Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:815

2026-09-15 Strafrecht 25/01453
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-08-27
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/01453
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Feitelijke aanranding van de eerbaarheid. 1. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster, art. 359.2 Sv. 2. Klacht over het oordeel van het hof met betrekking tot (overschrijding van) redelijke termijn. AG meent dat beide middelen falen. Conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

Citeert (24)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (39.030 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/01453

Zitting 15 september 2026




CONCLUSIE



P.T.C. van Kampen




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961,
hierna: de verdachte





1Inleiding

1.1
Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 10 april 2025 (parketnr. 23-00241-22) het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2022 onder aanvulling van gronden bevestigd. De verdachte is wegens “feitelijke aanranding van de eerbaarheid” veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis. Tevens is de vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen.


1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. S.W.M. Stevens, advocaat, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.




2Het eerste middel

2.1
Het eerste middel klaagt dat het hof heeft verzuimd om de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het namens de verdachte naar voren gebrachte, uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de verklaringen van de aangeefster niet (voldoende) betrouwbaar zijn, althans dat de verwerping van dat verweer onbegrijpelijk is.


2.2
Uit het arrest van het hof van 10 april 2025 blijkt dat het hof het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 augustus 2022 heeft bevestigd, voor zover hier van belang met dien verstande “dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat er voldoende steunbewijs voorhanden is om het feit zowel wettig als overtuigend bewezen te achten”. Over die constatering wordt in cassatie niet geklaagd.


2.3
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat hij


“op 18 juli 2020 te [plaats] door een andere feitelijkheid [slachtoffer] heeft gedwongen tot het dulden van een of meer ontuchtige handelingen, immers heeft hij, verdachte, onverhoeds
- die [slachtoffer] vastgepakt en
- die [slachtoffer] stevig tegen zich aangedrukt en
- die [slachtoffer] meermalen in haar gezicht gezoend en
- getracht die [slachtoffer] op haar mond te zoenen en
- tegen die [slachtoffer] gezegd dat ze mooie borsten en billen had en dat hij haar mooi en lief vond en
- aan die [slachtoffer] gevraagd wat hij met zijn gevoelens aan moest.”



2.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, die zijn opgenomen als Bijlage II bij het vonnis van de rechtbank:


“1. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1300-2020158006-3 van 5 augustus 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , pagina’s ongenummerd.



Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [slachtoffer] , zakelijk weergegeven:



In de periode mei/juni 2020, werkte ik vaak in een koppel met mijn collega [verdachte] . [verdachte] heeft in de periode dat ik met hem als vast koppel werkte veelvuldig seksueel getinte opmerkingen gemaakt. Hij zei bijvoorbeeld dat ik mooie borsten en billen had en dat ik een leuk gezichtje heb en dat ik echt zijn type ben. Hij vertelde ook eens dat ik geluk had dat het Corona tijd is, anders zou hij mij willen opeten. Mijn collega die hier ook bij stond, [getuige 1] , heeft hem hierop aangesproken en zei dat hij dit soort opmerkingen niet kan maken. [verdachte] reageerde hierop door te lachen. Hij deed alsof het een grapje was. Ik was verbaasd en vond zijn opmerking vies. Dit was in de maand mei.



