgplicht van de bewaarnemer afhangt van de omstandigheden van het geval. Dit wordt niet anders door zo’n contractuele allocatie van een verzekeringsplicht, dit is slechts een van de omstandigheden van dit concrete geval. Met deze benadering onderkent het hof ook dat het hier gaat om te onderscheiden punten, die wel beide raken aan de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer: de vraag welke partij zich tegen diefstal uit de stalling dient te verzekeren is naar de aard een andere dan de vraag wie in hoeverre maatregelen dient te nemen tegen diefstal uit de stalling. Met deze benadering houdt het hof verder voor ogen dat [betrokkene 1] hier nu eenmaal afhankelijk is van Anthevast voor het treffen van dergelijke maatregelen, daaraan doet die verzekeringsplicht niet af. Een diefstalverzekering als de onderhavige leidt op zichzelf ook niet tot betere (of slechtere) beveiliging tegen diefstal uit de stalling. Verder verdient nog opmerking dat deze benadering van het hof, waarbij die verzekeringsplicht nog niet leidt tot een afname van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer inzake dergelijke maatregelen, het onder 3.8.5 hiervoor bedoelde voordeel van haar naar de aard onverlet laat.
3.9
Ter afronding nog dit. Tot de onder 3.3 hiervoor bedoelde oordelen van het hof behoort ook rov. 3.6, tweede zin. Ik zie niet hoe de klacht daaraan kan afdoen. Daarbij zij bedacht dat de klacht gericht is tegen oordelen van het hof (in rov. 3.11) die het geeft in het kader van de in rov. 3.6, voorlaatste en laatste zin bedoelde toerekeningsvraag. Dit terwijl rov. 3.6, tweede zin in de sleutel staat van ’s hofs eerdere vaststelling in rov. 3.6, uitmondend in de vierde zin aldaar dat Anthevast is tekortgeschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst, nu zij door de diefstal van de camper niet kan voldoen aan haar teruggaveplicht.
3.10
Tot slot de motiveringsklacht.
3.10.1
Het is, anders dan de klacht wil, niet zo dat de onderhavige contractuele allocatie van een verzekeringsplicht - die ligt hier op grond van de stallingovereenkomst dus bij [betrokkene 1] , niet bij Anthevast - per saldo geen voordeel heeft voor Anthevast. Ik licht toe.
3.10.2
Onder 3.8.5 hiervoor zette ik uiteen waarin het voordeel van Anthevast bij die contractuele allocatie schuilt. Uit 3.8.6 hiervoor volgt dat ’s hofs benadering inzake haar zorgplicht als bewaarnemer dit voordeel onverlet laat.
3.10.3
Dit wordt niet anders doordat UVM, bij uitkering door haar wegens diefstal van de camper onder de door [betrokkene 1] gesloten diefstalverzekering, de mogelijkheid heeft zich als gesubrogeerde (in de rechten van [betrokkene 1] ) te wenden tot Anthevast als bewaarnemer. Die mogelijkheid, ook als die zich verwezenlijkt, raakt dit voordeel immers niet. Daarbij zij nog bedacht dat die mogelijkheid inherent is aan de door Anthevast zelf in de stallingovereenkomst bedongen verzekeringsplicht van [betrokkene 1] .
3.10.4
Bovendien is het niet zo dat dan gegeven is, of in uitgangspunt sneller dan zonder die contractuele allocatie het geval was geweest, dat Anthevast niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als bewaarnemer, specifiek op het punt van het treffen van maatregelen tegen diefstal uit de stalling. Iets anders is, dat het ook dan aan Anthevast is om te bewijzen dat zij aan die zorgplicht heeft voldaan. Zie wederom onder 3.8.5-3.8.6 hiervoor.
3.10.5
In lijn hiermee valt evenmin in te zien dat het hier wezenlijk uitmaakt of UVM (als gesubrogeerde in de rechten van [betrokkene 1] ) zich voor verhaal tot Anthevast wendt, dan wel [betrokkene 1] zelf.
3.10.6
Nergens in het arrest oordeelt het hof in hieraan tegengestelde zin.
3.10.7
Overigens wijst de klacht niet op enige stelling van Anthevast in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats, die ertoe strekt dat die verzekeringsplicht van [betrokkene 1] meebrengt dat haar zorgplicht als bewaarnemer (specifiek op het punt van het treffen van maatregelen tegen diefstal uit de stalling) minder ver reikt, omdat anders die verzekeringsplicht per saldo geen voordeel voor Anthevast zou hebben. Ik ben zo’n stelling daarin ook niet tegengekomen, het hof klaarblijkelijk - en dus niet onbegrijpelijk - evenmin.
3.10.8
Dit een en ander betekent dat het in de klacht bedoelde (onaannemelijke) rechtsgevolg zich in werkelijkheid niet voordoet. Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan de vervolgstelling in de klacht dat het hof heeft nagelaten voldoende (begrijpelijk) te motiveren waarom ondanks dit rechtsgevolg de zorgplicht van Anthevast niet minder ver zou reiken.
3.10.9
Hierop ketst de klacht al af.
3.11
Volgens subonderdeel 1.2 is onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.11 van het arrest dat de contractuele verzekeringsplicht niet meebrengt dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen, voor zover het oordeel berust op de motivering in rov. 3.11 dat de diefstalbeveiligingseisen die UVM als verzekeraar stelt aan de verzekeringnemer zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte. Want ook diefstalbeveiligingseisen die zien op het afsluiten van de camper zelf, aan welke eisen was voldaan, bemoeilijken diefstal van de camper uit de stalling. Daarom is zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom Anthevast in het kader van haar zorgplicht, gezien deze diefstalbeveiligingseisen aan de camper, niet minder maatregelen hoefde te nemen voor de beveiliging van de stallingsruimte.
Behandeling
3.12
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.13
Ik citeer uit rov. 3.11:
“(…). Anthevast heeft weliswaar aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot, maar die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte.
De contractuele verzekeringsplicht betekent dan ook niet dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen. (…).”
3.14
Het hof brengt hierin mede tot uitdrukking dat de beveiligingseisen die UVM stelt aan [betrokkene 1] , die zien op de camper zelf, andere eisen zijn dan de eisen die [betrokkene 1] aan Anthevast mag stellen in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer. Anders gezegd: het gaat het hof hier erom dat de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] , specifiek inzake de te nemen maatregelen tegen diefstal, in het bijzonder strekt tot de diefstalbeveiliging van de stalling (“de stallingsruimte”) waarin de camper stond, niet zozeer van de camper zelf.
3.15
Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk gelet op rov. 3.9.
3.15.1
Daarin benoemt het hof, in cassatie onbestreden, diverse omstandigheden als hier van belang.
3.15.2
Daartoe behoren:
- dat in art. 5.1 av is opgenomen “dat Anthevast de zaak (de camper) bewaart in een voor onbevoegden afgesloten ruimte” (en dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht);
- dat het hier gaat om “een caravanstalling waar naast caravans en campers ook vouwwagens, oldtimers en boten worden gestald”, naar hun aard “in elk geval voor een deel kostbare zaken”;
- dat Anthevast een professionele bewaarnemer is, die “in haar stalling meer dan 2.000 plaatsen beschikbaar stelt”;
- dat “veel caravanstallingen in Nederland zijn ondergebracht in niet meer in gebruik zijnde groenkassen, schuren van veehouders en andere opslagruimtes”, zo ook hier: “de caravanstalling was gevestigd in een voormalige veilinghal”.
3.15.3
Dit zijn allemaal omstandigheden die zien op (de noodzaak van adequate beveiliging van) de onderhavige stalling, dus de “stallingsruimte”. Het hof noemt in dit verband geen omstandigheden die raken aan het beveiligen van de camper zelf, zoals met een bepaald versnellingsbakslot.
3.16
Dit oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat in feitelijke instanties, waarmee de klacht overigens niets doet.
3.16.1
UVM heeft in haar memorie van grieven een opsomming gegeven van de in haar visie hier van belang zijnde omstandigheden in het kader van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer. Deze omstandigheden zien allemaal op de stalling en de beveiliging dáárvan, waaronder de afwezigheid van een alarminstallatie bij de stalling en van bewaking van de stalling buiten openingstijden.
3.16.2
Anthevast heeft in haar gedingstukken, in relatie tot de diefstalbeveiligingseisen die UVM stelde aan [betrokkene 1] , gewezen op maatregelen aangaande het BearLock-versnellingsbakslot. Dit neemt niet weg dat Anthevast in haar gedingstukken, net als het hof in het arrest, onderscheid maakt tussen enerzijds voornoemde eisen die UVM stelde aan [betrokkene 1] als verzekeringnemer en anderzijds de beveiliging die Anthevast als bewaarnemer heeft te bieden aan haar klanten onder wie [betrokkene 1] , waarbij zij benadrukte dat UVM aan dit laatste juist geen voorwaarden stelde. Bij dit laatste legde Anthevast veeleer de nadruk op beveiliging van de stalling.
3.16.3
Ik citeer ter illustratie uit de memorie van antwoord:
“24. Belangrijker nog is zeker in het licht van wat door UVM naar voren wordt gebracht stil te staan bij wat de gemiddelde caravanstalling in Nederland diens klanten aan beveiligingsniveau brengt en wat de stallingnemer accepteert zonder dat diens assuradeur daar voorwaarden aan stelt.
25. De vaststelling kan geen andere zijn dat - en dat is feit van algemene bekendheid -men voor stalling terecht kan in niet meer in gebruik zijnde groenkassen en schuren van veehouders en in opslagruimtes voor welke er geen ander doel meer lijkt zijn dan caravan stalling. Het gemiddeld beveiligingsniveau tegen diefstal is daar niet hoger dan bij Caravanstalling Lingewaard en wat UVM van haar verzekeringsnemers op dit punt verlangt dus ook niet. Anthevast overlegt graag als productie 4 de webpages van stallingaanbieders door heel het land waaruit dat blijkt. Zie https://1stalling.nl/caravanstalling/aanbod.
26. (…) Door een vergelijking te maken met een casus uit een in de memorie van grieven deels geciteerd arrest, slaat zij [UVM, A-G] de plank behoorlijk mis (…) als zij ermee beoogt te stellen dat het te verwachten beveiligingsniveau van een gemiddelde caravanstalling dat van een opslag van consumentenelektronica zou moeten halen.
27. Anders gezegd, Anthevast vindt het wat te gemakkelijk dat UVM stelling neemt omtrent het beveiligingsniveau dat Anthevast in acht had moeten nemen om aan haar zorgplicht te voldoen zonder zich daarbij rekenschap te geven van wat er gemiddeld genomen aan de doorsnee caravanstallingnemers wordt aangeboden en door hen wordt geaccepteerd en waaraan door UVM als assuradeur aan haar verzekeringnemers geen enkele voorwaarde wordt gesteld.”
3.17
Dit oordeel van het hof wordt evenmin onbegrijpelijk indien, zoals de klacht doet, wordt aangenomen dat is voldaan aan de diefstalbeveiligingseisen die UVM aan [betrokkene 1] als verzekeringnemer stelde (“die zien op het afsluiten van de camper”) en die eisen diefstal van de camper uit de stalling bemoeilijken.
3.17.1
Het in dit oordeel van het hof gemaakte onderscheid brengt mee dat [betrokkene 1] van Anthevast, in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer, niet zozeer diefstalbeveiligingsmaatregelen inzake de camper zelf mocht verwachten. Dát lag op de weg van [betrokkene 1] , als verzekeringnemer van UVM. Dit betekent weer dat [betrokkene 1] , voor zover hij die maatregelen heeft getroffen, geen maatregelen heeft getroffen die Anthevast had moeten treffen in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] . Bij dit laatste gaat het om andere diefstalbeveiligingsmaatregelen (specifiek met betrekking tot de stalling waarin, onder veel meer, de camper stond), en in een andere verhouding (die tussen [betrokkene 1] en Anthevast). Daarbij is leidend of Anthevast dienaangaande jegens [betrokkene 1] , als bewaargever, de zorg van een goed bewaarnemer in acht heeft genomen, wat afhangt van de concrete omstandigheden.
3.17.2
Hieruit volgt niet dat indien [betrokkene 1] als verzekeringnemer die (door UVM voorgeschreven) maatregelen heeft getroffen, dus betreffende de camper zelf, dit zich erin vertaalt dat Anthevast, in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] , minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen (laat staan dat Anthevast daarom reeds zou hebben voldaan aan haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] ). Ter illustratie een simpele variant. Een verzekeraar van een fiets verlangt van de verzekerde, de eigenaar van de fiets, dat laatstgenoemde zijn (verzekerde) fiets op slot zet als hij deze niet gebruikt. De verzekerde geeft de fiets in bewaring bij een professionele bewaarnemer, waarbij de fiets op slot wordt gezet. Het zou toch bevreemden indien de verzekerde - als bewaargever in verhouding tot de bewaarnemer - zonder meer heeft te verwachten dat de bewaarnemer de stalling, met daarin de fiets en ook veel andere (deels dure) voertuigen, minder goed hoeft te beveiligen tegen diefstal daaruit, enkel omdat de onderhavige fiets op slot is gezet. Sterker, dit is een non sequitur.
3.18
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2
(“Het BearLock-versnellingsbakslot (rov. 3.11 en 3.21)”)
3.19
Het onderdeel bevat twee subonderdelen.
3.20
Subonderdeel 2.1 bevat twee klachten. De eerste klacht is dat, indien het hof in rov. 3.11 van het arrest tot het oordeel gekomen is dat de camper ten tijde van de diefstal niet afgesloten zou zijn met een specifiek versnellingsbakslot, dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De tweede klacht is dat het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat Anthevast toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van de stallingovereenkomst, eveneens ontoereikend is gemotiveerd. Ter onderbouwing voert het subonderdeel het volgende aan.
3.20.1
Het hof heeft niet gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen van Anthevast.
a. Een BearLock-versnellingsbakslot is vergrendeld indien de sleutel uitgenomen is. Daarom verlangt een assuradeur dat bij een schadeclaim als gevolg van diefstal drie sleutels van dit slot worden overhandigd, opdat zij kan vaststellen dat het slot daadwerkelijk vergrendeld was ten tijde van de diefstal.
b. Bij de verzekeraar zijn drie BearLock-sleutels ingeleverd.
c. Indien [betrokkene 1] niet alle drie de sleutels van het BearLock ingeleverd zou hebben, zou UVM niet gehouden zijn geweest om uit te keren en zou zij hoe dan ook geen vordering gehad hebben op Anthevast.
3.20.2
Deze stellingen zijn volgens het subonderdeel essentieel, omdat, indien deze juist zijn, zij tot het oordeel kunnen leiden dat de camper ten tijde van de diefstal wel afgesloten was met een specifiek versnellingsbakslot, namelijk een BearLock-versnellingsbakslot, en dat Anthevast daarom niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingovereenkomst. Want vergrendeling met een BearLock-versnellingsbakslot bemoeilijkt de diefstal van de camper uit de stallingsruimte en is daarom een beveiligingsmaatregel die UVM zelf voorschrijft aan haar verzekerden. Derhalve is het plausibel dat Anthevast aan haar zorgplicht jegens [betrokkene 1] voldaan heeft door de camper met een BearLock- versnellingsbakslot te vergrendelen. Dit temeer omdat, zoals het hof in rov. 2.4 als feit heeft vastgesteld, de bewaarneming volgens art. 5.1 av nu juist voor eigen rekening en risico van de stallingnemer ( [betrokkene 1] ) geschiedt.
Behandeling
3.21
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.22
Ik begin met de eerste klacht.
3.22.1
Hier kan ik kort over zijn: zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Nergens daarin, evenmin in rov. 3.11, oordeelt het hof dat de camper ten tijde van de diefstal niet was afgesloten met een specifiek versnellingsbakslot, in het bijzonder een BearLock-versnellingsbakslot.
3.22.2
Wel oordeelt het hof in rov. 3.11, eerste alinea dat niet opgaat het betoog van Anthevast dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot, nu die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte. Dit is evenwel iets anders dan een oordeel als door de klacht verondersteld.
3.23
Tot slot de tweede klacht.
3.23.1
Zij boekt evenmin succes.
3.23.2
Het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst, en zij daarom jegens UVM aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, steunt op de oordelen van het hof in de daaraan voorafgaande overwegingen (“Dit betekent”, etc.).
3.23.3
In rov. 3.6 stelt het hof voorop dat Anthevast is tekortgeschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst doordat zij de camper niet kan teruggeven aan [betrokkene 1] . Deze tekortkoming is (mogelijk) niet toerekenbaar indien Anthevast, zoals zij ook stelt, aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. De bewijslast dienaangaande ligt bij Anthevast, aldus nog steeds het hof in rov. 3.6.
3.23.4
Daarna gaat het hof eerst in op de omvang van de zorgplicht van de bewaarnemer: wat mocht de bewaargever in de concrete omstandigheden verwachten? (zie rov. 3.7-3.9). Vervolgens zet het hof uiteen, samengevat:
- dat de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet betekent dat Anthevast minder maatregelen tegen diefstal hoefde te treffen (zie rov. 3.10-3.11);
- dat Anthevast haar zorgplicht niet is nagekomen: zij heeft onvoldoende maatregelen tegen diefstal getroffen (zie rov. 3.12-3.20).
Dit mondt uit in rov. 3.21.
