Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:788
2026-08-18
Strafrecht
25/00386
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Eerste en tweede middel gaan over bewijs van verlengde invoer. Het derde middel ziet op de strafmotivering. Conclusie strekt tot verwerping. Samenhang met 25/00329, 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00460, 25/00461 en 25/00521.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:162 Hoge Raad 31-01-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (42.330 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00386
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 30 januari 2025 (parketnr. 23-001261-22) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd met overname, aanpassing en aanvulling van gronden, en de verdachte daarmee wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00329, 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00460, 25/00461 en 25/00521, waarin ik vandaag ook zal concluderen. Er bestaat tevens samenhang met de zaken 25/00516 en 25/00361, waarin het cassatieberoep is ingetrokken, en de zaken 25/00436 en 25/00520, waarin het cassatieberoep op 18 november 2025 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F. Visser, advocaat in Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en het tweede middel
4. De eerste twee middelen gaan over de bewezenverklaring en bewijsmotivering.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
5. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“in de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 februari 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 400 kilogram cocaïne.”
6. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Inleiding
Op 3 februari 2019 is in een loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen, verstopt in dozen met bananen. De bananen zijn per boot vervoerd vanuit Colombia en op 1 februari 2019 te Vlissingen in Nederland aangekomen. Vanuit Vlissingen zijn de bananen diezelfde dag naar de rijpingskamers van een bedrijf in [plaats] gegaan en vervolgens, in de nacht van 2 op 3 februari, per vrachtwagen vanuit [plaats] naar IJmuiden vervoerd, alwaar de lading in de vroege ochtend van 3 februari 2019 is aangekomen. De chauffeur van de vrachtwagen, [betrokkene 9] , is ter plaatse aangehouden. Hij was in het bezit van een Nokia, model 105, met het telefoonnummer eindigend op [001] . Deze telefoon had hij gekregen van de man die hem had gevraagd de pallet met bananen te vervoeren; hij was die ochtend nog door hem gebeld met de mededeling dat hij er zo aan kwam om de lading op te halen.
De verdachte wordt primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van de in de loods aangetroffen cocaïne.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat:
- het aantreffen van een briefje met het adres [e-straat 1] in een voertuig dat bij de verdachte in gebruik is, niet met zich brengt dat het briefje afkomstig is van de verdachte, nog daargelaten dat het adres op het briefje niet hoeft te wijzen naar de loods waar de cocaïne is aangetroffen, temeer omdat in Nederland meer vergelijkbare adressen bestaan;
- de verdachte niet in de bij hem in gebruik zijnde SsangYong met [kenteken 1] heeft gezeten, welk voertuig in de vroege ochtend van 3 februari 2019 in het havengebied is gesignaleerd;
- het ontbreken van registraties van de reguliere telefoon van de verdachte in de vroege ochtend van 3 februari 2019 niet opvallend is, nu de verdachte in de gehele periode van 1 tot en met 3 februari 2019 maar vier telefoongesprekken heeft gevoerd en dus kennelijk niet zoveel telefoneert;
- Ook indien er van zou moeten worden uitgegaan dat de verdachte in de vroege ochtend van 3 februari 2019 in bedoeld voertuig in het havengebied heeft rondgereden, daarmee nog geen sprake is geweest van opzet op de (verlengde) invoer en evenmin kan worden gesproken van een bijdrage van voldoende gewicht. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van het transport, noch van de herkomst daarvan uit Colombia; niet aannemelijk is dat de verdachte, die dan feitelijk de rol van chauffeur zou hebben vervuld, over al deze informatie heeft beschikt.
Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
Bewijs
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, naast hetgeen hiervoor onder ‘Inleiding’ is vermeld, het volgende af, waarbij grotendeels wordt aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank.
Gebruikte telefoons en voertuigen [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 10]
[betrokkene 2] heeft in de ten laste gelegde periode gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op [002] en daarnaast van een cryptotelefoon waarvan het nummer eindigt op [003] (hierna: [crypto003] ). Ook maakte hij gebruik van de auto met [kenteken 2] . Sinds september 2018 is onder deze auto een peilbaken geplaatst.
In diezelfde periode heeft [verdachte] gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op
[004] en de auto met [kenteken 1] . [verdachte] verbleef regelmatig op het adres [f-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 10] heeft in deze periode gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op [005] en de auto met kenteken [kenteken 3] .
Contacten [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 10] voorafgaand aan de inbeslagname van de cocaïne op 3 februari 2019
Op
18 januari 2019
zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] samen in het havengebied van IJmuiden en bezoeken zij twee panden, die in de directe omgeving zijn gelegen van de loods aan de [d-straat 1] , waar de cocaïne op 3 februari 2019 is aangetroffen.
Op
31 januari 2019
zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] in de middag samen. Enige tijd later ontmoet [betrokkene 2] [verdachte] . Die avond zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] weer samen in een eetgelegenheid. Eveneens op die dag wordt in een auto, die door [verdachte] wordt gebruikt, door de FIOD een briefje gevonden met daarop de tekst " [e-straat 1] ". De chauffeur van het transport, [betrokkene 9] , is woonachtig op het adres [d-straat 1] . Rechts naast het woonhuis aan de [d-straat 1] bevindt zich een door een hek af te sluiten ruimte waar zich de loods bevindt waar de cocaïne is aangetroffen. Rechts van dit hek zit bedrijfspand [d-straat 2] . Tussen de percelen [d-straat 2] en [d-straat 1] zijn geen andere percelen gevestigd, zodat het hof ervan uitgaat, mede in het licht van de hierna te noemen bevindingen, in onderlinge samenhang beschouwd, dat het in voornoemde auto aangetroffen briefje betrekking heeft op de naast het pand [d-straat 1] gelegen loods.
In de avond van
1 februari 2019
bevinden de telefoons van [betrokkene 2] ( [002] en [crypto003] ) en van [betrokkene 10] ( [005] ) zich in de directe omgeving van The Harbour Club in Amsterdam, evenals de auto van [betrokkene 2] . Ook is in die periode het kenteken van de auto van [betrokkene 10] geregistreerd bij cameraopstellingen in Amsterdam. Vervolgens, inmiddels is het 2 februari 2019, laten zowel de auto als de telefoons van [betrokkene 2] en de telefoon van [betrokkene 10] een verplaatsing zien naar [plaats] , in de omgeving van het [f-straat 1] , alwaar [verdachte] vaker verblijft.
Op
2 februari 2019
, tussen 19:45 uur en in elk geval 20:40 uur zijn de telefoons van [betrokkene 2] ( [002] en [crypto003] ) en [betrokkene 10] ( [005] ) opnieuw in elkaars nabijheid, nu in Haarlem. Kort daarna, omstreeks 20:49 uur, verplaatsen de telefoons en de auto van [betrokkene 2] zich in de richting van de Lange Herenstraat. In deze straat is de winkel Suny Tele Technics gevestigd. In de onmiddellijke omgeving van deze winkel zijn drie telefoonnummers geactiveerd om 20:51 uur ( [001] , op 3 februari 2019 aangetroffen bij [betrokkene 9] ), 20:54 uur ( [006] ) en 20:56 uur ( [007] ). Deze telefoonnummers zijn uitgegeven door Lebara en voor verkoop geleverd aan Suny Tele Technics. De bij deze nummers behorende simkaarten zijn alle drie geplaatst in een telefoon van het merk Nokia, model 105. Tussen 21:02 uur en 21:04 uur verlaat in elk geval de [crypto003] van [betrokkene 2] (de omgeving van) de Lange Herenstraat weer. Op 2 februari 2019 om 21:02 uur, derhalve direct na activatie, hebben [006] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [004] ) verbinding gemaakt.
Vervolgens verplaatsen de telefoons ( [002] en [crypto003] ) en de auto van [betrokkene 2] zich richting [plaats] , eerst naar de omgeving van het [f-straat 1] en daarna naar de woning van [betrokkene 2] , waar [betrokkene 2] zichtbaar om 22:11 uur arriveert.
[betrokkene 10] is kennelijk vanuit Haarlem naar IJmuiden gereden, waar om 22:36 uur een pintransactie wordt gedaan bij een Shell tankstation aan de Dokweg 11 met de pinpas van [betrokkene 10] . De telefoon van [betrokkene 10] ( [005] ) verplaatst zich vervolgens tussen 22:45 uur en 22:52 uur in de richting van zijn woonadres in [plaats] . Vervolgens verplaatst de auto van [betrokkene 10] zich vandaaruit weer in de richting van [plaats] , waar zijn auto door een cameraopstelling wordt geregistreerd. Om 23:44 uur gaat [betrokkene 10] de woning van [betrokkene 2] in [plaats] binnen. Hij verlaat deze weer op
3 februari 2019
om 00:34 uur en zijn auto wordt geregistreerd door een cameraopstelling die voertuigen registreert die [plaats] verlaten.
[betrokkene 9] bevindt zich op 3 februari 2019 rond 04.00 uur in [plaats] , waar hij de pallet met bananen ophaalt en vervolgens vertrekt richting IJmuiden.
Op 3 februari 2019 tussen 04:01 uur en 04:05 uur worden vanuit [006] vier uitgaande verbindingen geregistreerd naar [007] , waarbij om 04:02 uur en 04:05 uur twee gesprekken tot stand komen die 42 seconden, respectievelijk elf seconden duren. Bij deze verbindingen maakt [006] gebruik van Cell-ID’s die een verplaatsing weergeven vanuit de omgeving van Velsen-Noord, Beverwijk, [plaats] via Velsen-Zuid naar Velserbroek, Rijksweg 349 en Rijksweg A9. [007] maakt gebruik van Cell-ID’s die dekking geven aan de woning van [betrokkene 2] . Tussentijds, om 04:04 uur, wordt voor het eerst een verbinding geregistreerd vanuit GSM 7986 naar [001] ( [betrokkene 9] ), die negen, seconden duurt. [001] ( [betrokkene 9] ) bevindt zich op dat moment in de omgeving van [plaats] .