Tot op dit moment heb ik geen melding gemaakt van wat [verdachte] allemaal deed. Op 18 juli ben ik naar mijn leidinggevende gegaan. Voor die tijd gaf [verdachte] mij wel eens ongevraagd kusjes op mijn wang. Ik had hem gezegd dat ik dat niet wilde maar daar trok hij zich niets van aan. Dat gebeurde dan als ik met mijn collega's, zo'n 14 man, op de briefing zat te wachten. [verdachte] is een van de oudere collega's. Toen hij mij zo in het openbaar zoende, vond ik dat wel ongemakkelijk en mijn collega's zeiden er op dat moment ook niets van. [verdachte] heeft mij ook meer dan eens in de gang op mijn werk op mijn wang gekust. Ik heb hem toen gezegd dat ik het niet prettig vond dat hij dat deed en dat ik wilde dat hij mij niet meer zou zoenen en aanraken. Dat doen collega's niet. Op het moment dat ik voor de briefing door hem werd gezoend, heeft niemand daar iets van gezegd. Ik heb wel begrepen dat hij daar later op is aangesproken door [getuige 2] (de rechtbank begrijp dat dit [getuige 2] betreft), ik was daar niet bij.
Op 18 juli kwam ik op mijn werk aan. Ik was met de auto naar mijn werk gekomen en nadat ik geparkeerd had liep ik in de richting van de kantine. [verdachte] kwam mij tegemoet lopen en gaf mij weer een kus op mijn wang. Ik heb hem toen gezegd dat ik niet wilde dat hij mij nog kuste. Ik heb die dag met een andere collega gewerkt en heb hem niet gezien.
Om ongeveer 15:15 uur kwam ik pas terug op mijn werk. [verdachte] was er nog. Ik liep naar mijn auto. [verdachte] liep achter mij aan. Hij pakte mij vast. Hij noemde mijn naam, waarop ik mij omdraaide. Direct hierna pakte hij mij met zijn beide handen om mijn middel beet. Ik vroeg hem of hij mij alsjeblieft kon loslaten maar toen drukte hij mij steviger tegen zich aan. Ik voelde dat hij mijn borsten tegen zich aandrukte en ik hoorde hem zeggen dat hij vond dat ik zulke lekkere borsten heb en dat ik mooie billen heb. Ik heb hem toen weer gevraagd of hij mij alsjeblieft wilde loslaten en ik moest toen huilen. Ik was heel erg bang en ik was helemaal alleen met hem. Toen ik begon te huilen ging [verdachte] mij overal in mijn gezicht te zoenen, op mijn wangen en hij probeerde dichter naar mijn mond te zoenen. Ik probeerde de zoenen richting mijn mond te ontwijken en op een gegeven moment pakte hij mijn kin en probeerde hij mij weer op mijn mond te zoenen. Ik heb hem toen weggeduwd en ik ben naar mijn auto gelopen. Terwijl ik naar mijn auto liep, riep hij dat hij mij zo lief en mooi vond en dat ik van alles met zijn gevoelens deed. Hierna vroeg hij mij: " [slachtoffer] , vertel me wat ik met mijn gevoelens moet doen!”. Ik heb hem gezegd dat hij gek is. Hij moest hierom lachen en ik ben snel in mijn auto gestapt en heb de deuren snel op slot gedaan voor het geval hij terug zou komen en in mijn auto zou stappen.
In de auto heb ik direct mijn collega [getuige 1] gebeld. Ik had haar op de luidspreker gezet en ik ben weggereden. [getuige 1] was samen met [getuige 2] aan het werk. Toen ik haar aan de lijn kreeg, huilde ik nog. Ik vertelde haar dat [verdachte] weer opmerkingen had gemaakt over mijn borsten en billen en dat hij mij had omhelsd en gezoend.




2. De verklaring die verdachte ter terechtzitting heeft afgelegd, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:



Op 18 juli 2020 kwam ik binnen op het werk. Ik liep naar [slachtoffer] , groette haar en gaf haar een kus op haar wang. Na het einde van de dienst hadden we een gesprek over de auto die ze van haar vader tot beschikking had gekregen. We liepen naar de auto. We hebben daarna afscheid genomen. Ik gaf haar een knuffel en drie zoenen op haar wang. Daarna liep ik richting het trottoir en toen draaide ik mij om en zei dat ik gevoelens had voor haar, maar dat ik niet wist wat.




3. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2020158006-4 van 1 september 2020, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , pagina’s ongenummerd.




Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van voornoemde opsporingsambtenaar, zakelijk weergegeven:



Op 26 augustus 2020 verhoorde ik de [getuige 1] . Getuige verklaarde dat zij door haar collega [slachtoffer] werd gebeld op 18 juli 2020 om 15:30 uur. Getuige was op dat moment ook aan het werk, samen met haar collega [getuige 2] . [slachtoffer] vertelde haar toen letterlijk: " [verdachte] is weer bezig geweest. [verdachte] heeft me geknuffeld en stond met zijn lichaam strak tegen mijn borsten aangeduwd. [verdachte] heeft mij ook geprobeerd te zoenen op mijn mond, maar ik heb mijn hoofd weg kunnen draaien, zodat zijn lippen op mijn wang terecht kwamen.” Getuige weet niet waar dit precies is gebeurd, maar wel op het werk ergens in of rond het pand. [slachtoffer] zou op dat moment tegen [verdachte] gezegd hebben dat ze dit niet wilde en aan [verdachte] gevraagd hebben of hij haar los wilde laten.
Getuige is zelf ook een keer getuige geweest dat [verdachte] tegen [slachtoffer] zei: "het is dat het Corona is, maar anders had ik je wel opgegeten". [slachtoffer] heeft er niets van gezegd maar getuige heeft toen tegen [verdachte] gezegd: "Doe eens normaal joh!"