3.23.5
Welnu: ook indien wordt aangenomen dat de in de klacht aangevoerde stellingen (zie onder 3.20.1 a t/m c hiervoor) door Anthevast zo zijn aangevoerd en juist zijn, maakt dit, anders dan de klacht wil, ’s hofs oordeel in rov. 3.21 niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Want in de door het hof blijkens rov. 3.6-3.20 gekozen benadering, inzake de tekortkoming zijdens Anthevast (zie rov. 3.6) en de toerekenbaarheid daarvan aan haar (zie rov. 3.7-3.20), geldt dat hetgeen waarop de klacht met die stellingen aanstuurt relevantie mist. Het hof onderscheidt in rov. 3.11, eerste alinea immers de maatregelen waar de stellingen in de klacht op zien (inzake het BearLock-versnellingsbakslot) van de maatregelen die van Anthevast in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer kunnen worden verlangd (welke maatregelen, gezien rov. 3.6, dus ook van belang zijn voor de toerekeningsvraag). Vervolgens gaat het hof (in rov. 3.12-3.20), kort gezegd, aan de hand van laatstgenoemde maatregelen na of Anthevast aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. Uit de in de klacht aandragen stellingen kan hier dus ook niet volgen, anders dan de klacht suggereert, dat Anthevast aan haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] heeft voldaan door de camper met een BearLock-versnellingsbakslot te vergrendelen (en dat zij daarom niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingovereenkomst). Zie wat betreft die toerekenbaarheid, neerkomend op de vraag of Anthevast heeft voldaan aan haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] , ook mijn bespreking van subonderdeel 1.2.
3.23.6 ’
’s Hofs citaat in rov. 2.4 uit art. 5.1, eerste zin av (“De bewaarneming van de zaak is voor eigen rekening en risico van stallingnemer”) doet hieraan niet af. Daarop is door Anthevast geen beroep gedaan in feitelijke instanties op voor de klacht relevante wijze. Deze enkele feitenvaststelling brengt ook geen verandering in de door het hof blijkens rov. 3.6-3.20 gekozen benadering inzake de tekortkoming zijdens Anthevast en de toerekenbaarheid daarvan aan haar.
3.23.7
Kortom: uit de klacht volgt niet dat de daarin aangevoerde stellingen (zie dus onder 3.20.1 a t/m c hiervoor) essentieel zijn, derhalve evenmin dat er voor het hof reden bestond om in het arrest nog weer nader op die stellingen te responderen dan het al doet (in het bijzonder in rov. 3.11, eerste alinea). Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.
3.24
Subonderdeel 2.2 bestrijdt als onjuist en/of onbegrijpelijk rov. 3.11 van het arrest, indien het hof daarin geoordeeld heeft dat het feit dat de camper ten tijde van de diefstal vergrendeld was met een specifiek versnellingsbakslot onvoldoende zou zijn om aan te nemen dat Anthevast aan haar zorgplicht voldaan heeft, of niet relevant zou zijn bij de beantwoording van de vraag of Anthevast aan haar zorgplicht voldaan heeft. “Want het afsluiten van een camper met een specifiek versnellingsbakslot bemoeilijkt de diefstal van de camper uit de stallingsruimte. Zie de subonderdelen 1.2 en 2.1”.
Behandeling
3.25
Het subonderdeel bouwt voort op, en deelt daarmee het lot van, de subonderdelen 1.2 en 2.1, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.26
Overigens rept het hof in rov. 3.11 (of elders in het arrest) niet van “het feit dat de camper ten tijde van de diefstal vergrendeld was met een specifiek versnellingsbakslot”.
3.27
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3
(“Het cameratoezicht (rov. 3.20)”)
3.28
Het onderdeel bestrijdt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel in rov. 3.20 van het arrest dat Anthevast onvoldoende heeft onderbouwd dat het parkeerterrein was voorzien van cameratoezicht, en dat niet is gebleken dat er cameratoezicht was zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast was overeengekomen en [betrokkene 1] daarom ook in het kader van de zorgplicht van Anthevast mocht verwachten. Ter onderbouwing voert het onderdeel het volgende aan.
3.28.1
Het hof heeft niet (voldoende) gerespondeerd op de essentiële stelling van Anthevast dat er een camera gericht was op de énige toegangsweg naar het terrein.
3.28.2
Deze stelling is volgens het onderdeel essentieel, omdat, indien deze juist is, deze tot het oordeel kan leiden dat het cameratoezicht wel was zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast overeengekomen was en [betrokkene 1] daarom in het kader van de zorgplicht van Anthevast mocht verwachten. Want art. 5.1 av, mede inhoudende dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat een camera op het parkeerterrein zelf gericht moet zijn. Aan deze bepaling kan ook zijn voldaan als een camera is gericht op de énige toegangsweg naar dit parkeerterrein.
3.28.3 ’
’s Hofs vaststelling in rov. 3.20 dat Anthevast “slechts” heeft gesteld dat er een camera gericht was “op de toegangsweg, dus niet op het parkeerterrein” is daarom geen toerekende respons op voornoemde stelling. Deze respons ziet immers eraan voorbij dat een camera die gericht is op de énige toegangsweg ook voldoende kan zijn om te voldoen aan art. 5.1 av. Is het hof tot het oordeel gekomen dat zo’n camera niet voldoende is of kan zijn, dan is dit oordeel zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Behandeling
3.29
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.30
M.i. strandt het onderdeel reeds op een gebrek aan belang. Ik licht toe.
3.30.1
In rov. 3.16 overweegt het hof dat in het licht van hetgeen [betrokkene 1] (UVM) van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten, de in rov. 3.12-3.15 bedoelde maatregelen - ten aanzien waarvan het hof in rov. 3.15 vaststelt dat deze door Anthevast zijn getroffen - echter nog niet voldoende zijn. Want uit de stallingovereenkomst, in het bijzonder art. 5.1 av, volgt dat Anthevast ook zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein. Bovendien heeft Anthevast gesteld dat zij sinds de eerdere diefstal in 2020 de regels en procedures van, en de controle op, het beheer van de stalling heeft aangescherpt. Anthevast zag daartoe kennelijk zelf noodzaak; [betrokkene 1] /UVM mochten dit daarom in het licht van de zorgplicht ook van Anthevast verwachten, aldus nog steeds het hof in rov. 3.16.
3.30.2
Het hof identificeert in rov. 3.16 derhalve twee nadere, eigenstandige aspecten die [betrokkene 1] (UVM) in het licht van de zorgplicht ook van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten:
(i) dat Anthevast zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein;
(ii) dat Anthevast sinds de eerdere diefstal in 2020 de regels en procedures van, en de controle op, het beheer van de stalling heeft aangescherpt.
Op (i) en (ii) gaat het hof in rov. 3.17-3.20 in. Het door het onderdeel bestreden oordeel staat in rov. 3.20 en ziet enkel op (i). Het onderdeel laat ’s hofs oordeel inzake (ii) ongemoeid (dit laatste oordeel wordt ook elders in de procesinleiding niet bestreden). ’s Hofs oordeel inzake (ii) staat in rov. 3.17 en komt erop neer dat, gezien de bewijslastverdeling en de betwisting door UVM, het op de weg van Anthevast had gelegen om (ii) te onderbouwen, maar zij dit onvoldoende heeft gedaan.
3.30.3
Met dit laatste brengt het hof tot uitdrukking dat Anthevast, op wier weg het ligt te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan (zie rov. 3.6), onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op dit punt - dus onder (ii) - aan haar zorgplicht heeft voldaan. Hieruit volgt reeds dat de door het hof in rov. 3.6 al vastgestelde tekortkoming in de nakoming van de stallingovereenkomst ook aan haar kan worden toegerekend, omdat zij niet aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. Anders gezegd: ’s hofs oordeel inzake (ii), dat in cassatie niet wordt bestreden, is zelfstandig dragend voor diens conclusie in rov. 3.21 dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst en zij daarom jegens UVM aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Die conclusie blijft ook staan zonder ’s hofs oordeel inzake (i), in rov. 3.18-3.20.
3.31
Volledigheidshalve: ook als het onderdeel niet reeds zou stranden op een gebrek aan belang, boekt het geen succes. Ik licht weer toe.
3.31.1
Blijkens rov. 3.16 en 3.20 legt het hof het cameratoezicht zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast was overeengekomen, specifiek de bepaling in art. 5.1 av dat “Het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht”, aldus uit dat het daarbij gaat om een of meer werkende camera’s, gericht op het parkeerterrein zelf.
3.31.2
Deze uitleg is niet onbegrijpelijk. De tekst van voornoemde bepaling in art. 5.1 av laat deze uitleg inderdaad toe, zelfs bepaaldelijk: bij de gekozen formulering ligt het immers in de rede dat het gaat om daadwerkelijk toezicht, via die camera(’s), op dit terrein zelf. Het partijdebat in feitelijke instanties gaf het hof geen reden toch een andere uitleg aan te houden.
3.31.3
In rov. 3.20 zet het hof uiteen waarom Anthevast onvoldoende heeft onderbouwd dat zij aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan wat betreft dat cameratoezicht zoals tussen [betrokkene 1] en haar was overeengekomen. Daarbij respondeert het hof onder meer op de al in rov. 3.18, eerste alinea gememoreerde stelling van Anthevast dat buiten camera’s hingen die wel werkten en gericht waren op de enige toegangsweg naar de stalling. Kort en goed: het hof kan slechts uitgaan van één werkende camera, die buiten hing en volgens Anthevast zelf niet gericht was op het parkeerterrein (want op iets anders, namelijk die toegangsweg), hetgeen niet beantwoordt aan haar uit art. 5.1 av volgende plicht om te zorgen voor een of meer werkende camera’s, gericht op het parkeerterrein.
3.31.4
Hieruit volgt dat het hof wel degelijk respondeert op die stelling van Anthevast en dit ook voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet. Daarbij betrek ik mede het volgende.
- Het hof maakt in rov. 3.20 inzichtelijk waarom aannemelijk is dat er buiten in ieder geval één camera hing en deze ook werkte.
- De daarop volgende duiding door het hof in rov. 3.20 van wat echter niet blijkt uit hetgeen Anthevast verder heeft aangevoerd, vindt grondslag in haar gedingstukken.
- Het klopt ook, zoals het hof in aanmerking neemt in rov. 3.20, dat er volgens Anthevast zelf geen sprake was van een of meer werkende camera’s, gericht op het parkeerterrein.
- Gegeven die niet onbegrijpelijke uitleg door het hof van art. 5.1 av is aan deze bepaling per definitie niet voldaan bij een stand van zaken - en daarop komt het hof hier dus gemotiveerd uit - waarin de enige werkende camera, die buiten hing, gericht was op voornoemde toegangsweg (en dus niet op het parkeerterrein).
3.31.5
Met het voorgaande ontvalt ook inhoudelijk reeds de bodem aan het onderdeel.
3.32
Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4
(“De ‘eigen rekening en risico’-bepaling (rov. 3.21)”)
3.33
Het onderdeel bestrijdt als onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.21 van het arrest dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst. Want het hof heeft in rov. 2.4 als feit vastgesteld dat in art. 5.1 av staat dat de bewaarneming geschiedt voor eigen rekening en risico van de stallingnemer ( [betrokkene 1] ). Zonder toelichting, die ontbreekt, is daarom onbegrijpelijk waarom Anthevast ondanks deze bepaling in de av toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn. Daarom voldoet het arrest ook op dit punt niet aan het vereiste dat een rechterlijke beslissing ten minste zodanig gemotiveerd moet zijn dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor zowel partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Behandeling
3.34
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.34.1
De in het onderdeel aangehaalde passage uit art. 5.1 av, dus dat de bewaarneming voor eigen rekening en risico is van de stallingnemer, hoefde het hof - mede gelet op art. 24 Rv - niet in de beoordeling te betrekken. Anthevast heeft in haar gedingstukken in feitelijke instanties geen beroep gedaan op deze passage, die dan ook nooit onderdeel is geweest van het partijdebat. Anthevast heeft daarin dus ook niet gesteld welk rechtsgevolg deze passage volgens haar dan meebrengt, en waarom. Het onderdeel noemt ook geen stelling van Anthevast in feitelijke instanties waaruit iets anders zou blijken, laat staan met vindplaats. Dit een en ander is al fataal voor het onderdeel.
3.34.2
Mijn indruk is dat het hof deze passage eenvoudigweg laat staan in rov. 2.4 van het arrest, als onderdeel van het daarin geciteerde art. 5 av, omdat de rechtbank art. 5 av ook zo had geciteerd in rov. 2.4 van het vonnis en daartegen niet is gegriefd in hoger beroep. Dit doet evenwel niet af aan hetgeen ik schreef onder 3.34.1 hiervoor.
3.35
Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5
(“Het exoneratiebeding (rov. 3.26)”)
3.36
Volgens het onderdeel is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.26 van het arrest dat Anthevast onvoldoende heeft aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is. Want dit oordeel kan niet worden gedragen door de motivering ervan in rov. 3.25 dat de exoneratie tot gevolg kan hebben dat Anthevast geen prikkel ervaart om haar zorgplicht na te komen. Immers, het hof ziet met deze motivering eraan voorbij dat Anthevast ook bij een exoneratie een dergelijke prikkel ervaart, omdat zij, zoals iedere ondernemer, haar reputatie hoog moet houden. Als bekend zou raken dat Anthevast haar stalling slecht beveiligt, zou zij tenslotte veel van haar klanten kwijtraken.
Behandeling
3.37
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.38
M.i. strandt het onderdeel reeds op een gebrek aan belang. Ik licht toe.
3.38.1
Art. 5.3 av citeerde ik reeds onder 1.5 hiervoor, maar ik herhaal dit exoneratiebeding voor een goed begrip:
“5.3 Stallinghouder [Anthevast, A-G] is nimmer aansprakelijk voor directe en/of indirecte schade aan de zaak en/of stallingnemer en/of (zaken van) derden, behoudens in het geval dat sprake is van opzet of grove schuld zijdens stallinghouder. Indien stallinghouder toch aansprakelijk is, dan is die aansprakelijkheid beperkt tot maximaal het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd. Indien schade niet onder enige dekking valt is stallinghouder niet aansprakelijk.”
3.38.2
In rov. 3.22 wijst het hof erop dat UVM tegen het beroep van Anthevast op het in art. 5.3 av vervatte exoneratiebeding niet alleen heeft aangevoerd dat de av niet ter hand zijn gesteld, maar ook dat de bepaling onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:237, aanhef en onder b en f BW.
3.38.3
In rov. 3.23 vervolgt het hof kort gezegd aldus dat, ervan uitgaande dat de av van toepassing zijn op de stallingovereenkomst en dat Anthevast aan [betrokkene 1] (UVM) een redelijke mogelijkheid heeft gegeven om van de av kennis te nemen, het exoneratiebeding in art. 5.3 av naar ’s hofs oordeel onredelijk bezwarend is.
3.38.4
De toelichting op dit oordeel staat in rov. 3.24-3.26. Het gaat daarbij met name om rov. 3.24-3.25, waaruit volgt waarom volgens het hof Anthevast onvoldoende heeft aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is, en zij dus geen beroep kan doen op dit beding (rov. 3.26).
3.38.5
In rov. 3.24 begint het hof met het vermoeden dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is. Daarvan gaat het hof hier uit op grond van art. 6:237, aanhef en onder f BW in verbinding met de inhoud van art. 5.3 av.
3.38.6
In rov. 3.25 stelt het hof voorop wat Anthevast heeft aangevoerd om dit vermoeden te weerleggen. Dit komt neer op twee stellingen: (i) volgens Anthevast is het zeer gebruikelijk om als stallinghouder elke vorm van aansprakelijkheid uit te sluiten; en (ii) Anthevast heeft ook het standpunt ingenomen dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren.
3.38.7
Het hof begint dan met het behandelen van stelling (ii). Die verwerpt het hof, omdat uitgaande van die stelling art. 5.3 av als effect heeft dat Anthevast zich in feite geheel bevrijdt van haar verplichting tot schadevergoeding, wat betekent dat het exoneratiebeding in het onderhavige geval - dus in de gegeven omstandigheden - leidt tot een onevenwichtige risicoverdeling. Dit laatste, dus die conclusie over de uitwerking van het exoneratiebeding in dit geval, schraagt het hof met twee argumenten.
3.38.8
Het eerste argument is dat art. 5.3 av dit effect dus ook heeft indien die verplichting tot schadevergoeding voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van de primaire verbintenis tot teruggave: “een kernverplichting”. Uit rov. 3.6 volgt reeds dat deze situatie in dit geval speelt. Immers:
“Als gevolg van de diefstal kan Anthevast niet voldoen aan haar teruggaveplicht. Anthevast schiet daardoor tekort in de nakoming van de stallingovereenkomst.”
3.38.9
Het tweede argument is dat “dit” ertoe kan leiden dat er voor Anthevast geen prikkel meer bestaat om haar zorgplicht na te komen. En dat eventuele schade als gevolg van het schenden van die zorgplicht op de eigen verzekeraar van de stallingnemer - in dit geval UVM voor [betrokkene 1] - wordt afgewenteld, zoals in dit geval ook is gebeurd.
3.38.10
M.i. bedoelt het hof dat het eerste argument hier al zelfstandig dragend is voor die conclusie. Daarom contrasteert het hof zo nadrukkelijk dit effect met die kernverplichting: als zelfs bij schending dáárvan (zoals hier dus het geval is) bewaarnemer Anthevast zich met een beroep op art. 5.3 av feitelijk kan onttrekken aan schadeplichtigheid, ontstaat een rechtens ontoelaatbare risicoverdeling tussen haar en bewaargever [betrokkene 1] (althans diens verzekeraar UVM).
3.38.11
Het tweede argument komt daar nog eens bij. Daarbij wijst het hof niet zozeer op de aard van de verbintenis in kwestie (dat doet het hof bij het eerste argument), als wel op de risico’s van een dergelijke uitwerking van het exoneratiebeding in termen van gedragseffect (het wegvallen van een betekenisvolle stimulans voor bewaarnemer Anthevast tot naleving van haar zorgplicht) en schadeafwenteling (op de eigen verzekeraar van de bewaargever, in dit geval UVM voor [betrokkene 1] , zoals hier dus ook is gebeurd).