Om 04:10 uur gaat [verdachte] de woning van [betrokkene 2] binnen. Acht minuten later gaat [betrokkene 10] eveneens de woning binnen. Om 04:56 uur verlaten [betrokkene 10] , [verdachte] en [betrokkene 2] de woning, Om 05:04 uur worden de kentekens van de auto’s van [verdachte] en van [betrokkene 10] geregistreerd wanneer zij [plaats] verlaten.
De vrachtwagen van [betrokkene 9] is om 06:09 uur bij de loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden gearriveerd. Een half uur daarvoor, om 05:39 uur, is gepind in het havengebied van IJmuiden, met een bankpas die hoort bij een rekeningnummer van [betrokkene 10] . Ook [crypto003] (van [betrokkene 2] ) bevindt zich tussen omstreeks 05:30 uur en 06:47 uur in dat havengebied. Hetzelfde geldt voor [006] en [007] . De kentekens van de auto's van [verdachte] en [betrokkene 10] worden op 3 februari 2019 om 06:44 uur gezien op camerabeelden die zijn vastgelegd in het havengebied van IJmuiden. Daarbij valt op dat de auto's achter elkaar rijden terwijl de inzittenden onderling contact hebben door middel van een handgebaar. De politie is dan al kort daarvoor, om 06:44 uur, binnengetreden in de loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden, alwaar een half uur later de partij van ongeveer 400 kilo cocaïne in beslag wordt genomen. Om 07:50 uur wordt vrachtwagenchauffeur [betrokkene 9] aangehouden.
Aantreffen [001] en gebruik van de Nokia’s
Zoals hiervoor overwogen, is onder [betrokkene 9] een telefoon aangetroffen van het merk Nokia, waarvan het nummer eindigt op [001] en waarvan [betrokkene 9] heeft verklaard deze telefoon te hebben gekregen van degene op wiens verzoek hij de pallet met bananen heeft opgehaald. In de onder [betrokkene 9] aangetroffen [001] stond één nummer geregistreerd, met als contactnaam ‘vriend' en met een telefoonnummer eindigend op [006] . Dit betreft eerdergenoemd nummer [006] .
Tussen [001] ( [betrokkene 9] ) en [006] (vriend) zijn in de vroege ochtend van 3 februari 2019, dus kort voor het arriveren van de cocaïne in IJmuiden, in totaal 23 keer verbindingen geregistreerd, waarbij het initiatief telkens werd genomen door [006] (vriend). [006] en [007] , de derde van de drie in Haarlem op 2 februari 2019 aangeschafte Nokia's, hebben eveneens regelmatig onderling contact terwijl zij zich in het havengebied van IJmuiden bevinden.
Het telefoonnummer van [betrokkene 10] ( [005] ) staat opgeslagen in de privé-telefoon van [betrokkene 9] . In de weken voorafgaand aan de (verlengde) invoer van de cocaïne heeft meermaals contact tussen de telefoontoestellen plaatsgevonden. Hierbij is zowel gechat als gebeld.
Samenkomst nabij Rozengracht na het aantreffen van de cocaïne door de politie
Op 3 februari 2019, rond 07:30 uur, rijden de auto's van [verdachte] en [betrokkene 10] in Amsterdam in de richting van de Rozengracht. Dan is ook [006] in Amsterdam en rond 07:45 uur bevinden zowel [crypto003] (van [betrokkene 2] ), als [007] en [006] zich in de directe omgeving van de Rozengracht. De drie Nokia’s hebben na 07:47 uur op 3 februari 2019 geen contact meer met elkaar. Er zijn in elk geval geen verbindingen meer geregistreerd.
Geen gebruik eigen gsm-telefoons [betrokkene 2] , [betrokkene 10] en [verdachte]
[crypto003] (van [betrokkene 2] ) verplaatst zich op 3 februari 2019 kort na 09:00 uur vanuit de omgeving van Amsterdam naar [plaats] . Om 09:18 uur gaat [betrokkene 2] zijn woning in [plaats] binnen. Van het telefoonnummer [002] van [betrokkene 2] zijn op 3 februari 2019 tussen 04:51 uur en 09:23 uur geen verbindingen geregistreerd.
Van het telefoonnummer van [verdachte] ( [004] ) zijn tussen 04:11 uur en 11:04 uur op 3 februari 2019 geen verbindingen geregistreerd.
Van de telefoon van [betrokkene 10] ( [005] ) zijn op 3 februari 2019 tussen 01:19 uur en 09:20 uur geen inkomende of uitgaande verbindingen geregistreerd. Eerst om 09:20 uur die dag wordt weer gebruik gemaakt van deze telefoon.
Conclusie ten aanzien van betrokkenheid
Het hof deelt de conclusies van de rechtbank dat uit alle hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt van een gezamenlijke intensieve oriëntatie van [betrokkene 2] , [betrokkene 10] en [verdachte] op het transport van de cocaïne naar de loods in IJmuiden. Daarvoor is redengevend wat er is gebleken over de activiteiten van elk van hen afzonderlijk en van één of meer van hen samen. In het oog springend zijn het adres van de locatie van aflevering waarover [verdachte] kennelijk beschikte en de aanschaf van de drie Nokiatelefoons die op verschillende wijzen in verband te brengen zijn met de verdachten en direct in verband staan met het transport, méér in het bijzonder met de chauffeur. [betrokkene 10] stond ook op andere wijze eerder in contact met de chauffeur. Daarnaast neemt het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand aan dat de verdachten alle drie in de haven van IJmuiden zijn geweest op het moment van aflevering van de partij cocaïne en vervolgens min of meer gelijktijdig naar een locatie in Amsterdam zijn gegaan. Ook dit laatste moet, gelet op de overige gedragingen van de verdachten, in een betekenisvol verband staan met de ingevoerde cocaïne. Aan die vaststelling draagt bij het gegeven dat twee van de drie telefoons, die op de avond vóór de aankomst van de cocaïne in Haarlem zijn aangeschaft en onmiskenbaar verband hebben met het transport en met de verdachten, in diezelfde omgeving in Amsterdam zijn uitgepeild. Daarbij valt op dat die nacht geen gebruik is gemaakt van de reguliere telefoons van de verdachten, terwijl hierboven is vastgesteld dat de verdachten in die nacht wel actief waren. Kennelijk hebben de verdachten in de nacht van 2 op 3 februari 2019 onder de radar willen blijven. Dit sterkt het hof in de conclusie dat de verdachten betrokken waren bij de in de loods aangetroffen hoeveelheid cocaïne.
Tegen deze achtergrond zijn tot slot ook de ontmoetingen in wisselende samenstelling in de dagen voorafgaand aan 3 februari 2019 van betekenis. Al deze uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden grijpen zodanig in elkaar dat er een samenstel van gedragingen uit moet worden afgeleid die werden gedragen en gestuurd door die gedeelde oriëntatie op de invoer van de hoeveelheid van ongeveer 400 kilogram cocaïne. Bij gebreke van verklaringen van de verdachten die voor enige zinvolle alternatieve uitleg van deze redengevende feiten en omstandigheden aanknopingspunten kunnen bieden, komt het hof tot de slotsom dat zij allen in een zinvol verband staan met het cocaïnetransport. Het hof overweegt in dit verband dat de ter zitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring, dat hij zijn auto op 3 februari 2019 open op de parkeerplaats bij de woning van [betrokkene 2] heeft achtergelaten met de sleutel achter de zonneklep en lopend is weggegaan, daarbij kennelijk suggererend dat een ander gebruik heeft gemaakt van zijn auto, als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven. In het dossier is hiervoor immers geen enkel verifieerbaar aanknopingspunt te vinden en de verdachte kan ook geen enkele nadere uitleg geven voor deze merkwaardige handelwijze, waarbij hij een kostbaar voorwerp open en bloot in de nachtelijke uren op straat achterlaat. Het hof is van oordeel dat een nadere duiding van elk van de gedragingen van de verdachten niet mogelijk is, maar ook niet nodig, en het maakt deze conclusie daarom niet anders.
Het verweer van de verdediging miskent dat de gedragingen van de verdachte niet op zichzelf staan, maar in onderling verband dienen te worden beschouwd, zoals hiervoor ook is overwogen. Dat de verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van deze omvangrijke cocaïne-invoer en enkel als onwetend chauffeur, zonder enig idee van aard en herkomst van het transport, zou zijn ingezet, acht het hof ongeloofwaardig, gezien ook het bij hem reeds op 31 januari 2019 aangetroffen adres van de loods en het gezamenlijk optrekken met de medeverdachten. Gelet op de risico’s die een grootschalige drugsinvoer als de onderhavige met zich brengt voor alle betrokkenen, valt niet in te zien dat en waarom een onwetend chauffeur al in een vroeg stadium zou worden geïnformeerd omtrent de (drugs)locatie en ook het gezamenlijk vertrek met en uit de woning van één van de medeverdachten is in dat licht onbegrijpelijk. Aldus zouden immers overbodige en vermijdbare risico’s worden genomen op ontdekking van de drugs(locatie) en tracering van de daarbij betrokken verdachten naar het huisadres.
Verlengde invoer
Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van (verlengde) invoer overweegt het hof, met de rechtbank, als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de tijdspanne tussen het eerste moment van binnenkomst op Nederlands grondgebied van de cocaïne en het aantreffen van de cocaïne in de loods in IJmuiden kort is geweest. Immers, de pallet met bananen, in welke pallet de uit Colombia afkomstige cocaïne was verborgen, is op 1 februari 2019 per boot in Vlissingen, Nederland, aangekomen. Diezelfde dag is de pallet op transport gegaan naar de rijpingskamers in [plaats] . Vervolgens is de pallet al in de nacht van 2 op 3 februari 2019 vanuit [plaats] naar IJmuiden gebracht, waar de cocaïne diezelfde dag, begin van de ochtend, rond 07:00 uur, in beslag is genomen door de politie. Daarbij leidt het hof uit de wijze van aantreffen van de cocaïne in IJmuiden door de politie af, dat de cocaïne in Vlissingen en [plaats] niet is uit- of omgepakt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verstopte cocaïne na het lossen en inklaren van de bananen en het vervoer van de bananen naar de rijpingskamers in [plaats] , direct voor verder vervoer en overdracht van de cocaïne is overgebracht naar IJmuiden en aldus, gezien ook het bepaalde in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet, sprake is geweest van verlengde invoer van cocaïne.