4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1300-2020158006-8 van 11 februari 2021, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 2] , pagina’s ongenummerd.




Dit proces-verbaal houdt onder meer in als verklaring van [getuige 2] , zakelijk weergegeven:



Ik zal u vertellen wat ik weet over de situatie met [slachtoffer] en [verdachte] . Eerlijk gezegd, gingen bij pas echt bellen rinkelen op het moment dat ik samen met [getuige 1] aan het werk was op 18 juli 2020. [getuige 1] werd toen gebeld door [slachtoffer] , een collega van ons. Ik begreep uit het gesprek dat [slachtoffer] aan ons vroeg hoe ze het aan moest pakken met [verdachte] , een andere collega van ons. [slachtoffer] durfde namelijk zelf geen actie te ondernemen en ik heb haar toen gezegd dat ze twee dingen kon doen, of het bespreken met de werkgever of naar de Politie gaan. [slachtoffer] wilde eigenlijk niet meer met hem samen werken.
Nadien, ik weet niet meer op welke datum precies, zat ik [slachtoffer] bij de koffie aan tafel. Er waren veel collega's op dat moment aan de koffietafel. Ik zag toen dat [verdachte] binnenkwam en [slachtoffer] als begroeting een kus op haar wang gaf. Niemand die er wat van zei, het was gewoon stil. Niemand durfde er iets van te zeggen. Ook [slachtoffer] zei niets, maar aan haar gezicht kon ik zien dat ze het niet wilde. Haar gezicht vertrok helemaal. Ik ben toen naar de coördinator gegaan en heb gezegd dat hij [verdachte] en [slachtoffer] uit elkaar moest halen en ze niet meer samen moest laten werken als koppel.
Niemand durft hem er op aan te spreken. Zelf heb ik dat wel eens gedaan op een joviale manier weliswaar, als hij tegen mij zei, tijdens het werk op straat, "kijk eens wat een mooie borsten en billen". Ik heb hem gezegd dat ik niet geïnteresseerd ben. Dat ging dan over jonge meiden van rond de 15 jaar die bijvoorbeeld voorbij fietsten of liepen."



2.5
Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank bevat de volgende bewijsoverwegingen:


“De rechtbank vindt bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde aanranding van [slachtoffer] . De rechtbank overweegt daarover als volgt.



Over de dag van het incident heeft aangeefster verklaard dat zij in de ochtend naar de kantine liep en dat verdachte haar een kus op de wang gaf. Na werktijd is zij naar haar auto gelopen en is verdachte achter haar aan gelopen. Verdachte heeft haar vastgepakt met zijn beide handen om haar middel en heeft haar met haar borsten tegen zich aangedrukt. Ze hoorde hem zeggen dat hij vond dat ze zulke lekkere borsten en mooie billen had. Ze heeft gevraagd of hij er mee wilde ophouden en moest huilen. Vervolgens ging verdachte haar overal in haar gezicht zoenen en probeerde hij haar op haar mond te zoenen. Ze heeft verdachte van zich afgeduwd en is naar haar auto gelopen. Terwijl ze naar haar auto liep, riep verdachte dat hij haar mooi en lief vond en vroeg wat hij met zijn gevoelens moest doen. Nadat aangeefster in haar auto is gestapt heeft ze direct haar collega [getuige 1] gebeld en huilend verteld wat er was gebeurd.



Deze verklaring van aangeefster vindt in grote mate steun in de verklaring van verdachte zelf. Verdachte heeft immers verklaard dat hij die dag na werktijd inderdaad met aangeefster is meegelopen naar de auto en dat hij haar heeft omhelsd, drie zoenen op haar wang heeft gegeven en dat hij, terwijl hij wegliep, een opmerking heeft gemaakt over wat hij met zijn gevoelens voor aangeefster aan moest. Ook heeft hij verklaard dat hij die ochtend bij binnenkomst in de kantine een kus op de wang heeft gegeven. De discussie richt zich op de vraag of verdachte meer heeft gedaan dan een ‘gewone’ omhelzing en drie zoenen geven, en op de vraag in hoeverre sprake is geweest van ontuchtige handelingen.



