Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:864
2026-09-11
Civiel recht
25/02822
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Verjaring rechtsvordering. Afstand van verjaring. Beroep op vaststellingsovereenkomst.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2025:3293 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 27-05-2025
- ECLI:NL:HR:1999:AA3369 Hoge Raad 12-11-1999
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.780 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02822
Zitting 11 september 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[verzoeker]
tegen
Staatsbosbeheer
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoeker] respectievelijk Staatsbosbeheer.
1Inleiding
Deze zaak gaat over een schadevergoedingsactie van [verzoeker] tegen Staatsbosbeheer. [verzoeker] betoogt dat, inmiddels ongeveer 25 jaar geleden, een groot deel van zijn runderen is overleden door het eten van Jacobskruiskruid in door Staatsbosbeheer geleverd ruwvoer. In cassatie gaat het uitsluitend over het oordeel van het hof dat Staatsbosbeheer een beroep kan doen op de verjaring van de rechtsvordering van [verzoeker] . [verzoeker] komt daar mijns inziens tevergeefs tegen op.
2Feiten
2.1
De volgende feitelijke vaststellingen ontleen ik met enkele herformuleringen aan r.o. 3.1 t/m 3.5 van het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3293) (hierna: het arrest).
2.2
Partijen hebben op 8 juni 1995 een erfpachtovereenkomst gesloten. In artikel 1 van deze overeenkomst zijn zij overeengekomen dat [verzoeker] de in erfpacht gegeven percelen uitsluitend mag gebruiken met inachtneming van de beheersbepalingen zoals die betreffende het recht van erfpacht zijn overeengekomen. Artikel 2 van deze beheersbepalingen bevat het ruwvoerbeding, dat er in het kort op neerkomt dat Staatsbosbeheer verplicht is jaarlijks maximaal 250 ton droge stof ruwvoer te leveren aan [verzoeker] , die verplicht is het geleverde ruwvoer af te nemen.
2.3
In het jaar 2000 heeft Staatsbosbeheer ruwvoer geleverd dat Jacobskruiskruid bevatte. Veel runderen van [verzoeker] zijn ziek geworden en bezweken. Volgens [verzoeker] zijn ze ziek geworden door het eten van het ruwvoer met Jacobskruiskruid. Staatsbosbeheer heeft dat bestreden.
2.4
De verzekeraar van [verzoeker] , Univé, heeft een deel van de schade van [verzoeker] vergoed op grond van de door [verzoeker] bij Univé afgesloten verzekering voor schade aan of verlies van de verzekerde dieren door ongeval of ziekte.
2.5
Univé heeft jegens Staatsbosbeheer op grond van subrogatie aanspraak gemaakt op vergoeding van het door haar aan [verzoeker] uitgekeerde bedrag. Staatsbosbeheer heeft aansprakelijkheid afgewezen, waarna Univé omstreeks 2007 een procedure aanhangig heeft gemaakt tegen Staatsbosbeheer. Nadat de rechtbank Assen de vordering van Univé in 2012 had afgewezen, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden op 2 februari 2021 uiteindelijk geoordeeld dat Staatsbosbeheer aansprakelijk is voor twee derde deel van de schade en heeft het hof Staatsbosbeheer veroordeeld om ruim € 580.000 met rente en kosten aan Univé te betalen.
2.6
[verzoeker] zelf heeft Staatsbosbeheer ook aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid. Op 13 augustus 2009 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [verzoeker] en diens advocaat en anderzijds vertegenwoordigers van Staatsbosbeheer: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en Wietzes. Van dit gesprek heeft Wietzes een verslag gemaakt. Partijen zijn het niet eens geworden over de inhoud van het verslag. In het begin van het verslag is het volgende vermeld:
“Allereerst geeft [betrokkene 1] aan op welke onderwerpen dit gesprek volgens hem betrekking dient te hebben. Hij noemt daarbij achtereenvolgens:
- de levering van ruwvoer;
- de waterschapslasten;
- het gebruik van de percelen te [plaats];
- en tot slot een blik op eventuele oplossingen.
[betrokkene 3] geeft aan dat [verzoeker] voorts de wens heeft om in te gaan op de schade die [verzoeker] heeft geleden doordat Staatsbosbeheer hem ruwvoer met daarin Jacobskruiskruid heeft geleverd, namelijk op het deel van de schade dat niet door Univé is vergoed.
[betrokkene 1] geeft aan dat deze vraag dermate samenhangt met de procedure die thans aanhangig is bij de rechter, dat Staatsbosbeheer hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter.”
3Procesverloop
In eerste aanleg
3.1
Bij dagvaarding van 13 november 2019 heeft Staatsbosbeheer bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland een procedure tegen [verzoeker] aanhangig gemaakt en – samengevat – gevorderd dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van openstaande bedragen die verband houden met de levering van ruwvoer. [verzoeker] heeft een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie genomen. In reconventie heeft [verzoeker] schadevergoeding gevorderd in verband met het ziek worden van zijn dieren door het eten van het ruwvoer van Jacobskruiskruid. Staatsbosbeheer heeft een conclusie van antwoord in reconventie genomen. In cassatie gaat het uitsluitend nog over de vordering in reconventie.
3.2
Op 15 juni 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.
3.3
Bij vonnis van 18 augustus 2020 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (hierna: de rechtbank).
3.4
Bij vonnis van 30 september 2020 heeft de rechtbank in reconventie Staatbosbeheer een bewijsopdracht gegeven en iedere verdere beslissing aangehouden. Op 26 januari 2021 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Daarna hebben partijen geconcludeerd.
3.5
Bij vonnis van 2 juni 2021 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank in conventie [verzoeker] veroordeeld om aan Staatsbosbeheer een bedrag te betalen en in reconventie de vorderingen afgewezen.
In hoger beroep
3.6
Bij dagvaarding van 31 augustus 2021 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. [verzoeker] heeft een memorie van grieven genomen. Staatsbosbeheer heeft een memorie van antwoord genomen.
3.7
Op 16 februari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Nadien hebben partijen getracht om tot een regeling te komen. Op 9 mei 2025 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaat van [verzoeker] heeft spreekaantekeningen overgelegd.
3.8
In het arrest heeft het hof het vonnis vernietigd en de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen. Daaraan heeft het hof voor zover in cassatie van belang het volgende ten grondslag gelegd:
“Verjaring - algemeen
4.4
Tussen partijen staat niet ter discussie dat op de vordering van [verzoeker] de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing is. Dat betekent dat de vordering verjaart door verloop van vijf jaren nadat [verzoeker] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke partij bekend is geworden en in elk geval door verloop van 20 jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De verjaring wordt (onder meer) gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een mededeling waarin [verzoeker] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (3:317 lid 1 BW). Na de stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen (art. 3:319 lid 1 BW).
