Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:520

2026-05-26 Strafrecht 24/01714
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-05-26
Publicatiedatum
2026-05-23
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
24/01714
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Medeplegen van vervaardigen van foto's van seksueel kindermisbruik. 1. Verwijderen uit 'het procesdossier' van per ongeluk daarin gevoegde foto's (van seksueel kindermisbruik). 2. Bewijs medeplegen. 3. Strafmotivering. De conclusie strekt tot strafvermindering wegens overschrijding RT en verwerping van het beroep voor het overige.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (62.730 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL


BIJ DE


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN


Nummer24/01714

Zitting 26 mei 2026



CONCLUSIE



D.J.C. Aben




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte




Inleiding

1. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 22 april 2024 (parketnr. 20-001821-18) het vonnis van de rechtbank Limburg vernietigd ten aanzien van de kwalificatie en de strafoplegging, en voor het overige bevestigd. De verdachte is (op die manier) wegens “medeplegen van een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben drie middelen van cassatie voorgesteld.



Het eerste middel


3. Het eerste middel komt op tegen het oordeel van het hof dat bepaalde foto’s géén onderdeel uitmaken van ‘het procesdossier’.




De relevante delen van de processtukken

4. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg van 17 april 2018 houdt in:


“De voorzitter deelt mede dat sedert de terechtzitting aan het dossier zijn toegevoegd:

1. een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Eenheid Limburg, Dienst regionale recherche TBKK, proces-verbaalnummer 2016228368-09, d.d. 7 november 2016, opgemaakt door [verbalisant 1] , aantal pagina’s 2;


2. een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Eenheid Limburg, Dienst regionale recherche TBKK, proces-verbaalnummer 2016228368-10, d.d. 7 november 2016, opgemaakt door [verbalisant 1] , aantal pagina's 46;


3. een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Eenheid Limburg, Dienst regionale recherche TBKK, proces-verbaalnummer 2016228368-1, d.d. 21 december 2016, opgemaakt door [verbalisant 2] , aantal pagina’s 21;


(...)





De voorzitter deelt mede dat de hiervoor onder 2 en 3 vermelde processen-verbaal voorafgaand aan de zitting door de officier van justitie uit het dossier zijn verwijderd, nu deze processen-verbaal afbeeldingen bevatten waarvan het bezit wettelijk verboden is. De voorzitter heeft kort kennis genomen van de inhoud van het onder 2 genoemde proces-verbaal van [verbalisant 1] en heeft daarbij moeten constateren dat wat te zien is op de in dat proces-verbaal opgenomen foto's niet correspondeert met de beschrijving van de foto's in de verhoren van de verdachten. Desgevraagd kan de officier van justitie hierover geen duidelijkheid verschaffen. De voorzitter merkt vervolgens op dat dit wellicht relevant kan zijn om duidelijk te krijgen welke foto's de verdachten bekennen te hebben gemaakt en welke niet. Voorts rijst daarbij ook de vraag in hoeverre de LC-nummers die [verbalisant 1] aan de foto's 1 t/m 16 toekent correct zijn. Dat is immers weer relevant voor de beoordeling van overige onderzoeksbevindingen, waaronder de bevindingen neergelegd in het onder 3 vermelde proces-verbaal. De voorzitter merkt daarbij op dat in dat proces-verbaal een andere nummering wordt gebruikt dan in het proces-verbaal genoemd onder 2 en dat in beide processen-verbaal niet telkens dezelfde foto's zijn gebruikt.




De voorzitter werpt de vraag op of niet gekomen kon worden tot het opmaken van een gecombineerd proces-verbaal waarin duidelijk wordt welke foto’s aan de verdachten zijn getoond tijdens de verhoren, welke EXIF-informatie bij die foto’s hoort en welke foto’s van kinderpornografische aard nog meer […] door de verdachten zouden zijn vervaardigd en welke EXIF-informatie dan bij die foto’s hoort.




De officier van justitie deelt mede dat aan voormelde verzoeken van de rechtbank alleen middels een aanvullend proces-verbaal van de rechtbank kan worden voldaan, waartoe het onderzoek ter terechtzitting geschorst zal dienen te worden.





De raadsman verzet zich tegen een schorsing van het onderzoek ter terechtzitting. Verdachte verkeert al vanaf begin 2013 in onzekerheid betreffende de afloop van deze strafzaak, welke zaak haar ook erg aangrijpt. Daarnaast heeft de laatste zitting al weer op 28 juni 2016 plaatsgevonden. Door de verdediging zal een integrale vrijspraak worden bepleit wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Dat de strafzaak thans wederom zou moeten worden aangehouden is toe te rekenen aan het openbaar ministerie, nu het door de rechtbank op 28 juni 2016 gegeven ‘huiswerk’ niet naar behoren is gemaakt. De raadsman is dan ook van mening dat de strafzaak heden op de thans aanwezige stukken dient te worden afgedaan.





De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vertraging niet kan worden toegerekend aan het openbaar ministerie. Het betreft hier een ingewikkelde zaak met internationale aspecten, terwijl daarnaast technisch ingewikkelde vragen van de verdediging beantwoord dienden te worden.





De raadsman repliceert dat de huidige mogelijke vertraging voorkomen had kunnen worden indien door de verbalisten bij het verhoor van verdachte precies was weergeven welke foto’s aan verdachte zijn getoond.





De rechtbank trekt zich terug voor beraad.





Na beraad deelt de voorzitter namens de rechtbank mede dat het door de inname van de abusievelijk verstrekte processen-verbaal voor het onderzoek en de beoordeling van de tenlastelegging wezenlijke informatie is komen te ontvallen. De vraag is dan of het onderzoek vandaag doorgang kan vinden of niet. Na afweging van alle belangen, waaronder het maatschappelijk belang bij de berechting van feiten als het onderhavige en het belang van de verdachte bij een voortvarende berechting, oordeelt de rechtbank het noodzakelijk dat er een aanvullend proces-verbaal dient te worden opgemaakt waarbij duidelijk wordt:




- Welke 16 foto’s uit het Deense onderzoek aan de beide verdachten zijn getoond, waarbij elk van de foto’s dient te worden beschreven en ook dient te worden gerelateerd welk nummer deze foto had bij het verhoor van de verdachte en of die nummering dezelfde was bij het verhoor van de medeverdachte.
- Welke 27 foto’s door de medeverdachte zouden zijn vervaardigd, waarbij elk van de foto’s dient te worden beschreven.
- Of en zo ja, welke EXIF-informatie van elk van de foto’s bekend is. De rechtbank gaat er hierbij overigens van uit dat de 16 foto’s onderdeel van de 27 foto’s zijn. Mocht dat niet het geval zijn, dan dient ook dit gerelateerd te worden.”