De rechtbank gaat uit van de aangifte van [slachtoffer] , ook op de onderdelen die door verdachte niet worden bevestigd. De omstandigheden die aangeefster schetst staan niet op zichzelf en vinden namelijk concrete steun in de verklaringen van getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Zo verklaart aangeefster dat verdachte veelvuldig seksueel getinte opmerkingen naar haar heeft gemaakt, ook bij andere gelegenheden. Hij zou ook een keer in het bijzijn van haar collega [getuige 1] tegen haar hebben gezegd dat ze geluk heeft dat het corona-tijd is, omdat hij haar anders zou willen opeten. Deze verklaring van aangeefster vindt bevestiging in de getuigenverklaring van [getuige 1] . Ook heeft [getuige 1] verklaard dat aangeefster haar op 18 juli 2020 belde en vertelde dat verdachte ‘weer bezig is geweest’ en haar heeft geknuffeld met zijn lichaam strak tegen haar borsten aan en dat hij haar heeft geprobeerd te zoenen op haar mond.



Aangeefster heeft daarnaast verklaard dat verdachte haar vaker een kus op de wang gaf, terwijl zij had aangegeven dat ze dit niet wilde. Dit wordt ondersteund door de verklaring van [getuige 2] , die heeft verklaard een keer te hebben gezien dat het gezicht van aangeefster helemaal vertrok nadat verdachte haar in de kantine een kus op de wang had gegeven.



Ten slotte geldt dat [getuige 2] meer in het algemeen heeft verklaard dat verdachte tijdens het werk op straat over jonge meiden die voorbij fietsten of liepen weleens tegen hem heeft gezegd “kijk eens wat een mooie borsten en billen”. De rechtbank ziet hierin ook steun voor de verklaring van [slachtoffer] , nu zij heeft verklaard dat verdachte dezelfde woorden tegen haar heeft gebruikt, zowel tijdens het incident op 18 juli 2022 als eerder tijdens het werk.



Dit betekent dat de rechtbank uitgaat van de aangifte en bewezen vindt dat verdachte niet alleen aangeefster heeft omhelsd en gezoend, en nadien een opmerking heeft gemaakt over zijn gevoelens, maar daarbij ook heeft geprobeerd aangeefster op de mond te zoenen, haar borsten tegen zich aan heeft gedrukt en heeft gezegd dat ze mooie borsten en billen had. De volgende vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of deze feiten en omstandigheden een aanranding opleveren zoals is tenlastegelegd. Anders gezegd: is sprake geweest van ontuchtige handelingen? Het vastpakken, omhelzen en op het gezicht zoenen zal in veel gevallen geen ontucht opleveren, maar kunnen onder omstandigheden wel ontuchtig zijn.



De rechtbank overweegt dat in dit specifieke geval wel degelijk sprake is van ontuchtige handelingen, die aangeefster werd gedwongen te dulden (ondergaan). Het feit dat verdachte vaker seksueel getinte opmerkingen naar aangeefster heeft gemaakt, hij tijdens het omhelzen opmerkingen heeft gemaakt over de borsten en billen van aangeefster en nadien een opmerking heeft gemaakt over zijn gevoelens voor haar, maken dat de handelingen in dit geval als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. De rechtbank neemt daarbij ook in aanmerking dat verdachte en aangeefsters collega’s waren en dat er tussen hen sprake was van een zekere ongelijkheid, gelet op de destijds jonge leeftijd van aangeefster ten opzichte van de bijna 40 jaar oudere verdachte.”



2.6
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof op 27 maart 2025 blijkt dat de raadsvrouw van de verdachte omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster ter zitting het volgende naar voren heeft gebracht:


“Inconsistente verklaringen van aangeefster
4. Bij zedenzaken in het algemeen is het lastig dat je aan de ene kant de verklaring van aangeefster hebt en de andere kant de verklaring van verdachte. We zijn er allemaal niet bij aanwezig geweest. Op basis van het dossier moet er een oordeel geveld worden.



5. De verklaringen van mijn cliënt zijn betrouwbaar en dienen als uitgangspunt te worden genomen bij de beoordeling van het dossier. Cliënt is gehoord bij de politie zonder advocaat. Tijdens zijn verklaring bij de politie heeft hij hetzelfde verklaard als hij ook bij zijn werk had verklaard. Cliënt heeft zichzelf ook niet gespaard in die verklaring. Hij heeft niet alles ontkend, maar hij heeft verteld hoe het is gegaan. Hij ontkent wel ten stelligste dat er ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden. Ter zitting bij de rechtbank heeft hij hetzelfde verklaard en ook vandaag is er geen wijziging in zijn verklaring.