Medeplegen
Uit het vorenoverwogene blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten, gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne. Daarbij is sprake van een gezamenlijk optreden, onder andere bestaande uit het regelen en gebruik van werktelefoons voor de chauffeur van het transport en de verdachten zelf, de kennelijk - teneinde onder de radar te blijven - onderling gemaakte afspraak geen gebruik te maken van de eigen (reguliere) telefoons, het gezamenlijk nachtelijk vertrek van de verdachten vanuit de woning van [betrokkene 2] naar IJmuiden waar de cocaïne naartoe werd getransporteerd, het daartoe onderhouden van contact met de chauffeur van het transport en met elkaar, en het na ontdekking en inbeslagname door de politie van de cocaïne, gezamenlijke vertrek van de verdachten vanuit IJmuiden naar Amsterdam.
Eindconclusie ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde
Hetgeen (verder) door de verdediging ten aanzien van dit feit naar voren is gebracht vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Gelet op al het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel
7. Het eerste middel houdt in dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat standpunt houdt in dat het gebrek aan telefoonverkeer van de verdachte in de nacht van 2 tot 3 februari 2019 niet redengevend geacht kan worden voor het bewijs, omdat het niet onlogisch was dat de verdachte in die nacht geen telefoonverkeer had. De steller van het middel heeft in de cassatieschriftuur de tekstpassages van de randnummers 13, 14 en 15 van de in hoger beroep voorgedragen pleitnota geciteerd.
De bespreking van het eerste middel
8. Het hof heeft het in de schriftuur geciteerde deel van de pleitnota blijkbaar niet aangemerkt als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, maar als een argument voor een overkoepelend bewijsverweer. Dat oordeel wordt in cassatie als zodanig niet aangevochten en is overigens ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt alleen al daarom. Op dit argument heeft het hof overigens wel gereageerd, met de overweging: “Het verweer van de verdediging miskent dat de gedragingen van de verdachte niet op zichzelf staan, maar in onderling verband dienen te worden beschouwd, zoals hiervoor ook is overwogen.” De hieruit sprekende gedachte dat het feit dat de verdachte in de nacht van het transport geen gebruik heeft gemaakt van zijn reguliere telefoon (mede in het licht van de rest van het bewijs) wijst op enige criminele betrokkenheid, is niet onbegrijpelijk.
9. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
10. Het tweede middel bevat vier deelklachten over de motivering van de bewezenverklaring.
De eerste en de tweede deelklacht
11. De eerste twee deelklachten houden in:
i. Het gerechtshof heeft een proces-verbaal gedenatureerd door te overwegen dat een van de werktelefoons direct na activatie verbinding maakte met het telefoonnummer van de verdachte. Uit het onderliggende proces-verbaal blijkt dat niet, slechts dat zij ieder voor zich verbinding maakten. De verdachte heeft belang bij deze klacht, omdat met de denaturering van het bewijsmiddel een verband wordt gelegd tussen de verdachte en de werktelefoons.
ii. Het gerechtshof heeft in bewijsmiddel 29 de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 10] gedenatureerd, door zijn verklaring als volgt weer te geven: “Ik was daar [op 18 januari 2019 bij [g-straat 1] in IJmuiden] met [betrokkene 2] en volgens mij was [verdachte] daar toen ook. [verdachte] was een keer mee.” Dat de verdachte een willekeurige andere keer mee was naar die plek, is bovendien niet redengevend.
De bespreking van de eerste en de tweede deelklacht
12. De eerste deelklacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. In debat is de betekenis van de overweging: “Op 2 februari 2019 om 21:02 uur, derhalve direct na activatie, hebben [006] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [004] ) verbinding gemaakt.” Anders dan de steller van het middel erin leest, heeft het hof hiermee niet bedoeld te overwegen dat de genoemde toestellen ‘met elkaar’, oftewel ‘onderling’ verbinding hebben gemaakt. Het gaat in de bewijsmotivering waarvan deze passage onderdeel is steeds om de registratie van (radio)verbindingen tussen de onderzochte mobiele toestellen en netwerkaansluitpunten (basisstations). Waar het hof daarentegen bedoelt melding te maken van (communicatie)verbindingen tussen mobiele toestellen onderling, spreekt het hof uitdrukkelijk van “verbinding vanuit (…) naar (…)” of van “hebben (…) en (…) onderling contact”.
13. Ook de tweede deelklacht faalt. Ik meen dat het hof de verklaring van [betrokkene 10] niet heeft gedenatureerd, maar juist heeft opgevat zoals die naar alle waarschijnlijkheid was bedoeld: de verdachte was er ook die keer dat [betrokkene 10] en [betrokkene 2] op 18 januari samen in IJmuiden waren.
De derde en de vierde deelklacht
14. De derde en vierde deelklacht houden in:
iii. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzet had op de (verlengde) invoer van cocaïne, omdat daaruit niet blijkt dat de verdachte wist dat het transport van [plaats] naar IJmuiden cocaïne bevatte en ook niet dat hij wist dat de cocaïne kort daarvoor uit Colombia Nederland was binnengekomen.
iv. Uit de bewijsmiddelen kan tot slot niet volgen dat de gedragingen van de verdachte hebben bijgedragen aan de voltooiing van de (verlengde) invoer, en dus is de bewezenverklaring van medeplegen niet toereikend gemotiveerd.
Het beoordelingskader voor (medeplegen van) verlengde invoer
15. Artikel 1 lid 4 Opiumwet houdt in:
“Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2, 2a, eerste lid, en 3, is begrepen: (…) elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
16. Artikel 1 lid 4 en artikel 2 aanhef en onder A Opiumwet bepalen samen dat onder het invoeren van verdovende middelen niet alleen het feitelijke binnen het grondgebied van Nederland brengen zelf is begrepen, maar ook het verrichten van handelingen die gericht zijn op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen ná de feitelijke invoer. De verboden handelingen waarmee het grensoverschrijdende transport wordt ‘verlengd’, noemt men ook wel ‘verlengde invoer’ (of ‘extensieve invoer’). Deze extensie van het begrip ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ heeft tot gevolg dat handelingen die anders onder voorbereidingshandelingen of onder het pogingsbegrip zouden vallen, nu onder de invoer geschaard kunnen worden. Voor het aannemen van opzet is noodzakelijk dat de verdachte wist van de feitelijke invoer.
17. Beslissend voor de vraag of de handeling op het verder vervoer, opslag, aflevering, ontvangst of overdracht is gericht, is of van die handeling “naar redelijke verwachting van de steller van die handeling een resultaat met betrekking tot het vervoer (enz.) van die binnen Nederland gebrachte verdovende middelen te verwachten is”. Dat is niet anders als medeplegen ten laste is gelegd. De verdachte moet dan wel steeds een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van de handeling of handelingen die waren gericht op het verdere vervoer, de opslag etc.
De bespreking van de derde en vierde deelklacht
18. Aan het begin van zijn bewijsoverwegingen stelt het hof vast:
- Op 3 februari 2019 werd in een loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden cocaïne aangetroffen, verstopt in dozen met bananen.
- De lading bananen was afkomstig uit Colombia, op 1 februari aangekomen in Vlissingen, en daarna vervoerd naar rijpingskamers in [plaats] .
- Vervolgens is de lading in de nacht van 2 op 3 februari met de vrachtwagen vervoerd naar een loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden, waar die in de vroege ochtend aankwam.
- De chauffeur, [betrokkene 9] , werd ter plaatse aangehouden. Hij had een Nokia 105 (nummer eindigend op [001] ) in zijn bezit.
- Die telefoon had hij gekregen van de man die hem de opdracht gaf; diezelfde ochtend belde die man nog dat hij eraan kwam om de lading op te halen.
19. Het hof betrekt in zijn overwegingen vervolgens een aantal gedragingen van de verdachte en medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 10] voorafgaand aan, tijdens en kort na het transport van de (bananen en) cocaïne naar IJmuiden. Op basis van de bewijsmiddelen trekt het hof volgens mij (in ieder geval) deze conclusies, die in cassatie niet worden betwist:
- Op 18 januari 2019 waren [betrokkene 2] , [betrokkene 10] samen in het havengebied van IJmuiden en bezochten zij twee panden, die in de directe omgeving zijn gelegen van de loods aan de [d-straat 1] . De verdachte was daar toen ook.
- In de weken voorafgaand aan de (verlengde) invoer van de cocaïne heeft meermaals contact tussen de telefoontoestellen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] plaatsgevonden. Hierbij is zowel gechat als gebeld.
- Op 31 januari 2019 en 1 februari 2019 vonden in wisselende samenstelling vijf ontmoetingen plaats tussen de verdachten. De verdachte zag de ene dag [betrokkene 2] en de andere dag [betrokkene 10] . De andere drie keer ontmoetten [betrokkene 10] en [betrokkene 2] elkaar.
- Op 31 januari 2019 vond de FIOD in een auto die door [verdachte] werd gebruikt een briefje met daarop de tekst “[e-straat 1]”, dat kennelijk ziet op het adres waar de cocaïne op 3 februari zal worden afgeleverd.
- In de avond van 2 februari 2019 waren [betrokkene 2] en [betrokkene 10] samen in Haarlem. Kort daarna verkreeg [betrokkene 2] drie simkaarten (nummers eindigend op [001] , [006] en -2986), die direct daarna werden geactiveerd en alle drie in een Nokia model 105 zijn geplaatst, om te gebruiken tijdens het transport. Om 22:11 uur kwam [betrokkene 2] thuis aan. Om 23:44 kwam [betrokkene 10] daar ook aan, die na ongeveer drie kwartier weer vertrok.
- Op 3 februari 2019 tussen vier uur en zes uur ’s ochtends vervoerde de chauffeur de bananen en cocaïne naar IJmuiden. Om 06:09 uur is hij bij de loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden aangekomen.
- Tussen vier en vijf uur ‘s ochtends verzamelden [betrokkene 10] en de verdachte bij [betrokkene 2] thuis, waarna zij in de auto’s van die eerste twee vertrokken naar IJmuiden. Zij waren in ieder geval tussen 05:30 uur en ongeveer kwart voor zeven in het havengebied van IJmuiden. [006] en [007] zijn daar dan ook.