5. Het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep op 8 april 2024 houdt in:



“De voorzitter deelt het volgende mede.





De onderhavige zaak heeft gediend op twee eerdere zittingen van het hof, te weten: op de regiezitting 31 januari 2022, waarop de onderzoekswensen van de verdediging zijn besproken, en op 14 februari 2022, op welke zitting het hof zijn beslissingen op de onderzoekswensen van de verdediging heeft uitgesproken. Op laatstgenoemde zitting heeft het hof nader onderzoek bevolen dat is inmiddels is verricht. De verdachte is vervolgens tweemaal door de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof gehoord, te weten: op 8 november 2022 en op 20 maart 2023, in aanwezigheid van mr. [betrokkene 1] .


Er heeft inmiddels ook inzage in de fotomap plaatsgevonden en er is een rapport van het NFI d.d. 11 mei 2023 ingekomen getiteld ‘Herzien rapport NFI aan metadata in fotobestanden naar aanleiding van mogelijke vervaardiging van kinderpornografisch beeldmateriaal in [plaats] ’. De rechtbank had in het vonnis al bepaald dat de onderhavige foto’s van [slachtoffer] te herleiden zijn tot de [a-straat] te [plaats] maar dat de tijdsaanduiding uit de EXIF informatie van de foto’s niet kan kloppen en dat is door het NFI in genoemd rapport bevestigd. De verdachte heeft uiteindelijk ook verklaard dat zij meent dat de foto’s niet zijn gemanipuleerd.


Op 24 oktober 2023 zijn de getuigen [slachtoffer] en [medeverdachte] door de raadsheer-commissaris in dit gerechtshof gehoord. De raadsman heeft vervolgens de gelegenheid gehad om de opnamen van de gevraagde verhoren te beluisteren en heeft daarop gereageerd bij e-mail.


De toonmap met daarin de onderhavige foto’s is digitaal beschikbaar en de advocaat- generaal heeft daaruit drie foto’s uitgeprint. Het hof heeft die foto’s nog niet gezien.





De raadsman verklaart als volgt.





Ik dacht dat de uitgeprinte foto’s al op de regiezitting waren besproken, maar ik zag dat niet terug in het proces-verbaal van die zitting.





De voorzitter deelt mede dat de raadsman de toonmap mocht inzien, maar het hof nog niet.





De raadsman verklaart als volgt.





Ik meen dat de advocaat-generaal op de regiezitting nog iets opmerkte over de foto’s, maar het is inmiddels opgelost. Er is ook een proces-verbaal waarin alle foto’s zijn opgenomen. In principe heb ik de foto’s hier voor me liggen. (…).





De voorzitter deelt het volgende mede.





Het gaat over één foto, te weten: de afbeeldingen met de nummers 2 en 3 zoals aangeduid in het proces-verbaal van 26 april 2018, met proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4. De foto met nummer 16 is een kopie van nummer 2. Het betreft één en hetzelfde beeld. Ik vraag de advocaat-generaal om de toonmap erbij te pakken zodat het hof de betreffende foto’s ter terechtzitting kan tonen en bespreken.





De advocaat-generaal legt vervolgens de toonmap over aan het hof.





De voorzitter opent vervolgens de toonmap en toont voormelde foto’s ter terechtzitting.





De voorzitter deelt mede dat de betreffende foto’s niet aan het procesdossier worden toegevoegd maar dat het nuttig is om deze wel ter terechtzitting te bekijken.





De raadsman merkt op dat de foto’s wel deel uitmaken van het dossier.





De voorzitter deelt mede dat niet de foto’s zelf, maar de beschrijving van de foto’s deel uitmaken van het dossier.





De raadsman verklaart als volgt.





In eerste aanleg zijn alle foto’s toegevoegd aan het dossier. Dat is een hele opmerkelijke gang van zaken geweest, maar ze zijn toegevoegd.





De voorzitter deelt mede dat het hof niet over de foto’s beschikt.





De raadsman verklaart dat hij over het volledige aantal foto’s beschikt.





De voorzitter deelt het volgende mede.





In het procesdossier bevindt zich uitsluitend de beschrijving van het foto’s in het proces verbaal nummer PL2300-2016228368-5. Daarin staan alle 34 foto’s beschreven. Het gaat om dezelfde foto’s als die worden genoemd in het proces-verbaal met nummer PL2300-2016228368-4. De foto’s zelf bevinden zich echter niet in het procesdossier waarover het hof beschikt. Die foto’s zijn digitaal en opgenomen in de toonmap die de advocaat-generaal in bezit heeft, maar die waren nog niet door het hof bekeken. De foto’s in de envelop, zou het hof graag ook nog bekijken, maar niet als dat betekent dat deze daarmee aan het dossier worden toegevoegd.





De raadsman verklaart als volgt.





Ik wijs op het proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 7 november 2016, waarin staat vermeld dat de kinderpornografische foto’s daarbij zijn gevoegd.


Ik heb er geen bezwaar tegen als de door de voorzitter bedoelde foto’s thans niet aan het procesdossier worden toegevoegd, maar volgens mij maken die foto’s al onderdeel uit van het dossier.





De voorzitter deelt mede dat het hof bedoelde foto’s thans niet zal toevoegen aan het procesdossier en dat, als de verdediging daar een probleem mee heeft, het hof de foto’s niet zal tonen en bespreken.





De raadsman verklaart dat de verdediging er op zich geen probleem mee heeft dat het hof bedoelde foto’s thans niet zal toevoegen aan het procesdossier.





De voorzitter toont vervolgens bedoelde foto’s ter terechtzitting en deelt het volgende mede.”




Een nadere omschrijving van het eerste middel


6. Het middel keert zich als gezegd tegen het oordeel dat de foto’s die zijn beschreven in een proces-verbaal, zelf geen deel uitmaken van ‘het procesdossier’. De steller van het middel voert aan dat uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg (17 april 2018) blijkt dat de foto’s toen wel degelijk deel uitmaakten van het dossier. Als stukken eenmaal in het dossier zitten, verzetten de beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen dat de officier van justitie of de rechter deze vervolgens daaruit verwijdert.