6. De verklaringen van aangeefster daarentegen zijn inconsistent.



7. Aangeefster heeft verschillende verklaringen afgelegd. Het dossier bevat drie verklaringen: twee verklaringen bij de politie en één verklaring bij de rechter-commissaris. De verklaringen van aangeefster zijn inconsistent en daardoor onbetrouwbaar. De volgorde van het vermeende incident verschilt per verklaring. Aangeefster stelt in het informatief gesprek zeden dat cliënt eerst de vermeende opmerking zou hebben gemaakt voordat hij haar zou hebben omhelsd, maar in de aangifte stelt aangeefster dat hij haar eerst zou hebben vastgepakt en tegen zich aan zou hebben gedrukt voordat hij de vermeende opmerking zou hebben gemaakt. Daarnaast stelt aangeefster in het informatief gesprek zeden dat cliënt haar zou hebben omhelsd, maar in de aangifte stelt aangeefster dat hij haar vast pakte en met zijn beide handen haar middel beet pakte. Iemand bij de middel beet pakken is een andere handeling dan iemand omhelzen. In het informatief gesprek zeden stelt aangeefster dat zij niks zou hebben gezegd na zijn laatste opmerking, terwijl aangeefster in de aangifte stelt dat ze zou hebben gezegd dat hij gek is. Door deze inconsistenties heb ik aangeefster gehoord bij de rechter-commissaris.



8. Ook bij de rechter-commissaris blijft de verklaring van aangeefster inconsistent en daardoor niet betrouwbaar. Ook in deze verklaring is er weer verschil in de volgorde. Dit maal zou cliënt haar hebben vastgepakt van achter bij haar middel, zou zij zich hebben omgedraaid, dan de opmerking hebben gemaakt en haar tegen zich aan hebben getrokken. Dus in de aangifte staat het vastpakken en tegen zich aan drukken en dan de opmerking. Bij de rechter-commissaris: vastpakken, omdraaien, dan de opmerking en dan pas tegen zich aan hebben getrokken. Ook heeft de aangeefster niet meer verklaard over dat ze zou hebben gezegd dat hij (cliënt) gek is, terwijl ze dat bij de aangifte wel heeft gezegd. Ook komt er volledig nieuwe informatie over Ohran. Dit gedeelte van de verklaring is niet bij het informatief gesprek dan wel bij de aangifte naar voren gekomen. Telkens zijn er verschillen en daarmee inconsistenties in de verklaring van aangeefster.



9. Als deze verschillen worden waargenomen in verklaringen van een verdachte, dan wordt dat doorgaans bestempeld als onbetrouwbaar. Bij elke verklaring, ongeacht of het een verdachte, een aangeefster of een getuige is, moeten we kritisch blijven.



10. Zoals gezegd, waren er geen andere mensen dan cliënt en aangeefster bij het vermeende incident aanwezig. Dan is de vraag: hoe kunnen we de verklaring van aangeefster verder objectief toetsen? Ik heb die verklaring getoetst naar aanleiding van het gedeelte van haar verklaring dat zij door de leidinggevende, [betrokkene 1] , werd gevraagd of zij ook met cliënt als koppel wilde werken.



11. Aangeefster stelt in het informatief gesprek zeden dat zij door [betrokkene 1] werd gevraagd of zij ook met cliënt als koppel wilde werken, aangezien cliënt dit bij [betrokkene 1] had aangegeven. Als aangeefster dit ook wilde dan moest [betrokkene 1] de planning omgooien. Aangeefster stelt dat zij aan [betrokkene 1] heeft aangegeven liever niet met [verdachte] als koppel te willen werken. In de aangifte stelt aangeefster echter dat [betrokkene 1] had geweigerd om het rooster om te gooien, omdat hij dat op dat moment niet meer wilde doen. Dus bij informatief gesprek zeden was het een vraag en bij aangifte stond het al vast dat [betrokkene 1] het rooster niet zou omgeven. Ook stelt aangeefster in de aangifte dat zij tegen cliënt dus in plaats van tegen [betrokkene 1] zou hebben gezegd dat ze geen wijzing in de koppels wilde en dat ze het wel best vond om niet met hem te werken. Ze wil niet met hem op de auto. Dit gesprek zou hebben plaatsgevonden voordat het werk begon. Ik heb hierover vragen gesteld tijdens het verhoor van aangeefster bij de rechter-commissaris. Aangeefster heeft wederom verklaard dat zij met [betrokkene 1] die dag heeft gesproken, maar het is toch net anders dan hoe ze het heeft verklaard bij de politie. [betrokkene 1] zou namelijk voor de grap hebben gezegd "je bent gewild". Volledig nieuwe informatie die niet bij het informatief gesprek zeden en ook bij de aangifte niet door aangeefster zijn verteld. En nu zou ze het wel tegen [betrokkene 1] hebben gezegd en was het wel een vraag.