- Tijdens het transport hebben [betrokkene 9] en de verdachten gebruikgemaakt van de Nokia’s om te communiceren. Tussen [001] ( [betrokkene 9] ) en [006] zijn in de vroege ochtend van 3 februari 2019, kort voor het arriveren van de cocaïne in IJmuiden, in totaal 23 keer verbindingen geregistreerd. [006] en [007] hadden eveneens regelmatig onderling contact. De verdachte en de medeverdachten hebben in de periode van het transport en kort daarna expres geen gebruik gemaakt van hun normale mobiele telefoons.
- Rond kwart voor acht ‘s ochtends waren de verdachte, [betrokkene 10] en [betrokkene 2] samen in de directe omgeving van de Rozengracht in Amsterdam. [007] en [006] bevonden zich daar toen ook.
20. Het hof heeft op basis van deze gedragingen geconcludeerd dat de verdachten zich gezamenlijk intensief hebben ‘georiënteerd’ op het transport van de cocaïne naar de loods in IJmuiden en dat alle genoemde gedragingen in een ‘zinvol verband’ staan met het cocaïnetransport. Onder het kopje “Verlengde invoer” merkt het hof op dat de cocaïne na het lossen en inklaren van de bananen en het vervoer van de bananen naar de rijpingskamers in [plaats] , direct voor verder vervoer en overdracht is overgebracht naar IJmuiden. Daarbij volgt uit de verklaring van [betrokkene 9] dat de verdachten in de ochtend van 3 februari 2019 naar IJmuiden afreisden om de lading cocaïne daar op te halen. Verder heeft hof onder het kopje “Medeplegen” overwogen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten, gericht op het binnen het grondgebied brengen van Nederland brengen van cocaïne, bestaand uit het hiervoor beschreven gezamenlijke optreden.
21. In deze overwegingen ligt in ieder geval besloten dat de verdachte en de medeverdachten wisten dat de lading cocaïne bevatte en dat deze kort daarvoor was ingevoerd uit het buitenland. Dat is niet onbegrijpelijk, gelet op de aard van de lading en de manier waarop de verdachten zich daarmee hebben beziggehouden. Daarbij volgt uit de verklaring van [betrokkene 9] dat de verdachten in de ochtend van 3 februari 2019 naar IJmuiden afreisden om de lading cocaïne daar op te halen. Dat betekent dat de onder iii. beschreven klacht faalt.
22. Verder heeft het hof hieruit blijkbaar een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten afgeleid, gericht op de ontvangst en/of het verdere vervoer van die middelen na aankomst daarvan in IJmuiden op 3 februari 2019. De verdachte heeft daaraan volgens het hof een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Die (kennelijke) oordelen vind ik stuk voor stuk niet onbegrijpelijk, en ook niet ontoereikend gemotiveerd.
23. Dat betekent dat ook deelklacht iii. en iv. falen en daarmee ook het gehele middel.
Het derde middel en de bespreking daarvan
24. Het derde middel ziet op dit deel van de strafmotivering: “Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”
25. De steller van het middel betoogt dat deze standaardoverweging niet voldoet aan het voorschrift van de laatste volzin van artikel 359 lid 6 Sv. Ik meen dat het hof wel heeft voldaan aan het voorschrift, en zie bovendien niet in welk belang de verdachte heeft bij deze klacht.
26. Het middel faalt.
Slotsom
27. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
28. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Dat maak ik op uit de (hierboven ook opgenomen) samenvatting van het verweer, p. 2 van het arrest.
Het hof overweegt: “Op 18 januari 2019 zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] samen in het havengebied van IJmuiden en bezoeken zij twee panden, die in de directe omgeving zijn gelegen van de loods aan de [d-straat 1] , waar de cocaïne op 3 februari 2019 is aangetroffen.”
Een blik achter de papieren muur leert dat het onderliggende proces-verbaal inhoudt (ZD1 IJmuiden, p. 107): “Gedurende de hiervoor beschreven periode, zaterdag 02-02-2019, van 20:59:50 uur tot en met 21:04:21 uur, waarin verdachte [betrokkene 2] zich zichtbaar aan het verplaatsen is hebben er geregistreerde verbindingen plaatsgevonden voor [004] ( [verdachte] ) en [006] ("vriend”). De geregistreerde verbinding voor [004] ( [verdachte] ) heeft plaatsgevonden op zaterdag 02-02-2019, 21:02:46 uur. [004] ( [verdachte] ) is op dat moment onder het bereik van het Cell-ID […] . Zoals reeds beschreven behoort deze Cell-ID bij de zendmastlocatie " […] [plaats] " en staat gericht op 330 graden ten opzichte van het Noorden. Genoemd Cell-ID geeft dekking aan, onder andere, een mogelijk verblijf- c.q. overnachtingsadres van verdachte [verdachte] ( [004] ), namelijk [f-straat 1] , [postcode] [plaats] . Op zaterdag 02-02-2019, 21:03:21 uur en 21:03:38 uur ontvangt [006] (‘vriend”) sms-berichten. De (telefoon)nummers waarvan deze sms-berichten afkomstig zijn betreffen zogenaamde ‘servicenummers’ en zijn afkomstig van de (netwerk)provider.”
Het proces-verbaal met deze verklaring houdt in (map D05, p. 39): “V: Met wie was jij daar? A: Met [betrokkene 2] en volgens mij was [verdachte] daar toen ook. Ik weet niet waarom [verdachte] mee was überhaupt. V: [verdachte] die je alleen maar op feestjes sprak? A: Nou hij was dus toen een keer mee.”
Vgl. T. Blom & J.P. Cnossen in: T&C Strafrecht art. 1 Opiumwet, aant. 3 (actueel t/m 4 juni 2026).
Zie randnummer 9 van de conclusie van a-g Meijers bij HR 26 juni 1990, NJ 1991/156.
[betrokkene 9] verklaarde immers op 3 februari 2019 (p. 31, bewijsmiddelenbijlage van het vonnis, overgenomen door het hof): “Ik werd afgelopen donderdag benaderd door een man. Hij vroeg mij een pallet bananen te vervoeren. Ik zei, dat is goed, dat kan. Hij zei dat het zondag werd. Ik kreeg van hem een werktelefoon. Deze telefoon is door jullie in beslag genomen. Hij heeft mij een aantal malen gebeld daarop. Ik denk dat ik vanmorgen tussen kwart over 6 en half zeven nog door hem gebeld werd. Hij zei, ik kom er zo aan om het op te halen en toen zei ik, nou ik ben in de maling genomen dus je moet maar niet meer komen.” Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk in het licht van de genoemde vaststellingen en conclusies van het hof.
Samenvattend overweegt het hof dat uit de bewijsoverwegingen “blijkt van (…) een gezamenlijk optreden, onder andere bestaande uit het regelen en gebruik van werktelefoons voor de chauffeur van het transport en de verdachten zelf, de kennelijk - teneinde onder de radar te blijven - onderling gemaakte afspraak geen gebruik te maken van de eigen (reguliere) telefoons, het gezamenlijk nachtelijk vertrek van de verdachten vanuit de woning van [betrokkene 2] naar IJmuiden waar de cocaïne naartoe werd getransporteerd, het daartoe onderhouden van contact met de chauffeur van het transport en met elkaar, en het na ontdekking en inbeslagname door de politie van de cocaïne, gezamenlijke vertrek van de verdachten vanuit IJmuiden naar Amsterdam.”
[betrokkene 9] verklaarde immers op 3 februari 2019 (p. 31, bewijsmiddelenbijlage van het vonnis, overgenomen door het hof): “Ik werd afgelopen donderdag benaderd door een man. Hij vroeg mij een pallet bananen te vervoeren. Ik zei, dat is goed, dat kan. Hij zei dat het zondag werd. Ik kreeg van hem een werktelefoon. Deze telefoon is door jullie in beslag genomen. Hij heeft mij een aantal malen gebeld daarop. Ik denk dat ik vanmorgen tussen kwart over 6 en half zeven nog door hem gebeld werd. Hij zei, ik kom er zo aan om het op te halen en toen zei ik, nou ik ben in de maling genomen dus je moet maar niet meer komen.” Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk in het licht van de genoemde vaststellingen en conclusies van het hof.
Opgenomen in het Wetboek van Strafvordering bij inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen van 24 juni 2020, Stb. 2020, 224, op 1 juli 2021 ( ).
Voor de redenen daarvoor, zie de conclusie van a-g Hofstee van 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:162, onder 19-24.
Met dit voorschrift is beoogd voor ‘de maatschappij’ duidelijk te maken dat de feitelijke straf die in detentie wordt ondergaan mogelijk korter is dan de door de rechter opgelegde straf en dat de veroordeelde — als hij aan de desbetreffende voorwaarden voldoet — in aanmerking kan komen voor deelname aan een penitentiair programma of voor voorwaardelijke invrijheidstelling (vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35122, nr. 14.) Het voorschrift strekt niet tot bescherming van enig belang van de verdachte.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 25/00386
Zitting 18 augustus 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1953,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Bij arrest van 30 januari 2025 (parketnr. 23-001261-22) heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis bevestigd met overname, aanpassing en aanvulling van gronden, en de verdachte daarmee wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod” veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar en zes maanden.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00329, 25/00337, 25/00383, 25/00384, 25/00460, 25/00461 en 25/00521, waarin ik vandaag ook zal concluderen. Er bestaat tevens samenhang met de zaken 25/00516 en 25/00361, waarin het cassatieberoep is ingetrokken, en de zaken 25/00436 en 25/00520, waarin het cassatieberoep op 18 november 2025 door de Hoge Raad niet-ontvankelijk is verklaard op de grond dat geen schriftuur met cassatiemiddelen is ingediend.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. F. Visser, advocaat in Utrecht, heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.
Het eerste en het tweede middel
4. De eerste twee middelen gaan over de bewezenverklaring en bewijsmotivering.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering
5. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:
“in de periode van 1 februari 2019 tot en met 3 februari 2019 te IJmuiden, gemeente Velsen, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 400 kilogram cocaïne.”
6. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:
“Inleiding
Op 3 februari 2019 is in een loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden een grote hoeveelheid cocaïne aangetroffen, verstopt in dozen met bananen. De bananen zijn per boot vervoerd vanuit Colombia en op 1 februari 2019 te Vlissingen in Nederland aangekomen. Vanuit Vlissingen zijn de bananen diezelfde dag naar de rijpingskamers van een bedrijf in [plaats] gegaan en vervolgens, in de nacht van 2 op 3 februari, per vrachtwagen vanuit [plaats] naar IJmuiden vervoerd, alwaar de lading in de vroege ochtend van 3 februari 2019 is aangekomen. De chauffeur van de vrachtwagen, [betrokkene 9] , is ter plaatse aangehouden. Hij was in het bezit van een Nokia, model 105, met het telefoonnummer eindigend op [001] . Deze telefoon had hij gekregen van de man die hem had gevraagd de pallet met bananen te vervoeren; hij was die ochtend nog door hem gebeld met de mededeling dat hij er zo aan kwam om de lading op te halen.
De verdachte wordt primair verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van de in de loods aangetroffen cocaïne.
Standpunt van de advocaat-generaal
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen kan worden verklaard.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit en daartoe - kort samengevat - aangevoerd dat:
- het aantreffen van een briefje met het adres [e-straat 1] in een voertuig dat bij de verdachte in gebruik is, niet met zich brengt dat het briefje afkomstig is van de verdachte, nog daargelaten dat het adres op het briefje niet hoeft te wijzen naar de loods waar de cocaïne is aangetroffen, temeer omdat in Nederland meer vergelijkbare adressen bestaan;
- de verdachte niet in de bij hem in gebruik zijnde SsangYong met [kenteken 1] heeft gezeten, welk voertuig in de vroege ochtend van 3 februari 2019 in het havengebied is gesignaleerd;
- het ontbreken van registraties van de reguliere telefoon van de verdachte in de vroege ochtend van 3 februari 2019 niet opvallend is, nu de verdachte in de gehele periode van 1 tot en met 3 februari 2019 maar vier telefoongesprekken heeft gevoerd en dus kennelijk niet zoveel telefoneert;
- Ook indien er van zou moeten worden uitgegaan dat de verdachte in de vroege ochtend van 3 februari 2019 in bedoeld voertuig in het havengebied heeft rondgereden, daarmee nog geen sprake is geweest van opzet op de (verlengde) invoer en evenmin kan worden gesproken van een bijdrage van voldoende gewicht. Uit het dossier volgt niet dat de verdachte wetenschap had van de inhoud van het transport, noch van de herkomst daarvan uit Colombia; niet aannemelijk is dat de verdachte, die dan feitelijk de rol van chauffeur zou hebben vervuld, over al deze informatie heeft beschikt.
Dienaangaande wordt als volgt overwogen.
Bewijs
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen, naast hetgeen hiervoor onder ‘Inleiding’ is vermeld, het volgende af, waarbij grotendeels wordt aangesloten bij de overwegingen van de rechtbank.
Gebruikte telefoons en voertuigen [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 10]
[betrokkene 2] heeft in de ten laste gelegde periode gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op [002] en daarnaast van een cryptotelefoon waarvan het nummer eindigt op [003] (hierna: [crypto003] ). Ook maakte hij gebruik van de auto met [kenteken 2] . Sinds september 2018 is onder deze auto een peilbaken geplaatst.
In diezelfde periode heeft [verdachte] gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op
[004] en de auto met [kenteken 1] . [verdachte] verbleef regelmatig op het adres [f-straat 1] te [plaats] .
[betrokkene 10] heeft in deze periode gebruik gemaakt van een telefoonnummer eindigend op [005] en de auto met kenteken [kenteken 3] .
Contacten [betrokkene 2] , [verdachte] en [betrokkene 10] voorafgaand aan de inbeslagname van de cocaïne op 3 februari 2019
Op
18 januari 2019
zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] samen in het havengebied van IJmuiden en bezoeken zij twee panden, die in de directe omgeving zijn gelegen van de loods aan de [d-straat 1] , waar de cocaïne op 3 februari 2019 is aangetroffen.
Op
31 januari 2019
zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] in de middag samen. Enige tijd later ontmoet [betrokkene 2] [verdachte] . Die avond zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] weer samen in een eetgelegenheid. Eveneens op die dag wordt in een auto, die door [verdachte] wordt gebruikt, door de FIOD een briefje gevonden met daarop de tekst " [e-straat 1] ". De chauffeur van het transport, [betrokkene 9] , is woonachtig op het adres [d-straat 1] . Rechts naast het woonhuis aan de [d-straat 1] bevindt zich een door een hek af te sluiten ruimte waar zich de loods bevindt waar de cocaïne is aangetroffen. Rechts van dit hek zit bedrijfspand [d-straat 2] . Tussen de percelen [d-straat 2] en [d-straat 1] zijn geen andere percelen gevestigd, zodat het hof ervan uitgaat, mede in het licht van de hierna te noemen bevindingen, in onderlinge samenhang beschouwd, dat het in voornoemde auto aangetroffen briefje betrekking heeft op de naast het pand [d-straat 1] gelegen loods.
In de avond van
1 februari 2019
bevinden de telefoons van [betrokkene 2] ( [002] en [crypto003] ) en van [betrokkene 10] ( [005] ) zich in de directe omgeving van The Harbour Club in Amsterdam, evenals de auto van [betrokkene 2] . Ook is in die periode het kenteken van de auto van [betrokkene 10] geregistreerd bij cameraopstellingen in Amsterdam. Vervolgens, inmiddels is het 2 februari 2019, laten zowel de auto als de telefoons van [betrokkene 2] en de telefoon van [betrokkene 10] een verplaatsing zien naar [plaats] , in de omgeving van het [f-straat 1] , alwaar [verdachte] vaker verblijft.
Op
2 februari 2019
, tussen 19:45 uur en in elk geval 20:40 uur zijn de telefoons van [betrokkene 2] ( [002] en [crypto003] ) en [betrokkene 10] ( [005] ) opnieuw in elkaars nabijheid, nu in Haarlem. Kort daarna, omstreeks 20:49 uur, verplaatsen de telefoons en de auto van [betrokkene 2] zich in de richting van de Lange Herenstraat. In deze straat is de winkel Suny Tele Technics gevestigd. In de onmiddellijke omgeving van deze winkel zijn drie telefoonnummers geactiveerd om 20:51 uur ( [001] , op 3 februari 2019 aangetroffen bij [betrokkene 9] ), 20:54 uur ( [006] ) en 20:56 uur ( [007] ). Deze telefoonnummers zijn uitgegeven door Lebara en voor verkoop geleverd aan Suny Tele Technics. De bij deze nummers behorende simkaarten zijn alle drie geplaatst in een telefoon van het merk Nokia, model 105. Tussen 21:02 uur en 21:04 uur verlaat in elk geval de [crypto003] van [betrokkene 2] (de omgeving van) de Lange Herenstraat weer. Op 2 februari 2019 om 21:02 uur, derhalve direct na activatie, hebben [006] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [004] ) verbinding gemaakt.
Vervolgens verplaatsen de telefoons ( [002] en [crypto003] ) en de auto van [betrokkene 2] zich richting [plaats] , eerst naar de omgeving van het [f-straat 1] en daarna naar de woning van [betrokkene 2] , waar [betrokkene 2] zichtbaar om 22:11 uur arriveert.
[betrokkene 10] is kennelijk vanuit Haarlem naar IJmuiden gereden, waar om 22:36 uur een pintransactie wordt gedaan bij een Shell tankstation aan de Dokweg 11 met de pinpas van [betrokkene 10] . De telefoon van [betrokkene 10] ( [005] ) verplaatst zich vervolgens tussen 22:45 uur en 22:52 uur in de richting van zijn woonadres in [plaats] . Vervolgens verplaatst de auto van [betrokkene 10] zich vandaaruit weer in de richting van [plaats] , waar zijn auto door een cameraopstelling wordt geregistreerd. Om 23:44 uur gaat [betrokkene 10] de woning van [betrokkene 2] in [plaats] binnen. Hij verlaat deze weer op
3 februari 2019
om 00:34 uur en zijn auto wordt geregistreerd door een cameraopstelling die voertuigen registreert die [plaats] verlaten.
[betrokkene 9] bevindt zich op 3 februari 2019 rond 04.00 uur in [plaats] , waar hij de pallet met bananen ophaalt en vervolgens vertrekt richting IJmuiden.
Op 3 februari 2019 tussen 04:01 uur en 04:05 uur worden vanuit [006] vier uitgaande verbindingen geregistreerd naar [007] , waarbij om 04:02 uur en 04:05 uur twee gesprekken tot stand komen die 42 seconden, respectievelijk elf seconden duren. Bij deze verbindingen maakt [006] gebruik van Cell-ID’s die een verplaatsing weergeven vanuit de omgeving van Velsen-Noord, Beverwijk, [plaats] via Velsen-Zuid naar Velserbroek, Rijksweg 349 en Rijksweg A9. [007] maakt gebruik van Cell-ID’s die dekking geven aan de woning van [betrokkene 2] . Tussentijds, om 04:04 uur, wordt voor het eerst een verbinding geregistreerd vanuit GSM 7986 naar [001] ( [betrokkene 9] ), die negen, seconden duurt. [001] ( [betrokkene 9] ) bevindt zich op dat moment in de omgeving van [plaats] .
Om 04:10 uur gaat [verdachte] de woning van [betrokkene 2] binnen. Acht minuten later gaat [betrokkene 10] eveneens de woning binnen. Om 04:56 uur verlaten [betrokkene 10] , [verdachte] en [betrokkene 2] de woning, Om 05:04 uur worden de kentekens van de auto’s van [verdachte] en van [betrokkene 10] geregistreerd wanneer zij [plaats] verlaten.