Het beoordelingskader

7. De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang:


Artikel 149a Sv luidde van 1 december 2016 tot 1 juli 2025 (daarna zijn twee thans niet relevante artikelleden onder hernummering toegevoegd):




“1. De officier van justitie is tijdens het opsporingsonderzoek verantwoordelijk voor de samenstelling van de processtukken.





2. Tot de processtukken behoren alle stukken die voor de ter terechtzitting door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn, behoudens het bepaalde in artikel 149b.





3. (…)





4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gesteld over de wijze waarop de processtukken worden samengesteld en ingericht.”



Artikel 30 lid 1 Sv luidt met ingang van 1 januari 2013:



“De kennisneming van de processtukken wordt de verdachte op diens verzoek tijdens het voorbereidende onderzoek verleend door de officier van justitie. De kennisneming wordt de verdachte in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor na aanhouding.”



Artikel 32 lid 1, 2 en 3 Sv luiden met ingang van 1 januari 2013:



“1. De verdachte kan van de stukken waarvan hem de kennisneming is toegestaan, ten parkette of ter griffie afschrift krijgen; doch het onderzoek mag daardoor niet worden opgehouden.




2. In het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de opsporing en vervolging van strafbare feiten of op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend, kan de officier van justitie bepalen dat van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt. Indien tijdens het onderzoek ter terechtzitting nog stukken bij de processtukken worden gevoegd, kan het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak wordt vervolgd ambtshalve, op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of van de benadeelde partij overeenkomstig de voorgaande volzin beslissen.





3. De verdachte wordt in het geval, bedoeld in het tweede lid, eerste volzin, schriftelijk medegedeeld dat hem van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen afschrift wordt verstrekt.”


8. Voor de beoordeling van het middel is het onderscheid tussen de begrippen ‘processtukken’ en ‘procesdossier’ van belang. In de definitie van het eerste begrip is het relevantie-criterium onderscheidend. Elk stuk dat relevant is voor de door de rechter ter terechtzitting te nemen beslissingen, is een processtuk, zo volgt uit artikel 149a lid 2 Sv. De regeling strekt ertoe dat alle processtukken toegankelijk zijn voor de verdachte. Voordat de verdachte toegang kan krijgen tot een bepaald stuk, is eerst nog een handeling nodig. Het stuk moet door een daartoe bevoegde autoriteit worden aangemerkt als een processtuk en worden gevoegd bij ‘de processtukken’, waarvan de verdachte op grond van artikel 30 Sv mag kennisnemen. Het is tijdens het opsporingsonderzoek de verantwoordelijkheid van de officier van justitie om de relevante stukken te selecteren en op die manier de processtukken samen te stellen. Na het begin van het onderzoek ter terechtzitting gaat die verantwoordelijkheid over op de zittingsrechter.

9. In verband met de term ‘processtukken’ wordt vaak ook de term ‘procesdossier’ gebruikt. Dit begrip is niet gedefinieerd in het Wetboek van Strafvordering, maar ons strafvorderlijk systeem kan eigenlijk niet goed zonder. De wet hanteert namelijk de meervoudsvorm ‘processtukken’ en spreekt ook van het ‘bij de processtukken voegen’ van een processtuk. Daarmee wordt het bestaan van een bepaalde verzameling processtukken verondersteld. Meestal wordt met deze term verwezen naar de verzameling van (proces)stukken waarvan vaststaat dat deze voor alle procesdeelnemers toegankelijk zijn, en op basis waarvan de strafzaak tegen de verdachte wordt of zal worden gevoerd. Het betreft, met andere woorden, de stukken die als processtukken zijn aangemerkt door de officier van justitie of de rechter en als zodanig door alle betrokken partijen zijn te raadplegen. Dat noem ik hier de definitie van het begrip ‘procesdossier in brede zin’. Het is niet de enige manier waarop deze term in de praktijk wordt gebruikt. Over een tweede definitie van dit begrip kom ik hieronder te spreken.

10. Artikel 30 en 32 Sv regelen het recht van de verdachte op kennisneming en het verkrijgen van een afschrift van de processtukken. Op grond van artikel 32 lid 2 Sv kunnen de officier van justitie (tijdens het opsporingsonderzoek) of de rechter (in de fase van het onderzoek ter terechtzitting) ervoor kiezen géén afschrift aan de verdachte en zijn advocaat te verstrekken indien de in die bepaling genoemde belangen zich daartegen verzetten. De stukken kunnen dan op locatie worden ingezien. Zo worden de belangen beschermd die artikel 32 lid 2 Sv noemt (onder meer de bescherming van de persoonlijke levenssfeer), zonder dat het recht op kennisneming van de processtukken wezenlijk wordt ingeperkt.

11. Wanneer het Openbaar Ministerie iemand vervolgt voor het bezit en/of vervaardigen van afbeeldingen van seksueel kindermisbruik, zijn de betreffende afbeeldingen zelf zonder twijfel van belang voor de beslissingen die de rechter moet nemen. Voor zover de tenlastelegging deze afbeeldingen bestrijkt, kunnen zij – behalve stukken van overtuiging óók – processtukken in de zin van de wet zijn. Tegelijk is het onwenselijk om een afschrift van die afbeeldingen te verstrekken. Artikel 32 lid 2 Sv maakt mogelijk dat de afbeeldingen wel als processtuk worden aangemerkt en dus wel door de verdachte en zijn advocaat (moeten) kunnen worden ingezien, maar niet in hun bezit terechtkomen.

12. Gelet op de mogelijkheid om van bepaalde processtukken geen afschrift te verstrekken, kan het begrip 'procesdossier' of ‘dossier’ nog op een tweede, meer beperkte manier worden gebruikt. Het gaat dan om de verzameling processtukken waarvan een afschrift is verstrekt en die de verdediging en de rechter dus fysiek (of digitaal) onder zich hebben. Het verschil tussen het begrip ‘procesdossier in brede zin’ en het hier bedoelde begrip ‘procesdossier in enge zin’ is dan dus dat het eerste wél en het tweede niet de processtukken bevat die bijvoorbeeld om zwaarwichtige redenen op een veilige locatie worden bewaard en onder toezicht kunnen worden ingezien.