4.5
Tijdens de tweede mondelinge behandeling heeft Staatsbosbeheer aangevoerd dat [verzoeker] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen heeft gestuit, voor het laatst op 17 juni 2009. [verzoeker] heeft dat niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Dat betekent dat de vordering van [verzoeker] op Staatsbosbeheer op 13 augustus 2009 nog niet was verjaard. Niet ter discussie staat dat na13 augustus 2009 geen stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden totdat [verzoeker] op 15 juni 2020 in de toen lopende procedure met Staatsbosbeheer zijn eis vermeerderde en ook aanspraak maakte op schadevergoeding vanwege de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid. Dat betekent dat de vordering van [verzoeker] toen verjaard was en niet meer toewijsbaar is, tenzij partijen inderdaad, zoals [verzoeker] stelt, een afspraak hebben gemaakt die erop neerkomt dat Staatsbosbeheer zich (al dan niet gedurende enige tijd) niet op verjaring kan of zal beroepen.
Het beroep van Staatsbosbeer op verjaring
4.6
Op grond van artikel 3:322 lid 3 BW kan geen afstand van verjaring worden gedaan voordat de verjaring is voltooid. Zoals hiervoor is overwogen, was de vordering van [verzoeker] op Staatsbosbeheer op 13 augustus 2009 nog niet verjaard. Dat betekent dat Staatsbosbeheer toen geen afstand kon doen van verjaring.
4.7
Het beroep van [verzoeker] op afstand van verjaring door Staatsbosbeheer gaat alleen om die reden al niet op. Dat betekent niet dat het beroep van [verzoeker] op het gesprek verder onbesproken kan blijven. Op grond van artikel 25 Rv dient het hof ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Omdat [verzoeker] zich uitdrukkelijk op het gesprek beroept voor zijn stelling dat Staatsbosbeheer zich niet op verjaring kan beroepen, dient het hof zelfstandig na te gaan of, en zo ja op basis van welke juridische grondslag, het beroep van [verzoeker] op het gesprek van 13 augustus 2009 aan het beroep op verjaring in de weg staat.
4.8
Volgens [verzoeker] hebben partijen afgesproken dat zij de kwestie van de aansprakelijkheid van Staatsbosbeheer door de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid zouden laten rusten tot de rechter in de procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer zou hebben beslist. Staatsbosbeheer heeft dat gemotiveerd weersproken. Zij beroept zich in dat verband op schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1] en mr. Wietzes.
4.9
In het licht van het verweer van Staatsbosbeheer heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat de door hem gestelde afspraak is gemaakt. Dat blijkt ook niet uit de tekst van het (concept) gespreksverslag. Uit de tekst van het verslag volgt slechts dat Staatsbosbeheer ‘op dit moment’, dus tijdens het gesprek van 13 augustus 2009, geen uitspraken wil doen over deze kwestie en de zaak wil laten rusten tot de rechter heeft beslist. Dat [verzoeker] daarmee heeft ingestemd, blijkt niet uit het verslag. Dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het ‘laten rusten’ van de zaak volgt dan ook niet uit het verslag. Bovendien is onduidelijk wat het ‘laten rusten’ van de zaak inhoudt. Gesteld noch gebleken is dat partijen daarover hebben doorgesproken en dat in dat verband is gesproken over een eventuele verjaring van de vordering van [verzoeker] . [verzoeker] mocht er dan ook niet zonder meer van uitgaan dat de uitspraak van [betrokkene 1] over het laten rusten van de zaak inhield dat Staatsbosbeheer een afspraak wilde maken die erop neerkwam dat [verzoeker] gedurende de procedure tussen Staatsbosbeheer en Univé zijn vordering zou laten rusten en dat Staatsbosbeheer zich dan niet op verjaring zou beroepen voor wat betreft het tijdsverloop tot de uitspraak in die procedure. Het hof laat dan nog daar dat de procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer ten tijde van het gesprek nog aanhangig was bij de rechtbank en dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat de volgens hem gemaakte afspraak niet alleen betrekking had op een procedure bij de rechtbank, maar ook op een eventuele daaropvolgende procedure bij het hof.
4.10
Maar ook als partijen de door [verzoeker] gestelde overeenkomst zouden hebben gesloten (al dan niet omdat [verzoeker] de uitspraak van [betrokkene 1] als een aanbod tot het sluiten van zo’n overeenkomst mocht opvatten en hij dat aanbod heeft aanvaard), geldt dat die overeenkomst erop neerkomt dat een wettelijke verjaringstermijn zou worden verlengd. De gronden voor verlenging van verjaring staan opgesomd in artikel 3:321 lid 1 BW. Het gaat om een limitatieve opsomming en een verlenging op grond van een daartoe strekkende overeenkomst maakt geen deel uit van die opsomming. De overeenkomst zou in dat geval dan ook in strijd met de wet zijn.
4.11
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het door [verzoeker] gedane bewijsaanbod wordt dan ook verworpen.
4.12
Voor het geval [verzoeker] met zijn beroep op het gesprek van 13 augustus 2009 betoogt dat het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, miskent hij allereerst dat hij al vanaf kort nadat hij werd geconfronteerd met de schade werd bijgestaan door een advocaat, dat die advocaat ook aanwezig was bij het gesprek van 13 augustus 2009 en dat het (voor die advocaat) ook na 13 augustus 2009 een kleine moeite was om de verjaring tijdig te stuiten, al was het maar om op deze wijze het risico van een onjuiste interpretatie van de door [betrokkene 1] tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 gedane uitspraak uit de weg te ruimen. [verzoeker] gaat er bovendien aan voorbij dat gesteld noch gebleken is dat Staatsbosbeheer, afgezien van de gewraakte uitlating van [betrokkene 1] tijdens het gesprek van 13 augustus 2009, de indruk heeft gewekt dat zij zich niet op verjaring zou beroepen wanneer [verzoeker] de verjaringstermijn zou laten verlopen. In dat licht bezien is het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid billijkheid onaanvaardbaar.
4.13
[verzoeker] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling nog op een arrest van de Hoge Raad uit 1999 beroepen. Het belang van dit arrest voor het geschil tussen partijen over de verjaring ontgaat het hof. Het arrest brengt het hof dan ook niet tot een ander oordeel.
4.14
De conclusie is dat het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring slaagt. De vordering van [verzoeker] is om die reden niet toewijsbaar.”
In cassatie
3.9
Bij procesinleiding van 27 augustus 2025 heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest. Staatsbosbeheer heeft verweer gevoerd. [verzoeker] heeft zijn cassatieberoep schriftelijk toegelicht, Staatsbosbeheer heeft gerepliceerd.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen en is toegespitst op de oordelen van het hof over de vraag of Staatsbosbeheer een beroep kan doen op de verjaring van de rechtsvordering van [verzoeker] .
4.2
Onderdeel 1 draagt het opschrift: “hof oordeelt ten onrechte en onbegrijpelijk dat afspraak niet in de weg staat aan verjaring” en bestaat uit subonderdelen 1.1 t/m 1.5. Onder 1 is vervolgens een overkoepelende klacht te vinden, gericht tegen de oordelen met betrekking tot de verjaring. Die overkoepelende klacht behoeft geen separate aandacht.