12. Om dit gedeelte van de verklaring van aangeefster nader te toetsen en daarmee de betrouwbaarheid, heb ik aan [betrokkene 1] vragen gesteld bij de rechter-commissaris. Daaruit komt naar voren dat hij zich helemaal niet kan herinneren dat er zo'n verzoek om een ruil vanuit cliënt zou hebben plaatsgevonden. Sterker nog, volgens [betrokkene 1] zou het gaan om een [betrokkene 2] die zou hebben verzocht om te ruilen en niet om cliënt. Een geheel ander persoon. Ook kan [betrokkene 1] zich niet herinneren dat hij naar aangeefster zou zijn toe gekomen over een verzoek van cliënt en dat zij daarop heeft gereageerd dat zij niet wilde ruilen. Ook staat hem niets ervan bij dat aangeefster zou hebben gezegd dat ze niet met cliënt op een auto wilde. Dit incident ziet niet op het tenlastegelegde zelf, want daar was niemand anders bij aanwezig. Echter, zet het wel degelijk vraagtekens bij de betrouwbaarheid van de verklaring van aangeefster. Dat gedeelte, over wat er eerder zou zijn gebeurd, is juist iets dat we objectief kunnen toetsen, maar uit die toetsing volgt dat de lezingen daarover uiteen lopen. [betrokkene 1] is de enige objectieve getuige in dit dossier. Er is geen aanleiding voor hem om iets te verklaren wat niet klopt of in iemand zijn voor- of nadeel is. Zoals gezegd, blijkt uit de verklaring van [betrokkene 1] bij de rechter-commissaris dat [betrokkene 1] zich er niks van kan herinneren wat aangeefster heeft verklaard daarover.



13. Ik stel mij daarom op het standpunt dat de verklaringen van aangeefster onbetrouwbaar zijn. Reeds hierom, verzoek ik u om cliënt vrij te spreken van het tenlastegelegde.”



2.7
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat de rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal in beginsel niet te motiveren. Dat is (onder meer) anders wanneer door of namens de verdachte een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is ingenomen ten aanzien van het gebruikte bewijsmateriaal. De inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten bepalen daarbij hoe ver de motiveringsplicht van de rechter strekt. De motiveringsplicht gaat niet zo ver dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.


2.8
Indien in cassatie wordt geklaagd dat het hof heeft verzuimd te responderen op een door of namens de verdachte ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, moet allereerst worden beoordeeld of hetgeen door of namens de verdachte is aangevoerd, kan worden aangemerkt als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschaard en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie aan het hof is voorgelegd. Als het gaat om betrouwbaarheidsverweren geldt daarbij een relatief zware stelplicht: niet elke opmerking die aan de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring raakt, is responsieplichtig in de zin van art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv. Van een dergelijk verweer is wel sprake indien door de verdediging expliciet wordt gewezen op inconsistenties en feitelijke onjuistheden in de getuigenverklaring of wanneer het verweer met objectieve gegevens uit het dossier wordt ondersteund.


2.9
Als hetgeen door de verdediging is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden aangemerkt dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het de feitenrechter naar voren is gebracht, moet vervolgens worden beoordeeld of de feitenrechter voldoende heeft gerespondeerd op het standpunt. Zoals opgemerkt bepalen de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten hoe ver de motiveringsplicht van de rechter strekt. Denkbaar is dat de nadere motivering reeds besloten ligt in de door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen en/of bewijsoverwegingen. Daarbij is (ook) van belang dat de Hoge Raad geen al te hoge eisen lijkt te stellen aan de verwerping van betrouwbaarheidsverweren. Slechts indien het geheel niet wordt gerespondeerd op een dergelijk verweer of wordt volstaan met de overweging dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, terwijl ook uit de gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt waarom het verweer niet opgaat, kan dit tot cassatie leiden.


2.10
In de onderhavige zaak heeft de raadsvrouw van de verdachte in hoger beroep betoogd dat en waarom de verklaringen van aangeefster inconsistent en om die reden onbetrouwbaar zijn en verzocht de verdachte vrij te spreken van het hem tenlastegelegde. Hetgeen de verdediging ter zake heeft bepleit, kan bezwaarlijk anders worden beschouwd dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van het hof naar voren is gebracht.