De beoordeling van het eerste middel

13. In deze zaak is het, zo begrijp ik, als volgt gegaan. In eerste aanleg heeft de officier van justitie tussen de regiezitting van 28 juni 2016 en de inhoudelijke behandeling op 17 april 2018 verschillende processen-verbaal laten opstellen en deze vervolgens verstrekt aan de verdediging en de rechtbank. Dit betreft onder meer de processen-verbaal met nummers 2016228368-09 respectievelijk -10 van 7 november 2016 opgesteld door [verbalisant 1] en een proces-verbaal met nummer 20162283681 van 21 december 2016 opgesteld door [verbalisant 2] . De voorzitter van de rechtbank deelde op het onderzoek ter terechtzitting van 17 april 2018 mede dat deze stukken sinds de regiezitting aan het dossier waren toegevoegd, maar merkte vervolgens direct op dat de officier van justitie de processenverbaal met nummers 2016228368-10 en 2016228368-1 voorafgaand aan de zitting weer uit het dossier had verwijderd. De reden daarvoor was dat de processen-verbaal afbeeldingen bevatten “waarvan het bezit wettelijk verboden is”, oftewel afbeeldingen van seksueel kindermisbruik. Omdat deze stukken weer door de officier van justitie waren ingenomen, besloot de rechtbank het onderzoek ter terechtzitting te schorsen en aanvullend (vervangend) onderzoek te laten verrichten. Dat resulteerde in twee nieuwe processen-verbaal met louter beschrijvingen van de foto’s.

14. Uit het proces-verbaal van de inhoudelijke behandeling in hoger beroep leid ik af dat de raadsman toen nog steeds beschikte over de in eerste aanleg uit het procesdossier verwijderde processen-verbaal met afbeeldingen van kindermisbruik, maar dat die foto’s geen onderdeel uitmaakten van het procesdossier waarover het hof beschikte. Het dossier bevatte volgens de voorzitter wel een beschrijving van alle 34 relevante foto’s. De voorzitter merkte ter terechtzitting verder op dat de foto’s wel waren opgenomen in de toonmap waarover de advocaat-generaal beschikte, maar dat het hof deze nog niet had bekeken. Uiteindelijk toonde en besprak het hof op de terechtzitting alleen de drie in de tenlastelegging beschreven foto’s en nam het geen kennis van de overige foto’s. De raadsman merkte over deze gang van zaken op dat “de verdediging er op zich geen probleem mee heeft dat het hof bedoelde foto’s thans niet zal toevoegen aan het procesdossier.”

15. Ik begrijp het oordeel van het hof aldus dat het hof met de mededeling bij monde van zijn voorzitter dat de relevante afbeeldingen geen onderdeel uitmaakten van het ‘procesdossier’, doelde op het dossier waarover het zelf (fysiek of digitaal) de beschikking had, oftewel het ‘procesdossier in enge zin’ (zie randnummer 12). Het ligt dan voor de hand dat het hof heeft geoordeeld dat de foto’s als zodanig wel processtukken zijn, maar dat het de bedoeling was dat daarvan geen afschrift zou worden verstrekt aan de verdediging (en de rechter). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. Bij die stand van zaken is het verwijderen van de foto’s uit het dossier (in enge zin) ook niet in strijd met de wet of de beginselen van een behoorlijke procesorde.

16. Het middel faalt.



Het tweede middel


17. Dit middel ziet op de bewijsmotivering en bevat twee deelklachten. De steller van het middel klaagt over (i) schending van de onschuldpresumptie en (ii) het oordeel dat de verdachte het feit heeft medegepleegd.




De bewezenverklaring en bewijsmotivering

18. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte:



“in de periode van mei 2006 tot en met januari 2007 te [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander, meermalen afbeeldingen, te weten foto’s heeft vervaardigd,


terwijl op die afbeeldingen seksuele gedragingen zichtbaar zijn, waarbij telkens een persoon die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1998, was betrokken,


welke voornoemde seksuele gedraging – zakelijk weergegeven – bestond uit:


het betasten en/of aanraken van de borsten van een ander persoon door die [slachtoffer] , met de mond,


(te weten een afbeelding met bestandsnaam HH Public Sample 001.jpg en LC-351904 en LC-351905)”



19. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:


“Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman, overeenkomstig de overgelegde pleitnota, bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken. Daartoe is samengevat aangevoerd dat de tenlastegelegde afbeeldingen niet kunnen worden aangemerkt als kinderporno; de tenlastegelegde afbeeldingen bevatten op zichzelf geen seksuele gedraging. Ook uit de wijze van het tot stand komen van de tenlastegelegde afbeeldingen kan niet worden geconcludeerd dat deze onmiskenbaar strekken tot het opwekken van een seksuele prikkeling. Verder stelt de verdediging dat uit het dossier volgt dat [medeverdachte] de foto’s heeft genomen en dat medeplegen niet kan worden bewezen, hetgeen wel nodig is om tot een veroordeling van de verdachte te komen. Uit het enkele feit dat de verdachte (mede) op de afbeeldingen is te zien, kan niet volgen dat er van samenwerking ten aanzien van de totstandkoming van de foto’s sprake is.




Het hof overweegt als volgt.




Inleiding

In maart 2012 ontving het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme van de nationale recherche (hierna: TBKK) afbeeldingen van de Deense politie, waarop onder andere een man, een vrouw, drie jongens en twee meisjes in wisselende samenstellingen te zien waren. Een aantal van die afbeeldingen werd aangemerkt als kinderporno. Op de afbeeldingen waren aanwijzingen te zien dat deze in Nederland zouden zijn gemaakt. Door het TBKK werd een onderzoek ingesteld naar de herkomst van die foto’s. Op de foto’s werden onder andere de verdachte, haar dochter [slachtoffer] en haar partner [medeverdachte] , herkend. Op 17 juni 2013 werden de verdachte en [medeverdachte] aangehouden.




