Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:750
2026-08-07
Civiel recht; Personen- en familierecht
26/01369
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2026:1555 → ECLI:NL:PHR:2026:750
Inhoudsindicatie
Wvggz. Zorgmachtiging. Aanvang beslistermijn van drie weken (art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Moment ontvangst verzoekschrift buiten kantooruren.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RBMNE:2026:1606 Rechtbank Midden-Nederland 14-01-2026
- ECLI:NL:HR:2026:838 Hoge Raad 05-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:841 Hoge Raad 05-06-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.924 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/01369
Zitting 7 augustus 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene]
,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissementsparket Midden-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de officier van justitie een aansluitende zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden. Het middel stelt dat de beslistermijn van drie weken op de dag waarop de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist al was verstreken. Daarom is geen sprake van een aansluitende zorgmachtiging en bedraagt de maximale duur van de nieuwe zorgmachtiging niet twaalf maar zes maanden.
1.2
Ik meen dat het middel slaagt. De maximale beslistermijn voor de rechter is drie weken na ontvangst van het verzoekschrift. Indien het verzoekschrift bij de rechtbank binnenkomt op bijvoorbeeld een woensdag, dan moet ten laatste op de woensdag drie weken later op het verzoek worden beslist. De omstandigheid dat het verzoekschrift pas woensdagavond laat (digitaal) is ingediend en op donderdag bij de rechtbank is geregistreerd, betekent niet dat de beslistermijn pas verstrijkt op de donderdag drie weken later. Nu het hier gaat om een in weken uitgedrukte termijn, doet immers niet ter zake op welk uur van de dag het verzoekschrift is ingediend, ook niet als dat een tijdstip buiten kantoortijd is. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor zes maanden.
2Feiten en procesverloop
2.1
Sinds 2011 zijn er machtigingen verleend voor het verlenen van verplichte zorg aan betrokkene. Sinds 18 oktober 2021 zijn aansluitende zorgmachtigingen verleend voor telkens twaalf maanden, laatstelijk van 4 februari 2025 tot 4 februari 2026.
2.2
Op 23 december 2025 heeft de officier van justitie een verzoek voor een opvolgende zorgmachtiging van twaalf maanden ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland.
2.3
Het verzoek is behandeld op 14 januari 2026. Bij de behandeling waren aanwezig: betrokkene (via videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat (ter plaatse aanwezig), en een verpleegkundige (via videoverbinding). De advocaat heeft verweer gevoerd tegen de verlening van een nieuwe zorgmachtiging omdat betrokkene liever vrijwillige zorg wil. Betrokkene is lang niet opgenomen geweest in een instelling. De advocaat heeft daarom verzocht om de zorgvormen ‘insluiten’, ‘het houden van toezicht’ en ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ niet toe te wijzen. De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd voor ‘insluiten’ en ‘het houden van toezicht’. De overige verzochte vormen van verplichte zorg, ook het beperken van de bewegingsvrijheid, zijn wél toegewezen.
2.4
Ter zitting heeft de advocaat betoogd dat de beslistermijn al de dag voor de zitting was verstreken. Daarom sloot de nieuwe zorgmachtiging niet aan op de vorige zorgmachtiging en kon daarom voor ten hoogste zes maanden worden verleend. De rechter heeft ter naar aanleiding van dat betoog op de zitting het volgende opgemerkt:
“Voor de termijn ga ik uit van 24 december. Het verzoek is om half elf (22.30) uur) binnengekomen en buiten kantoortijden rekenen we als de volgende dag. We zijn een organisatie die niet 24/7 bereikbaar is. We kunnen het verzoek de volgende werkdag pas inboeken.”
2.5
Op 14 januari 2026 heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan, welke uitspraak op 26 januari 2026 op schrift is gesteld.