De vrachtwagen van [betrokkene 9] is om 06:09 uur bij de loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden gearriveerd. Een half uur daarvoor, om 05:39 uur, is gepind in het havengebied van IJmuiden, met een bankpas die hoort bij een rekeningnummer van [betrokkene 10] . Ook [crypto003] (van [betrokkene 2] ) bevindt zich tussen omstreeks 05:30 uur en 06:47 uur in dat havengebied. Hetzelfde geldt voor [006] en [007] . De kentekens van de auto's van [verdachte] en [betrokkene 10] worden op 3 februari 2019 om 06:44 uur gezien op camerabeelden die zijn vastgelegd in het havengebied van IJmuiden. Daarbij valt op dat de auto's achter elkaar rijden terwijl de inzittenden onderling contact hebben door middel van een handgebaar. De politie is dan al kort daarvoor, om 06:44 uur, binnengetreden in de loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden, alwaar een half uur later de partij van ongeveer 400 kilo cocaïne in beslag wordt genomen. Om 07:50 uur wordt vrachtwagenchauffeur [betrokkene 9] aangehouden.
Aantreffen [001] en gebruik van de Nokia’s
Zoals hiervoor overwogen, is onder [betrokkene 9] een telefoon aangetroffen van het merk Nokia, waarvan het nummer eindigt op [001] en waarvan [betrokkene 9] heeft verklaard deze telefoon te hebben gekregen van degene op wiens verzoek hij de pallet met bananen heeft opgehaald. In de onder [betrokkene 9] aangetroffen [001] stond één nummer geregistreerd, met als contactnaam ‘vriend' en met een telefoonnummer eindigend op [006] . Dit betreft eerdergenoemd nummer [006] .
Tussen [001] ( [betrokkene 9] ) en [006] (vriend) zijn in de vroege ochtend van 3 februari 2019, dus kort voor het arriveren van de cocaïne in IJmuiden, in totaal 23 keer verbindingen geregistreerd, waarbij het initiatief telkens werd genomen door [006] (vriend). [006] en [007] , de derde van de drie in Haarlem op 2 februari 2019 aangeschafte Nokia's, hebben eveneens regelmatig onderling contact terwijl zij zich in het havengebied van IJmuiden bevinden.
Het telefoonnummer van [betrokkene 10] ( [005] ) staat opgeslagen in de privé-telefoon van [betrokkene 9] . In de weken voorafgaand aan de (verlengde) invoer van de cocaïne heeft meermaals contact tussen de telefoontoestellen plaatsgevonden. Hierbij is zowel gechat als gebeld.
Samenkomst nabij Rozengracht na het aantreffen van de cocaïne door de politie
Op 3 februari 2019, rond 07:30 uur, rijden de auto's van [verdachte] en [betrokkene 10] in Amsterdam in de richting van de Rozengracht. Dan is ook [006] in Amsterdam en rond 07:45 uur bevinden zowel [crypto003] (van [betrokkene 2] ), als [007] en [006] zich in de directe omgeving van de Rozengracht. De drie Nokia’s hebben na 07:47 uur op 3 februari 2019 geen contact meer met elkaar. Er zijn in elk geval geen verbindingen meer geregistreerd.
Geen gebruik eigen gsm-telefoons [betrokkene 2] , [betrokkene 10] en [verdachte]
[crypto003] (van [betrokkene 2] ) verplaatst zich op 3 februari 2019 kort na 09:00 uur vanuit de omgeving van Amsterdam naar [plaats] . Om 09:18 uur gaat [betrokkene 2] zijn woning in [plaats] binnen. Van het telefoonnummer [002] van [betrokkene 2] zijn op 3 februari 2019 tussen 04:51 uur en 09:23 uur geen verbindingen geregistreerd.
Van het telefoonnummer van [verdachte] ( [004] ) zijn tussen 04:11 uur en 11:04 uur op 3 februari 2019 geen verbindingen geregistreerd.
Van de telefoon van [betrokkene 10] ( [005] ) zijn op 3 februari 2019 tussen 01:19 uur en 09:20 uur geen inkomende of uitgaande verbindingen geregistreerd. Eerst om 09:20 uur die dag wordt weer gebruik gemaakt van deze telefoon.
Conclusie ten aanzien van betrokkenheid
Het hof deelt de conclusies van de rechtbank dat uit alle hiervoor beschreven feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, blijkt van een gezamenlijke intensieve oriëntatie van [betrokkene 2] , [betrokkene 10] en [verdachte] op het transport van de cocaïne naar de loods in IJmuiden. Daarvoor is redengevend wat er is gebleken over de activiteiten van elk van hen afzonderlijk en van één of meer van hen samen. In het oog springend zijn het adres van de locatie van aflevering waarover [verdachte] kennelijk beschikte en de aanschaf van de drie Nokiatelefoons die op verschillende wijzen in verband te brengen zijn met de verdachten en direct in verband staan met het transport, méér in het bijzonder met de chauffeur. [betrokkene 10] stond ook op andere wijze eerder in contact met de chauffeur. Daarnaast neemt het hof op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen als vaststaand aan dat de verdachten alle drie in de haven van IJmuiden zijn geweest op het moment van aflevering van de partij cocaïne en vervolgens min of meer gelijktijdig naar een locatie in Amsterdam zijn gegaan. Ook dit laatste moet, gelet op de overige gedragingen van de verdachten, in een betekenisvol verband staan met de ingevoerde cocaïne. Aan die vaststelling draagt bij het gegeven dat twee van de drie telefoons, die op de avond vóór de aankomst van de cocaïne in Haarlem zijn aangeschaft en onmiskenbaar verband hebben met het transport en met de verdachten, in diezelfde omgeving in Amsterdam zijn uitgepeild. Daarbij valt op dat die nacht geen gebruik is gemaakt van de reguliere telefoons van de verdachten, terwijl hierboven is vastgesteld dat de verdachten in die nacht wel actief waren. Kennelijk hebben de verdachten in de nacht van 2 op 3 februari 2019 onder de radar willen blijven. Dit sterkt het hof in de conclusie dat de verdachten betrokken waren bij de in de loods aangetroffen hoeveelheid cocaïne.
Tegen deze achtergrond zijn tot slot ook de ontmoetingen in wisselende samenstelling in de dagen voorafgaand aan 3 februari 2019 van betekenis. Al deze uit de bewijsmiddelen blijkende feiten en omstandigheden grijpen zodanig in elkaar dat er een samenstel van gedragingen uit moet worden afgeleid die werden gedragen en gestuurd door die gedeelde oriëntatie op de invoer van de hoeveelheid van ongeveer 400 kilogram cocaïne. Bij gebreke van verklaringen van de verdachten die voor enige zinvolle alternatieve uitleg van deze redengevende feiten en omstandigheden aanknopingspunten kunnen bieden, komt het hof tot de slotsom dat zij allen in een zinvol verband staan met het cocaïnetransport. Het hof overweegt in dit verband dat de ter zitting in hoger beroep door de verdachte afgelegde verklaring, dat hij zijn auto op 3 februari 2019 open op de parkeerplaats bij de woning van [betrokkene 2] heeft achtergelaten met de sleutel achter de zonneklep en lopend is weggegaan, daarbij kennelijk suggererend dat een ander gebruik heeft gemaakt van zijn auto, als ongeloofwaardig terzijde wordt geschoven. In het dossier is hiervoor immers geen enkel verifieerbaar aanknopingspunt te vinden en de verdachte kan ook geen enkele nadere uitleg geven voor deze merkwaardige handelwijze, waarbij hij een kostbaar voorwerp open en bloot in de nachtelijke uren op straat achterlaat. Het hof is van oordeel dat een nadere duiding van elk van de gedragingen van de verdachten niet mogelijk is, maar ook niet nodig, en het maakt deze conclusie daarom niet anders.
Het verweer van de verdediging miskent dat de gedragingen van de verdachte niet op zichzelf staan, maar in onderling verband dienen te worden beschouwd, zoals hiervoor ook is overwogen. Dat de verdachte geen wetenschap zou hebben gehad van deze omvangrijke cocaïne-invoer en enkel als onwetend chauffeur, zonder enig idee van aard en herkomst van het transport, zou zijn ingezet, acht het hof ongeloofwaardig, gezien ook het bij hem reeds op 31 januari 2019 aangetroffen adres van de loods en het gezamenlijk optrekken met de medeverdachten. Gelet op de risico’s die een grootschalige drugsinvoer als de onderhavige met zich brengt voor alle betrokkenen, valt niet in te zien dat en waarom een onwetend chauffeur al in een vroeg stadium zou worden geïnformeerd omtrent de (drugs)locatie en ook het gezamenlijk vertrek met en uit de woning van één van de medeverdachten is in dat licht onbegrijpelijk. Aldus zouden immers overbodige en vermijdbare risico’s worden genomen op ontdekking van de drugs(locatie) en tracering van de daarbij betrokken verdachten naar het huisadres.
Verlengde invoer
Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van (verlengde) invoer overweegt het hof, met de rechtbank, als volgt. Uit de stukken in het dossier blijkt dat de tijdspanne tussen het eerste moment van binnenkomst op Nederlands grondgebied van de cocaïne en het aantreffen van de cocaïne in de loods in IJmuiden kort is geweest. Immers, de pallet met bananen, in welke pallet de uit Colombia afkomstige cocaïne was verborgen, is op 1 februari 2019 per boot in Vlissingen, Nederland, aangekomen. Diezelfde dag is de pallet op transport gegaan naar de rijpingskamers in [plaats] . Vervolgens is de pallet al in de nacht van 2 op 3 februari 2019 vanuit [plaats] naar IJmuiden gebracht, waar de cocaïne diezelfde dag, begin van de ochtend, rond 07:00 uur, in beslag is genomen door de politie. Daarbij leidt het hof uit de wijze van aantreffen van de cocaïne in IJmuiden door de politie af, dat de cocaïne in Vlissingen en [plaats] niet is uit- of omgepakt. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de verstopte cocaïne na het lossen en inklaren van de bananen en het vervoer van de bananen naar de rijpingskamers in [plaats] , direct voor verder vervoer en overdracht van de cocaïne is overgebracht naar IJmuiden en aldus, gezien ook het bepaalde in artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet, sprake is geweest van verlengde invoer van cocaïne.