3.38.12
Aan het slot van rov. 3.25 verwerpt het hof ook stelling (i). Dit komt erop neer dat de door Anthevast ingeroepen gebruikelijkheid om als stallinghouder elke vorm van aansprakelijkheid uit te sluiten, niet eraan afdoet dat het exoneratiebeding in het onderhavige geval leidt tot een onevenwichtige risicoverdeling.
3.38.13
Ik kom tot een afronding. Het onderdeel bestrijdt de slotsom in rov. 3.26, maar doet dit slechts door pijlen te richten op ’s hofs verwerping van stelling (ii), meer precies op enkel een deel van het tweede argument. Zoals volgt uit het voorgaande, wordt die verwerping van stelling (ii) evenwel zelfstandig gedragen door het eerste argument (dat ook elders in de procesinleiding niet wordt bestreden), en blijft die slotsom in rov. 3.26 ook staan zonder (het door het onderdeel bestreden deel van) het tweede argument.
3.39
Volledigheidshalve: ook als het onderdeel niet reeds zou stranden op een gebrek aan belang, boekt het geen succes. Ik licht weer toe.
3.39.1
Wat het hof met het bestreden oordeel tot uitdrukking brengt, is dat wanneer bewaarnemer Anthevast zich met een beroep art. 5.3 av feitelijk kan onttrekken aan schadeplichtigheid jegens de bewaargever (althans diens verzekeraar), zelfs ook bij schending van voornoemde kernverplichting, dit erin kan uitmonden dat Anthevast geen betekenisvolle stimulans meer ervaart om haar zorgplicht als bewaarnemer na te komen. Daarmee zegt het hof niet dát dan voor Anthevast zo’n stimulans ontbreekt, of dat daarbij dan het belang voor Anthevast als ondernemer van haar reputatie geen rol kan spelen, maar wel dat dan het risico ontstaat dat voor Anthevast, al met al, zo’n stimulans komt te ontbreken.
3.39.2
Dit belang voor Anthevast van haar reputatie laat zich ook bezwaarlijk verabsoluteren in de zin dat zij ‘door dit belang dus’ een betekenisvolle stimulans ervaart om haar zorgplicht als bewaarnemer na te komen, ook wanneer Anthevast zich met een beroep art. 5.3 av feitelijk kan onttrekken aan schadeplichtigheid jegens de bewaargever (althans diens verzekeraar), zelfs ook bij schending van voornoemde kernverplichting. Dat is niet uitgesloten, maar evenmin op voorhand gegeven. Dit belang vertaalt zich immers niet automatisch, als ware het een natuurwet, van abstracte notie in zo’n concreet beleefde prikkel van betekenis, laat staan steeds. Dit belang kán in de concrete situatie ook hooguit een bijkomstigheid zijn, van relatief weinig tot nauwelijks of zelfs geen gewicht.
3.39.3
Het onderhavige geval illustreert het ontbreken van zo’n automatisme.
3.39.4
Daarin is naar ’s hofs oordeel (zie rov. 3.6-3.21) sprake van niet alleen een tekortkoming in de nakoming van de stallingovereenkomst door Anthevast, maar ook een meervoudige schending door Anthevast van haar zorgplicht als bewaarnemer, zodat die tekortkoming tevens toerekenbaar is aan Anthevast. Daarbij is Anthevast dus onder meer ervan uitgegaan dat art. 5.3 av toepassing vindt op de rechtsverhouding met [betrokkene 1] , en dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren (wat insluit dat zij zich ook niet verzekerd heeft). Het voorgaande wijst er nou niet op dat Anthevast, ondanks art. 5.3 av en het ontbreken bij haar van een verzekering, in het belang van haar reputatie toch nog een betekenisvolle stimulans ervoer om haar zorgplicht na te komen.
3.39.5
Bij dit een en ander zij nog bedacht dat blijkens ’s hofs feitelijke vaststellingen Anthevast per 1 januari 2023, dus binnen enkele maanden na de in rov. 2.5 bedoelde inbraakaangifte door de beheerder van de stalling op 5 oktober 2022, niet langer de exploitant van de stalling was (zie rov. 2.3). Anthevast heeft zelf in feitelijke instanties aangevoerd dat al veel eerder in 2022 duidelijk was dat zij toen ging stoppen met de exploitatie van de stalling.
3.39.6
Overigens heeft Anthevast in feitelijke instanties zo’n ‘door dit belang dus’-benadering ook niet bepleit, terecht dus. Sterker, Anthevast heeft daarin überhaupt geen beroep gedaan op dit belang in het kader van (haar beroep op) het exoneratiebeding. Het onderdeel maakt ook geen gewag van zo’n stellingname, laat staan met vindplaats.
3.39.7
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het onderdeel. Kort en goed: uit hetgeen het onderdeel aanvoert, volgt niet dat het bestreden oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
3.39.8
Overigens wordt dit niet anders door het zijdens Anthevast (eerst) in de schriftelijke toelichting nog opgebrachte argument dat het hof eraan voorbijziet dat een exoneratie ervoor bedoeld is om aansprakelijkheid uit te sluiten voor risico’s die niet in redelijke verhouding staan tot de tegenprestatie die een ondernemer of beroepsbeoefenaar voor zijn werkzaamheden ontvangt. Het hof laat zich in rov. 3.22-3.26 (onder “Het exoneratiebeding is onredelijk bezwarend”) immers niet uit over de rationale van “een exoneratie” in abstracto, maar over de uitwerking van de in art. 5.3 av vervatte exoneratie in dit geval, uitgaande van de stelling van Anthevast dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren en gegeven de hier toepasselijke context van art. 6:237, aanhef en onder f BW. Daarbij hoefde het hof zich ook niet uit te laten over zo’n rationale. Opmerking verdient nog dat het Hoge Raad-arrest uit 1968 waarop Anthevast zich hierbij nog heeft beroepen, helemaal niet gaat over (de rationale van) een exoneratie.
3.40
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 5 faalt.
Slotsom
3.41
Het cassatiemiddel van Anthevast is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.42
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2025, zaaknr. 200.338.283 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Zie Rb. Gelderland 22 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:7388.
Noot 2 van de procesinleiding verwijst hier naar: “HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986 (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4”.
Zie bijv. Asser/I.S.J. Houben & A.C. van Schaick, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst, franchise, bruikleen, altijddurende rente, spel en weddenschap (7-VIII), Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 9; M.B. De Boer, ‘Een goed bewaarnemer’, in: De maatman in het burgerlijk recht, Deventer: Kluwer 2008, p. 246; en W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & C.J. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 7, Bijzondere overeenkomsten, titels 1, 7, 9 en 14, Deventer: Kluwer 1991, p. 396 (nr. 5).
In zijn conclusie voor HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998/168, onder 3.1.4.3.
Zie Reehuis, Slob & Van Zeben 1991, p. 396 (nr. 5).
Zie C.J. van Zeben & J.W. du Pon m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 154 (T.M.), p. 155 (M.V.A. II).
Dat de professionaliteit van de bewaarnemer een (mogelijk) relevante omstandigheid is, volgt bijv. uit HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998/168, rov. 3.3-3.4. Zie ook het hof in rov. 3.7.
Zie bijv. H.N. Schelhaas & A.J. Verheij (red.), Bijzondere overeenkomsten (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 6), Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 373, p. 424; Asser/Houben & Van Schaick 2023, nr. 9; De Boer 2008, p. 248; en B. Wessels, ‘Overzicht der Nederlandse Rechtspraak. Bijzondere Overeenkomsten (ii)’, WPNR 1994/6126, p. 162. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: Hof ’s-Hertogenbosch 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2686, rov. 3.4.3 en Rb. Rotterdam 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9039, rov. 4.5. HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998/168, rov. 3.3-3.4 ligt m.i. in lijn met de conclusie van A-G Mok voor dit arrest, waarin hij onder 3.1.4.3-3.1.4.4 wijst op de onder 3.7.1-3.7.2 hiervoor genoemde wetsgeschiedenis, waaruit dus blijkt van een gevalsafhankelijke bepaling van de zorgplicht van de bewaarnemer.
Zie M.B. de Boer, GS Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2013 (actueel t/m 1 juni 2013), art. 7:602 BW, aant. 3 (en G.R. Rutgers, Bewaarneming (Mon. BW B73), Deventer: Kluwer 1998, nr. 12, p. 23).
Ik citeer: “Daarbij moet rekening worden gehouden met de inhoud van de overeenkomst zelf (vastgesteld door middel van uitleg), de aard van de bewaarde zaak en wat de bewaarnemer daarover weet, de persoon van de bewaarnemer en de mate van professionaliteit, het gebruik van de zaak, de hoogte van het bewaarloon, de aannemelijkheid dat de nodige beveiligingsmaatregelen (bijvoorbeeld tegen diefstal) worden getroffen en de redelijkheid en billijkheid. Ook kan onder omstandigheden worden verwacht dat de bewaarnemer een verzekering afsluit” [zonder verwijzing uit het origineel, A-G].
Ik citeer: “In de stallingovereenkomst is bepaald dat de bewaargever, dus [betrokkene 1] , een verzekering tegen diefstal afsluit. Verder is in artikel 5.1 van de Algemene Voorwaarden opgenomen dat Anthevast de zaak (de camper) bewaart in een voor onbevoegden afgesloten ruimte en dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht. Daarnaast is van belang dat het hier gaat om een caravanstalling waar naast caravans en campers ook vouwwagens, oldtimers en boten worden gestald. Dit zijn naar hun aard in elk geval voor een deel kostbare zaken. Anthevast is een professionele bewaarnemer, die in haar stalling meer dan 2.000 plaatsen beschikbaar stelt. Tot slot is relevant dat, zoals Anthevast onbetwist heeft aangevoerd, veel caravanstallingen in Nederland zijn ondergebracht in niet meer in gebruik zijnde groenkassen, schuren van veehouders en andere opslagruimtes. Dat was ook het geval bij Anthevast: de caravanstalling was gevestigd in een voormalige veilinghal”.
In rov. 3.11, laatste alinea zegt het hof het zo: “De contractuele verzekeringsplicht betekent dan ook niet dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen”.
Asser/Houben & Van Schaick 2023, nr. 10 laten zien dat het aannemen van een verzekeringsplicht zijdens de bewaarnemer casuïstisch is, mede onder verwijzing naar Rb. Amsterdam 28 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10227; Rb. Gelderland 25 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1806; en Rb. Zutphen 9 juli 2003, ECLI:NL:RBZUT:2003:AQ8956.
Daarbij verliest het hof niet uit het oog dat Anthevast heeft aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot. Daaraan gaat het hof in rov. 3.11, eerste alinea gemotiveerd voorbij: die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte.
Zie bijv. ook N.E. Groeneveld-Tijssens, Bewaarneming (Mon. BW B73), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 13, p. 14: “Een verzekering leidt immers niet tot betere zorg voor de zaak an sich”.
Als die verzekeringsplicht ook zou meebrengen dat die zorgplicht in zoverre afnam, zou zelfs sprake zijn van een aanvúllend voordeel voor Anthevast. Daarin gaat het hof dus niet mee.
Ik kan daarlaten of de klacht terecht (alleen) uitgaat van “de verzekeringsplicht in Anthevasts algemene voorwaarden”. Het hof rept in rov. 3.10 van de bepaling in “de stallingovereenkomst” dat [betrokkene 1] als bewaargever (stallingnemer) zelf voor een diefstalverzekering moet zorgen. Dit omvat in ieder geval rov. 2.3, waarin het hof citeert uit de stallingovereenkomst zelf: “5) Stallingnemer is verplicht een brand-/storm- en diefstalverzekering af te sluiten (…)” en “6) Stallingnemer verklaart zich akkoord met de bijgevoegde algemene voorwaarden en tarieven”. In rov. 2.4 citeert het hof vervolgens uit art. 5.2 av, dat ook verwijst naar die verzekeringsplicht van [betrokkene 1] als stallingnemer: “Stallingnemer dient de zaak, inclusief toebehoren, afdoende en deugdelijk te verzekeren tegen voorkomende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld schade, brand en diefstal. Stallinghouder heeft het recht op inzage in de verzekeringspolis”.
Hierbij verwijst het subonderdeel naar onderdeel 2.
Zie de memorie van grieven, nr. 27. Volledigheidshalve noem ik wel dat onder dit nr. 27 (niet in de opsomming) ook wordt gesproken over campers waar de sleutels nog in zaten. Het ‘sleutelbeheer’ is ook besproken ter mondelinge behandeling bij het hof, getuige het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 2, 3, 6, 7 ,9. UVM noemde het sleutelbeheer ook in haar dagvaarding, zie o.a. nrs. 13, 17.
Zie de conclusie van antwoord, nrs. 23-26 en de memorie van antwoord, nr. 28.
Zie enerzijds de verwijzingen in de vorige noot en anderzijds de conclusie van antwoord, nr. 22 en de memorie van antwoord, nrs. 10, 24-27.
Zie nader over die stalling ook de door het hof in rov. 3.9 genoemde omstandigheden, waarover onder 3.15.2 hiervoor.
Noot 3 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 24”.
Noot 4 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 25”.
Noot 5 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 26”.
Noot 6 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 23. Zie ook rov. 3.11. De verzekeringspolis waarin dit voorschrift opgenomen is, is overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding”.
Erop neerkomend dat deze stellingen tot het oordeel kunnen leiden dat de camper ten tijde van de diefstal was afgesloten/vergrendeld met een BearLock-versnellingsbakslot, wat de diefstal van de camper uit de stallingsruimte bemoeilijkt en (daarom) een beveiligingsmaatregel is die UVM zelf voorschrijft aan haar verzekerden.
Zie: “Anthevast heeft weliswaar aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot, maar die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte”.
De klacht wijst ook niet op een stellingname dienaangaande van Anthevast in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats.
Er bestaat ook geen rechtsregel die het hof voorschrijft dat het steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in de motivering dient te betrekken. Zie nader bijv. B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20), Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 55, 153.
Noot 7 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Memorie van antwoord-§ 19. Zie ook proces-verbaal mondelinge behandeling 30 mei 2024-blz. 6 (tweede tekstblok van onderen)”.
Dus: die aanscherping door Anthevast van de regels/procedures/controle inzake het beheer van de stalling.
Ad (i) volgt uit art. 5.1 av, ad (ii) volgt uit stellingen van Anthevast (aldus het hof, zie rov. 3.16).
Een vergelijkbare slotsom is ten aanzien van de stelling van Anthevast onder (i) te vinden in rov. 3.20, voorlaatste zin: “Anthevast heeft daarmee, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van UVM, onvoldoende onderbouwd dat zij op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan”.
En [betrokkene 1] daarom ook in het kader van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten.
Zie ook rov. 3.16, waar het hof verduidelijkt dat uit art. 5.1 av “volgt (…) dat Anthevast ook zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein”. Het hof wijst ook al op de bepaling in rov. 3.9, eerste alinea.
Dit wordt niet anders door de twee vindplaatsen die het onderdeel noemt. De eerste vindplaats is de memorie van antwoord, nr. 19. Daarin heeft Anthevast kort gezegd opgemerkt dat in de av is opgenomen “dat er beveiligingscamera’s aanwezig zijn”, dat zij geen motief had dit in strijd met de waarheid te doen, dat er daadwerkelijk camera’s waren (die beeldopnames maakten) en dat deze camera’s waren gericht op de enige toegangsweg naar de stalling. Hoe dit een en ander zich verhoudt tot de tekst van art. 5.1 av laat Anthevast in het midden. De tweede vindplaats is het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 6 (Van Dalen). Daar staat slechts, in antwoord op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe het is gegaan met de beelden die volgens de politie niets hebben opgeleverd: “Dat gaat om de beelden van de toegangsweg. De weg naar het rangeerterrein. Dat is ook de enige weg om naar het terrein te komen”. Hier komt art. 5.1 av in het geheel niet aan de orde. Zie trouwens ook de schriftelijke toelichting van UVM, nr. 2.4.3.
Direct daarvoor in rov. 3.18, eerste alinea wijst het hof erop dat volgens Anthevast “de camera’s die binnen hingen niet meer functioneerden. Deze stamden uit de tijd dat de hal werd gebruikt als veiling, maar hadden nog wel een afschrikwekkend effect, zo stelt Anthevast”. Dan kan dus hooguit nog sprake zijn van een of meer werkende camera’s buiten.
Want gezien het bericht van de politie aan Anthevast dat de camerabeelden niets hebben opgeleverd. Dit slaat terug op rov. 3.18, tweede alinea.
Daaruit blijkt inderdaad niet of er meer dan één camera heeft gehangen en zo ja, hoeveel dan, waar die camera’s hebben gehangen, waar deze op waren gericht en wat de kwaliteit van de uiteindelijke beelden was. Zie over de camera’s die binnen hingen reeds noot 39 hiervoor.
Zie noot 38 hiervoor. Zie bijv. ook het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 5 (Van Dalen): “De camera’s binnen deden het niet meer, maar er waren ook camera’s buiten. Deze waren gericht op de toegangsweg. Die deden het wel”.
Het onderdeel doet dat trouwens evenmin.
Daarin is bepaald, aldus het hof, “dat een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn”.
Daarin is bepaald, aldus het hof, “dat Anthevast nimmer aansprakelijk is voor schade aan de zaak (de camper), behoudens opzet of grove schuld. Daaraan is nog toegevoegd dat als Anthevast niettemin toch aansprakelijk is, dat is beperkt tot het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd”.