2.6
In rov. 3.10 van de uitspraak wordt het volgende overwogen:
“De advocaat verzoekt subsidiair de zorgmachtiging toe te wijzen voor de duur van maximaal zes maanden. Omdat de beslistermijn van drie weken volgens de advocaat is verstreken, kan de rechtbank de zorgmachtiging niet verlenen voor meer dan zes maanden. De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift op 23 december 2025 na 17:00, buiten kantoortijd, bij de rechtbank is binnengekomen, Omdat het verzoekschrift de volgende werkdag pas kan worden ingeboekt, gaat de rechtbank uit van 24 december 2025 als ontvangstdatum. De rechtbank stelt vast de termijn van drie weken waarbinnen op het verzoek dient te worden beslist, daarmee niet is overschreden en verleent de zorgmachtiging voor de verzochte duur van twaalf maanden.”
2.7
Namens betrokkene is op 13 april 2026 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel herhaalt het subsidiaire verzoek van de advocaat in de procedure bij de rechtbank. Het verzoekschrift van de officier van justitie is ingediend op 23 december 2025, en dát is dus de dag waarop de beslistermijn van drie weken is gaan tellen. Nergens staat in de wet dat alleen tijdens kantoortijd termijnen gelden. Uit de stukken blijkt dat het verzoek van de officier van justitie op 23 december 2025 is ingediend. Op 14 januari 2026 was de beslistermijn van drie weken verlopen. Daarom was de maximale geldigheidsduur voor de verzochte zorgmachtiging zes maanden (tot en met 14 juli 2026).
3.2
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.3
Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz van de lopende zorgmachtiging is verstreken, vervalt die zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijn van drie weken kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. Bij niet-inachtneming van deze termijn kan de vervolgmachtiging voor maximaal zes maanden worden verleend.
3.4
Deze zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:6 lid 2 Wvggz. Voor een dergelijk verzoek geldt de maximale beslistermijn van drie weken die is opgenomen in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz. Ook na die termijn kan op zichzelf nog op het verzoek worden beslist, maar de voorgaande machtiging is dan komen te vervallen en van een aansluitende zorgmachtiging is dan geen sprake. Dat de voorgaande machtiging wel voor twaalf maanden was verleend maakt dit niet anders.
3.5
De vermelde beslistermijn is uitgedrukt in weken. Deze termijn vangt aan met ‘de ontvangst’ van het verzoekschrift van de officier van justitie. ‘De ontvangst’ is een ondubbelzinnig wettelijk criterium op grond waarvan moet worden bepaald op welke dag de driewekentermijn aanvangt en afloopt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar het uur van ontvangst.
3.6
Het moment van ontvangst zal bij fysieke indiening van een verzoekschrift in beginsel binnen de kantoortijden vallen. Bij digitale indiening (via e-mail of een portaal) is ontvangst op ieder moment tussen 00.00 uur en 24.00 uur mogelijk. Er is mij in de Wvggz, of in een bij dan wel krachtens de Wvggz vastgestelde regeling, geen bepaling bekend waaruit volgt dat een na kantoortijden ingediend verzoekschrift van de officier van justitie geacht moet worden de volgende dag te zijn ontvangen. Die dag is wel de eerste dag van de beslistermijn. De laatste dag van de beslistermijn is dezelfde weekdag als de dag van ontvangst, drie weken later. De termijn loopt die dag af, om 24.00 uur. Dan heeft de termijn precies drie weken geduurd.
3.7
Gelet op het vorenstaande gaat het middel er terecht van uit dat, nu vaststaat dat het verzoekschrift op dinsdag 23 december 2025 rond 22.30 uur is ingediend, het ook op die datum is ontvangen en dat daarom op het verzoekschrift ten laatste moest worden beslist op dezelfde weekdag drie weken later, dus op dinsdag 13 januari 2026. Dat het verzoekschrift de volgende dag, op 24 december 2025, is ingeboekt is begrijpelijk, maar deze interne administratieve handeling wijzigt niets aan het feit dat het verzoekschrift reeds de dag daarvoor was ontvangen. Om redenen van rechtszekerheid kan het moment waarop de griffie van een rechtbank een zaak inboekt of registreert niet bepalend zijn voor het aanvangen van een wettelijke beslistermijn, nu voor de betrokken partijen niet verifieerbaar is wanneer registratie plaatsvindt. Het begin van de beslistermijn is gekoppeld aan een objectief bepaalbaar feit: de ontvangst van het verzoekschrift, ongeacht het tijdstip waarop het verzoekschrift is ontvangen.