2.11
Het hof heeft het door de verdediging in hoger beroep naar voren gebrachte standpunt niet beargumenteerd weerlegd. Anders dan de steller van het middel lijkt te veronderstellen, ligt in de jurisprudentie van de Hoge Raad echter niet de eis besloten dat een dergelijke verwerping op de voet van het bepaalde in art. 359 lid 2, tweede volzin, Sv altijd de vorm moet krijgen van een expliciete reactie op het uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Zoals opgemerkt volgt uit de rechtspraak van de Hoge Raad dat de nadere motivering van de verwerping van het standpunt ook besloten kan liggen in de door de feitenrechter gebezigde bewijsmiddelen, dan wel in nadere bewijsoverwegingen.


2.12
In het onderhavige geval heeft de verdediging aan de betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster ten grondslag gelegd dat haar verklaringen inconsistenties vertonen en haar verklaringen niet met objectieve gegevens uit het dossier worden ondersteund. In de bevestigde bewijsoverwegingen heeft het hof erop gewezen dat de voor het bewijs gebezigde verklaring (de aangifte) van de aangeefster in belangrijke mate wordt bevestigd door hetgeen de verdachte zelf ter zitting in eerste aanleg heeft verklaard en er voorts op gewezen dat hetgeen de aangeefster in haar aangifte heeft verklaard, bovendien (op onderdelen) bevestiging vindt in hetgeen de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard. Weliswaar hebben die verklaringen deels ook betrekking op voorvallen die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd, maar zij bieden naar het kennelijke oordeel van het hof wel steun voor het oordeel dat de verklaringen van de aangeefster (voldoende) betrouwbaar zijn. Gelet op hetgeen deze getuigen hebben verklaard over het door hen waargenomen eerdere gedrag van de verdachte (en de reactie van de aangeefster daarop) en de (seksuele) aard daarvan, alsmede hetgeen de verdachte zelf heeft verklaard over het voorval op 18 juli 2020, is het daarop gebaseerde oordeel dat de aangifte van aangeefster (voldoende) betrouwbaar is om voor het bewijs te worden gebruikt, mijns inziens niet onbegrijpelijk. Dat oordeel is voorts voldoende gemotiveerd. Dat de tenlastegelegde en bewezenverklaarde handelingen in de door de aangeefster afgelegde verklaringen niet steeds in dezelfde volgorde zijn geduid, zoals door de verdediging is opgemerkt, doet daar niet aan af.


2.13
Het middel faalt.




3Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof bij de beoordeling van de vraag of de behandeling van de zaak binnen de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM heeft plaatsgevonden, ten onrechte het tijdsverloop in eerste aanleg en in hoger beroep niet afzonderlijk heeft beoordeeld, althans dat het oordeel van het hof dat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden kan worden volstaan, ontoereikend is gemotiveerd.


3.2
Het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank houdt ten aanzien van de strafoplegging het volgende in:


“Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de Richtlijnen van het Openbaar Ministerie die gelden voor aanranding, bestaande uit een eenmalige handeling zonder geweld. Deze gaan uit van een taakstraf van 50 tot 70 uur in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vier weken. De rechtbank houdt in het voordeel van verdachte rekening met het tijdverloop van de strafzaak en de gevolgen die hij ten gevolge van het feit reeds heeft ondervonden, namelijk dat hij enige tijd is geschorst door zijn werkgever en niet meer in [plaats] werkzaam mag zijn.



Alles afwegende legt de rechtbank een taakstraf van 50 uur op aan verdachte.”



3.3
In hoger beroep heeft de raadsvrouw van de verdachte met betrekking tot de schending van de redelijke termijn blijkens de pleitaantekeningen opgemerkt:


“Cliënt is veroordeeld op 3 augustus 2022 tot een taakstraf van 50 uur. Inmiddels is het eind maart 2025. We zijn ruim 2.5 jaar verder sinds het vonnis van de rechtbank. In eerste aanleg was de redelijke termijn overschreden. In tweede aanleg is de redelijke termijn nog verder overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn is niet te wijten aan ons. Gelet op de overschrijding van de redelijke termijn verzoek ik uw hof om een op te leggen straf te verminderen.”



3.4
Het hof heeft in zijn arrest van 10 april 2025 overwogen:


“- dat het hof constateert dat bij de berechting van de zaak in hoger beroep de redelijke termijn, die ingevolgde artikel 6, eerste lid, van het EVRM in acht moet worden genomen, is overschreden. Gelet op de hoogte van de opgelegde straf en de omstandigheid dat bij de strafoplegging reeds het tijdsverloop in acht is genomen, volstaat het hof met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden en verbindt het aan deze overschrijding geen gevolgen.”