4.3
Subonderdeel 1.1 bevat de klachten a en b.
4.4
Klacht a houdt, samengevat, het volgende in. Met het oordeel in r.o. 4.6 en 4.7 dat Staatsbosbeheer op 13 augustus 2009 geen afstand van verjaring kon doen omdat de verjaring nog niet was voltooid, miskent het hof dat op 13 augustus 2009 voor wat betreft de door [verzoeker] gevorderde schade uit 2000 de (korte) verjaringstermijn van vijf jaar in art. 3:310 lid 1 BW inmiddels was verstreken en het Staatsbosbeheer vrij stond afstand te doen van verjaring. Daaraan doet niet af dat [verzoeker] laatst op 17 juni 2009 de verjaring had gestuit. De passage “voordat de verjaring is voltooid” in art. 3:322 lid 3 BW ziet alleen op de situatie vóór het verstrijken van een (korte) verjaringstermijn en niet op de situatie dat de schuldenaar na afloop van de verjaringstermijn afstand doet, ongeacht of is gestuit.
4.5
De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft niet geoordeeld dat Staatsbosbeheer afstand heeft gedaan van verjaring en kon dat op basis van de vaststaande en aangedragen feiten ook niet oordelen. Dit ligt, zij het in algemenere zin met betrekking tot het bestaan van een ‘afspraak’, ook besloten in r.o. 4.9, waartegen subonderdeel 1.4 mijns inziens zonder succes opkomt. Dat namens Staatsbosbeheer tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 met [verzoeker] (en zijn advocaat) is opgemerkt dat hij “hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter” (vgl. r.o. 3.5) kan evident niet als een zodanige afstand worden aangemerkt. Overigens gaat de klacht mijns inziens uit van een onjuiste rechtsopvatting. Een verjaring is naar mijn begrip onmiskenbaar niet “voltooid” als bedoeld in art. 3:322 lid 3 BW indien als gevolg van stuiting een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen (art. 3:319 lid 1 BW). Dit ligt zowel tekstueel als conceptueel voor de hand. De feiten van het geval geven geen aanleiding dit onderwerp verder uit te pluizen.
4.6
Klacht b betoogt in de kern dat het hof eraan voorbij is gegaan dat in het voorliggende geval een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:900 lid 1 BW is gesloten die toelaatbaar afwijkt van art. 3:322 lid 3 BW.
4.7
Deze klacht slaagt niet omdat niet blijkt – het middel draagt in dat verband geen vindplaatsen aan – dat [verzoeker] in feitelijke instanties een beroep heeft gedaan op de aanwezigheid van zo’n vaststellingsovereenkomst. Het gaat dus – kennelijk – om een deels feitelijk en daarom ontoelaatbaar novum in cassatie. Het aangevallen oordeel van het hof is overigens juist en begrijpelijk. Dat namens Staatsbosbeheer tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 met [verzoeker] (en zijn advocaat) is opgemerkt dat hij “hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter” (vgl. r.o. 3.5) laat zich niet, althans niet zonder méér, kwalificeren als een overeenkomst, en dus al zeker niet als een vaststellingsovereenkomst, tussen [verzoeker] en Staatsbosbeheer. Van de in art. 7:900 lid 1 BW bedoelde ‘vaststelling’ blijkt uit die opmerking niets. Het subonderdeel verwijst niet naar andere (vast)gestelde feiten en omstandigheden waaruit zo’n (vaststellings)overeenkomst zou volgen en daarvan blijkt ook niet uit het arrest.
4.8
Subonderdeel 1.2 bouwt voort op klacht b van subonderdeel 1.1. Het klaagt, samengevat, dat het oordeel in r.o. 4.10 dat de door [verzoeker] gestelde overeenkomst tot verlenging van de verjaringstermijn gelet op de limitatief opgesomde verlengingsgronden van art. 3:321 lid 1 BW in strijd is met de wet, onjuist en onbegrijpelijk is omdat partijen met de door hen gesloten vaststellingsovereenkomst konden afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen.
4.9
Het subonderdeel slaagt niet, gelet op wat hiervoor in nr. 4.7 is opgemerkt.
4.10
Subonderdeel 1.3 klaagt, samengevat, dat het hof een essentiële stelling van [verzoeker] heeft gepasseerd, te weten de stelling dat de korte verjaringstermijn in art. 3:310 lid 1 BW tussen 2000/2009 en 2020 (nog) niet was aangevangen en pas met het (eind)arrest van het hof in de procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer is gaan lopen, nu hij toen ermee bekend werd dat Staatsbosbeheer ook voor zijn (overige) in 2000 geleden schade aansprakelijk was dan wel Staatsbosbeheer had te gelden als “de daarvoor aansprakelijke persoon” als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW. Het subonderdeel verwijst daartoe naar de pleitnotitie van 16 februari 2023, p. 7, nr. 10 (bovenaan) en naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 februari 2023, p. 3 (bovenaan). Daar voegt het subonderdeel nog aan toe dat voor zover het hof van oordeel was dat de door het hof in de procedure tegen Univé vastgestelde aansprakelijkheid van Staatsbosbeheer niet rechtens relevant was voor de beoordeling van het aanvangstijdstip voor de verjaring van de vordering van [verzoeker] tot vergoeding van niet door Univé uitgekeerde schade, dat oordeel rechtens onjuist is. Voor zover het hof dit niet miskende, is zijn arrest niet toereikend gemotiveerd om in het licht van [verzoeker] ’ stelling/verweer begrijpelijk te zijn, nu in de gegeven motivering alsdan niet duidelijk is waarom volgens het hof de verjaringstermijn voor de vordering van [verzoeker] niet na het arrest van het hof in de procedure tussen Staatsbosbeheer en Univé is gaan lopen.
4.11
Het subonderdeel slaagt niet. In het arrest ligt besloten dat het bewuste ‘onbekendheidsbetoog’ geen hout snijdt, zodat het hof de bewuste stelling niet heeft gepasseerd maar heeft verworpen, en wel op rechtens juiste en begrijpelijke gronden. Naar mijn begrip impliceren r.o. 3.4 en r.o. 3.5 namelijk dat [verzoeker] Staatsbosbeheer vóór 13 augustus 2009 aansprakelijk heeft gesteld, wat strookt met de onweersproken vaststelling in r.o. 4.5 dat [verzoeker] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen heeft gestuit. Dit ligt met een blik op de chronologie van de zaak (zie nrs. 2.2 t/m 2.6) ook zeer voor de hand. Daar komt nog bij dat het hof in r.o. 4.12 overweegt dat [verzoeker] “al vanaf kort nadat hij werd geconfronteerd met de schade werd bijgestaan door een advocaat” en “dat die advocaat ook aanwezig was bij het gesprek van 13 augustus 2009 en dat het (voor die advocaat) ook na 13 augustus 2009 een kleine moeite was om de verjaring tijdig te stuiten, al was het maar om op deze wijze het risico van een onjuiste interpretatie van de door [betrokkene 1] tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 gedane uitspraak uit de weg te ruimen.” Hierin ligt besloten dat het hof tot uitgangspunt neemt – rechtens juist en begrijpelijk – dat [verzoeker] in ieder geval vanaf 13 augustus 2009 bekend was met de aansprakelijke persoon, te weten Staatsbosbeheer. Aan de overige inhoud van het subonderdeel wordt dus niet toegekomen.