Het ligt dus op de weg van Anthevast dit vermoeden te weerleggen. Zie W.H.M. Reehuis & E.E. Slob, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1990, p. 1735 (nr. 8), waaruit onder meer volgt dat de wettelijke bepalingen inzake schadevergoeding op het eerste gezicht een redelijke risicoverdeling tussen ondernemers en consumenten bewerkstelligen en dat het aan de gebruiker van de algemene voorwaarden is om aan te tonen dat deze regels in een voorkomend geval niet tot behoorlijke resultaten leiden. Zie verder bijv. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97, RvdW 2026/240, rov. 3.2.2-3.2.3, waaronder: “Indien een beding in algemene voorwaarden op grond van art. 6:237 BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn, is het aan de gebruiker van de algemene voorwaarden om dit vermoeden te weerleggen. Welke onderbouwing van de stellingen van de gebruiker in dit verband kan worden gevergd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van het partijdebat op dit punt”. A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2025:1204) heeft voor dit Hoge Raad-arrest, onder 3.24, erop gewezen dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat een breed scala aan omstandigheden een rol kan spelen bij de beoordeling of een beding al dan niet onredelijk bezwarend is. De A-G verwees daarbij mede naar Reehuis & Slob 1990, p. 1580 (nr. 8): “Ten slotte zijn ook de andere omstandigheden van het geval van belang”.
Oftewel: dat art. 5.3 av dit effect ook heeft indien die verplichting tot schadevergoeding voortvloeit uit schending van die kernverplichting.
Zie de memorie van antwoord, nr. 7 (waaronder: “Anthevast overlegt als productie 1 een artikel uit dagblad De Gelderlander van 17 mei 2022 waaruit van het stoppen van de caravanstalling blijkt”) en het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 4 (Van Dalen), in antwoord op de vraag van de raadsheer-commissaris wanneer de onderneming is gestaakt: “Per 1 januari 2023. We hebben het staken van de onderneming driekwart jaar daarvoor aangekondigd. In het voorjaar van 2022 waren de mensen dus geïnformeerd”. Zie ook het vervolg op p. 4 (Van Dalen), met “Dat klopt” reagerend op de volgende vraag van de raadsheer-commissaris: “De diefstal was in oktober 2022 en in januari 2023 is de exploitatie gestopt?”
Wat Anthevast dienaangaande wel heeft aangevoerd, staat in het bijzonder in de conclusie van antwoord, nr. 20: “Anthevast voert opnieuw aan dat een cascoverzekering voor 2.000 gestalde objecten onmogelijk is. UVM weet dat en gaat er ook niet op in. Net zo min als op de stelling dat er in Nederland geen parkeergelegenheid of stallingsgelegenheid is waarvan de eigenaar niet elke vorm van casco-aansprakelijkheid uitsluit. Dat is volstrekt te doen gebruikelijk. Iedere eigenaar van een motorvoertuig of getrokken voertuig accepteert dat ook en sluit als hij zich tegen dat risico wil beschermen een eigen casco verzekering”. Dit vat het hof samen in rov. 3.25, eerste twee zinnen. Zie voor de stellingname van UVM bijv. de dagvaarding, nr. 7 en het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 2 (mr. Markvoort).
Ook los daarvan zie ik trouwens niet dat het bestreden oordeel aan zo’n gebrek zou lijden, maar dat kan ik verder laten rusten. Daarover klaagt het onderdeel niet, althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
Dit staat niet in het onderdeel.
Zie de schriftelijke toelichting van Anthevast, nr. 1, onder verwijzing naar “HR 5 januari 1968, ECLI:NL:HR: 1968:AB6963 (Fokker/ […] )”.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/03749
Zitting 11 september 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Anthevast B.V. (hierna: Anthevast)
tegen
UVM Verzekeringsmaatschappij N.V. (hierna: UVM)
Inleiding
Deze zaak gaat mede over de vraag of Anthevast heeft voldaan aan haar zorgplicht als goed bewaarnemer (art. 7:602 BW) met betrekking tot een uit haar stalling gestolen camper. Het hof oordeelde dat dit niet het geval is en dat Anthevast aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Hiertegen komt Anthevast in cassatie op, m.i. zonder succes. Ik leg uit waarom.
1Feiten
1.1
In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.8 van het bestreden arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het arrest respectievelijk het hof).
1.2
Het gaat in deze zaak om de vraag of Anthevast tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingovereenkomst die zij had met een verzekerde van UVM (hierna: de stallingovereenkomst) en of Anthevast de daaruit voortvloeiende schade moet vergoeden. De achtergrond daarvan is het volgende.
1.3
UVM is een verzekeringsmaatschappij. Zij biedt onder andere verzekeringen voor campers aan. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1]) had zijn camper bij UVM verzekerd tegen schade door diefstal.
1.4
Anthevast was tot 1 januari 2023 de exploitant van Caravanstalling Lingewaard (hierna: de stalling), die was gevestigd in een voormalige veilinghal in Bemmel. Op 23 augustus 2014 heeft [betrokkene 1] met de stalling (Anthevast) een stallingovereenkomst gesloten, waarin onder meer is opgenomen:
“5) Stallingnemer is verplicht een brand-/storm en diefstalverzekering af te sluiten (…)
6) Stallingnemer verklaart zich akkoord met de bijgevoegde algemene voorwaarden en tarieven.”
1.5
De Algemene Voorwaarden Caravanstalling Lingewaard van 2014 (hierna: de av) bevatten de volgende bepaling:
“Artikel 5: aansprakelijkheid
5.1
De bewaarneming van de zaak is voor eigen rekening en risico van stallingnemer. De zaak wordt bewaard in de stallingruimte welke voor onbevoegden is afgesloten. Het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht.
5.2
Stallingnemer dient de zaak, inclusief toebehoren, afdoende en deugdelijk te verzekeren tegen voorkomende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld schade, brand en diefstal. Stallinghouder heeft het recht op inzage in de verzekeringspolis.
5.3
Stallinghouder is nimmer aansprakelijk voor directe en/of indirecte schade aan de zaak en/of stallingnemer en/of (zaken van) derden, behoudens in het geval dat sprake is van opzet of grove schuld zijdens stallinghouder. Indien stallinghouder toch aansprakelijk is, dan is die aansprakelijkheid beperkt tot maximaal het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd. Indien schade niet onder enige dekking valt is stallinghouder niet aansprakelijk.”
1.6
Op 5 oktober 2022 heeft de beheerder van de stalling bij de politie aangifte gedaan van inbraak. In het proces-verbaal van aangifte staat dat de beheerder op 30 september 2022 voor het laatst in zijn kantoor aanwezig was. Op zaterdag 1 oktober 2022 waren er twee andere medewerkers aanwezig, omdat de beheerder zich had ziekgemeld. Op 5 oktober 2022 kwam de beheerder weer op het kantoor en zag toen dat er was ingebroken. De beheerder verklaart in het proces-verbaal van aangifte dat hij op 5 oktober 2022 rond 9.00 uur zag dat de kluis in het kantoor was opengebroken en dat dit met een slijptol gebeurd moest zijn. Hij zag dat het schuifraampje open stond. Dat stond ook open toen hij op 30 september 2022 het pand verliet.
1.7
Op 19 oktober 2022 heeft [betrokkene 1] via een online ophaalformulier op de website van de stalling laten weten dat hij zijn camper op 21 oktober 2022 wilde komen ophalen. De stalling heeft bevestigd dat de camper dan klaar zou staan. Bij het ophalen op 21 oktober 2022 bleek echter dat de camper van [betrokkene 1] niet meer aanwezig was.
1.8
[betrokkene 1] heeft bij zijn verzekeraar UVM melding gemaakt van diefstal. In opdracht van UVM is op 2 november 2022 een schaderapport opgemaakt. In dit rapport is voor de camper een dagwaarde van € 110.000,- opgenomen en voor de inventaris een dagwaarde van € 3.084,- (later aangepast naar € 3.059,-). UVM heeft de schade vervolgens conform de polisvoorwaarden aan [betrokkene 1] vergoed. UVM is daarmee als verzekeraar in de rechten van verzekerde [betrokkene 1] gesubrogeerd.
1.9
Tussen partijen heeft eerder een gerechtelijke procedure plaatsgevonden over een eerdere diefstal van een camper uit de stalling in 2020. Partijen hebben die kwestie uiteindelijk medio oktober 2022 minnelijk geregeld.
2Procesverloop
In eerste aanleg
2.1
UVM heeft Anthevast bij dagvaarding van 24 februari 2023 betrokken in een procedure voor de rechtbank Gelderland (hierna: de rechtbank). UVM vorderde, samengevat, dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. voor recht verklaart dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van verplichtingen op basis van de stallingovereenkomst;
II. Anthevast veroordeelt tot betaling van de schade ten bedrage van € 113.059,-, althans een bedrag dat de rechtbank rechtvaardig acht;
met veroordeling van Anthevast in de proceskosten.
2.2
Op 26 april 2023 heeft Anthevast een conclusie van antwoord ingediend.
2.3
Op 21 september 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden bij de rechtbank. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.4
Op 22 november 2023 heeft de rechtbank vonnis gewezen (hierna: het vonnis). Daarbij heeft zij, samengevat, de vorderingen van UVM afgewezen en UVM veroordeeld tot betaling van de proceskosten van Anthevast.
In hoger beroep
2.5
Bij appeldagvaarding van 16 februari 2024 is UVM in hoger beroep gekomen van het vonnis.
2.6
Op 30 mei 2024 heeft een mondelinge behandeling na aanbrengen plaatsgevonden bij het hof, ten overstaan van een raadsheer-commissaris. Hiervan is een proces-verbaal opgemaakt.
2.7
Op 16 juli 2024 heeft UVM een memorie van grieven ingediend. Hierin heeft zij gevorderd dat het hof het vonnis vernietigt en de vorderingen van UVM in eerste aanleg alsnog toewijst, met veroordeling van Anthevast in de kosten van beide instanties, alles zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.
2.8
Op 24 september 2024 heeft Anthevast een memorie van antwoord ingediend.
2.9
Op 21 januari 2025 heeft Anthevast een akte (overlegging producties) genomen, op 18 februari 2025 gevolgd door een antwoordakte van UVM.
2.10
Het hof heeft in het arrest, samengevat:
- het vonnis vernietigd;
- voor recht verklaard dat Anthevast toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van haar verplichtingen op basis van de stallingovereenkomst;
- Anthevast veroordeeld tot betaling van € 113.059,- aan UVM;
- Anthevast veroordeeld tot betaling van de proceskosten van UVM in eerste aanleg en hoger beroep;
- de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard;
- het verder gevorderde afgewezen.
2.11
Hiertoe overwoog het hof, samengevat, als volgt.
- De stallingovereenkomst is een overeenkomst van bewaarneming (art. 7:600 BW). Op de bewaarnemer rust de verplichting om bij de bewaring actief de zorg van een goed bewaarnemer in acht te nemen (art. 7:602 BW). De bewaarnemer moet de zaak weer in de staat waarin deze is ontvangen, teruggeven aan de bewaargever (art. 7:605 BW). (rov. 3.4)
- Als een bewaarnemer de zaak niet kan teruggeven, schiet hij in beginsel tekort in de nakoming van de overeenkomst en is hij schadeplichtig. Dit is echter anders als de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend, wat het geval kan zijn als hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan. De bewijslast hiervan rust op de bewaarnemer. (rov. 3.5)
- Anthevast diende als bewaarnemer actief zorg te dragen voor de camper en moest deze in dezelfde staat als waarin deze was ontvangen aan [betrokkene 1] teruggeven. Zij kan als gevolg van de diefstal niet voldoen aan haar teruggaveplicht en schiet daardoor tekort in de nakoming van de stallingovereenkomst. Anthevast stelt dat deze tekortkoming haar niet kan worden toegerekend, omdat zij aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. Het is aan Anthevast om dit te bewijzen. (rov. 3.6)
- Bij het bepalen van de invulling van de zorgplicht van de bewaarnemer gaat het erom wat de bewaargever in de concrete omstandigheden van de bewaarnemer mag verwachten. In dit geval zijn de volgende omstandigheden van belang. De stallingovereenkomst bepaalt dat de bewaargever ( [betrokkene 1] ) een verzekering tegen diefstal afsluit. In art. 5.1 av is opgenomen dat Anthevast de zaak (de camper) bewaart in een voor onbevoegden afgesloten ruimte en dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht. Verder is van belang dat het gaat om een caravanstalling waar naar hun aard in elk geval voor een deel kostbare zaken worden gestald en dat Anthevast een professionele bewaarnemer is, die in haar stalling meer dan 2.000 plaatsen beschikbaar stelt. Tot slot is relevant dat de caravanstalling was gevestigd in een voormalige veilinghal. (rov. 3.7-3.9)
- In dit geval zijn [betrokkene 1] en Anthevast overeengekomen dat [betrokkene 1] voor een diefstalverzekering moet zorgen. Deze bepaling in de stallingovereenkomst brengt echter niet mee dat de zorgplicht van Anthevast om maatregelen te treffen ter beperking van het risico op diefstal minder ver reikt. De bepaling bevrijdt Anthevast slechts van de eventuele verwachting dat het (ook) aan haar als bewaarnemer is om een verzekering af te sluiten. Ten aanzien van dat specifieke onderdeel van de zorgplicht (namelijk welke partij zich verzekert tegen diefstal) hebben partijen een afspraak gemaakt die de verwachtingen tussen partijen duidelijk maakt. Deze afspraak werkt echter niet door in de verwachtingen omtrent de te treffen maatregelen tegen diefstal uit de stalling. [betrokkene 1] blijft daarvoor als bewaargever immers afhankelijk van Anthevast als bewaarnemer. Anthevast heeft weliswaar aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, maar die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte. De contractuele verzekeringsplicht betekent dan ook niet dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen. (rov. 3.10-3.11)
- In het licht van hetgeen [betrokkene 1] (UVM) van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten zijn de door Anthevast aangevoerde extra maatregelen tegen diefstal na de eerdere diefstal in 2020 niet voldoende. Uit de stallingovereenkomst, in het bijzonder art. 5.1 av, volgt immers dat Anthevast ook zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein. Bovendien mochten [betrokkene 1] /UVM in het licht van de zorgplicht verwachten dat Anthevast sinds de eerdere diefstal in 2020 de regels en procedures van, en de controle op, het beheer van de stalling heeft aangescherpt. (rov. 3.12-3.16)
- Anthevast heeft haar stelling inzake dit aangescherpte beleid, mede gezien de betwisting van UVM, onvoldoende onderbouwd. (rov. 3.17)
- Partijen twisten over de vraag of sprake was van cameratoezicht. Anthevast heeft onvoldoende onderbouwd dat het parkeerterrein was voorzien van cameratoezicht. Zij heeft slechts gesteld dat er een camera was die gericht was op de toegangsweg, dus niet op het parkeerterrein. Dat er cameratoezicht was zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast was overeengekomen en [betrokkene 1] daarom ook in het kader van de zorgplicht van Anthevast mocht verwachten, blijkt dus niet. Anthevast heeft daarmee, mede gezien de betwisting van UVM, onvoldoende onderbouwd dat zij op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan. (rov. 3.18-3.20)
- Dit betekent dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst en jegens UVM aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. (rov. 3.21)
- Anthevast heeft zich beroepen op het exoneratiebeding in art. 5.3 av. UVM heeft daar onder andere tegen ingebracht dat de bepaling onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:237, aanhef en onder f BW. (rov. 3.22)
- Het hof stelt voorop dat sprake is van een overeenkomst tussen Anthevast als gebruiker van de av enerzijds en [betrokkene 1] als natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf anderzijds, in wiens rechten UVM is gesubrogeerd. (rov. 3.23)
- Art. 6:237, aanhef en onder f BW bepaalt dat een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn. Art. 5.3 av bepaalt dat Anthevast nimmer aansprakelijk is voor schade aan de camper, behoudens opzet of grove schuld, en dat als Anthevast toch aansprakelijk is, dat is beperkt tot het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd. (rov. 3.24)
- Anthevast stelt dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren. Uitgaande van die stelling, heeft art. 5.3 av als effect dat Anthevast zich in feite geheel bevrijdt van haar verplichting tot schadevergoeding, dus ook indien die schadeplichtigheid voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van de primaire verbintenis tot teruggave: een kernverplichting. Dit kan tevens tot effect hebben dat er voor Anthevast geen prikkel meer bestaat om haar zorgplicht na te komen, en dat eventuele schade als gevolg van het schenden van die zorgplicht op de eigen verzekeraar van de stallingnemer, in dit geval UVM voor [betrokkene 1] , wordt afgewenteld, zoals in deze kwestie ook is gebeurd. Het beding leidt in dit concrete geval dan ook tot een onevenwichtige risicoverdeling. Dat een dergelijk exoneratiebeding gebruikelijk is, wat Anthevast heeft gesteld en UVM niet heeft betwist, maakt het effect van het beding in deze concrete omstandigheden niet anders en leidt daarom niet tot een ander oordeel. (rov. 3.25)
- Anthevast heeft onvoldoende aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is. Zij kan dus geen beroep doen op dit beding. (rov. 3.26)
- UVM heeft gesteld dat de schade € 113.059,- bedraagt. Anthevast heeft het schadebedrag onvoldoende gemotiveerd betwist. Het hof gaat dan ook uit van het door UVM gestelde schadebedrag. De door Anthevast aan UVM te vergoeden schade bedraagt dus € 113.059,-. (rov. 3.27)
- De conclusie is dat het hoger beroep slaagt. Omdat Anthevast in het ongelijk zal worden gesteld, zal het hof Anthevast veroordelen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als in eerste aanleg. De veroordelingen in deze uitspraak zullen uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard. (rov. 3.28-3.29)
In cassatie
2.12
Bij procesinleiding van 15 oktober 2025 heeft Anthevast (tijdig) cassatieberoep ingesteld van het arrest.
2.13
UVM heeft bij verweerschrift van 9 januari 2026 geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep.
2.14
Partijen hebben ieder hun stellingen schriftelijk toegelicht en vervolgens afgezien van het nemen van een repliek respectievelijk dupliek.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel van Anthevast bestaat uit vijf onderdelen.
Onderdeel 1
(“De verzekeringsplicht (rov. 3.6 en 3.11)”)
3.2
Het onderdeel bevat twee subonderdelen.