Bewijsmiddelen

Tijdens het onderzoek werden de foto’s bekeken. Een aantal zijn genoemd respectievelijk beschreven met volgnummers 1 tot en met 34 in de proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 respectievelijk -5. De afbeeldingen met de bestandsnamen HH Public Sample 001jpg (het hof begrijpt: volgnummer 16), LC-351904 (het hof begrijpt: volgnummer 3) en LC-351905 (het hof begrijpt: volgnummer 2) werden door [verbalisant 1] , destijds werkzaam als gecertificeerd kinderpornorechercheur, als kinderpornografisch aangemerkt. Op deze afbeeldingen zijn te zien de verdachte en [slachtoffer] . [slachtoffer] ligt rechts van de verdachte en [slachtoffer] heeft de tepel van de rechterborst van de verdachte in haar mond. De verdachte heeft met haar rechterhand het hoofd van haar dochter vast. [slachtoffer] ’s bovenlichaam is ontbloot. Deze foto met volgnummer 3 is nagenoeg identiek aan de foto met volgnummer 2. Verder is de foto met volgnummer 16 identiek aan de foto met volgnummer 2.





Uit onderzoek op basis van zogenaamde exif-informatie is gebleken dat de afbeeldingen LC-351904 (volgnummer 3) en LC-351905 (volgnummer 2) werden gemaakt op - respectievelijk - 2004-01-09 om 07:35:15 uur en 2004-01-09 om 07:35:28 uur. Uit de exif informatie volgt verder dat op 2004-01-09 tussen 07:15:40 uur en 07:50:54 uur in totaal 14 foto’s werden gemaakt. Al deze foto’s werden in het politieonderzoek als kinderpornografisch aangemerkt. Hieronder volgt, met uitzondering van de hiervoor beschreven foto’s met volgnummers 2 en 3, een beschrijving van die foto’s:





- Foto met volgnummer 28: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een zitbank. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar rechterhand onder haar hoofd, de linkerhand in haar zij, heeft haar linkerbeen opgetrokken en draagt een wit onderbroekje met een roze bies en een afbeelding van een blauw bloemetje. Het camerastandpunt is gericht op de borsten en het kruis van het meisje. Volgens de exif informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 07:15:40 uur.





- Foto met volgnummer 34: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit geheel ontkleed op een speelkleed. Het meisje betast met haar rechterhand haar vagina en houdt met haar linkerhand haar blauwe onderbroekje vast. Deze foto is volgens de exif-informatie gemaakt op 2004-01-09 om 07:29:27 uur.





- Foto met volgnummer 4: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Beiden liggen op hun rug in een tweepersoonsbed. Het meisje ligt rechts van haar moeder, heeft haar hoofd naar links, reikt met haar rechterhand naar de rechterborst van haar moeder. Het meisje heeft haar benen opgetrokken en draagt een blauw onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje. Blijkens de exif-informatie is 12 deze foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:35:05.





- Foto met volgnummer 1: afgebeeld zijn de verdachte en [slachtoffer] . Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken, houdt met beide handen haar voeten vast en kijkt tussen haar benen door in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje en heeft een ontbloot bovenlichaam. Het camerastandpunt is gericht op het kruis van het meisje. Naast haar ligt haar moeder, de verdachte. Zij heeft dezelfde houding als haar dochter [slachtoffer] . Uit de exif-informatie volgt dat de foto is genomen op 2004-01-09 om 7:36:17 uur.





- Foto met volgnummer 27: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, heeft haar benen opgetrokken en kijkt daar tussendoor in de camera. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij in de knieholte heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de anus en vagina van het meisje. Volgens de exif-informatie is deze foto genomen op 2004-01-09 om 7:41:09.





- Foto met volgnummer 29: op deze afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug en heeft haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij met beide handjes omlaag brengt. Het camerastandpunt is gerecht op de vagina van het meisje. De foto is volgens de exif-informatie genomen op 2004-01-09 op 7:41:25.





- Foto met volgnummer 14: het meisje ligt op een bed. Het meisje ligt op haar rug, met haar benen gespreid. Ze draagt een blauw onderbroekje dat zij op haar enkels heeft zitten. Het camerastandpunt is gericht op de vagina van het meisje. Het meisje is [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [plaats] . Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 07:42:22.





- Foto met volgnummer 11: op deze foto staat [slachtoffer] . Op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurige onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers haar grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes. De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:38.





- Foto met volgnummer 13: het meisje staat met de rug naar de camera, er is ingezoomd op haar billen en de bovenkant van haar lichtblauwe onderbroekje zit ter hoogte van haar knieën. Met haar handen steunt ze op de achterkant van een bed. Het afgebeelde meisje is [slachtoffer] . Volgens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:42:42.





- Foto met volgnummer 12: op de afbeelding is ingezoomd op de vagina van [slachtoffer] welke alleen zichtbaar is. Het meisje heeft het rechterpijpje van haar blauwkleurig onderbroekje naar links geschoven en trekt met haar vingers de grote schaamlipjes uit elkaar waardoor er zicht is op haar kleine schaamlipjes. De foto is volgens exif-informatie genomen op 2004-01-09 om 07:43:14.





- Foto met volgnummer 9: het is een afbeelding van de vagina van [slachtoffer] . Het meisje ligt op haar rug met opgetrokken benen. Het meisje trekt met haar vingers haar vagina open. Blijkens exif-informatie is de foto genomen op 2004-01-09 om 7:44:12 uur.





- Foto met volgnummer 30: op deze foto afbeelding staat [slachtoffer] afgebeeld. Het meisje zit met haar knieën op een bed. Het meisje heeft haar bovenlichaam ontbloot en draagt een roze onderbroekje. Het camerastandpunt is gericht op de borstjes van het meisje. Het meisje steekt haar tong uit en houdt deze in de linker mondhoek. Volgens exif-informatie is de foto gemaakt op 2004-01-09 om 7:50:54.






[slachtoffer] is, zoals hiervoor al is vermeld, geboren op [geboortedatum] 1998.





In het herziene rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 11 mei 2023 is onderzoek gedaan naar de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de metadata, en in het bijzonder de tijdstempels, aanwezig in de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004. Op 10 oktober 2022 is volgens opgaaf de meest origineel beschikbare versie van het onderzoeksmateriaal, als collectie van 353 fotobestanden [AAPT7154NL] waarvan het grootste deel ook exif-metadata bevat, bij het Nederlands Forensisch Instituut aangeleverd. Deze collectie bevat 110 bestanden met een tijdstempel van 9 januari 2004. In het onderzoek is gebruik gemaakt van de volgende hypothesen:





Hypothese B1: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen (ongeveer) overeen met het moment van opname van foto’s.





Hypothese B2: De tijdstempels in de fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004, komen niet overeen met het moment van opname van de foto’s.