4.12
Subonderdeel 1.4 klaagt, samengevat, dat het hof in r.o. 4.5, 4.7 t/m 4.9 ten onrechte en onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door hem gestelde afspraak (op 13 augustus 2009) is gemaakt. Het heeft voor de uitleg en kwalificatie van de door [verzoeker] gestelde afspraak een verkeerde maatstaf aangelegd. Als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van art. 7:900 lid 1 BW, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst. Aan deze kwalificatievraag gaat vooraf de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het hof heeft in dat verband ten onrechte niet (mede) gewicht toegekend aan het feit dat, zoals het hof in r.o. 4.5 vaststelt, [verzoeker] tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen had gestuit terwijl na die bespreking geen stuitingshandelingen meer plaatsvonden, wat kan gelden als bevestiging van de toen gemaakte ‘afspraak’, aldus het subonderdeel.
4.13
Het subonderdeel slaagt niet. Het beroep op de aanwezigheid van een vaststellingsovereenkomst betreft een deels feitelijk en daarom ontoelaatbaar novum in cassatie. Zie nr. 4.7 hiervoor. En de relevante passages van het gespreksverslag van 13 augustus 2009, zoals aangehaald in r.o. 3.5 van het arrest, laten zich niet kwalificeren als een (vaststellings)overeenkomst tussen [verzoeker] en Staatsbosbeheer, ook niet in samenhang met het ontbreken van een stuitingshandeling nadien, die in redelijkheid niet als de in het subonderdeel bedoelde ‘bevestiging’ kan worden aangemerkt, omdat zo’n stuitingshandeling in potentie jaren op zich kon laten wachten nadat op 17 juni 2009 (zie r.o. 4.5) voor het laatst was gestuit. Het subonderdeel verwijst niet naar andere (vast)gestelde feiten en omstandigheden waaruit zo’n vaststellingsovereenkomst of anderszins een afspraak met betrekking tot het achterwege laten van een beroep op verjaring zou volgen, en daarvan blijkt ook niet uit het arrest. Zie ook nr. 4.7 hiervoor.
4.14
Subonderdeel 1.5 bouwt voort op de eerdere subonderdelen en klaagt over het passeren van een bewijsaanbod in r.o. 4.11.
4.15
Het subonderdeel slaagt niet omdat subonderdelen 1.1 t/m 1.4 niet slagen.
4.16
Onderdeel 2 draagt het opschrift: “dat verweer naar maatstaven van redelijkheid billijkheid niet onaanvaardbaar, is onjuist”. Het klaagt, samengevat, dat het hof in r.o. 4.12 ten onrechte en onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring om de daar vermelde redenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Het onderdeel voert daartoe, voortbouwend op onderdeel 1, aan dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat de gestelde afspraak van 13 augustus 2009 een vaststellingsovereenkomst met Staatsbosbeheer is. Daaraan doen de door het hof in r.o. 4.12 in aanmerking genomen omstandigheden niet af, aldus het onderdeel.
4.17
Het onderdeel slaagt niet omdat er geen feitelijk aanknopingspunt voor is dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat de opmerking van de zijde van Staatsbosbeheer van 13 augustus 2009 een overeenkomst, laat staan vaststellingsovereenkomst, met Staatsbosbeheer oplevert. Ik verwijs naar wat ik hiervoor in nrs. 4.7 en 4.13 heb opgemerkt.
5Slotsom
Het cassatiemiddel slaagt in geen van zijn onderdelen, zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
6Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Destijds was Staatsbosbeheer nog onderdeel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en dus van de Staat der Nederlanden. Staatsbosbeheer werd met ingang van 1 januari 1998 een zelfstandig openbaar lichaam. Zie Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer (Stb. 1997/514; inw. Stb. 1997/678).
Het hof verwijst in voetnoot 2 van het arrest naar nr. 19 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLl:NL:PHR:2004:AO3852) onder 19 de daar genoemde literatuur.
Het hof verwijst in voetnoot 3 van het arrest naar HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369.
Voor een andere interpretatie is bijvoorbeeld géén aanwijzing te vinden in Asser/Sieburgh 6-II 2021/394. Het hof heeft in r.o. 4.5 geoordeeld dat (het ervan uitgaat dat) [verzoeker] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring “enkele malen” heeft gestuit en voor het laatst op 17 juni 2009. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de verjaring ook in de jaren ervóór (meermaals) is gestuit.
De voorganger van deze bepaling wijst daar eveneens op. Zie art. 1984 BW (oud): “Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar men kan wel afstand doen van eene verjaring welke reeds verkregen is” (onderstreping toegevoegd).
Bij naslag van het procesdossier kwam ik het ook niet tegen.
Zie ook nrs. 2.2 en 2.3 van de schriftelijke toelichting van Staatsbosbeheer.
Overigens heeft Staatsbosbeheer er terecht op gewezen dat in de parallelle procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer op 30 september 2009 is geoordeeld dat Staatsbosbeheer was tekortgeschoten. Zie nr. 2.4 van de schriftelijke toelichting van Staatsbosbeheer.
Daar komt dan nog bij dat het hof in r.o. 4.9 – in cassatie onbestreden – oordeelt dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat de volgens hem gemaakte afspraak niet alleen betrekking had op een procedure bij de rechtbank – die in 2012 een einde vond, waarna ruim meer dan vijf jaar is verstreken vóórdat het arrest werd uitgesproken – maar ook op een eventueel daaropvolgende procedure bij het hof. Zie nr. 3.2 van de schriftelijke toelichting van Staatsbosbeheer.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/02822
Zitting 11 september 2026
CONCLUSIE
S.E. Bartels
In de zaak
[verzoeker]
tegen
Staatsbosbeheer
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [verzoeker] respectievelijk Staatsbosbeheer.
1Inleiding
Deze zaak gaat over een schadevergoedingsactie van [verzoeker] tegen Staatsbosbeheer. [verzoeker] betoogt dat, inmiddels ongeveer 25 jaar geleden, een groot deel van zijn runderen is overleden door het eten van Jacobskruiskruid in door Staatsbosbeheer geleverd ruwvoer. In cassatie gaat het uitsluitend over het oordeel van het hof dat Staatsbosbeheer een beroep kan doen op de verjaring van de rechtsvordering van [verzoeker] . [verzoeker] komt daar mijns inziens tevergeefs tegen op.
2Feiten
2.1
De volgende feitelijke vaststellingen ontleen ik met enkele herformuleringen aan r.o. 3.1 t/m 3.5 van het bestreden arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden van 27 mei 2025 (ECLI:NL:GHARL:2025:3293) (hierna: het arrest).