3.3
Subonderdeel 1.1 vangt aan met een opsomming van vier oordelen uit het arrest die, aldus het subonderdeel, van een onjuiste rechtsopvatting blijk geven en/of onbegrijpelijk zijn.
- Ten eerste het oordeel uit rov. 3.6 dat Anthevast als bewaarnemer actief zorg zou hebben dienen te dragen voor de camper en de camper uiteindelijk weer in dezelfde staat als waarin deze ontvangen was aan [betrokkene 1] zou hebben moeten teruggeven.
- Ten tweede het oordeel uit rov. 3.11 dat, aldus het subonderdeel, de bepaling in art. 5.2 av - waaruit volgt dat [betrokkene 1] als bewaargever (stallingnemer) zelf voor een diefstalverzekering moet zorgen - niet zou meebrengen dat de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer (stallinggever) om maatregelen te treffen ter beperking van het risico op diefstal minder ver reikt.
- Ten derde en vierde de oordelen uit rov. 3.11 dat de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet zou doorwerken in de verwachtingen omtrent de te treffen maatregelen tegen diefstal uit de stalling en dat de contractuele verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet zou betekenen dat hij hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen.
3.4
Het subonderdeel formuleert vervolgens eerst een rechtsklacht, dan een motiveringsklacht. Ik geef de rechtsklacht weer onder (i), de motiveringsklacht onder (ii).
(i) Het hof heeft miskend dat de verplichting voor een bewaargever ( [betrokkene 1] ) om zelf voor een diefstalverzekering te zorgen, wèl meebrengt dat de zorgplicht van de bewaarnemer (Anthevast) om maatregelen te treffen ter beperking van het risico op diefstal minder ver reikt.
(ii) Althans is zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom deze verzekeringsplicht niet zou meebrengen dat de zorgplicht minder ver reikt. Immers, als een bewaargever zelf voor een diefstalverzekering moet zorgen, maar zijn verzekeraar, nadat hij uitgekeerd heeft vanwege een diefstal, zich kan verhalen op de bewaarnemer wegens een tekortschieten in de zorgplicht, heeft de verzekeringsplicht in de av per saldo geen voordeel voor Anthevast. Dit rechtsgevolg is onaannemelijk. Omdat het hof niet motiveert waarom, ondanks dit onaannemelijke rechtsgevolg, Anthevasts zorgplicht niet minder ver reikt, voldoet het arrest niet aan het vereiste dat het voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor zowel partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Behandeling
3.5
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.6
Eerst de rechtsklacht.
3.7
Voor zover de klacht de opvatting voorstaat dat in alle gevallen geldt dat een verzekeringsplicht voor een bewaargever meebrengt dat de zorgplicht van de bewaarnemer inzake het treffen van maatregelen ter voorkoming van diefstal minder ver reikt, geldt dat deze opvatting in haar algemeenheid geen steun vindt in het recht. Ik licht toe.
3.7.1
De door een bewaarnemer jegens de bewaargever bij de bewaring in acht te nemen zorg is die van een goed bewaarnemer (art. 7:602 BW). De wetgever heeft geen expliciete aandacht besteed aan de vraag hoe ver de zorg van de bewaarnemer in een concreet geval moet gaan. Zoals A-G Mok al opmerkte, wordt in de Toelichting Meijers op art. 7:602 BW verwezen naar “artikel 6.1.6.1”, zijnde het huidige art. 6:27 BW dat ziet op de zorgplicht van een schuldenaar voor een af te leveren individueel bepaalde zaak. Ik citeer:
“Dit ten gunste van de bewaarnemer gemaakte verschil, dat is ingegeven door de gedachte dat de bewaarneming in het algemeen een vriendendienst is, past niet meer in deze tijd, waarin veelal de bewaargever niet weet welke zorg de bewaarnemer aan zijn eigen zaken pleegt te besteden. Bovendien is er geen reden om de bewaarnemer die met zijn eigen zaak slordig omgaat, een vrijbrief te geven dat ook te doen met de zaken die een ander hem toevertrouwt, ook al ontvangt hij geen bewaarloon. Vandaar dat dit artikel de bewaarnemer geheel algemeen voorschrijft de zorg van een goed bewaarder in acht te nemen. Men vergelijke artikel 6.1.6.1.”
3.7.2
Naar luid van art. 6:27 BW is een schuldenaar gehouden zorg te dragen voor een zaak “op de wijze waarop een zorgvuldig schuldenaar dit in de gegeven omstandigheden zou doen”. Hieruit blijkt dat de inhoud van de zorgplicht die uit hoofde van dit artikel kan worden verlangd, van geval tot geval moet worden bepaald. De wetsgeschiedenis van de bepaling onderstreept dit:
“Welke inspanning en welke opofferingen men zich als ‘goed schuldenaar’ moet getroosten, hangt af van de aard van de overeenkomst en van de omstandigheden. In Boek 7 zal voor enkele bijzondere overeenkomsten de norm van dit artikel enigszins worden gepreciseerd.
(…)
In het gewijzigd ontwerp is in navolging van het Beneluxontwerp Nakoming (artikel 1.1) de voorkeur gegeven aan een iets uitvoeriger omschrijving, die mede tot uiting brengt dat de inspanningen die in dit verband van de schuldenaar kunnen worden geëist afhangen van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud en strekking van de verbintenis, de gewoonte, de aard van het door hem uitgeoefende beroep of bedrijf en de middelen waarover een schuldenaar die een zodanig beroep of bedrijf uitoefent, pleegt te beschikken.”
3.7.3
Het is in dit licht dan ook niet verrassend dat de zorgplicht uit art. 7:602 BW - een open norm - in de rechtspraak en de literatuur wordt ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval, waaronder de inhoud van de overeenkomst, de aard van de zaak, de professionaliteit van de bewaarnemer en de redelijkheid en billijkheid. Zo’n benadering ligt natuurlijk ook voor de hand, want “[w]at van een goed bewaarder in concreto aan zorg verlangd kan worden is niet in abstracto aan te geven”. Hierbij past het niet om aan te nemen dat in alle gevallen, dus categorisch, geldt dat een verzekeringsplicht voor een bewaargever (wat kan worden gezien als een relevante omstandigheid) meebrengt dat de zorgplicht van de bewaarnemer inzake het treffen van maatregelen ter voorkoming van diefstal minder ver reikt. Zo’n automatisme bestaat rechtens niet.
3.8
Ik zie de klacht evenmin doel treffen voor zover zij bedoelt dat in dit concrete geval het hof heeft miskend dat de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] (hier de bewaargever) meebrengt dat de zorgplicht van Anthevast (hier de bewaarnemer) tot het treffen van maatregelen ter voorkoming van diefstal minder ver reikt. Ik licht weer toe.
3.8.1
Het hof zet in rov. 3.7 uiteen dat de inhoud van de zorgplicht van de bewaarnemer afhangt van de omstandigheden van het geval, waarvan het hof een groot aantal benoemt. Dit een en ander betekent volgens het hof, blijkens rov. 3.8 en kort gezegd, dat het bij het bepalen van de invulling van de zorgplicht van de bewaarnemer erom gaat wat de bewaargever in de gegeven omstandigheden van de bewaarnemer mag verwachten. In rov. 3.9 licht het hof toe, gelet op het in rov. 3.7-3.8 vervatte toetsingskader, welke omstandigheden in dit concrete geval van belang zijn.
3.8.2
Dat in de stallingovereenkomst is bepaald dat de bewaargever, dus [betrokkene 1] , een verzekering tegen diefstal afsluit, is - naar het hof in rov. 3.9 onderkent - slechts een van de omstandigheden in dit concrete geval. In het logische verlengde van rov. 3.7-3.9 ligt ’s hofs oordeel in rov. 3.10 dat, waar onder omstandigheden van een bewaarnemer (stallinghouder) kan worden verwacht dat hij een verzekering tegen diefstal uit de stalling afsluit, in dit concrete geval [betrokkene 1] en Anthevast in de stallingovereenkomst juist zijn overeengekomen dat [betrokkene 1] als bewaargever (stallingnemer) zelf voor een dergelijke diefstalverzekering moet zorgen.
3.8.3
Dit is in cassatie allemaal - en m.i. terecht - niet bestreden.
3.8.4
Tegen deze achtergrond oordeelt het hof in rov. 3.11 dat die contractuele verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet meebrengt dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te treffen, dus dat in zoverre die zorgplicht afnam (het hof zegt trouwens evenmin dat door die verzekeringsplicht die zorgplicht in zoverre toenam). Het hof plaatst dit in het eerder genoemde perspectief dat het bij het bepalen van de invulling van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer erom gaat wat [betrokkene 1] als bewaargever in de gegeven omstandigheden van Anthevast mag verwachten. Meer precies: mocht [betrokkene 1] verwachten dat die verzekeringsplicht van hem niet meebrengt dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer minder maatregelen tegen diefstal hoefde te treffen? Die vraag beantwoordt het hof in rov. 3.11 dus bevestigend.
3.8.5
Daarbij betrekt het hof blijkens rov. 3.11, eerste alinea dat die verzekeringsplicht van [betrokkene 1] in de onderlinge verhouding Anthevast wel bevrijdt van iets, te weten de eventuele verwachting dat het (ook) aan haar als bewaarnemer is om een verzekering af te sluiten. Ten aanzien van dat specifieke punt (welke partij verzekert zich tegen diefstal?) hebben partijen een afspraak gemaakt die de verwachtingen ter zake tussen partijen duidelijk maakt: dát is aan [betrokkene 1] . Deze contractuele allocatie van een verzekeringsplicht is aldus voordelig voor Anthevast: het is daardoor immers duidelijk dat het niet op haar weg ligt zo’n diefstalverzekering af te sluiten, met de consequenties van dien als zij dit zou nalaten. Die afspraak werkt echter niet door, zo vervolgt het hof in rov. 3.11, eerste alinea, in de verwachtingen op een ander punt: de te treffen maatregelen tegen diefstal uit de stalling. Oftewel, die enkele afspraak beïnvloedt de situatie nog niet zodanig dat [betrokkene 1] in de totaliteit van de hier gegeven omstandigheden zijn verwachtingen op dit punt neerwaarts moest bijstellen, aldus dat Anthevast door die afspraak kon volstaan met minder verreikende maatregelen tegen diefstal uit de stalling dan zonder die afspraak het geval was geweest. Daarbij neemt het hof in aanmerking - nog steeds in rov. 3.11, eerste alinea - dat [betrokkene 1] , als bewaargever, voor het treffen van dergelijke maatregelen afhankelijk blijft van Anthevast, als bewaarnemer.
3.8.6
Daarmee zegt het hof in wezen dat het contractueel alloceren van een verzekeringsplicht bij [betrokkene 1] als bewaargever, waarmee duidelijk is dat dit punt buiten de zorgplicht van Anthevast als (professionele) bewaarnemer valt, niet automatisch ertoe leidt dat de gehoudenheid van Anthevast om hier maatregelen te treffen tegen diefstal uit de stalling minder ver reikt. Dit komt mij niet onjuist voor. Deze benadering van het hof strookt met diens - in cassatie dus onbestreden - vooropstellingen in rov. 3.7-3.10. Onderdeel daarvan is dat de inhoud van de zorgplicht van de bewaarnemer afhangt van de omstandigheden van het geval. Dit wordt niet anders door zo’n contractuele allocatie van een verzekeringsplicht, dit is slechts een van de omstandigheden van dit concrete geval. Met deze benadering onderkent het hof ook dat het hier gaat om te onderscheiden punten, die wel beide raken aan de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer: de vraag welke partij zich tegen diefstal uit de stalling dient te verzekeren is naar de aard een andere dan de vraag wie in hoeverre maatregelen dient te nemen tegen diefstal uit de stalling. Met deze benadering houdt het hof verder voor ogen dat [betrokkene 1] hier nu eenmaal afhankelijk is van Anthevast voor het treffen van dergelijke maatregelen, daaraan doet die verzekeringsplicht niet af. Een diefstalverzekering als de onderhavige leidt op zichzelf ook niet tot betere (of slechtere) beveiliging tegen diefstal uit de stalling. Verder verdient nog opmerking dat deze benadering van het hof, waarbij die verzekeringsplicht nog niet leidt tot een afname van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer inzake dergelijke maatregelen, het onder 3.8.5 hiervoor bedoelde voordeel van haar naar de aard onverlet laat.
3.9
Ter afronding nog dit. Tot de onder 3.3 hiervoor bedoelde oordelen van het hof behoort ook rov. 3.6, tweede zin. Ik zie niet hoe de klacht daaraan kan afdoen. Daarbij zij bedacht dat de klacht gericht is tegen oordelen van het hof (in rov. 3.11) die het geeft in het kader van de in rov. 3.6, voorlaatste en laatste zin bedoelde toerekeningsvraag. Dit terwijl rov. 3.6, tweede zin in de sleutel staat van ’s hofs eerdere vaststelling in rov. 3.6, uitmondend in de vierde zin aldaar dat Anthevast is tekortgeschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst, nu zij door de diefstal van de camper niet kan voldoen aan haar teruggaveplicht.
3.10
Tot slot de motiveringsklacht.
3.10.1
Het is, anders dan de klacht wil, niet zo dat de onderhavige contractuele allocatie van een verzekeringsplicht - die ligt hier op grond van de stallingovereenkomst dus bij [betrokkene 1] , niet bij Anthevast - per saldo geen voordeel heeft voor Anthevast. Ik licht toe.
3.10.2
Onder 3.8.5 hiervoor zette ik uiteen waarin het voordeel van Anthevast bij die contractuele allocatie schuilt. Uit 3.8.6 hiervoor volgt dat ’s hofs benadering inzake haar zorgplicht als bewaarnemer dit voordeel onverlet laat.
3.10.3
Dit wordt niet anders doordat UVM, bij uitkering door haar wegens diefstal van de camper onder de door [betrokkene 1] gesloten diefstalverzekering, de mogelijkheid heeft zich als gesubrogeerde (in de rechten van [betrokkene 1] ) te wenden tot Anthevast als bewaarnemer. Die mogelijkheid, ook als die zich verwezenlijkt, raakt dit voordeel immers niet. Daarbij zij nog bedacht dat die mogelijkheid inherent is aan de door Anthevast zelf in de stallingovereenkomst bedongen verzekeringsplicht van [betrokkene 1] .
3.10.4
Bovendien is het niet zo dat dan gegeven is, of in uitgangspunt sneller dan zonder die contractuele allocatie het geval was geweest, dat Anthevast niet heeft voldaan aan haar zorgplicht als bewaarnemer, specifiek op het punt van het treffen van maatregelen tegen diefstal uit de stalling. Iets anders is, dat het ook dan aan Anthevast is om te bewijzen dat zij aan die zorgplicht heeft voldaan. Zie wederom onder 3.8.5-3.8.6 hiervoor.
3.10.5
In lijn hiermee valt evenmin in te zien dat het hier wezenlijk uitmaakt of UVM (als gesubrogeerde in de rechten van [betrokkene 1] ) zich voor verhaal tot Anthevast wendt, dan wel [betrokkene 1] zelf.
3.10.6
Nergens in het arrest oordeelt het hof in hieraan tegengestelde zin.
3.10.7
Overigens wijst de klacht niet op enige stelling van Anthevast in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats, die ertoe strekt dat die verzekeringsplicht van [betrokkene 1] meebrengt dat haar zorgplicht als bewaarnemer (specifiek op het punt van het treffen van maatregelen tegen diefstal uit de stalling) minder ver reikt, omdat anders die verzekeringsplicht per saldo geen voordeel voor Anthevast zou hebben. Ik ben zo’n stelling daarin ook niet tegengekomen, het hof klaarblijkelijk - en dus niet onbegrijpelijk - evenmin.
3.10.8
Dit een en ander betekent dat het in de klacht bedoelde (onaannemelijke) rechtsgevolg zich in werkelijkheid niet voordoet. Daarmee ontvalt ook reeds de bodem aan de vervolgstelling in de klacht dat het hof heeft nagelaten voldoende (begrijpelijk) te motiveren waarom ondanks dit rechtsgevolg de zorgplicht van Anthevast niet minder ver zou reiken.
3.10.9
Hierop ketst de klacht al af.
3.11
Volgens subonderdeel 1.2 is onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.11 van het arrest dat de contractuele verzekeringsplicht niet meebrengt dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen, voor zover het oordeel berust op de motivering in rov. 3.11 dat de diefstalbeveiligingseisen die UVM als verzekeraar stelt aan de verzekeringnemer zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte. Want ook diefstalbeveiligingseisen die zien op het afsluiten van de camper zelf, aan welke eisen was voldaan, bemoeilijken diefstal van de camper uit de stalling. Daarom is zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom Anthevast in het kader van haar zorgplicht, gezien deze diefstalbeveiligingseisen aan de camper, niet minder maatregelen hoefde te nemen voor de beveiliging van de stallingsruimte.
Behandeling
3.12
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.13
Ik citeer uit rov. 3.11:
“(…). Anthevast heeft weliswaar aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot, maar die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte.
De contractuele verzekeringsplicht betekent dan ook niet dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen. (…).”
3.14
Het hof brengt hierin mede tot uitdrukking dat de beveiligingseisen die UVM stelt aan [betrokkene 1] , die zien op de camper zelf, andere eisen zijn dan de eisen die [betrokkene 1] aan Anthevast mag stellen in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer. Anders gezegd: het gaat het hof hier erom dat de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] , specifiek inzake de te nemen maatregelen tegen diefstal, in het bijzonder strekt tot de diefstalbeveiliging van de stalling (“de stallingsruimte”) waarin de camper stond, niet zozeer van de camper zelf.
3.15
Dit oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk gelet op rov. 3.9.
3.15.1
Daarin benoemt het hof, in cassatie onbestreden, diverse omstandigheden als hier van belang.