Medeplegen
Uit het vorenoverwogene blijkt van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachten, gericht op het binnen het grondgebied van Nederland brengen van de cocaïne. Daarbij is sprake van een gezamenlijk optreden, onder andere bestaande uit het regelen en gebruik van werktelefoons voor de chauffeur van het transport en de verdachten zelf, de kennelijk - teneinde onder de radar te blijven - onderling gemaakte afspraak geen gebruik te maken van de eigen (reguliere) telefoons, het gezamenlijk nachtelijk vertrek van de verdachten vanuit de woning van [betrokkene 2] naar IJmuiden waar de cocaïne naartoe werd getransporteerd, het daartoe onderhouden van contact met de chauffeur van het transport en met elkaar, en het na ontdekking en inbeslagname door de politie van de cocaïne, gezamenlijke vertrek van de verdachten vanuit IJmuiden naar Amsterdam.
Eindconclusie ten aanzien van het onder 1 primair tenlastegelegde
Hetgeen (verder) door de verdediging ten aanzien van dit feit naar voren is gebracht vindt zijn weerlegging in de bewijsmiddelen. Gelet op al het vorenstaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne in de zin van artikel 1, vierde lid, van de Opiumwet.”
Een nadere omschrijving van het eerste middel
7. Het eerste middel houdt in dat het hof onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat standpunt houdt in dat het gebrek aan telefoonverkeer van de verdachte in de nacht van 2 tot 3 februari 2019 niet redengevend geacht kan worden voor het bewijs, omdat het niet onlogisch was dat de verdachte in die nacht geen telefoonverkeer had. De steller van het middel heeft in de cassatieschriftuur de tekstpassages van de randnummers 13, 14 en 15 van de in hoger beroep voorgedragen pleitnota geciteerd.
De bespreking van het eerste middel
8. Het hof heeft het in de schriftuur geciteerde deel van de pleitnota blijkbaar niet aangemerkt als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, maar als een argument voor een overkoepelend bewijsverweer. Dat oordeel wordt in cassatie als zodanig niet aangevochten en is overigens ook niet onbegrijpelijk. Het middel faalt alleen al daarom. Op dit argument heeft het hof overigens wel gereageerd, met de overweging: “Het verweer van de verdediging miskent dat de gedragingen van de verdachte niet op zichzelf staan, maar in onderling verband dienen te worden beschouwd, zoals hiervoor ook is overwogen.” De hieruit sprekende gedachte dat het feit dat de verdachte in de nacht van het transport geen gebruik heeft gemaakt van zijn reguliere telefoon (mede in het licht van de rest van het bewijs) wijst op enige criminele betrokkenheid, is niet onbegrijpelijk.
9. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
10. Het tweede middel bevat vier deelklachten over de motivering van de bewezenverklaring.
De eerste en de tweede deelklacht
11. De eerste twee deelklachten houden in:
i. Het gerechtshof heeft een proces-verbaal gedenatureerd door te overwegen dat een van de werktelefoons direct na activatie verbinding maakte met het telefoonnummer van de verdachte. Uit het onderliggende proces-verbaal blijkt dat niet, slechts dat zij ieder voor zich verbinding maakten. De verdachte heeft belang bij deze klacht, omdat met de denaturering van het bewijsmiddel een verband wordt gelegd tussen de verdachte en de werktelefoons.
ii. Het gerechtshof heeft in bewijsmiddel 29 de verklaring van de medeverdachte [betrokkene 10] gedenatureerd, door zijn verklaring als volgt weer te geven: “Ik was daar [op 18 januari 2019 bij [g-straat 1] in IJmuiden] met [betrokkene 2] en volgens mij was [verdachte] daar toen ook. [verdachte] was een keer mee.” Dat de verdachte een willekeurige andere keer mee was naar die plek, is bovendien niet redengevend.
De bespreking van de eerste en de tweede deelklacht
12. De eerste deelklacht berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. In debat is de betekenis van de overweging: “Op 2 februari 2019 om 21:02 uur, derhalve direct na activatie, hebben [006] en het telefoonnummer van [verdachte] ( [004] ) verbinding gemaakt.” Anders dan de steller van het middel erin leest, heeft het hof hiermee niet bedoeld te overwegen dat de genoemde toestellen ‘met elkaar’, oftewel ‘onderling’ verbinding hebben gemaakt. Het gaat in de bewijsmotivering waarvan deze passage onderdeel is steeds om de registratie van (radio)verbindingen tussen de onderzochte mobiele toestellen en netwerkaansluitpunten (basisstations). Waar het hof daarentegen bedoelt melding te maken van (communicatie)verbindingen tussen mobiele toestellen onderling, spreekt het hof uitdrukkelijk van “verbinding vanuit (…) naar (…)” of van “hebben (…) en (…) onderling contact”.
13. Ook de tweede deelklacht faalt. Ik meen dat het hof de verklaring van [betrokkene 10] niet heeft gedenatureerd, maar juist heeft opgevat zoals die naar alle waarschijnlijkheid was bedoeld: de verdachte was er ook die keer dat [betrokkene 10] en [betrokkene 2] op 18 januari samen in IJmuiden waren.
De derde en de vierde deelklacht
14. De derde en vierde deelklacht houden in:
iii. Uit de bewijsmiddelen kan niet volgen dat de verdachte opzet had op de (verlengde) invoer van cocaïne, omdat daaruit niet blijkt dat de verdachte wist dat het transport van [plaats] naar IJmuiden cocaïne bevatte en ook niet dat hij wist dat de cocaïne kort daarvoor uit Colombia Nederland was binnengekomen.
iv. Uit de bewijsmiddelen kan tot slot niet volgen dat de gedragingen van de verdachte hebben bijgedragen aan de voltooiing van de (verlengde) invoer, en dus is de bewezenverklaring van medeplegen niet toereikend gemotiveerd.
Het beoordelingskader voor (medeplegen van) verlengde invoer
15. Artikel 1 lid 4 Opiumwet houdt in:
“Onder binnen het grondgebied van Nederland brengen van middelen, bedoeld in de artikelen 2, 2a, eerste lid, en 3, is begrepen: (…) elke op het verder vervoer, de opslag, de aflevering, ontvangst of overdracht gerichte handeling, met betrekking tot die middelen, die binnen het grondgebied van Nederland zijn gebracht, of tot de voorwerpen of goederen, waarin die middelen verpakt of geborgen zijn.”
16. Artikel 1 lid 4 en artikel 2 aanhef en onder A Opiumwet bepalen samen dat onder het invoeren van verdovende middelen niet alleen het feitelijke binnen het grondgebied van Nederland brengen zelf is begrepen, maar ook het verrichten van handelingen die gericht zijn op het verdere vervoer, de opslag, de aflevering, de ontvangst of de overdracht van de verdovende middelen ná de feitelijke invoer. De verboden handelingen waarmee het grensoverschrijdende transport wordt ‘verlengd’, noemt men ook wel ‘verlengde invoer’ (of ‘extensieve invoer’). Deze extensie van het begrip ‘binnen het grondgebied van Nederland brengen’ heeft tot gevolg dat handelingen die anders onder voorbereidingshandelingen of onder het pogingsbegrip zouden vallen, nu onder de invoer geschaard kunnen worden. Voor het aannemen van opzet is noodzakelijk dat de verdachte wist van de feitelijke invoer.
17. Beslissend voor de vraag of de handeling op het verder vervoer, opslag, aflevering, ontvangst of overdracht is gericht, is of van die handeling “naar redelijke verwachting van de steller van die handeling een resultaat met betrekking tot het vervoer (enz.) van die binnen Nederland gebrachte verdovende middelen te verwachten is”. Dat is niet anders als medeplegen ten laste is gelegd. De verdachte moet dan wel steeds een bijdrage van voldoende gewicht hebben geleverd aan een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van de handeling of handelingen die waren gericht op het verdere vervoer, de opslag etc.
De bespreking van de derde en vierde deelklacht
18. Aan het begin van zijn bewijsoverwegingen stelt het hof vast:
- Op 3 februari 2019 werd in een loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden cocaïne aangetroffen, verstopt in dozen met bananen.
- De lading bananen was afkomstig uit Colombia, op 1 februari aangekomen in Vlissingen, en daarna vervoerd naar rijpingskamers in [plaats] .
- Vervolgens is de lading in de nacht van 2 op 3 februari met de vrachtwagen vervoerd naar een loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden, waar die in de vroege ochtend aankwam.
- De chauffeur, [betrokkene 9] , werd ter plaatse aangehouden. Hij had een Nokia 105 (nummer eindigend op [001] ) in zijn bezit.
- Die telefoon had hij gekregen van de man die hem de opdracht gaf; diezelfde ochtend belde die man nog dat hij eraan kwam om de lading op te halen.
19. Het hof betrekt in zijn overwegingen vervolgens een aantal gedragingen van de verdachte en medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 10] voorafgaand aan, tijdens en kort na het transport van de (bananen en) cocaïne naar IJmuiden. Op basis van de bewijsmiddelen trekt het hof volgens mij (in ieder geval) deze conclusies, die in cassatie niet worden betwist:
- Op 18 januari 2019 waren [betrokkene 2] , [betrokkene 10] samen in het havengebied van IJmuiden en bezochten zij twee panden, die in de directe omgeving zijn gelegen van de loods aan de [d-straat 1] . De verdachte was daar toen ook.
- In de weken voorafgaand aan de (verlengde) invoer van de cocaïne heeft meermaals contact tussen de telefoontoestellen van [betrokkene 9] en [betrokkene 10] plaatsgevonden. Hierbij is zowel gechat als gebeld.
- Op 31 januari 2019 en 1 februari 2019 vonden in wisselende samenstelling vijf ontmoetingen plaats tussen de verdachten. De verdachte zag de ene dag [betrokkene 2] en de andere dag [betrokkene 10] . De andere drie keer ontmoetten [betrokkene 10] en [betrokkene 2] elkaar.
- Op 31 januari 2019 vond de FIOD in een auto die door [verdachte] werd gebruikt een briefje met daarop de tekst “[e-straat 1]”, dat kennelijk ziet op het adres waar de cocaïne op 3 februari zal worden afgeleverd.