2.2
Partijen hebben op 8 juni 1995 een erfpachtovereenkomst gesloten. In artikel 1 van deze overeenkomst zijn zij overeengekomen dat [verzoeker] de in erfpacht gegeven percelen uitsluitend mag gebruiken met inachtneming van de beheersbepalingen zoals die betreffende het recht van erfpacht zijn overeengekomen. Artikel 2 van deze beheersbepalingen bevat het ruwvoerbeding, dat er in het kort op neerkomt dat Staatsbosbeheer verplicht is jaarlijks maximaal 250 ton droge stof ruwvoer te leveren aan [verzoeker] , die verplicht is het geleverde ruwvoer af te nemen.
2.3
In het jaar 2000 heeft Staatsbosbeheer ruwvoer geleverd dat Jacobskruiskruid bevatte. Veel runderen van [verzoeker] zijn ziek geworden en bezweken. Volgens [verzoeker] zijn ze ziek geworden door het eten van het ruwvoer met Jacobskruiskruid. Staatsbosbeheer heeft dat bestreden.
2.4
De verzekeraar van [verzoeker] , Univé, heeft een deel van de schade van [verzoeker] vergoed op grond van de door [verzoeker] bij Univé afgesloten verzekering voor schade aan of verlies van de verzekerde dieren door ongeval of ziekte.
2.5
Univé heeft jegens Staatsbosbeheer op grond van subrogatie aanspraak gemaakt op vergoeding van het door haar aan [verzoeker] uitgekeerde bedrag. Staatsbosbeheer heeft aansprakelijkheid afgewezen, waarna Univé omstreeks 2007 een procedure aanhangig heeft gemaakt tegen Staatsbosbeheer. Nadat de rechtbank Assen de vordering van Univé in 2012 had afgewezen, heeft het hof Arnhem-Leeuwarden op 2 februari 2021 uiteindelijk geoordeeld dat Staatsbosbeheer aansprakelijk is voor twee derde deel van de schade en heeft het hof Staatsbosbeheer veroordeeld om ruim € 580.000 met rente en kosten aan Univé te betalen.
2.6
[verzoeker] zelf heeft Staatsbosbeheer ook aansprakelijk gesteld voor de schade ten gevolge van de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid. Op 13 augustus 2009 heeft een bespreking plaatsgevonden tussen enerzijds [verzoeker] en diens advocaat en anderzijds vertegenwoordigers van Staatsbosbeheer: [betrokkene 1], [betrokkene 2] en Wietzes. Van dit gesprek heeft Wietzes een verslag gemaakt. Partijen zijn het niet eens geworden over de inhoud van het verslag. In het begin van het verslag is het volgende vermeld:
“Allereerst geeft [betrokkene 1] aan op welke onderwerpen dit gesprek volgens hem betrekking dient te hebben. Hij noemt daarbij achtereenvolgens:
- de levering van ruwvoer;
- de waterschapslasten;
- het gebruik van de percelen te [plaats];
- en tot slot een blik op eventuele oplossingen.
[betrokkene 3] geeft aan dat [verzoeker] voorts de wens heeft om in te gaan op de schade die [verzoeker] heeft geleden doordat Staatsbosbeheer hem ruwvoer met daarin Jacobskruiskruid heeft geleverd, namelijk op het deel van de schade dat niet door Univé is vergoed.
[betrokkene 1] geeft aan dat deze vraag dermate samenhangt met de procedure die thans aanhangig is bij de rechter, dat Staatsbosbeheer hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter.”
3Procesverloop
In eerste aanleg
3.1
Bij dagvaarding van 13 november 2019 heeft Staatsbosbeheer bij de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland een procedure tegen [verzoeker] aanhangig gemaakt en – samengevat – gevorderd dat [verzoeker] wordt veroordeeld tot betaling van openstaande bedragen die verband houden met de levering van ruwvoer. [verzoeker] heeft een conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie genomen. In reconventie heeft [verzoeker] schadevergoeding gevorderd in verband met het ziek worden van zijn dieren door het eten van het ruwvoer van Jacobskruiskruid. Staatsbosbeheer heeft een conclusie van antwoord in reconventie genomen. In cassatie gaat het uitsluitend nog over de vordering in reconventie.
3.2
Op 15 juni 2020 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd.
3.3
Bij vonnis van 18 augustus 2020 heeft de kantonrechter zich onbevoegd verklaard en de zaak verwezen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken (hierna: de rechtbank).
3.4
Bij vonnis van 30 september 2020 heeft de rechtbank in reconventie Staatbosbeheer een bewijsopdracht gegeven en iedere verdere beslissing aangehouden. Op 26 januari 2021 heeft een getuigenverhoor plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. Daarna hebben partijen geconcludeerd.
3.5
Bij vonnis van 2 juni 2021 (hierna: het vonnis) heeft de rechtbank in conventie [verzoeker] veroordeeld om aan Staatsbosbeheer een bedrag te betalen en in reconventie de vorderingen afgewezen.
In hoger beroep
3.6
Bij dagvaarding van 31 augustus 2021 heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. [verzoeker] heeft een memorie van grieven genomen. Staatsbosbeheer heeft een memorie van antwoord genomen.
3.7
Op 16 februari 2023 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaten van partijen hebben spreekaantekeningen overgelegd. Nadien hebben partijen getracht om tot een regeling te komen. Op 9 mei 2025 heeft een tweede mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgemaakt. De advocaat van [verzoeker] heeft spreekaantekeningen overgelegd.
3.8
In het arrest heeft het hof het vonnis vernietigd en de vorderingen in conventie en in reconventie afgewezen. Daaraan heeft het hof voor zover in cassatie van belang het volgende ten grondslag gelegd:
“Verjaring - algemeen
4.4
Tussen partijen staat niet ter discussie dat op de vordering van [verzoeker] de verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW van toepassing is. Dat betekent dat de vordering verjaart door verloop van vijf jaren nadat [verzoeker] zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke partij bekend is geworden en in elk geval door verloop van 20 jaren na de gebeurtenis waardoor de schade is veroorzaakt. De verjaring wordt (onder meer) gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een mededeling waarin [verzoeker] zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt (3:317 lid 1 BW). Na de stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaar te lopen (art. 3:319 lid 1 BW).
4.5
Tijdens de tweede mondelinge behandeling heeft Staatsbosbeheer aangevoerd dat [verzoeker] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen heeft gestuit, voor het laatst op 17 juni 2009. [verzoeker] heeft dat niet bestreden, zodat het hof daarvan uitgaat. Dat betekent dat de vordering van [verzoeker] op Staatsbosbeheer op 13 augustus 2009 nog niet was verjaard. Niet ter discussie staat dat na13 augustus 2009 geen stuitingshandelingen hebben plaatsgevonden totdat [verzoeker] op 15 juni 2020 in de toen lopende procedure met Staatsbosbeheer zijn eis vermeerderde en ook aanspraak maakte op schadevergoeding vanwege de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid. Dat betekent dat de vordering van [verzoeker] toen verjaard was en niet meer toewijsbaar is, tenzij partijen inderdaad, zoals [verzoeker] stelt, een afspraak hebben gemaakt die erop neerkomt dat Staatsbosbeheer zich (al dan niet gedurende enige tijd) niet op verjaring kan of zal beroepen.