3.8
Het middel voert dus terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op de voorgaande zorgmachtiging. Daaraan doet overigens niet af dat op het moment dat de rechtbank de zorgmachtiging verleende (14 januari 2026), de maximale duur van de lopende zorgmachtiging (4 februari 2026) nog niet was verstreken. De geldigheid van de voorgaande machtiging is op 13 januari 2026, 24.00 uur vervallen omdat op dat moment de driewekentermijn is verstreken. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van twaalf maanden.
3.9
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot zes maanden vanaf het moment dat de rechtbank op het verzoek om een zorgmachtiging heeft beslist, dus tot en met uiterlijk 14 juli 2026.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026 en tot afdoening als onder 3.9 van deze conclusie vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie het op 23 december 2025 gedateerde historische overzicht (productie 12 van het overgelegde dossier).
Zie het proces-verbaal van de zitting van 14 januari 2026, p.2 en p.4.
Zie het proces-verbaal van de zitting van 14 januari 2026, p.4.
Rb. Midden-Nederland 14 januari 2027, ECLI:NL:RBMNE:2026:1606.
Ter vergelijking wijs ik op de reguliere beroepstermijn van zes weken in het bestuursrecht. Die termijn gaat in om 00.00 uur op de dag volgende op de dag van de bekendmaking van het besluit en eindigt zes weken later uur op dezelfde dag van de week als de bekendmaking van het besluit om 24.00.
Zie HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:838 en HR 5 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:841, NJ 2026/195, in beide gevallen in lijn met mijn voorafgaande conclusie (PHR:2026:305 en PHR:2026:350).
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 26/01369
Zitting 7 augustus 2026
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
[betrokkene]
,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,
tegen
Officier van Justitie in het arrondissementsparket Midden-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.
1Inleiding en samenvatting
1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de officier van justitie een aansluitende zorgmachtiging verzocht voor de duur van twaalf maanden. Het middel stelt dat de beslistermijn van drie weken op de dag waarop de rechtbank op het verzoek van de officier van justitie heeft beslist al was verstreken. Daarom is geen sprake van een aansluitende zorgmachtiging en bedraagt de maximale duur van de nieuwe zorgmachtiging niet twaalf maar zes maanden.
1.2
Ik meen dat het middel slaagt. De maximale beslistermijn voor de rechter is drie weken na ontvangst van het verzoekschrift. Indien het verzoekschrift bij de rechtbank binnenkomt op bijvoorbeeld een woensdag, dan moet ten laatste op de woensdag drie weken later op het verzoek worden beslist. De omstandigheid dat het verzoekschrift pas woensdagavond laat (digitaal) is ingediend en op donderdag bij de rechtbank is geregistreerd, betekent niet dat de beslistermijn pas verstrijkt op de donderdag drie weken later. Nu het hier gaat om een in weken uitgedrukte termijn, doet immers niet ter zake op welk uur van de dag het verzoekschrift is ingediend, ook niet als dat een tijdstip buiten kantoortijd is. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door te bepalen dat de zorgmachtiging geldt voor zes maanden.
2Feiten en procesverloop
2.1
Sinds 2011 zijn er machtigingen verleend voor het verlenen van verplichte zorg aan betrokkene. Sinds 18 oktober 2021 zijn aansluitende zorgmachtigingen verleend voor telkens twaalf maanden, laatstelijk van 4 februari 2025 tot 4 februari 2026.
2.2
Op 23 december 2025 heeft de officier van justitie een verzoek voor een opvolgende zorgmachtiging van twaalf maanden ingediend bij de rechtbank Midden-Nederland.
2.3
Het verzoek is behandeld op 14 januari 2026. Bij de behandeling waren aanwezig: betrokkene (via videoverbinding), bijgestaan door zijn advocaat (ter plaatse aanwezig), en een verpleegkundige (via videoverbinding). De advocaat heeft verweer gevoerd tegen de verlening van een nieuwe zorgmachtiging omdat betrokkene liever vrijwillige zorg wil. Betrokkene is lang niet opgenomen geweest in een instelling. De advocaat heeft daarom verzocht om de zorgvormen ‘insluiten’, ‘het houden van toezicht’ en ‘het beperken van de bewegingsvrijheid’ niet toe te wijzen. De rechtbank heeft dat verzoek ingewilligd voor ‘insluiten’ en ‘het houden van toezicht’. De overige verzochte vormen van verplichte zorg, ook het beperken van de bewegingsvrijheid, zijn wél toegewezen.