3.15.2
Daartoe behoren:
- dat in art. 5.1 av is opgenomen “dat Anthevast de zaak (de camper) bewaart in een voor onbevoegden afgesloten ruimte” (en dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht);
- dat het hier gaat om “een caravanstalling waar naast caravans en campers ook vouwwagens, oldtimers en boten worden gestald”, naar hun aard “in elk geval voor een deel kostbare zaken”;
- dat Anthevast een professionele bewaarnemer is, die “in haar stalling meer dan 2.000 plaatsen beschikbaar stelt”;
- dat “veel caravanstallingen in Nederland zijn ondergebracht in niet meer in gebruik zijnde groenkassen, schuren van veehouders en andere opslagruimtes”, zo ook hier: “de caravanstalling was gevestigd in een voormalige veilinghal”.
3.15.3
Dit zijn allemaal omstandigheden die zien op (de noodzaak van adequate beveiliging van) de onderhavige stalling, dus de “stallingsruimte”. Het hof noemt in dit verband geen omstandigheden die raken aan het beveiligen van de camper zelf, zoals met een bepaald versnellingsbakslot.
3.16
Dit oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk in het licht van het partijdebat in feitelijke instanties, waarmee de klacht overigens niets doet.
3.16.1
UVM heeft in haar memorie van grieven een opsomming gegeven van de in haar visie hier van belang zijnde omstandigheden in het kader van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer. Deze omstandigheden zien allemaal op de stalling en de beveiliging dáárvan, waaronder de afwezigheid van een alarminstallatie bij de stalling en van bewaking van de stalling buiten openingstijden.
3.16.2
Anthevast heeft in haar gedingstukken, in relatie tot de diefstalbeveiligingseisen die UVM stelde aan [betrokkene 1] , gewezen op maatregelen aangaande het BearLock-versnellingsbakslot. Dit neemt niet weg dat Anthevast in haar gedingstukken, net als het hof in het arrest, onderscheid maakt tussen enerzijds voornoemde eisen die UVM stelde aan [betrokkene 1] als verzekeringnemer en anderzijds de beveiliging die Anthevast als bewaarnemer heeft te bieden aan haar klanten onder wie [betrokkene 1] , waarbij zij benadrukte dat UVM aan dit laatste juist geen voorwaarden stelde. Bij dit laatste legde Anthevast veeleer de nadruk op beveiliging van de stalling.
3.16.3
Ik citeer ter illustratie uit de memorie van antwoord:
“24. Belangrijker nog is zeker in het licht van wat door UVM naar voren wordt gebracht stil te staan bij wat de gemiddelde caravanstalling in Nederland diens klanten aan beveiligingsniveau brengt en wat de stallingnemer accepteert zonder dat diens assuradeur daar voorwaarden aan stelt.
25. De vaststelling kan geen andere zijn dat - en dat is feit van algemene bekendheid -men voor stalling terecht kan in niet meer in gebruik zijnde groenkassen en schuren van veehouders en in opslagruimtes voor welke er geen ander doel meer lijkt zijn dan caravan stalling. Het gemiddeld beveiligingsniveau tegen diefstal is daar niet hoger dan bij Caravanstalling Lingewaard en wat UVM van haar verzekeringsnemers op dit punt verlangt dus ook niet. Anthevast overlegt graag als productie 4 de webpages van stallingaanbieders door heel het land waaruit dat blijkt. Zie https://1stalling.nl/caravanstalling/aanbod.
26. (…) Door een vergelijking te maken met een casus uit een in de memorie van grieven deels geciteerd arrest, slaat zij [UVM, A-G] de plank behoorlijk mis (…) als zij ermee beoogt te stellen dat het te verwachten beveiligingsniveau van een gemiddelde caravanstalling dat van een opslag van consumentenelektronica zou moeten halen.
27. Anders gezegd, Anthevast vindt het wat te gemakkelijk dat UVM stelling neemt omtrent het beveiligingsniveau dat Anthevast in acht had moeten nemen om aan haar zorgplicht te voldoen zonder zich daarbij rekenschap te geven van wat er gemiddeld genomen aan de doorsnee caravanstallingnemers wordt aangeboden en door hen wordt geaccepteerd en waaraan door UVM als assuradeur aan haar verzekeringnemers geen enkele voorwaarde wordt gesteld.”
3.17
Dit oordeel van het hof wordt evenmin onbegrijpelijk indien, zoals de klacht doet, wordt aangenomen dat is voldaan aan de diefstalbeveiligingseisen die UVM aan [betrokkene 1] als verzekeringnemer stelde (“die zien op het afsluiten van de camper”) en die eisen diefstal van de camper uit de stalling bemoeilijken.
3.17.1
Het in dit oordeel van het hof gemaakte onderscheid brengt mee dat [betrokkene 1] van Anthevast, in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer, niet zozeer diefstalbeveiligingsmaatregelen inzake de camper zelf mocht verwachten. Dát lag op de weg van [betrokkene 1] , als verzekeringnemer van UVM. Dit betekent weer dat [betrokkene 1] , voor zover hij die maatregelen heeft getroffen, geen maatregelen heeft getroffen die Anthevast had moeten treffen in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] . Bij dit laatste gaat het om andere diefstalbeveiligingsmaatregelen (specifiek met betrekking tot de stalling waarin, onder veel meer, de camper stond), en in een andere verhouding (die tussen [betrokkene 1] en Anthevast). Daarbij is leidend of Anthevast dienaangaande jegens [betrokkene 1] , als bewaargever, de zorg van een goed bewaarnemer in acht heeft genomen, wat afhangt van de concrete omstandigheden.
3.17.2
Hieruit volgt niet dat indien [betrokkene 1] als verzekeringnemer die (door UVM voorgeschreven) maatregelen heeft getroffen, dus betreffende de camper zelf, dit zich erin vertaalt dat Anthevast, in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] , minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen (laat staan dat Anthevast daarom reeds zou hebben voldaan aan haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] ). Ter illustratie een simpele variant. Een verzekeraar van een fiets verlangt van de verzekerde, de eigenaar van de fiets, dat laatstgenoemde zijn (verzekerde) fiets op slot zet als hij deze niet gebruikt. De verzekerde geeft de fiets in bewaring bij een professionele bewaarnemer, waarbij de fiets op slot wordt gezet. Het zou toch bevreemden indien de verzekerde - als bewaargever in verhouding tot de bewaarnemer - zonder meer heeft te verwachten dat de bewaarnemer de stalling, met daarin de fiets en ook veel andere (deels dure) voertuigen, minder goed hoeft te beveiligen tegen diefstal daaruit, enkel omdat de onderhavige fiets op slot is gezet. Sterker, dit is een non sequitur.
3.18
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2
(“Het BearLock-versnellingsbakslot (rov. 3.11 en 3.21)”)
3.19
Het onderdeel bevat twee subonderdelen.
3.20
Subonderdeel 2.1 bevat twee klachten. De eerste klacht is dat, indien het hof in rov. 3.11 van het arrest tot het oordeel gekomen is dat de camper ten tijde van de diefstal niet afgesloten zou zijn met een specifiek versnellingsbakslot, dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De tweede klacht is dat het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat Anthevast toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn in de nakoming van de stallingovereenkomst, eveneens ontoereikend is gemotiveerd. Ter onderbouwing voert het subonderdeel het volgende aan.
3.20.1
Het hof heeft niet gerespondeerd op de volgende essentiële stellingen van Anthevast.
a. Een BearLock-versnellingsbakslot is vergrendeld indien de sleutel uitgenomen is. Daarom verlangt een assuradeur dat bij een schadeclaim als gevolg van diefstal drie sleutels van dit slot worden overhandigd, opdat zij kan vaststellen dat het slot daadwerkelijk vergrendeld was ten tijde van de diefstal.
b. Bij de verzekeraar zijn drie BearLock-sleutels ingeleverd.
c. Indien [betrokkene 1] niet alle drie de sleutels van het BearLock ingeleverd zou hebben, zou UVM niet gehouden zijn geweest om uit te keren en zou zij hoe dan ook geen vordering gehad hebben op Anthevast.
3.20.2
Deze stellingen zijn volgens het subonderdeel essentieel, omdat, indien deze juist zijn, zij tot het oordeel kunnen leiden dat de camper ten tijde van de diefstal wel afgesloten was met een specifiek versnellingsbakslot, namelijk een BearLock-versnellingsbakslot, en dat Anthevast daarom niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingovereenkomst. Want vergrendeling met een BearLock-versnellingsbakslot bemoeilijkt de diefstal van de camper uit de stallingsruimte en is daarom een beveiligingsmaatregel die UVM zelf voorschrijft aan haar verzekerden. Derhalve is het plausibel dat Anthevast aan haar zorgplicht jegens [betrokkene 1] voldaan heeft door de camper met een BearLock- versnellingsbakslot te vergrendelen. Dit temeer omdat, zoals het hof in rov. 2.4 als feit heeft vastgesteld, de bewaarneming volgens art. 5.1 av nu juist voor eigen rekening en risico van de stallingnemer ( [betrokkene 1] ) geschiedt.
Behandeling
3.21
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.22
Ik begin met de eerste klacht.
3.22.1
Hier kan ik kort over zijn: zij strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag in het arrest. Nergens daarin, evenmin in rov. 3.11, oordeelt het hof dat de camper ten tijde van de diefstal niet was afgesloten met een specifiek versnellingsbakslot, in het bijzonder een BearLock-versnellingsbakslot.
3.22.2
Wel oordeelt het hof in rov. 3.11, eerste alinea dat niet opgaat het betoog van Anthevast dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot, nu die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte. Dit is evenwel iets anders dan een oordeel als door de klacht verondersteld.
3.23
Tot slot de tweede klacht.
3.23.1
Zij boekt evenmin succes.
3.23.2
Het oordeel van het hof in rov. 3.21 dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst, en zij daarom jegens UVM aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade, steunt op de oordelen van het hof in de daaraan voorafgaande overwegingen (“Dit betekent”, etc.).
3.23.3
In rov. 3.6 stelt het hof voorop dat Anthevast is tekortgeschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst doordat zij de camper niet kan teruggeven aan [betrokkene 1] . Deze tekortkoming is (mogelijk) niet toerekenbaar indien Anthevast, zoals zij ook stelt, aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. De bewijslast dienaangaande ligt bij Anthevast, aldus nog steeds het hof in rov. 3.6.
3.23.4
Daarna gaat het hof eerst in op de omvang van de zorgplicht van de bewaarnemer: wat mocht de bewaargever in de concrete omstandigheden verwachten? (zie rov. 3.7-3.9). Vervolgens zet het hof uiteen, samengevat:
- dat de verzekeringsplicht van [betrokkene 1] niet betekent dat Anthevast minder maatregelen tegen diefstal hoefde te treffen (zie rov. 3.10-3.11);
- dat Anthevast haar zorgplicht niet is nagekomen: zij heeft onvoldoende maatregelen tegen diefstal getroffen (zie rov. 3.12-3.20).
Dit mondt uit in rov. 3.21.
3.23.5
Welnu: ook indien wordt aangenomen dat de in de klacht aangevoerde stellingen (zie onder 3.20.1 a t/m c hiervoor) door Anthevast zo zijn aangevoerd en juist zijn, maakt dit, anders dan de klacht wil, ’s hofs oordeel in rov. 3.21 niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Want in de door het hof blijkens rov. 3.6-3.20 gekozen benadering, inzake de tekortkoming zijdens Anthevast (zie rov. 3.6) en de toerekenbaarheid daarvan aan haar (zie rov. 3.7-3.20), geldt dat hetgeen waarop de klacht met die stellingen aanstuurt relevantie mist. Het hof onderscheidt in rov. 3.11, eerste alinea immers de maatregelen waar de stellingen in de klacht op zien (inzake het BearLock-versnellingsbakslot) van de maatregelen die van Anthevast in het kader van haar zorgplicht als bewaarnemer kunnen worden verlangd (welke maatregelen, gezien rov. 3.6, dus ook van belang zijn voor de toerekeningsvraag). Vervolgens gaat het hof (in rov. 3.12-3.20), kort gezegd, aan de hand van laatstgenoemde maatregelen na of Anthevast aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. Uit de in de klacht aandragen stellingen kan hier dus ook niet volgen, anders dan de klacht suggereert, dat Anthevast aan haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] heeft voldaan door de camper met een BearLock-versnellingsbakslot te vergrendelen (en dat zij daarom niet toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de stallingovereenkomst). Zie wat betreft die toerekenbaarheid, neerkomend op de vraag of Anthevast heeft voldaan aan haar zorgplicht als bewaarnemer jegens [betrokkene 1] , ook mijn bespreking van subonderdeel 1.2.
3.23.6 ’
’s Hofs citaat in rov. 2.4 uit art. 5.1, eerste zin av (“De bewaarneming van de zaak is voor eigen rekening en risico van stallingnemer”) doet hieraan niet af. Daarop is door Anthevast geen beroep gedaan in feitelijke instanties op voor de klacht relevante wijze. Deze enkele feitenvaststelling brengt ook geen verandering in de door het hof blijkens rov. 3.6-3.20 gekozen benadering inzake de tekortkoming zijdens Anthevast en de toerekenbaarheid daarvan aan haar.
3.23.7
Kortom: uit de klacht volgt niet dat de daarin aangevoerde stellingen (zie dus onder 3.20.1 a t/m c hiervoor) essentieel zijn, derhalve evenmin dat er voor het hof reden bestond om in het arrest nog weer nader op die stellingen te responderen dan het al doet (in het bijzonder in rov. 3.11, eerste alinea). Daarmee valt reeds het doek voor de klacht.
3.24
Subonderdeel 2.2 bestrijdt als onjuist en/of onbegrijpelijk rov. 3.11 van het arrest, indien het hof daarin geoordeeld heeft dat het feit dat de camper ten tijde van de diefstal vergrendeld was met een specifiek versnellingsbakslot onvoldoende zou zijn om aan te nemen dat Anthevast aan haar zorgplicht voldaan heeft, of niet relevant zou zijn bij de beantwoording van de vraag of Anthevast aan haar zorgplicht voldaan heeft. “Want het afsluiten van een camper met een specifiek versnellingsbakslot bemoeilijkt de diefstal van de camper uit de stallingsruimte. Zie de subonderdelen 1.2 en 2.1”.
Behandeling
3.25
Het subonderdeel bouwt voort op, en deelt daarmee het lot van, de subonderdelen 1.2 en 2.1, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
3.26
Overigens rept het hof in rov. 3.11 (of elders in het arrest) niet van “het feit dat de camper ten tijde van de diefstal vergrendeld was met een specifiek versnellingsbakslot”.
3.27
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3
(“Het cameratoezicht (rov. 3.20)”)
3.28
Het onderdeel bestrijdt als onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd het oordeel in rov. 3.20 van het arrest dat Anthevast onvoldoende heeft onderbouwd dat het parkeerterrein was voorzien van cameratoezicht, en dat niet is gebleken dat er cameratoezicht was zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast was overeengekomen en [betrokkene 1] daarom ook in het kader van de zorgplicht van Anthevast mocht verwachten. Ter onderbouwing voert het onderdeel het volgende aan.
3.28.1
Het hof heeft niet (voldoende) gerespondeerd op de essentiële stelling van Anthevast dat er een camera gericht was op de énige toegangsweg naar het terrein.
3.28.2
Deze stelling is volgens het onderdeel essentieel, omdat, indien deze juist is, deze tot het oordeel kan leiden dat het cameratoezicht wel was zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast overeengekomen was en [betrokkene 1] daarom in het kader van de zorgplicht van Anthevast mocht verwachten. Want art. 5.1 av, mede inhoudende dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht, brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat een camera op het parkeerterrein zelf gericht moet zijn. Aan deze bepaling kan ook zijn voldaan als een camera is gericht op de énige toegangsweg naar dit parkeerterrein.
3.28.3 ’
’s Hofs vaststelling in rov. 3.20 dat Anthevast “slechts” heeft gesteld dat er een camera gericht was “op de toegangsweg, dus niet op het parkeerterrein” is daarom geen toerekende respons op voornoemde stelling. Deze respons ziet immers eraan voorbij dat een camera die gericht is op de énige toegangsweg ook voldoende kan zijn om te voldoen aan art. 5.1 av. Is het hof tot het oordeel gekomen dat zo’n camera niet voldoende is of kan zijn, dan is dit oordeel zonder toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.
Behandeling
3.29
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.30
M.i. strandt het onderdeel reeds op een gebrek aan belang. Ik licht toe.
3.30.1
In rov. 3.16 overweegt het hof dat in het licht van hetgeen [betrokkene 1] (UVM) van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten, de in rov. 3.12-3.15 bedoelde maatregelen - ten aanzien waarvan het hof in rov. 3.15 vaststelt dat deze door Anthevast zijn getroffen - echter nog niet voldoende zijn. Want uit de stallingovereenkomst, in het bijzonder art. 5.1 av, volgt dat Anthevast ook zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein. Bovendien heeft Anthevast gesteld dat zij sinds de eerdere diefstal in 2020 de regels en procedures van, en de controle op, het beheer van de stalling heeft aangescherpt. Anthevast zag daartoe kennelijk zelf noodzaak; [betrokkene 1] /UVM mochten dit daarom in het licht van de zorgplicht ook van Anthevast verwachten, aldus nog steeds het hof in rov. 3.16.
3.30.2
Het hof identificeert in rov. 3.16 derhalve twee nadere, eigenstandige aspecten die [betrokkene 1] (UVM) in het licht van de zorgplicht ook van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten:
(i) dat Anthevast zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein;
(ii) dat Anthevast sinds de eerdere diefstal in 2020 de regels en procedures van, en de controle op, het beheer van de stalling heeft aangescherpt.