Het beroep van Staatsbosbeer op verjaring
4.6
Op grond van artikel 3:322 lid 3 BW kan geen afstand van verjaring worden gedaan voordat de verjaring is voltooid. Zoals hiervoor is overwogen, was de vordering van [verzoeker] op Staatsbosbeheer op 13 augustus 2009 nog niet verjaard. Dat betekent dat Staatsbosbeheer toen geen afstand kon doen van verjaring.
4.7
Het beroep van [verzoeker] op afstand van verjaring door Staatsbosbeheer gaat alleen om die reden al niet op. Dat betekent niet dat het beroep van [verzoeker] op het gesprek verder onbesproken kan blijven. Op grond van artikel 25 Rv dient het hof ambtshalve de rechtsgronden aan te vullen. Omdat [verzoeker] zich uitdrukkelijk op het gesprek beroept voor zijn stelling dat Staatsbosbeheer zich niet op verjaring kan beroepen, dient het hof zelfstandig na te gaan of, en zo ja op basis van welke juridische grondslag, het beroep van [verzoeker] op het gesprek van 13 augustus 2009 aan het beroep op verjaring in de weg staat.
4.8
Volgens [verzoeker] hebben partijen afgesproken dat zij de kwestie van de aansprakelijkheid van Staatsbosbeheer door de levering van ruwvoer met Jacobskruiskruid zouden laten rusten tot de rechter in de procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer zou hebben beslist. Staatsbosbeheer heeft dat gemotiveerd weersproken. Zij beroept zich in dat verband op schriftelijke verklaringen van [betrokkene 1] en mr. Wietzes.
4.9
In het licht van het verweer van Staatsbosbeheer heeft [verzoeker] onvoldoende onderbouwd dat de door hem gestelde afspraak is gemaakt. Dat blijkt ook niet uit de tekst van het (concept) gespreksverslag. Uit de tekst van het verslag volgt slechts dat Staatsbosbeheer ‘op dit moment’, dus tijdens het gesprek van 13 augustus 2009, geen uitspraken wil doen over deze kwestie en de zaak wil laten rusten tot de rechter heeft beslist. Dat [verzoeker] daarmee heeft ingestemd, blijkt niet uit het verslag. Dat partijen overeenstemming hebben bereikt over het ‘laten rusten’ van de zaak volgt dan ook niet uit het verslag. Bovendien is onduidelijk wat het ‘laten rusten’ van de zaak inhoudt. Gesteld noch gebleken is dat partijen daarover hebben doorgesproken en dat in dat verband is gesproken over een eventuele verjaring van de vordering van [verzoeker] . [verzoeker] mocht er dan ook niet zonder meer van uitgaan dat de uitspraak van [betrokkene 1] over het laten rusten van de zaak inhield dat Staatsbosbeheer een afspraak wilde maken die erop neerkwam dat [verzoeker] gedurende de procedure tussen Staatsbosbeheer en Univé zijn vordering zou laten rusten en dat Staatsbosbeheer zich dan niet op verjaring zou beroepen voor wat betreft het tijdsverloop tot de uitspraak in die procedure. Het hof laat dan nog daar dat de procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer ten tijde van het gesprek nog aanhangig was bij de rechtbank en dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat de volgens hem gemaakte afspraak niet alleen betrekking had op een procedure bij de rechtbank, maar ook op een eventuele daaropvolgende procedure bij het hof.
4.10
Maar ook als partijen de door [verzoeker] gestelde overeenkomst zouden hebben gesloten (al dan niet omdat [verzoeker] de uitspraak van [betrokkene 1] als een aanbod tot het sluiten van zo’n overeenkomst mocht opvatten en hij dat aanbod heeft aanvaard), geldt dat die overeenkomst erop neerkomt dat een wettelijke verjaringstermijn zou worden verlengd. De gronden voor verlenging van verjaring staan opgesomd in artikel 3:321 lid 1 BW. Het gaat om een limitatieve opsomming en een verlenging op grond van een daartoe strekkende overeenkomst maakt geen deel uit van die opsomming. De overeenkomst zou in dat geval dan ook in strijd met de wet zijn.
4.11
Gelet op het voorgaande komt het hof niet toe aan bewijslevering. Het door [verzoeker] gedane bewijsaanbod wordt dan ook verworpen.
4.12
Voor het geval [verzoeker] met zijn beroep op het gesprek van 13 augustus 2009 betoogt dat het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, miskent hij allereerst dat hij al vanaf kort nadat hij werd geconfronteerd met de schade werd bijgestaan door een advocaat, dat die advocaat ook aanwezig was bij het gesprek van 13 augustus 2009 en dat het (voor die advocaat) ook na 13 augustus 2009 een kleine moeite was om de verjaring tijdig te stuiten, al was het maar om op deze wijze het risico van een onjuiste interpretatie van de door [betrokkene 1] tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 gedane uitspraak uit de weg te ruimen. [verzoeker] gaat er bovendien aan voorbij dat gesteld noch gebleken is dat Staatsbosbeheer, afgezien van de gewraakte uitlating van [betrokkene 1] tijdens het gesprek van 13 augustus 2009, de indruk heeft gewekt dat zij zich niet op verjaring zou beroepen wanneer [verzoeker] de verjaringstermijn zou laten verlopen. In dat licht bezien is het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring niet naar maatstaven van redelijkheid billijkheid onaanvaardbaar.
4.13
[verzoeker] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling nog op een arrest van de Hoge Raad uit 1999 beroepen. Het belang van dit arrest voor het geschil tussen partijen over de verjaring ontgaat het hof. Het arrest brengt het hof dan ook niet tot een ander oordeel.
4.14
De conclusie is dat het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring slaagt. De vordering van [verzoeker] is om die reden niet toewijsbaar.”
In cassatie
3.9
Bij procesinleiding van 27 augustus 2025 heeft [verzoeker] cassatieberoep ingesteld tegen het arrest. Staatsbosbeheer heeft verweer gevoerd. [verzoeker] heeft zijn cassatieberoep schriftelijk toegelicht, Staatsbosbeheer heeft gerepliceerd.
4Bespreking van het cassatiemiddel
4.1
Het cassatiemiddel bestaat uit twee onderdelen en is toegespitst op de oordelen van het hof over de vraag of Staatsbosbeheer een beroep kan doen op de verjaring van de rechtsvordering van [verzoeker] .
4.2
Onderdeel 1 draagt het opschrift: “hof oordeelt ten onrechte en onbegrijpelijk dat afspraak niet in de weg staat aan verjaring” en bestaat uit subonderdelen 1.1 t/m 1.5. Onder 1 is vervolgens een overkoepelende klacht te vinden, gericht tegen de oordelen met betrekking tot de verjaring. Die overkoepelende klacht behoeft geen separate aandacht.