Uit het onderzoek volgt dat de bevindingen van het onderzoek van de aangeleverde fotobestanden [AAPT7154NL] die een tijdstempel hebben van 9 januari 2004 zeer veel waarschijnlijker zijn wanneer hypothese B2 waar is, dan wanneer hypothese B1 waar is.





Verder volgt samenvattend uit het onderzoek dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metabestanden die zijn gemaakt met een Kodak DX7630. Er zijn binnen het onderzoek geen aanwijzingen gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif-tijdstempeldatum 9 januari 2004.





Aan de verdachte zijn in haar verhoor bij de politie op 18 juni 2013 16 foto’s getoond. De getoonde foto’s komen overeen met de nummers in het proces-verbaal beeldmateriaal van het KLPD. In het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018 is nader uitgewerkt welke foto’s aan de verdachte en [medeverdachte] zijn getoond. Dat betreffen de foto’s 1 tot en met 16 uit dit proces-verbaal waarbij de nummering in de tabellen is bijgevoegd. De verdachte heeft in haar verhoor bij de politie verklaard dat zij vanaf mei 2006 tot januari 2007 woonde aan de [a-straat 1] te [plaats] . Haar partner [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) kwam daar geregeld. Zij heeft verder verklaard dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 zijn gemaakt op de [a-straat] en dat zij zich deze foto’s kan herinneren omdat zij daar zelf bij was. Uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat de foto’s met nummering 1 tot en met 6 de foto’s uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4, 2, 15 en 13 betreffen. De foto’s waar de verdachte zelf op staat, zijn volgens haar gemaakt in 2006. In haar verhoor bij de politie op 20 maart 2023 heeft de verdachte met betrekking tot de foto’s met volgnummers 17-34 verklaard dat zij geen manipulatie ziet.






[medeverdachte] heeft in zijn verhoor bij de politie verklaard dat hij de foto’s 1, 2, 3 en 4 heeft gemaakt. Dat zijn blijkens het proces-verbaal van bevindingen de foto’s met respectievelijk volgnummers 3, 1, 4 en 2. Verder heeft hij verklaard dat hij een onderbroekenfetisj had en een dwangmatige verzamelaar is van afbeeldingen van meisjes en vrouwen in onderbroeken.





Op 24 oktober 2023 is [slachtoffer] gehoord bij de raadsheer-commissaris. Daar heeft zij onder meer verklaard dat zij zich kan herinneren dat er naaktfoto’s van haar zijn gemaakt als kind zijnde, dat [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] ) deze foto’s maakte en dat [verdachte] (het hof begrijpt: de verdachte) hierbij stond. Daarnaast heeft zij verklaard dat zij zich de situatie kan herinneren dat zij op een bed ligt met haar knieën omhoog waarbij haar onderlichaam is ontkleed. Verder heeft zij verklaard dat zij zich kan herinneren dat er foto’s van haar vagina zijn gemaakt. Ze lag dan op bed en er werden foto’s gemaakt. [medeverdachte] spreidde haar schaamlippen, en maakte dan met één hand de foto. Haar moeder (het hof begrijpt: de verdachte) was er ook bij als er zo’n foto van haar vagina werd gemaakt.




Bewijsoverwegingen



Seksuele gedraging

Het hof heeft de tenlastegelegde afbeeldingen, mede op verzoek van de verdediging, in raadkamer bekeken. Daarbij heeft het hof waargenomen dat de afbeeldingen van onderaf in een ongebruikelijk camerastandpunt zijn genomen. Op de afbeeldingen zijn de ontblote bovenlichamen van de verdachte en [slachtoffer] te zien. De verdachte heeft haar hand op het achterhoofd van [slachtoffer] en duwt/houdt [slachtoffer] hiermee in de gefotografeerde positie. Het hof neemt verder waar dat de verdachte haar mond gedeeltelijk open heeft, dat zij haar hoofd (deels) heeft weggedraaid en dat haar ogen (op een van de twee afbeeldingen) naar boven zijn gedraaid. Verder heeft het hof waargenomen, gelijk de verbalisanten hebben gerelateerd, dat [slachtoffer] de tepel van de verdachte in haar mond heeft. Het hof is gelet op het voorgaande, in tegenstelling tot de verdediging, maar met gecertificeerd kinderpornorechercheur [verbalisant 1] , van oordeel dat de tenlastegelegde afbeeldingen wel degelijk afbeeldingen zijn met daarop een gedraging die van expliciet seksuele aard is en derhalve als kinderpornografisch kunnen worden aangemerkt. Dat de afbeeldingen van kinderpornografische aard zijn, vindt bovendien bevestiging in het feit dat deze afbeeldingen onderdeel uitmaken van een reeks van 14 afbeeldingen welke in een tijdsbestek van ongeveer 35 minuten zijn gemaakt en welke overige afbeeldingen eveneens als kinderpornografisch zijn aangemerkt. Met betrekking tot het moment waarop en de locatie waar de afbeeldingen zijn gemaakt, gaat het hof weliswaar uit van de verklaring van de verdachte, voor zover inhoudende dat de foto’s waarop zij zelf is te zien, zijn gemaakt aan de [a-straat] in [plaats] en dat zij daar woonachtig was in de periode van mei 2006 tot januari 2007. Daarmee wordt bevestigd hetgeen is gerelateerd in voormeld rapport van het NFI van 11 mei 2023, te weten dat de tijdstempels van de afbeeldingen (zeer veel waarschijnlijker) niet overeenkomen met het moment van het maken van de foto’s. Anders dan de verdediging heeft betoogd, is het hof echter van oordeel dat die afbeeldingen wel zijn gemaakt in een tijdsbestek van 35 minuten. Het hof wijst daarbij op de conclusie van het NFI daaromtrent, namelijk dat de metadata eruit zien zoals je zou verwachten bij originele, niet aangepaste metadata van fotobestanden en er geen aanwijzingen zijn gevonden die wijzen op manipulatie van de tijdstempels en metadata in de fotobestanden met exif- tijdstempeldatum 9 januari 2004. Dat de verdachte niet alleen aanwezig was bij de tenlastegelegde afbeeldingen, maar ook bij het maken van voormelde overige (kinderpornografische) afbeeldingen, vindt zijn bevestiging in de hiervoor bij het bewijs opgenomen verklaring van [slachtoffer] bij de raadsheer-commissaris. Het verweer van de verdediging, voor zover inhoudende dat die verklaring van [slachtoffer] ziet op een later moment en aldus niet op de overige hiervoor genoemde afbeeldingen, wordt door het hof niet gevolgd. [slachtoffer] heeft in haar verhoor bij de raadsheer-commissaris immers verklaard dat zij zich een situatie zoals afgebeeld op een van de foto’s kon herinneren, maar dat zij dacht dat ze op dat moment ouder was. Ook heeft zij verklaard dat zij niet zeker weet hoe oud ze was en dat ze eerder in het verhoor gokte dat ze toen ongeveer 12 jaar moet zijn geweest. Ten slotte maakt de door [slachtoffer] geschetste context waarin het maken van de foto’s plaatsvond - welke context overeenkomt met de inhoud van de hiervoor omschreven pornografische afbeeldingen - dat het hof van oordeel is dat [slachtoffer] in haar verhoor voormelde afbeeldingen, waarbij zij ongeveer 8/9 jaar oud was, heeft bedoeld.