Op (i) en (ii) gaat het hof in rov. 3.17-3.20 in. Het door het onderdeel bestreden oordeel staat in rov. 3.20 en ziet enkel op (i). Het onderdeel laat ’s hofs oordeel inzake (ii) ongemoeid (dit laatste oordeel wordt ook elders in de procesinleiding niet bestreden). ’s Hofs oordeel inzake (ii) staat in rov. 3.17 en komt erop neer dat, gezien de bewijslastverdeling en de betwisting door UVM, het op de weg van Anthevast had gelegen om (ii) te onderbouwen, maar zij dit onvoldoende heeft gedaan.
3.30.3
Met dit laatste brengt het hof tot uitdrukking dat Anthevast, op wier weg het ligt te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan (zie rov. 3.6), onvoldoende heeft onderbouwd dat zij op dit punt - dus onder (ii) - aan haar zorgplicht heeft voldaan. Hieruit volgt reeds dat de door het hof in rov. 3.6 al vastgestelde tekortkoming in de nakoming van de stallingovereenkomst ook aan haar kan worden toegerekend, omdat zij niet aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan. Anders gezegd: ’s hofs oordeel inzake (ii), dat in cassatie niet wordt bestreden, is zelfstandig dragend voor diens conclusie in rov. 3.21 dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst en zij daarom jegens UVM aansprakelijk is voor de daardoor ontstane schade. Die conclusie blijft ook staan zonder ’s hofs oordeel inzake (i), in rov. 3.18-3.20.
3.31
Volledigheidshalve: ook als het onderdeel niet reeds zou stranden op een gebrek aan belang, boekt het geen succes. Ik licht weer toe.
3.31.1
Blijkens rov. 3.16 en 3.20 legt het hof het cameratoezicht zoals tussen [betrokkene 1] en Anthevast was overeengekomen, specifiek de bepaling in art. 5.1 av dat “Het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht”, aldus uit dat het daarbij gaat om een of meer werkende camera’s, gericht op het parkeerterrein zelf.
3.31.2
Deze uitleg is niet onbegrijpelijk. De tekst van voornoemde bepaling in art. 5.1 av laat deze uitleg inderdaad toe, zelfs bepaaldelijk: bij de gekozen formulering ligt het immers in de rede dat het gaat om daadwerkelijk toezicht, via die camera(’s), op dit terrein zelf. Het partijdebat in feitelijke instanties gaf het hof geen reden toch een andere uitleg aan te houden.
3.31.3
In rov. 3.20 zet het hof uiteen waarom Anthevast onvoldoende heeft onderbouwd dat zij aan haar zorgplicht als bewaarnemer heeft voldaan wat betreft dat cameratoezicht zoals tussen [betrokkene 1] en haar was overeengekomen. Daarbij respondeert het hof onder meer op de al in rov. 3.18, eerste alinea gememoreerde stelling van Anthevast dat buiten camera’s hingen die wel werkten en gericht waren op de enige toegangsweg naar de stalling. Kort en goed: het hof kan slechts uitgaan van één werkende camera, die buiten hing en volgens Anthevast zelf niet gericht was op het parkeerterrein (want op iets anders, namelijk die toegangsweg), hetgeen niet beantwoordt aan haar uit art. 5.1 av volgende plicht om te zorgen voor een of meer werkende camera’s, gericht op het parkeerterrein.
3.31.4
Hieruit volgt dat het hof wel degelijk respondeert op die stelling van Anthevast en dit ook voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd doet. Daarbij betrek ik mede het volgende.
- Het hof maakt in rov. 3.20 inzichtelijk waarom aannemelijk is dat er buiten in ieder geval één camera hing en deze ook werkte.
- De daarop volgende duiding door het hof in rov. 3.20 van wat echter niet blijkt uit hetgeen Anthevast verder heeft aangevoerd, vindt grondslag in haar gedingstukken.
- Het klopt ook, zoals het hof in aanmerking neemt in rov. 3.20, dat er volgens Anthevast zelf geen sprake was van een of meer werkende camera’s, gericht op het parkeerterrein.
- Gegeven die niet onbegrijpelijke uitleg door het hof van art. 5.1 av is aan deze bepaling per definitie niet voldaan bij een stand van zaken - en daarop komt het hof hier dus gemotiveerd uit - waarin de enige werkende camera, die buiten hing, gericht was op voornoemde toegangsweg (en dus niet op het parkeerterrein).
3.31.5
Met het voorgaande ontvalt ook inhoudelijk reeds de bodem aan het onderdeel.
3.32
Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4
(“De ‘eigen rekening en risico’-bepaling (rov. 3.21)”)
3.33
Het onderdeel bestrijdt als onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.21 van het arrest dat Anthevast toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de stallingovereenkomst. Want het hof heeft in rov. 2.4 als feit vastgesteld dat in art. 5.1 av staat dat de bewaarneming geschiedt voor eigen rekening en risico van de stallingnemer ( [betrokkene 1] ). Zonder toelichting, die ontbreekt, is daarom onbegrijpelijk waarom Anthevast ondanks deze bepaling in de av toerekenbaar tekortgeschoten zou zijn. Daarom voldoet het arrest ook op dit punt niet aan het vereiste dat een rechterlijke beslissing ten minste zodanig gemotiveerd moet zijn dat zij voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing voor zowel partijen als derden controleerbaar en aanvaardbaar te maken.
Behandeling
3.34
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.34.1
De in het onderdeel aangehaalde passage uit art. 5.1 av, dus dat de bewaarneming voor eigen rekening en risico is van de stallingnemer, hoefde het hof - mede gelet op art. 24 Rv - niet in de beoordeling te betrekken. Anthevast heeft in haar gedingstukken in feitelijke instanties geen beroep gedaan op deze passage, die dan ook nooit onderdeel is geweest van het partijdebat. Anthevast heeft daarin dus ook niet gesteld welk rechtsgevolg deze passage volgens haar dan meebrengt, en waarom. Het onderdeel noemt ook geen stelling van Anthevast in feitelijke instanties waaruit iets anders zou blijken, laat staan met vindplaats. Dit een en ander is al fataal voor het onderdeel.
3.34.2
Mijn indruk is dat het hof deze passage eenvoudigweg laat staan in rov. 2.4 van het arrest, als onderdeel van het daarin geciteerde art. 5 av, omdat de rechtbank art. 5 av ook zo had geciteerd in rov. 2.4 van het vonnis en daartegen niet is gegriefd in hoger beroep. Dit doet evenwel niet af aan hetgeen ik schreef onder 3.34.1 hiervoor.
3.35
Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5
(“Het exoneratiebeding (rov. 3.26)”)
3.36
Volgens het onderdeel is onjuist en/of onbegrijpelijk het oordeel in rov. 3.26 van het arrest dat Anthevast onvoldoende heeft aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is. Want dit oordeel kan niet worden gedragen door de motivering ervan in rov. 3.25 dat de exoneratie tot gevolg kan hebben dat Anthevast geen prikkel ervaart om haar zorgplicht na te komen. Immers, het hof ziet met deze motivering eraan voorbij dat Anthevast ook bij een exoneratie een dergelijke prikkel ervaart, omdat zij, zoals iedere ondernemer, haar reputatie hoog moet houden. Als bekend zou raken dat Anthevast haar stalling slecht beveiligt, zou zij tenslotte veel van haar klanten kwijtraken.
Behandeling
3.37
Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
3.38
M.i. strandt het onderdeel reeds op een gebrek aan belang. Ik licht toe.
3.38.1
Art. 5.3 av citeerde ik reeds onder 1.5 hiervoor, maar ik herhaal dit exoneratiebeding voor een goed begrip:
“5.3 Stallinghouder [Anthevast, A-G] is nimmer aansprakelijk voor directe en/of indirecte schade aan de zaak en/of stallingnemer en/of (zaken van) derden, behoudens in het geval dat sprake is van opzet of grove schuld zijdens stallinghouder. Indien stallinghouder toch aansprakelijk is, dan is die aansprakelijkheid beperkt tot maximaal het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd. Indien schade niet onder enige dekking valt is stallinghouder niet aansprakelijk.”
3.38.2
In rov. 3.22 wijst het hof erop dat UVM tegen het beroep van Anthevast op het in art. 5.3 av vervatte exoneratiebeding niet alleen heeft aangevoerd dat de av niet ter hand zijn gesteld, maar ook dat de bepaling onredelijk bezwarend is in de zin van art. 6:237, aanhef en onder b en f BW.
3.38.3
In rov. 3.23 vervolgt het hof kort gezegd aldus dat, ervan uitgaande dat de av van toepassing zijn op de stallingovereenkomst en dat Anthevast aan [betrokkene 1] (UVM) een redelijke mogelijkheid heeft gegeven om van de av kennis te nemen, het exoneratiebeding in art. 5.3 av naar ’s hofs oordeel onredelijk bezwarend is.
3.38.4
De toelichting op dit oordeel staat in rov. 3.24-3.26. Het gaat daarbij met name om rov. 3.24-3.25, waaruit volgt waarom volgens het hof Anthevast onvoldoende heeft aangevoerd om het vermoeden te weerleggen dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is, en zij dus geen beroep kan doen op dit beding (rov. 3.26).
3.38.5
In rov. 3.24 begint het hof met het vermoeden dat het exoneratiebeding onredelijk bezwarend is. Daarvan gaat het hof hier uit op grond van art. 6:237, aanhef en onder f BW in verbinding met de inhoud van art. 5.3 av.
3.38.6
In rov. 3.25 stelt het hof voorop wat Anthevast heeft aangevoerd om dit vermoeden te weerleggen. Dit komt neer op twee stellingen: (i) volgens Anthevast is het zeer gebruikelijk om als stallinghouder elke vorm van aansprakelijkheid uit te sluiten; en (ii) Anthevast heeft ook het standpunt ingenomen dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren.
3.38.7
Het hof begint dan met het behandelen van stelling (ii). Die verwerpt het hof, omdat uitgaande van die stelling art. 5.3 av als effect heeft dat Anthevast zich in feite geheel bevrijdt van haar verplichting tot schadevergoeding, wat betekent dat het exoneratiebeding in het onderhavige geval - dus in de gegeven omstandigheden - leidt tot een onevenwichtige risicoverdeling. Dit laatste, dus die conclusie over de uitwerking van het exoneratiebeding in dit geval, schraagt het hof met twee argumenten.
3.38.8
Het eerste argument is dat art. 5.3 av dit effect dus ook heeft indien die verplichting tot schadevergoeding voortvloeit uit een tekortkoming in de nakoming van de primaire verbintenis tot teruggave: “een kernverplichting”. Uit rov. 3.6 volgt reeds dat deze situatie in dit geval speelt. Immers:
“Als gevolg van de diefstal kan Anthevast niet voldoen aan haar teruggaveplicht. Anthevast schiet daardoor tekort in de nakoming van de stallingovereenkomst.”
3.38.9
Het tweede argument is dat “dit” ertoe kan leiden dat er voor Anthevast geen prikkel meer bestaat om haar zorgplicht na te komen. En dat eventuele schade als gevolg van het schenden van die zorgplicht op de eigen verzekeraar van de stallingnemer - in dit geval UVM voor [betrokkene 1] - wordt afgewenteld, zoals in dit geval ook is gebeurd.
3.38.10
M.i. bedoelt het hof dat het eerste argument hier al zelfstandig dragend is voor die conclusie. Daarom contrasteert het hof zo nadrukkelijk dit effect met die kernverplichting: als zelfs bij schending dáárvan (zoals hier dus het geval is) bewaarnemer Anthevast zich met een beroep op art. 5.3 av feitelijk kan onttrekken aan schadeplichtigheid, ontstaat een rechtens ontoelaatbare risicoverdeling tussen haar en bewaargever [betrokkene 1] (althans diens verzekeraar UVM).
3.38.11
Het tweede argument komt daar nog eens bij. Daarbij wijst het hof niet zozeer op de aard van de verbintenis in kwestie (dat doet het hof bij het eerste argument), als wel op de risico’s van een dergelijke uitwerking van het exoneratiebeding in termen van gedragseffect (het wegvallen van een betekenisvolle stimulans voor bewaarnemer Anthevast tot naleving van haar zorgplicht) en schadeafwenteling (op de eigen verzekeraar van de bewaargever, in dit geval UVM voor [betrokkene 1] , zoals hier dus ook is gebeurd).
3.38.12
Aan het slot van rov. 3.25 verwerpt het hof ook stelling (i). Dit komt erop neer dat de door Anthevast ingeroepen gebruikelijkheid om als stallinghouder elke vorm van aansprakelijkheid uit te sluiten, niet eraan afdoet dat het exoneratiebeding in het onderhavige geval leidt tot een onevenwichtige risicoverdeling.
3.38.13
Ik kom tot een afronding. Het onderdeel bestrijdt de slotsom in rov. 3.26, maar doet dit slechts door pijlen te richten op ’s hofs verwerping van stelling (ii), meer precies op enkel een deel van het tweede argument. Zoals volgt uit het voorgaande, wordt die verwerping van stelling (ii) evenwel zelfstandig gedragen door het eerste argument (dat ook elders in de procesinleiding niet wordt bestreden), en blijft die slotsom in rov. 3.26 ook staan zonder (het door het onderdeel bestreden deel van) het tweede argument.
3.39
Volledigheidshalve: ook als het onderdeel niet reeds zou stranden op een gebrek aan belang, boekt het geen succes. Ik licht weer toe.
3.39.1
Wat het hof met het bestreden oordeel tot uitdrukking brengt, is dat wanneer bewaarnemer Anthevast zich met een beroep art. 5.3 av feitelijk kan onttrekken aan schadeplichtigheid jegens de bewaargever (althans diens verzekeraar), zelfs ook bij schending van voornoemde kernverplichting, dit erin kan uitmonden dat Anthevast geen betekenisvolle stimulans meer ervaart om haar zorgplicht als bewaarnemer na te komen. Daarmee zegt het hof niet dát dan voor Anthevast zo’n stimulans ontbreekt, of dat daarbij dan het belang voor Anthevast als ondernemer van haar reputatie geen rol kan spelen, maar wel dat dan het risico ontstaat dat voor Anthevast, al met al, zo’n stimulans komt te ontbreken.
3.39.2
Dit belang voor Anthevast van haar reputatie laat zich ook bezwaarlijk verabsoluteren in de zin dat zij ‘door dit belang dus’ een betekenisvolle stimulans ervaart om haar zorgplicht als bewaarnemer na te komen, ook wanneer Anthevast zich met een beroep art. 5.3 av feitelijk kan onttrekken aan schadeplichtigheid jegens de bewaargever (althans diens verzekeraar), zelfs ook bij schending van voornoemde kernverplichting. Dat is niet uitgesloten, maar evenmin op voorhand gegeven. Dit belang vertaalt zich immers niet automatisch, als ware het een natuurwet, van abstracte notie in zo’n concreet beleefde prikkel van betekenis, laat staan steeds. Dit belang kán in de concrete situatie ook hooguit een bijkomstigheid zijn, van relatief weinig tot nauwelijks of zelfs geen gewicht.
3.39.3
Het onderhavige geval illustreert het ontbreken van zo’n automatisme.
3.39.4
Daarin is naar ’s hofs oordeel (zie rov. 3.6-3.21) sprake van niet alleen een tekortkoming in de nakoming van de stallingovereenkomst door Anthevast, maar ook een meervoudige schending door Anthevast van haar zorgplicht als bewaarnemer, zodat die tekortkoming tevens toerekenbaar is aan Anthevast. Daarbij is Anthevast dus onder meer ervan uitgegaan dat art. 5.3 av toepassing vindt op de rechtsverhouding met [betrokkene 1] , en dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren (wat insluit dat zij zich ook niet verzekerd heeft). Het voorgaande wijst er nou niet op dat Anthevast, ondanks art. 5.3 av en het ontbreken bij haar van een verzekering, in het belang van haar reputatie toch nog een betekenisvolle stimulans ervoer om haar zorgplicht na te komen.
3.39.5
Bij dit een en ander zij nog bedacht dat blijkens ’s hofs feitelijke vaststellingen Anthevast per 1 januari 2023, dus binnen enkele maanden na de in rov. 2.5 bedoelde inbraakaangifte door de beheerder van de stalling op 5 oktober 2022, niet langer de exploitant van de stalling was (zie rov. 2.3). Anthevast heeft zelf in feitelijke instanties aangevoerd dat al veel eerder in 2022 duidelijk was dat zij toen ging stoppen met de exploitatie van de stalling.
3.39.6
Overigens heeft Anthevast in feitelijke instanties zo’n ‘door dit belang dus’-benadering ook niet bepleit, terecht dus. Sterker, Anthevast heeft daarin überhaupt geen beroep gedaan op dit belang in het kader van (haar beroep op) het exoneratiebeding. Het onderdeel maakt ook geen gewag van zo’n stellingname, laat staan met vindplaats.
3.39.7
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan het onderdeel. Kort en goed: uit hetgeen het onderdeel aanvoert, volgt niet dat het bestreden oordeel onjuist dan wel onbegrijpelijk is.
3.39.8
Overigens wordt dit niet anders door het zijdens Anthevast (eerst) in de schriftelijke toelichting nog opgebrachte argument dat het hof eraan voorbijziet dat een exoneratie ervoor bedoeld is om aansprakelijkheid uit te sluiten voor risico’s die niet in redelijke verhouding staan tot de tegenprestatie die een ondernemer of beroepsbeoefenaar voor zijn werkzaamheden ontvangt. Het hof laat zich in rov. 3.22-3.26 (onder “Het exoneratiebeding is onredelijk bezwarend”) immers niet uit over de rationale van “een exoneratie” in abstracto, maar over de uitwerking van de in art. 5.3 av vervatte exoneratie in dit geval, uitgaande van de stelling van Anthevast dat zij zich redelijkerwijs niet kan verzekeren en gegeven de hier toepasselijke context van art. 6:237, aanhef en onder f BW. Daarbij hoefde het hof zich ook niet uit te laten over zo’n rationale. Opmerking verdient nog dat het Hoge Raad-arrest uit 1968 waarop Anthevast zich hierbij nog heeft beroepen, helemaal niet gaat over (de rationale van) een exoneratie.