4.3
Subonderdeel 1.1 bevat de klachten a en b.
4.4
Klacht a houdt, samengevat, het volgende in. Met het oordeel in r.o. 4.6 en 4.7 dat Staatsbosbeheer op 13 augustus 2009 geen afstand van verjaring kon doen omdat de verjaring nog niet was voltooid, miskent het hof dat op 13 augustus 2009 voor wat betreft de door [verzoeker] gevorderde schade uit 2000 de (korte) verjaringstermijn van vijf jaar in art. 3:310 lid 1 BW inmiddels was verstreken en het Staatsbosbeheer vrij stond afstand te doen van verjaring. Daaraan doet niet af dat [verzoeker] laatst op 17 juni 2009 de verjaring had gestuit. De passage “voordat de verjaring is voltooid” in art. 3:322 lid 3 BW ziet alleen op de situatie vóór het verstrijken van een (korte) verjaringstermijn en niet op de situatie dat de schuldenaar na afloop van de verjaringstermijn afstand doet, ongeacht of is gestuit.
4.5
De klacht kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden. Het hof heeft niet geoordeeld dat Staatsbosbeheer afstand heeft gedaan van verjaring en kon dat op basis van de vaststaande en aangedragen feiten ook niet oordelen. Dit ligt, zij het in algemenere zin met betrekking tot het bestaan van een ‘afspraak’, ook besloten in r.o. 4.9, waartegen subonderdeel 1.4 mijns inziens zonder succes opkomt. Dat namens Staatsbosbeheer tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 met [verzoeker] (en zijn advocaat) is opgemerkt dat hij “hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter” (vgl. r.o. 3.5) kan evident niet als een zodanige afstand worden aangemerkt. Overigens gaat de klacht mijns inziens uit van een onjuiste rechtsopvatting. Een verjaring is naar mijn begrip onmiskenbaar niet “voltooid” als bedoeld in art. 3:322 lid 3 BW indien als gevolg van stuiting een nieuwe verjaringstermijn is gaan lopen (art. 3:319 lid 1 BW). Dit ligt zowel tekstueel als conceptueel voor de hand. De feiten van het geval geven geen aanleiding dit onderwerp verder uit te pluizen.
4.6
Klacht b betoogt in de kern dat het hof eraan voorbij is gegaan dat in het voorliggende geval een vaststellingsovereenkomst als bedoeld in art. 7:900 lid 1 BW is gesloten die toelaatbaar afwijkt van art. 3:322 lid 3 BW.
4.7
Deze klacht slaagt niet omdat niet blijkt – het middel draagt in dat verband geen vindplaatsen aan – dat [verzoeker] in feitelijke instanties een beroep heeft gedaan op de aanwezigheid van zo’n vaststellingsovereenkomst. Het gaat dus – kennelijk – om een deels feitelijk en daarom ontoelaatbaar novum in cassatie. Het aangevallen oordeel van het hof is overigens juist en begrijpelijk. Dat namens Staatsbosbeheer tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 met [verzoeker] (en zijn advocaat) is opgemerkt dat hij “hier op dit moment geen uitspraken over wil doen en dit wil laten rusten tot na de uitspraak van de rechter” (vgl. r.o. 3.5) laat zich niet, althans niet zonder méér, kwalificeren als een overeenkomst, en dus al zeker niet als een vaststellingsovereenkomst, tussen [verzoeker] en Staatsbosbeheer. Van de in art. 7:900 lid 1 BW bedoelde ‘vaststelling’ blijkt uit die opmerking niets. Het subonderdeel verwijst niet naar andere (vast)gestelde feiten en omstandigheden waaruit zo’n (vaststellings)overeenkomst zou volgen en daarvan blijkt ook niet uit het arrest.
4.8
Subonderdeel 1.2 bouwt voort op klacht b van subonderdeel 1.1. Het klaagt, samengevat, dat het oordeel in r.o. 4.10 dat de door [verzoeker] gestelde overeenkomst tot verlenging van de verjaringstermijn gelet op de limitatief opgesomde verlengingsgronden van art. 3:321 lid 1 BW in strijd is met de wet, onjuist en onbegrijpelijk is omdat partijen met de door hen gesloten vaststellingsovereenkomst konden afwijken van dwingendrechtelijke bepalingen.
4.9
Het subonderdeel slaagt niet, gelet op wat hiervoor in nr. 4.7 is opgemerkt.
4.10
Subonderdeel 1.3 klaagt, samengevat, dat het hof een essentiële stelling van [verzoeker] heeft gepasseerd, te weten de stelling dat de korte verjaringstermijn in art. 3:310 lid 1 BW tussen 2000/2009 en 2020 (nog) niet was aangevangen en pas met het (eind)arrest van het hof in de procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer is gaan lopen, nu hij toen ermee bekend werd dat Staatsbosbeheer ook voor zijn (overige) in 2000 geleden schade aansprakelijk was dan wel Staatsbosbeheer had te gelden als “de daarvoor aansprakelijke persoon” als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW. Het subonderdeel verwijst daartoe naar de pleitnotitie van 16 februari 2023, p. 7, nr. 10 (bovenaan) en naar het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 februari 2023, p. 3 (bovenaan). Daar voegt het subonderdeel nog aan toe dat voor zover het hof van oordeel was dat de door het hof in de procedure tegen Univé vastgestelde aansprakelijkheid van Staatsbosbeheer niet rechtens relevant was voor de beoordeling van het aanvangstijdstip voor de verjaring van de vordering van [verzoeker] tot vergoeding van niet door Univé uitgekeerde schade, dat oordeel rechtens onjuist is. Voor zover het hof dit niet miskende, is zijn arrest niet toereikend gemotiveerd om in het licht van [verzoeker] ’ stelling/verweer begrijpelijk te zijn, nu in de gegeven motivering alsdan niet duidelijk is waarom volgens het hof de verjaringstermijn voor de vordering van [verzoeker] niet na het arrest van het hof in de procedure tussen Staatsbosbeheer en Univé is gaan lopen.
4.11
Het subonderdeel slaagt niet. In het arrest ligt besloten dat het bewuste ‘onbekendheidsbetoog’ geen hout snijdt, zodat het hof de bewuste stelling niet heeft gepasseerd maar heeft verworpen, en wel op rechtens juiste en begrijpelijke gronden. Naar mijn begrip impliceren r.o. 3.4 en r.o. 3.5 namelijk dat [verzoeker] Staatsbosbeheer vóór 13 augustus 2009 aansprakelijk heeft gesteld, wat strookt met de onweersproken vaststelling in r.o. 4.5 dat [verzoeker] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen heeft gestuit. Dit ligt met een blik op de chronologie van de zaak (zie nrs. 2.2 t/m 2.6) ook zeer voor de hand. Daar komt nog bij dat het hof in r.o. 4.12 overweegt dat [verzoeker] “al vanaf kort nadat hij werd geconfronteerd met de schade werd bijgestaan door een advocaat” en “dat die advocaat ook aanwezig was bij het gesprek van 13 augustus 2009 en dat het (voor die advocaat) ook na 13 augustus 2009 een kleine moeite was om de verjaring tijdig te stuiten, al was het maar om op deze wijze het risico van een onjuiste interpretatie van de door [betrokkene 1] tijdens het gesprek van 13 augustus 2009 gedane uitspraak uit de weg te ruimen.” Hierin ligt besloten dat het hof tot uitgangspunt neemt – rechtens juist en begrijpelijk – dat [verzoeker] in ieder geval vanaf 13 augustus 2009 bekend was met de aansprakelijke persoon, te weten Staatsbosbeheer. Aan de overige inhoud van het subonderdeel wordt dus niet toegekomen.