- In de avond van 2 februari 2019 waren [betrokkene 2] en [betrokkene 10] samen in Haarlem. Kort daarna verkreeg [betrokkene 2] drie simkaarten (nummers eindigend op [001] , [006] en -2986), die direct daarna werden geactiveerd en alle drie in een Nokia model 105 zijn geplaatst, om te gebruiken tijdens het transport. Om 22:11 uur kwam [betrokkene 2] thuis aan. Om 23:44 kwam [betrokkene 10] daar ook aan, die na ongeveer drie kwartier weer vertrok.
- Op 3 februari 2019 tussen vier uur en zes uur ’s ochtends vervoerde de chauffeur de bananen en cocaïne naar IJmuiden. Om 06:09 uur is hij bij de loods aan de [d-straat 1] in IJmuiden aangekomen.
- Tussen vier en vijf uur ‘s ochtends verzamelden [betrokkene 10] en de verdachte bij [betrokkene 2] thuis, waarna zij in de auto’s van die eerste twee vertrokken naar IJmuiden. Zij waren in ieder geval tussen 05:30 uur en ongeveer kwart voor zeven in het havengebied van IJmuiden. [006] en [007] zijn daar dan ook.
- Tijdens het transport hebben [betrokkene 9] en de verdachten gebruikgemaakt van de Nokia’s om te communiceren. Tussen [001] ( [betrokkene 9] ) en [006] zijn in de vroege ochtend van 3 februari 2019, kort voor het arriveren van de cocaïne in IJmuiden, in totaal 23 keer verbindingen geregistreerd. [006] en [007] hadden eveneens regelmatig onderling contact. De verdachte en de medeverdachten hebben in de periode van het transport en kort daarna expres geen gebruik gemaakt van hun normale mobiele telefoons.
- Rond kwart voor acht ‘s ochtends waren de verdachte, [betrokkene 10] en [betrokkene 2] samen in de directe omgeving van de Rozengracht in Amsterdam. [007] en [006] bevonden zich daar toen ook.
20. Het hof heeft op basis van deze gedragingen geconcludeerd dat de verdachten zich gezamenlijk intensief hebben ‘georiënteerd’ op het transport van de cocaïne naar de loods in IJmuiden en dat alle genoemde gedragingen in een ‘zinvol verband’ staan met het cocaïnetransport. Onder het kopje “Verlengde invoer” merkt het hof op dat de cocaïne na het lossen en inklaren van de bananen en het vervoer van de bananen naar de rijpingskamers in [plaats] , direct voor verder vervoer en overdracht is overgebracht naar IJmuiden. Daarbij volgt uit de verklaring van [betrokkene 9] dat de verdachten in de ochtend van 3 februari 2019 naar IJmuiden afreisden om de lading cocaïne daar op te halen. Verder heeft hof onder het kopje “Medeplegen” overwogen dat sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten, gericht op het binnen het grondgebied brengen van Nederland brengen van cocaïne, bestaand uit het hiervoor beschreven gezamenlijke optreden.
21. In deze overwegingen ligt in ieder geval besloten dat de verdachte en de medeverdachten wisten dat de lading cocaïne bevatte en dat deze kort daarvoor was ingevoerd uit het buitenland. Dat is niet onbegrijpelijk, gelet op de aard van de lading en de manier waarop de verdachten zich daarmee hebben beziggehouden. Daarbij volgt uit de verklaring van [betrokkene 9] dat de verdachten in de ochtend van 3 februari 2019 naar IJmuiden afreisden om de lading cocaïne daar op te halen. Dat betekent dat de onder iii. beschreven klacht faalt.
22. Verder heeft het hof hieruit blijkbaar een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten afgeleid, gericht op de ontvangst en/of het verdere vervoer van die middelen na aankomst daarvan in IJmuiden op 3 februari 2019. De verdachte heeft daaraan volgens het hof een bijdrage van voldoende gewicht geleverd. Die (kennelijke) oordelen vind ik stuk voor stuk niet onbegrijpelijk, en ook niet ontoereikend gemotiveerd.
23. Dat betekent dat ook deelklacht iii. en iv. falen en daarmee ook het gehele middel.
Het derde middel en de bespreking daarvan
24. Het derde middel ziet op dit deel van de strafmotivering: “Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.”
25. De steller van het middel betoogt dat deze standaardoverweging niet voldoet aan het voorschrift van de laatste volzin van artikel 359 lid 6 Sv. Ik meen dat het hof wel heeft voldaan aan het voorschrift, en zie bovendien niet in welk belang de verdachte heeft bij deze klacht.
26. Het middel faalt.
Slotsom
27. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.
28. Ambtshalve heb ik geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.
29. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Dat maak ik op uit de (hierboven ook opgenomen) samenvatting van het verweer, p. 2 van het arrest.
Het hof overweegt: “Op 18 januari 2019 zijn [betrokkene 2] en [betrokkene 10] samen in het havengebied van IJmuiden en bezoeken zij twee panden, die in de directe omgeving zijn gelegen van de loods aan de [d-straat 1] , waar de cocaïne op 3 februari 2019 is aangetroffen.”
Een blik achter de papieren muur leert dat het onderliggende proces-verbaal inhoudt (ZD1 IJmuiden, p. 107): “Gedurende de hiervoor beschreven periode, zaterdag 02-02-2019, van 20:59:50 uur tot en met 21:04:21 uur, waarin verdachte [betrokkene 2] zich zichtbaar aan het verplaatsen is hebben er geregistreerde verbindingen plaatsgevonden voor [004] ( [verdachte] ) en [006] ("vriend”). De geregistreerde verbinding voor [004] ( [verdachte] ) heeft plaatsgevonden op zaterdag 02-02-2019, 21:02:46 uur. [004] ( [verdachte] ) is op dat moment onder het bereik van het Cell-ID […] . Zoals reeds beschreven behoort deze Cell-ID bij de zendmastlocatie " […] [plaats] " en staat gericht op 330 graden ten opzichte van het Noorden. Genoemd Cell-ID geeft dekking aan, onder andere, een mogelijk verblijf- c.q. overnachtingsadres van verdachte [verdachte] ( [004] ), namelijk [f-straat 1] , [postcode] [plaats] . Op zaterdag 02-02-2019, 21:03:21 uur en 21:03:38 uur ontvangt [006] (‘vriend”) sms-berichten. De (telefoon)nummers waarvan deze sms-berichten afkomstig zijn betreffen zogenaamde ‘servicenummers’ en zijn afkomstig van de (netwerk)provider.”
Het proces-verbaal met deze verklaring houdt in (map D05, p. 39): “V: Met wie was jij daar? A: Met [betrokkene 2] en volgens mij was [verdachte] daar toen ook. Ik weet niet waarom [verdachte] mee was überhaupt. V: [verdachte] die je alleen maar op feestjes sprak? A: Nou hij was dus toen een keer mee.”
Vgl. T. Blom & J.P. Cnossen in: T&C Strafrecht art. 1 Opiumwet, aant. 3 (actueel t/m 4 juni 2026).
Zie randnummer 9 van de conclusie van a-g Meijers bij HR 26 juni 1990, NJ 1991/156.
[betrokkene 9] verklaarde immers op 3 februari 2019 (p. 31, bewijsmiddelenbijlage van het vonnis, overgenomen door het hof): “Ik werd afgelopen donderdag benaderd door een man. Hij vroeg mij een pallet bananen te vervoeren. Ik zei, dat is goed, dat kan. Hij zei dat het zondag werd. Ik kreeg van hem een werktelefoon. Deze telefoon is door jullie in beslag genomen. Hij heeft mij een aantal malen gebeld daarop. Ik denk dat ik vanmorgen tussen kwart over 6 en half zeven nog door hem gebeld werd. Hij zei, ik kom er zo aan om het op te halen en toen zei ik, nou ik ben in de maling genomen dus je moet maar niet meer komen.” Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk in het licht van de genoemde vaststellingen en conclusies van het hof.
Samenvattend overweegt het hof dat uit de bewijsoverwegingen “blijkt van (…) een gezamenlijk optreden, onder andere bestaande uit het regelen en gebruik van werktelefoons voor de chauffeur van het transport en de verdachten zelf, de kennelijk - teneinde onder de radar te blijven - onderling gemaakte afspraak geen gebruik te maken van de eigen (reguliere) telefoons, het gezamenlijk nachtelijk vertrek van de verdachten vanuit de woning van [betrokkene 2] naar IJmuiden waar de cocaïne naartoe werd getransporteerd, het daartoe onderhouden van contact met de chauffeur van het transport en met elkaar, en het na ontdekking en inbeslagname door de politie van de cocaïne, gezamenlijke vertrek van de verdachten vanuit IJmuiden naar Amsterdam.”
[betrokkene 9] verklaarde immers op 3 februari 2019 (p. 31, bewijsmiddelenbijlage van het vonnis, overgenomen door het hof): “Ik werd afgelopen donderdag benaderd door een man. Hij vroeg mij een pallet bananen te vervoeren. Ik zei, dat is goed, dat kan. Hij zei dat het zondag werd. Ik kreeg van hem een werktelefoon. Deze telefoon is door jullie in beslag genomen. Hij heeft mij een aantal malen gebeld daarop. Ik denk dat ik vanmorgen tussen kwart over 6 en half zeven nog door hem gebeld werd. Hij zei, ik kom er zo aan om het op te halen en toen zei ik, nou ik ben in de maling genomen dus je moet maar niet meer komen.” Die overwegingen zijn niet onbegrijpelijk in het licht van de genoemde vaststellingen en conclusies van het hof.
Opgenomen in het Wetboek van Strafvordering bij inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen van 24 juni 2020, Stb. 2020, 224, op 1 juli 2021 ( ).
Voor de redenen daarvoor, zie de conclusie van a-g Hofstee van 11 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:162, onder 19-24.
Met dit voorschrift is beoogd voor ‘de maatschappij’ duidelijk te maken dat de feitelijke straf die in detentie wordt ondergaan mogelijk korter is dan de door de rechter opgelegde straf en dat de veroordeelde — als hij aan de desbetreffende voorwaarden voldoet — in aanmerking kan komen voor deelname aan een penitentiair programma of voor voorwaardelijke invrijheidstelling (vgl. Kamerstukken II 2018/19, 35122, nr. 14.) Het voorschrift strekt niet tot bescherming van enig belang van de verdachte.