3.40
Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 5 faalt.
Slotsom
3.41
Het cassatiemiddel van Anthevast is derhalve vergeefs voorgesteld.
3.42
Ik geef toepassing van art. 81 lid 1 RO in overweging.
4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie Hof Arnhem-Leeuwarden 15 juli 2025, zaaknr. 200.338.283 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
Zie Rb. Gelderland 22 november 2023, ECLI:NL:RBGEL:2023:7388.
Noot 2 van de procesinleiding verwijst hier naar: “HR 4 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986 (Vredo/Veenhuis), rov. 3.4”.
Zie bijv. Asser/I.S.J. Houben & A.C. van Schaick, Bewaarneming, borgtocht, vaststellingsovereenkomst, franchise, bruikleen, altijddurende rente, spel en weddenschap (7-VIII), Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 9; M.B. De Boer, ‘Een goed bewaarnemer’, in: De maatman in het burgerlijk recht, Deventer: Kluwer 2008, p. 246; en W.H.M. Reehuis, E.E. Slob & C.J. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 7, Bijzondere overeenkomsten, titels 1, 7, 9 en 14, Deventer: Kluwer 1991, p. 396 (nr. 5).
In zijn conclusie voor HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998/168, onder 3.1.4.3.
Zie Reehuis, Slob & Van Zeben 1991, p. 396 (nr. 5).
Zie C.J. van Zeben & J.W. du Pon m.m.v. M.M. Olthof, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1981, p. 154 (T.M.), p. 155 (M.V.A. II).
Dat de professionaliteit van de bewaarnemer een (mogelijk) relevante omstandigheid is, volgt bijv. uit HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998/168, rov. 3.3-3.4. Zie ook het hof in rov. 3.7.
Zie bijv. H.N. Schelhaas & A.J. Verheij (red.), Bijzondere overeenkomsten (Studiereeks Burgerlijk Recht, deel 6), Deventer: Wolters Kluwer 2023, nr. 373, p. 424; Asser/Houben & Van Schaick 2023, nr. 9; De Boer 2008, p. 248; en B. Wessels, ‘Overzicht der Nederlandse Rechtspraak. Bijzondere Overeenkomsten (ii)’, WPNR 1994/6126, p. 162. Enkele voorbeelden uit de rechtspraak: Hof ’s-Hertogenbosch 2 augustus 2022, ECLI:NL:GHSHE:2022:2686, rov. 3.4.3 en Rb. Rotterdam 19 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:9039, rov. 4.5. HR 28 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2511, NJ 1998/168, rov. 3.3-3.4 ligt m.i. in lijn met de conclusie van A-G Mok voor dit arrest, waarin hij onder 3.1.4.3-3.1.4.4 wijst op de onder 3.7.1-3.7.2 hiervoor genoemde wetsgeschiedenis, waaruit dus blijkt van een gevalsafhankelijke bepaling van de zorgplicht van de bewaarnemer.
Zie M.B. de Boer, GS Bijzondere overeenkomsten, Deventer: Kluwer 2013 (actueel t/m 1 juni 2013), art. 7:602 BW, aant. 3 (en G.R. Rutgers, Bewaarneming (Mon. BW B73), Deventer: Kluwer 1998, nr. 12, p. 23).
Ik citeer: “Daarbij moet rekening worden gehouden met de inhoud van de overeenkomst zelf (vastgesteld door middel van uitleg), de aard van de bewaarde zaak en wat de bewaarnemer daarover weet, de persoon van de bewaarnemer en de mate van professionaliteit, het gebruik van de zaak, de hoogte van het bewaarloon, de aannemelijkheid dat de nodige beveiligingsmaatregelen (bijvoorbeeld tegen diefstal) worden getroffen en de redelijkheid en billijkheid. Ook kan onder omstandigheden worden verwacht dat de bewaarnemer een verzekering afsluit” [zonder verwijzing uit het origineel, A-G].
Ik citeer: “In de stallingovereenkomst is bepaald dat de bewaargever, dus [betrokkene 1] , een verzekering tegen diefstal afsluit. Verder is in artikel 5.1 van de Algemene Voorwaarden opgenomen dat Anthevast de zaak (de camper) bewaart in een voor onbevoegden afgesloten ruimte en dat het parkeerterrein is voorzien van cameratoezicht. Daarnaast is van belang dat het hier gaat om een caravanstalling waar naast caravans en campers ook vouwwagens, oldtimers en boten worden gestald. Dit zijn naar hun aard in elk geval voor een deel kostbare zaken. Anthevast is een professionele bewaarnemer, die in haar stalling meer dan 2.000 plaatsen beschikbaar stelt. Tot slot is relevant dat, zoals Anthevast onbetwist heeft aangevoerd, veel caravanstallingen in Nederland zijn ondergebracht in niet meer in gebruik zijnde groenkassen, schuren van veehouders en andere opslagruimtes. Dat was ook het geval bij Anthevast: de caravanstalling was gevestigd in een voormalige veilinghal”.
In rov. 3.11, laatste alinea zegt het hof het zo: “De contractuele verzekeringsplicht betekent dan ook niet dat [betrokkene 1] hoefde te verwachten dat Anthevast in het kader van haar zorgplicht minder maatregelen tegen diefstal uit de stalling hoefde te nemen”.
Asser/Houben & Van Schaick 2023, nr. 10 laten zien dat het aannemen van een verzekeringsplicht zijdens de bewaarnemer casuïstisch is, mede onder verwijzing naar Rb. Amsterdam 28 augustus 2019, ECLI:NL:RBAMS:2019:10227; Rb. Gelderland 25 april 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:1806; en Rb. Zutphen 9 juli 2003, ECLI:NL:RBZUT:2003:AQ8956.
Daarbij verliest het hof niet uit het oog dat Anthevast heeft aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot. Daaraan gaat het hof in rov. 3.11, eerste alinea gemotiveerd voorbij: die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte.
Zie bijv. ook N.E. Groeneveld-Tijssens, Bewaarneming (Mon. BW B73), Deventer: Wolters Kluwer 2020, nr. 13, p. 14: “Een verzekering leidt immers niet tot betere zorg voor de zaak an sich”.
Als die verzekeringsplicht ook zou meebrengen dat die zorgplicht in zoverre afnam, zou zelfs sprake zijn van een aanvúllend voordeel voor Anthevast. Daarin gaat het hof dus niet mee.
Ik kan daarlaten of de klacht terecht (alleen) uitgaat van “de verzekeringsplicht in Anthevasts algemene voorwaarden”. Het hof rept in rov. 3.10 van de bepaling in “de stallingovereenkomst” dat [betrokkene 1] als bewaargever (stallingnemer) zelf voor een diefstalverzekering moet zorgen. Dit omvat in ieder geval rov. 2.3, waarin het hof citeert uit de stallingovereenkomst zelf: “5) Stallingnemer is verplicht een brand-/storm- en diefstalverzekering af te sluiten (…)” en “6) Stallingnemer verklaart zich akkoord met de bijgevoegde algemene voorwaarden en tarieven”. In rov. 2.4 citeert het hof vervolgens uit art. 5.2 av, dat ook verwijst naar die verzekeringsplicht van [betrokkene 1] als stallingnemer: “Stallingnemer dient de zaak, inclusief toebehoren, afdoende en deugdelijk te verzekeren tegen voorkomende omstandigheden, zoals bijvoorbeeld schade, brand en diefstal. Stallinghouder heeft het recht op inzage in de verzekeringspolis”.
Hierbij verwijst het subonderdeel naar onderdeel 2.
Zie de memorie van grieven, nr. 27. Volledigheidshalve noem ik wel dat onder dit nr. 27 (niet in de opsomming) ook wordt gesproken over campers waar de sleutels nog in zaten. Het ‘sleutelbeheer’ is ook besproken ter mondelinge behandeling bij het hof, getuige het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 2, 3, 6, 7 ,9. UVM noemde het sleutelbeheer ook in haar dagvaarding, zie o.a. nrs. 13, 17.
Zie de conclusie van antwoord, nrs. 23-26 en de memorie van antwoord, nr. 28.
Zie enerzijds de verwijzingen in de vorige noot en anderzijds de conclusie van antwoord, nr. 22 en de memorie van antwoord, nrs. 10, 24-27.
Zie nader over die stalling ook de door het hof in rov. 3.9 genoemde omstandigheden, waarover onder 3.15.2 hiervoor.
Noot 3 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 24”.
Noot 4 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 25”.
Noot 5 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 26”.
Noot 6 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Conclusie van antwoord-§ 23. Zie ook rov. 3.11. De verzekeringspolis waarin dit voorschrift opgenomen is, is overgelegd als productie 1 bij de inleidende dagvaarding”.
Erop neerkomend dat deze stellingen tot het oordeel kunnen leiden dat de camper ten tijde van de diefstal was afgesloten/vergrendeld met een BearLock-versnellingsbakslot, wat de diefstal van de camper uit de stallingsruimte bemoeilijkt en (daarom) een beveiligingsmaatregel is die UVM zelf voorschrijft aan haar verzekerden.
Zie: “Anthevast heeft weliswaar aangevoerd dat UVM als verzekeraar zelf diefstalbeveiligingseisen stelt aan de verzekeringnemer, zoals het hebben van een specifiek versnellingsbakslot, maar die eisen zien op het afsluiten van de camper zelf, en niet op de beveiliging tegen diefstal van de stallingsruimte”.
De klacht wijst ook niet op een stellingname dienaangaande van Anthevast in feitelijke instanties, laat staan met vindplaats.
Er bestaat ook geen rechtsregel die het hof voorschrijft dat het steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in de motivering dient te betrekken. Zie nader bijv. B.T.M. van der Wiel (red.), Cassatie (BPP nr. 20), Deventer: Wolters Kluwer 2026, p. 55, 153.
Noot 7 van de procesinleiding verwijst hier naar: “Memorie van antwoord-§ 19. Zie ook proces-verbaal mondelinge behandeling 30 mei 2024-blz. 6 (tweede tekstblok van onderen)”.
Dus: die aanscherping door Anthevast van de regels/procedures/controle inzake het beheer van de stalling.
Ad (i) volgt uit art. 5.1 av, ad (ii) volgt uit stellingen van Anthevast (aldus het hof, zie rov. 3.16).
Een vergelijkbare slotsom is ten aanzien van de stelling van Anthevast onder (i) te vinden in rov. 3.20, voorlaatste zin: “Anthevast heeft daarmee, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van UVM, onvoldoende onderbouwd dat zij op dit punt aan haar zorgplicht heeft voldaan”.
En [betrokkene 1] daarom ook in het kader van de zorgplicht van Anthevast als bewaarnemer mocht verwachten.
Zie ook rov. 3.16, waar het hof verduidelijkt dat uit art. 5.1 av “volgt (…) dat Anthevast ook zou zorgen voor cameratoezicht op het parkeerterrein”. Het hof wijst ook al op de bepaling in rov. 3.9, eerste alinea.
Dit wordt niet anders door de twee vindplaatsen die het onderdeel noemt. De eerste vindplaats is de memorie van antwoord, nr. 19. Daarin heeft Anthevast kort gezegd opgemerkt dat in de av is opgenomen “dat er beveiligingscamera’s aanwezig zijn”, dat zij geen motief had dit in strijd met de waarheid te doen, dat er daadwerkelijk camera’s waren (die beeldopnames maakten) en dat deze camera’s waren gericht op de enige toegangsweg naar de stalling. Hoe dit een en ander zich verhoudt tot de tekst van art. 5.1 av laat Anthevast in het midden. De tweede vindplaats is het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 6 (Van Dalen). Daar staat slechts, in antwoord op de vraag van de raadsheer-commissaris hoe het is gegaan met de beelden die volgens de politie niets hebben opgeleverd: “Dat gaat om de beelden van de toegangsweg. De weg naar het rangeerterrein. Dat is ook de enige weg om naar het terrein te komen”. Hier komt art. 5.1 av in het geheel niet aan de orde. Zie trouwens ook de schriftelijke toelichting van UVM, nr. 2.4.3.
Direct daarvoor in rov. 3.18, eerste alinea wijst het hof erop dat volgens Anthevast “de camera’s die binnen hingen niet meer functioneerden. Deze stamden uit de tijd dat de hal werd gebruikt als veiling, maar hadden nog wel een afschrikwekkend effect, zo stelt Anthevast”. Dan kan dus hooguit nog sprake zijn van een of meer werkende camera’s buiten.
Want gezien het bericht van de politie aan Anthevast dat de camerabeelden niets hebben opgeleverd. Dit slaat terug op rov. 3.18, tweede alinea.
Daaruit blijkt inderdaad niet of er meer dan één camera heeft gehangen en zo ja, hoeveel dan, waar die camera’s hebben gehangen, waar deze op waren gericht en wat de kwaliteit van de uiteindelijke beelden was. Zie over de camera’s die binnen hingen reeds noot 39 hiervoor.
Zie noot 38 hiervoor. Zie bijv. ook het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 5 (Van Dalen): “De camera’s binnen deden het niet meer, maar er waren ook camera’s buiten. Deze waren gericht op de toegangsweg. Die deden het wel”.
Het onderdeel doet dat trouwens evenmin.
Daarin is bepaald, aldus het hof, “dat een in de algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of ten dele bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn”.
Daarin is bepaald, aldus het hof, “dat Anthevast nimmer aansprakelijk is voor schade aan de zaak (de camper), behoudens opzet of grove schuld. Daaraan is nog toegevoegd dat als Anthevast niettemin toch aansprakelijk is, dat is beperkt tot het bedrag dat door de verzekeraar wordt uitgekeerd”.
Het ligt dus op de weg van Anthevast dit vermoeden te weerleggen. Zie W.H.M. Reehuis & E.E. Slob, Parlementaire geschiedenis van het nieuwe Burgerlijk Wetboek, Invoering Boeken 3, 5 en 6. Boek 6, Algemeen gedeelte van het verbintenissenrecht, Deventer: Kluwer 1990, p. 1735 (nr. 8), waaruit onder meer volgt dat de wettelijke bepalingen inzake schadevergoeding op het eerste gezicht een redelijke risicoverdeling tussen ondernemers en consumenten bewerkstelligen en dat het aan de gebruiker van de algemene voorwaarden is om aan te tonen dat deze regels in een voorkomend geval niet tot behoorlijke resultaten leiden. Zie verder bijv. HR 23 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:97, RvdW 2026/240, rov. 3.2.2-3.2.3, waaronder: “Indien een beding in algemene voorwaarden op grond van art. 6:237 BW wordt vermoed onredelijk bezwarend te zijn, is het aan de gebruiker van de algemene voorwaarden om dit vermoeden te weerleggen. Welke onderbouwing van de stellingen van de gebruiker in dit verband kan worden gevergd, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van het partijdebat op dit punt”. A-G Hartlief (ECLI:NL:PHR:2025:1204) heeft voor dit Hoge Raad-arrest, onder 3.24, erop gewezen dat uit de parlementaire geschiedenis kan worden afgeleid dat een breed scala aan omstandigheden een rol kan spelen bij de beoordeling of een beding al dan niet onredelijk bezwarend is. De A-G verwees daarbij mede naar Reehuis & Slob 1990, p. 1580 (nr. 8): “Ten slotte zijn ook de andere omstandigheden van het geval van belang”.
Oftewel: dat art. 5.3 av dit effect ook heeft indien die verplichting tot schadevergoeding voortvloeit uit schending van die kernverplichting.
Zie de memorie van antwoord, nr. 7 (waaronder: “Anthevast overlegt als productie 1 een artikel uit dagblad De Gelderlander van 17 mei 2022 waaruit van het stoppen van de caravanstalling blijkt”) en het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 4 (Van Dalen), in antwoord op de vraag van de raadsheer-commissaris wanneer de onderneming is gestaakt: “Per 1 januari 2023. We hebben het staken van de onderneming driekwart jaar daarvoor aangekondigd. In het voorjaar van 2022 waren de mensen dus geïnformeerd”. Zie ook het vervolg op p. 4 (Van Dalen), met “Dat klopt” reagerend op de volgende vraag van de raadsheer-commissaris: “De diefstal was in oktober 2022 en in januari 2023 is de exploitatie gestopt?”
Wat Anthevast dienaangaande wel heeft aangevoerd, staat in het bijzonder in de conclusie van antwoord, nr. 20: “Anthevast voert opnieuw aan dat een cascoverzekering voor 2.000 gestalde objecten onmogelijk is. UVM weet dat en gaat er ook niet op in. Net zo min als op de stelling dat er in Nederland geen parkeergelegenheid of stallingsgelegenheid is waarvan de eigenaar niet elke vorm van casco-aansprakelijkheid uitsluit. Dat is volstrekt te doen gebruikelijk. Iedere eigenaar van een motorvoertuig of getrokken voertuig accepteert dat ook en sluit als hij zich tegen dat risico wil beschermen een eigen casco verzekering”. Dit vat het hof samen in rov. 3.25, eerste twee zinnen. Zie voor de stellingname van UVM bijv. de dagvaarding, nr. 7 en het proces-verbaal van 30 mei 2024, p. 2 (mr. Markvoort).
Ook los daarvan zie ik trouwens niet dat het bestreden oordeel aan zo’n gebrek zou lijden, maar dat kan ik verder laten rusten. Daarover klaagt het onderdeel niet, althans niet conform de eisen van art. 407 lid 2, aanhef en onder d Rv.
Dit staat niet in het onderdeel.
Zie de schriftelijke toelichting van Anthevast, nr. 1, onder verwijzing naar “HR 5 januari 1968, ECLI:NL:HR: 1968:AB6963 (Fokker/ […] )”.