3.5
Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat uitgangspunt is dat het oordeel van de feitenrechter omtrent de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst. Onderzocht kan alleen worden of dat oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van de omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal niet heel snel sprake zijn, nu de beoordeling hiervan sterk verweven is met waarderingen van feitelijke aard. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter aan de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Het staat de feitenrechter wat de Hoge Raad betreft vrij om – na afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn – te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM. Verder geldt dat als ter terechtzitting door of namens de verdachte verweer is gevoerd met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM, de rechter daarop een gemotiveerde beslissing dient te geven.


3.6
Uit de door het hof gebruikte bewijsmiddelen blijkt dat de aangifte van de aangeefster kennelijk van 5 augustus 2020 dateert. Blijkens het pleidooi van de raadsvrouw in eerste aanleg is de verdachte daarover op 20 oktober 2020 gehoord. De rechtbank heeft op 3 augustus 2022 uitspraak gedaan. Voor zover het middel is gebaseerd op de stelling dat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden en dat het hof dat had moeten vaststellen, faalt het.


3.7
Datzelfde geldt voor de stelling dat het hof niet had mogen volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden, althans dat dit oordeel niet zonder meer begrijpelijk is, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep met circa 8 maanden.


3.8
Daarbij is allereerst van belang dat aan de verdachte enkel een taakstraf van 50 uren is opgelegd. Het hof heeft de hoogte van de opgelegde straf ook expliciet ten grondslag gelegd aan zijn oordeel dat kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden.


3.9
Daar komt bij dat de rechtbank – anders dan de steller van het middel veronderstelt – bij de strafoplegging geen rekening heeft gehouden met een overschrijding van de redelijke termijn – die zoals opgemerkt in eerste aanleg ook niet was overschreden. In plaats daarvan heeft de rechtbank ten voordele van de verdachte rekening gehouden met het tijdsverloop en de gevolgen die hij ten gevolge van het feit reeds heeft ondervonden. Uit de motivering van de strafoplegging door de rechtbank blijkt voorts dat de rechtbank acht heeft geslagen op de LOVS-richtlijnen, die bij een aanranding bestaande uit een eenmalige handeling zonder geweld uitgaan van een taakstraf van 50 tot 70 uur, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee tot vier weken. Zoals opgemerkt heeft de rechtbank volstaan met het opleggen van een taakstraf van 50 uren. Dat het hof in hoger beroep, “gelet op de hoogte van de opgelegde straf en de omstandigheid dat bij de strafoplegging reeds het tijdsverloop in acht is genomen” heeft gemeend te kunnen volstaan met de enkele constatering dat de redelijke termijn (in hoger beroep) is overschreden en aan deze overschrijding geen gevolgen heeft verbonden, acht ik tegen die achtergrond niet onbegrijpelijk.


3.10
Gelet op het feit dat de raadsvrouw in hoger beroep ter zake niets anders heeft aangevoerd dan dat de redelijke termijn werd overschreden en het hof heeft verzocht om een op te leggen straf te verminderen, is dat oordeel mijns inziens voorts voldoende gemotiveerd.


3.11
Het middel faalt.




4Slotsom

4.1
De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.


4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.


4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG




HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1. Zie recenter HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, NJ 2025/123 m.nt. J. ten Voorde, rov. 2.3; HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov. 2.3; HR 23 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6929, NJ 2010/315 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.6.


HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.


A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 344.


Vgl. HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1485, rov. 2.3; HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:541, rov. 2.3; HR 26 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2490, rov. 2.2; HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:953, NJ 2015/60 m.nt. B. Keulen, rov. 3.5; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0517, rov. 2.5; HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM6937, rov. 2.5; HR 1 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1752, rov. 3.5: HR 4 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3748, rov. 3.3.


HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.8.2 en 3.8.4.


HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1485, rov. 2.2.3 en 2.3.


HR 8 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:848, NJ 2014/390 m.nt. T.M. Schalken, rov. 2.3; HR 9 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:541, rov. 2.3. Zie ook de conclusie van AG Van Kempen ECLI:NL:PHR:2026:16, onder 3.7-3.11.


Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis. Zie eerder HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. J. de Hullu.


Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.4.


Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358 m.nt. P.A.M. Mevis. Zie eerder HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309, NJ 2000/721 m.nt. J. de Hullu.


Vgl. HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.4 en 3.1.3.