2.4
Ter zitting heeft de advocaat betoogd dat de beslistermijn al de dag voor de zitting was verstreken. Daarom sloot de nieuwe zorgmachtiging niet aan op de vorige zorgmachtiging en kon daarom voor ten hoogste zes maanden worden verleend. De rechter heeft ter naar aanleiding van dat betoog op de zitting het volgende opgemerkt:
“Voor de termijn ga ik uit van 24 december. Het verzoek is om half elf (22.30) uur) binnengekomen en buiten kantoortijden rekenen we als de volgende dag. We zijn een organisatie die niet 24/7 bereikbaar is. We kunnen het verzoek de volgende werkdag pas inboeken.”
2.5
Op 14 januari 2026 heeft de rechtbank mondeling uitspraak gedaan, welke uitspraak op 26 januari 2026 op schrift is gesteld.
2.6
In rov. 3.10 van de uitspraak wordt het volgende overwogen:
“De advocaat verzoekt subsidiair de zorgmachtiging toe te wijzen voor de duur van maximaal zes maanden. Omdat de beslistermijn van drie weken volgens de advocaat is verstreken, kan de rechtbank de zorgmachtiging niet verlenen voor meer dan zes maanden. De rechtbank stelt vast dat het verzoekschrift op 23 december 2025 na 17:00, buiten kantoortijd, bij de rechtbank is binnengekomen, Omdat het verzoekschrift de volgende werkdag pas kan worden ingeboekt, gaat de rechtbank uit van 24 december 2025 als ontvangstdatum. De rechtbank stelt vast de termijn van drie weken waarbinnen op het verzoek dient te worden beslist, daarmee niet is overschreden en verleent de zorgmachtiging voor de verzochte duur van twaalf maanden.”
2.7
Namens betrokkene is op 13 april 2026 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. De officier van justitie heeft geen verweer gevoerd.
3Bespreking van het cassatiemiddel
3.1
Het middel herhaalt het subsidiaire verzoek van de advocaat in de procedure bij de rechtbank. Het verzoekschrift van de officier van justitie is ingediend op 23 december 2025, en dát is dus de dag waarop de beslistermijn van drie weken is gaan tellen. Nergens staat in de wet dat alleen tijdens kantoortijd termijnen gelden. Uit de stukken blijkt dat het verzoek van de officier van justitie op 23 december 2025 is ingediend. Op 14 januari 2026 was de beslistermijn van drie weken verlopen. Daarom was de maximale geldigheidsduur voor de verzochte zorgmachtiging zes maanden (tot en met 14 juli 2026).
3.2
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Indien het een zorgmachtiging betreft die aansluit op een eerdere zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz, kan de rechter een zorgmachtiging verlenen voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).
3.3
Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur bedoeld in art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz van de lopende zorgmachtiging is verstreken, vervalt die zorgmachtiging in afwijking van art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de termijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijn van drie weken kan de vervolgmachtiging voor de duur van maximaal twaalf maanden worden verleend. Bij niet-inachtneming van deze termijn kan de vervolgmachtiging voor maximaal zes maanden worden verleend.
3.4
Deze zaak betreft een verzoek van de officier van justitie om een zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:6 lid 2 Wvggz. Voor een dergelijk verzoek geldt de maximale beslistermijn van drie weken die is opgenomen in art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz. Ook na die termijn kan op zichzelf nog op het verzoek worden beslist, maar de voorgaande machtiging is dan komen te vervallen en van een aansluitende zorgmachtiging is dan geen sprake. Dat de voorgaande machtiging wel voor twaalf maanden was verleend maakt dit niet anders.