4.12
Subonderdeel 1.4 klaagt, samengevat, dat het hof in r.o. 4.5, 4.7 t/m 4.9 ten onrechte en onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat [verzoeker] onvoldoende heeft onderbouwd dat de door hem gestelde afspraak (op 13 augustus 2009) is gemaakt. Het heeft voor de uitleg en kwalificatie van de door [verzoeker] gestelde afspraak een verkeerde maatstaf aangelegd. Als de inhoud van een overeenkomst voldoet aan de omschrijving van art. 7:900 lid 1 BW, moet de overeenkomst worden aangemerkt als een vaststellingsovereenkomst. Aan deze kwalificatievraag gaat vooraf de vaststelling van de inhoud van de overeenkomst aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Het hof heeft in dat verband ten onrechte niet (mede) gewicht toegekend aan het feit dat, zoals het hof in r.o. 4.5 vaststelt, [verzoeker] tot 13 augustus 2009 de verjaring enkele malen had gestuit terwijl na die bespreking geen stuitingshandelingen meer plaatsvonden, wat kan gelden als bevestiging van de toen gemaakte ‘afspraak’, aldus het subonderdeel.
4.13
Het subonderdeel slaagt niet. Het beroep op de aanwezigheid van een vaststellingsovereenkomst betreft een deels feitelijk en daarom ontoelaatbaar novum in cassatie. Zie nr. 4.7 hiervoor. En de relevante passages van het gespreksverslag van 13 augustus 2009, zoals aangehaald in r.o. 3.5 van het arrest, laten zich niet kwalificeren als een (vaststellings)overeenkomst tussen [verzoeker] en Staatsbosbeheer, ook niet in samenhang met het ontbreken van een stuitingshandeling nadien, die in redelijkheid niet als de in het subonderdeel bedoelde ‘bevestiging’ kan worden aangemerkt, omdat zo’n stuitingshandeling in potentie jaren op zich kon laten wachten nadat op 17 juni 2009 (zie r.o. 4.5) voor het laatst was gestuit. Het subonderdeel verwijst niet naar andere (vast)gestelde feiten en omstandigheden waaruit zo’n vaststellingsovereenkomst of anderszins een afspraak met betrekking tot het achterwege laten van een beroep op verjaring zou volgen, en daarvan blijkt ook niet uit het arrest. Zie ook nr. 4.7 hiervoor.
4.14
Subonderdeel 1.5 bouwt voort op de eerdere subonderdelen en klaagt over het passeren van een bewijsaanbod in r.o. 4.11.
4.15
Het subonderdeel slaagt niet omdat subonderdelen 1.1 t/m 1.4 niet slagen.
4.16
Onderdeel 2 draagt het opschrift: “dat verweer naar maatstaven van redelijkheid billijkheid niet onaanvaardbaar, is onjuist”. Het klaagt, samengevat, dat het hof in r.o. 4.12 ten onrechte en onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat het beroep van Staatsbosbeheer op verjaring om de daar vermelde redenen naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar is. Het onderdeel voert daartoe, voortbouwend op onderdeel 1, aan dat het hof heeft miskend dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat de gestelde afspraak van 13 augustus 2009 een vaststellingsovereenkomst met Staatsbosbeheer is. Daaraan doen de door het hof in r.o. 4.12 in aanmerking genomen omstandigheden niet af, aldus het onderdeel.
4.17
Het onderdeel slaagt niet omdat er geen feitelijk aanknopingspunt voor is dat [verzoeker] erop mocht vertrouwen dat de opmerking van de zijde van Staatsbosbeheer van 13 augustus 2009 een overeenkomst, laat staan vaststellingsovereenkomst, met Staatsbosbeheer oplevert. Ik verwijs naar wat ik hiervoor in nrs. 4.7 en 4.13 heb opgemerkt.
5Slotsom
Het cassatiemiddel slaagt in geen van zijn onderdelen, zodat het cassatieberoep dient te worden verworpen.
6Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg. Destijds was Staatsbosbeheer nog onderdeel van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij en dus van de Staat der Nederlanden. Staatsbosbeheer werd met ingang van 1 januari 1998 een zelfstandig openbaar lichaam. Zie Wet verzelfstandiging Staatsbosbeheer (Stb. 1997/514; inw. Stb. 1997/678).
Het hof verwijst in voetnoot 2 van het arrest naar nr. 19 van de conclusie van A-G De Vries Lentsch-Kostense (ECLl:NL:PHR:2004:AO3852) onder 19 de daar genoemde literatuur.
Het hof verwijst in voetnoot 3 van het arrest naar HR 12 november 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA3369.
Voor een andere interpretatie is bijvoorbeeld géén aanwijzing te vinden in Asser/Sieburgh 6-II 2021/394. Het hof heeft in r.o. 4.5 geoordeeld dat (het ervan uitgaat dat) [verzoeker] in de periode tot 13 augustus 2009 de verjaring “enkele malen” heeft gestuit en voor het laatst op 17 juni 2009. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de verjaring ook in de jaren ervóór (meermaals) is gestuit.
De voorganger van deze bepaling wijst daar eveneens op. Zie art. 1984 BW (oud): “Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring, maar men kan wel afstand doen van eene verjaring welke reeds verkregen is” (onderstreping toegevoegd).
Bij naslag van het procesdossier kwam ik het ook niet tegen.
Zie ook nrs. 2.2 en 2.3 van de schriftelijke toelichting van Staatsbosbeheer.
Overigens heeft Staatsbosbeheer er terecht op gewezen dat in de parallelle procedure tussen Univé en Staatsbosbeheer op 30 september 2009 is geoordeeld dat Staatsbosbeheer was tekortgeschoten. Zie nr. 2.4 van de schriftelijke toelichting van Staatsbosbeheer.
Daar komt dan nog bij dat het hof in r.o. 4.9 – in cassatie onbestreden – oordeelt dat [verzoeker] niet heeft gesteld dat de volgens hem gemaakte afspraak niet alleen betrekking had op een procedure bij de rechtbank – die in 2012 een einde vond, waarna ruim meer dan vijf jaar is verstreken vóórdat het arrest werd uitgesproken – maar ook op een eventueel daaropvolgende procedure bij het hof. Zie nr. 3.2 van de schriftelijke toelichting van Staatsbosbeheer.