3.5
De vermelde beslistermijn is uitgedrukt in weken. Deze termijn vangt aan met ‘de ontvangst’ van het verzoekschrift van de officier van justitie. ‘De ontvangst’ is een ondubbelzinnig wettelijk criterium op grond waarvan moet worden bepaald op welke dag de driewekentermijn aanvangt en afloopt. Er wordt geen onderscheid gemaakt naar het uur van ontvangst.
3.6
Het moment van ontvangst zal bij fysieke indiening van een verzoekschrift in beginsel binnen de kantoortijden vallen. Bij digitale indiening (via e-mail of een portaal) is ontvangst op ieder moment tussen 00.00 uur en 24.00 uur mogelijk. Er is mij in de Wvggz, of in een bij dan wel krachtens de Wvggz vastgestelde regeling, geen bepaling bekend waaruit volgt dat een na kantoortijden ingediend verzoekschrift van de officier van justitie geacht moet worden de volgende dag te zijn ontvangen. Die dag is wel de eerste dag van de beslistermijn. De laatste dag van de beslistermijn is dezelfde weekdag als de dag van ontvangst, drie weken later. De termijn loopt die dag af, om 24.00 uur. Dan heeft de termijn precies drie weken geduurd.
3.7
Gelet op het vorenstaande gaat het middel er terecht van uit dat, nu vaststaat dat het verzoekschrift op dinsdag 23 december 2025 rond 22.30 uur is ingediend, het ook op die datum is ontvangen en dat daarom op het verzoekschrift ten laatste moest worden beslist op dezelfde weekdag drie weken later, dus op dinsdag 13 januari 2026. Dat het verzoekschrift de volgende dag, op 24 december 2025, is ingeboekt is begrijpelijk, maar deze interne administratieve handeling wijzigt niets aan het feit dat het verzoekschrift reeds de dag daarvoor was ontvangen. Om redenen van rechtszekerheid kan het moment waarop de griffie van een rechtbank een zaak inboekt of registreert niet bepalend zijn voor het aanvangen van een wettelijke beslistermijn, nu voor de betrokken partijen niet verifieerbaar is wanneer registratie plaatsvindt. Het begin van de beslistermijn is gekoppeld aan een objectief bepaalbaar feit: de ontvangst van het verzoekschrift, ongeacht het tijdstip waarop het verzoekschrift is ontvangen.
3.8
Het middel voert dus terecht aan dat de verleende zorgmachtiging niet aansluit op de voorgaande zorgmachtiging. Daaraan doet overigens niet af dat op het moment dat de rechtbank de zorgmachtiging verleende (14 januari 2026), de maximale duur van de lopende zorgmachtiging (4 februari 2026) nog niet was verstreken. De geldigheid van de voorgaande machtiging is op 13 januari 2026, 24.00 uur vervallen omdat op dat moment de driewekentermijn is verstreken. De rechtbank kon daarom de zorgmachtiging niet verlenen voor de duur van twaalf maanden.
3.9
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen door de duur van de verleende zorgmachtiging te beperken tot zes maanden vanaf het moment dat de rechtbank op het verzoek om een zorgmachtiging heeft beslist, dus tot en met uiterlijk 14 juli 2026.
4Conclusie
De conclusie strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 14 januari 2026 en tot afdoening als onder 3.9 van deze conclusie vermeld.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zie het op 23 december 2025 gedateerde historische overzicht (productie 12 van het overgelegde dossier).
Zie het proces-verbaal van de zitting van 14 januari 2026, p.2 en p.4.
Zie het proces-verbaal van de zitting van 14 januari 2026, p.4.
Rb. Midden-Nederland 14 januari 2027, ECLI:NL:RBMNE:2026:1606.
Ter vergelijking wijs ik op de reguliere beroepstermijn van zes weken in het bestuursrecht. Die termijn gaat in om 00.00 uur op de dag volgende op de dag van de bekendmaking van het besluit en eindigt zes weken later uur op dezelfde dag van de week als de bekendmaking van het besluit om 24.00.
Zie HR 5 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:838 en HR 5 juni 2026 ECLI:NL:HR:2026:841, NJ 2026/195, in beide gevallen in lijn met mijn voorafgaande conclusie (PHR:2026:305 en PHR:2026:350).