Medeplegen

Met betrekking tot het door de verdediging gevoerde verweer omtrent het medeplegen, overweegt het hof nog als volgt. Uit de bewijsmiddelen komt naar voren dat [medeverdachte] de tenlastegelegde afbeeldingen, waarop zowel de verdachte als [slachtoffer] zijn te zien, heeft genomen. Het hof is van oordeel dat er op die afbeeldingen doelbewust is geposeerd en dat er geen sprake was van een spontaan ‘grappig’ moment, zoals de verdediging heeft betoogd. Daarbij wijst het hof onder meer op de setting waarin de afbeeldingen zijn genomen, namelijk op een bed, waarbij zowel het bovenlijf van [slachtoffer] als van de verdachte is ontbloot, maar ook op de (seksuele) pose die door zowel de verdachte als [slachtoffer] daarop zijn aangenomen. Naar ‘s hofs oordeel kan het de verdachte niet zijn ontgaan dat deze afbeeldingen door [medeverdachte] zijn genomen, mede gelet op haar aanwezigheid bij de andere 12 in een totaal tijdsbestek van 35 minuten genomen kinderpornografische afbeeldingen van [slachtoffer] . Dat maakt dat het hof van oordeel is dat sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [medeverdachte] bij het bewezenverklaarde feit, die in de kern bestaat uit een gezamenlijke uitvoering. Daarmee acht het hof het tenlastegelegde medeplegen bewezen. Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.





Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan zoals in de bewezenverklaring van de rechtbank is vermeld.”




Een nadere omschrijving van de eerste deelklacht


20. De eerste deelklacht van het middel houdt in dat de onschuldpresumptie is geschonden, omdat het hof (beschrijvingen van) foto’s voor het bewijs heeft gebruikt, terwijl de verdachte door de rechtbank juist was vrijgesproken van het (medeplegen van) het vervaardigen van die foto’s.




De bespreking van de eerste deelklacht


21. De rechtbank heeft de verdachte in eerste aanleg vrijgesproken van het vervaardigen van een aantal in de tenlastelegging als ‘kinderpornografie’ omschreven afbeeldingen, omdat niet kon worden vastgesteld wie deze foto’s had gemaakt en of de verdachte daarbij een rol had gespeeld. De verdachte heeft aanvankelijk onbeperkt hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar heeft bij akte tijdig het hoger beroep ingetrokken voor zover het tegen deze vrijspraak was gericht. Het hof heeft omtrent de omvang van het beroep overwogen dat dit gedeelte van de tenlastelegging niet aan zijn oordeel is onderworpen. Het hof heeft (de beschrijvingen van) die foto’s dan ook niet voor het bewijs gebruikt. De eerste deelklacht mist feitelijke grondslag en faalt alleen al daarom.




Een nadere omschrijving van de tweede deelklacht


22. De tweede deelklacht ziet op het bewijs van het medeplegen en houdt in dat uit het bewijs niet het vereiste (dubbele) opzet op zowel het grondfeit als de nauwe en bewuste samenwerking kan worden afgeleid.




De bespreking van de tweede deelklacht


23. Het hof is van oordeel dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte de in de bewezenverklaring bedoelde twee afbeeldingen heeft gemaakt. Dat onderbouwt het hof allereerst met zijn vaststelling dat er op deze (twee) afbeeldingen uit een serie (van veertien) afbeeldingen waarop de verdachte en het slachtoffer zichtbaar zijn, doelbewust is geposeerd. Die vaststelling baseert het hof op de setting waarin de foto’s zijn genomen en de (seksuele) poses die de verdachte en het slachtoffer daarop aannemen. Verder oordeelt het hof in dit verband dat de verdachte wist dat de medeverdachte de foto’s van hen nam en dat het foto’s van een ‘seksuele gedraging’ waren. Daarbij betrekt het hof dat (uit de verklaring van het slachtoffer volgt dat) de verdachte aanwezig was terwijl de medeverdachte seksueel getinte foto’s van het slachtoffer maakte. Het oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.




Het derde middel


24. Het derde middel houdt in dat de strafoplegging verbazing wekt (en dus onbegrijpelijk is), in het licht van de strafoplegging door de rechtbank, het strafmaatverweer van de raadsman en de eis van de advocaat-generaal.




De strafmotivering en strafoplegging


25. Het arrest bevat de volgende strafmotivering:




“De advocaat-generaal heeft gevorderd aan de verdachte een taakstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis, en een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen, waarvan 180 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren, op te leggen.





De raadsman van de verdachte heeft bepleit aan de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen.





Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.





Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan het samen met haar partner medeplegen van het vervaardigen van kinderpornografische afbeeldingen van haar destijds minderjarige dochter [slachtoffer] . De afbeeldingen zijn onderdeel van een reeks van afbeeldingen waarin [slachtoffer] poseerde in seksueel prikkelende houdingen en die zijn ontdekt tijdens een onderzoek naar kinderporno op het internet door de Deense autoriteiten. Uit dat onderzoek is gebleken dat de afbeeldingen van [slachtoffer] via het internet zijn verspreid en door verzamelaars van kinderporno worden gedeeld. Het hof is van oordeel dat de verdachte haar zeer jonge dochter heeft misbruikt ten behoeve van de perverse seksuele behoeften van haar toenmalige maar ook nog huidige partner. Hierbij merkt het hof op dat [slachtoffer] kennelijk om aan de fetisj van de medeverdachte tegemoet te komen, heeft geposeerd in verschillende onderbroeken. Het is weerzinwekkend dat de verdachte eraan heeft meegewerkt dat haar dochter, in alle onschuld en totaal onwetend, op deze wijze is gefotografeerd en geëxploiteerd. Zij heeft daarmee het vertrouwen dat een kind in een ouder moet kunnen hebben op zeer ernstige wijze misbruikt en heeft slechts oog gehad voor haar eigen seksuele verlangens en/of die van haar partner. Daar komt bij dat het een feit van algemene bekendheid is dat slachtoffers van een feit als het onderhavige gedurende lange tijd de negatieve psychische gevolgen kunnen ervaren. [slachtoffer] heeft bij de raadsheer-commissaris verklaard dat haar moeder haar heeft bedreigd dat ze niks over de zaak mocht vertellen en dat haar leven een hel zou worden als ze dat wel zou doen. Het hof neemt dit de verdachte bijzonder kwalijk.





Ten aanzien van de persoon, van de verdachte heeft het hof acht geslagen op de inhoud van het haar betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 februari 2024, waaruit volgt dat zij niet eerder ter zake van strafbare feiten is veroordeeld.





Tevens heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.





Het hof heeft daarnaast acht geslagen op de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS), waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid zijn neerslag heeft gevonden. Deze oriëntatiepunten gaan bij het vervaardigen van kinderporno uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren.





Naar het oordeel van het hof kan - gelet op de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheid dat de verdachte naar ’s hofs oordeel geen enkele verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen - niet worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.





Alles afwegende acht het hof oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest, in beginsel passend en geboden.





Met betrekking tot het procesverloop overweegt het hof het navolgende.





Het hof stelt voorop dat iedere verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn of haar zaak binnen een redelijke termijn. Deze waarborg strekt er onder mee toe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.





Het hof stelt vast dat in eerste aanleg en in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden, te weten een overschrijding van in totaal ongeveer 7 jaren. Het hof zal deze overschrijding van de redelijke termijn verdisconteren in de op te leggen straf.





Zoals hiervoor overwogen is het hof van oordeel dat zonder schending van de redelijke termijn een gevangenisstraf voor de duur van één jaar passend en geboden is. Nu de redelijke termijn is geschonden, zal worden volstaan met een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. In hetgeen de raadsman heeft bepleit, ziet het hof geen redenen om anderszins te beslissen.”




De bespreking van het derde middel

26. De feitenrechter komt bij de beslissing over de strafoplegging veel vrijheid toe. Dat brengt mee dat de Hoge Raad zich (zeer) terughoudend opstelt bij het toetsen van de motivering van die beslissing. Slechts in uitzonderlijke gevallen grijpt de Hoge Raad in om de reden dat de strafoplegging onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd is.

27. Het hof heeft in de strafmotivering aandacht besteed aan de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, de persoon van de verdachte en de LOVS-oriëntatiepunten voor het vervaardigen van afbeeldingen van seksueel kindermisbruik. Deze oriëntatiepunten gaan bij het vervaardigen van dergelijke afbeeldingen uit van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, zo stelt het hof vast. Het hof overweegt nog in het bijzonder dat niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof komt, na een strafkorting van vier maanden voor overschrijding van de redelijke termijn, tot de oplegging van een gevangenisstraf van acht maanden.

28. De steller van het middel merkt op dat het hof, ondanks het verweer van de raadsman, zonder daaraan een expliciete overweging te wijden, een (aanzienlijk) zwaardere straf heeft opgelegd dan opgelegd door de rechtbank en geëist door de advocaat-generaal. Dat is op zich juist. Tegelijkertijd is de strafoplegging van het hof in het licht van de in de motivering beschreven factoren zeer goed te verklaren. De strafoplegging vind ik dan ook niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.

29. Het middel faalt.



Slotsom

30. De middelen falen. De Hoge Raad kan de middelen afdoen met de aan artikel 81 lid 1 RO ontleende motivering.

31. Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat de redelijke termijn in cassatie is verstreken. Dat moet leiden tot strafvermindering. Verder heb ik ambtshalve geen grond voor vernietiging van de uitspraak van het hof gevonden.

32. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.



De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG





Alleen artikel 149b Sv voorziet in een uitzondering op die regel. Art. 149b Sv luidt met ingang van 1 januari 2013 als volgt: “1. De officier van justitie is bevoegd, indien hij dit met het oog op de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen noodzakelijk acht, de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij de processtukken achterwege te laten. Hij behoeft daartoe een schriftelijke machtiging, op diens vordering te verlenen door de rechter-commissaris. De vordering en de beschikking worden bij de processtukken gevoegd. 2. De officier van justitie doet van de toepassing van het eerste lid en, voor zover de in artikel 187d, eerste lid, vermelde belangen dat toelaten, de redenen waarom, proces-verbaal opmaken. Dit proces-verbaal wordt bij de processtukken gevoegd. 3. Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de in het eerste lid bedoelde stukken.”


Vgl. M.J. Borgers, ‘Processtukken’, DD 2014/1, par. 2.1.


HR 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:155, r.o. 2.5.1-2.5.6.


Zie M.J. Borgers, ‘Processtukken’, DD 2014/1, par. 2.2. Vgl. het Besluit processtukken in strafzaken, Stb. 2016, 359, dat naast een definitie van het begrip ‘procesdossier’ tevens diverse voorschriften voor de fase van het opsporingsonderzoek bevat. Het procesdossier omvat de processtukken die tijdens het opsporingsonderzoek daadwerkelijk zijn of worden gecompileerd.


Vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, VII.4.


De onderwerpelijke afbeeldingen betreffen in deze zaak m.i. in de eerste plaats stukken van overtuiging. De afbeeldingen zijn namelijk de voorwerpen c.q. de gegevens met betrekking tot welke het delict is begaan (de corpora delicti). Zij (althans de gegevensdragers met de afbeeldingen) zijn vatbaar voor inbeslagneming. Het betreft bronnen van (mogelijk belastende) informatie. Echter, aangezien de afbeeldingen tevens (1) naar hun aard geschikt zijn voor compilatie in een dossier/bestandsmap, (2) zich lenen voor verveelvoudiging en (3) relevant (kunnen) zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen, kunnen de afbeeldingen ‘van kleur verschieten’ en behalve als ‘stukken van overtuiging’ m.i. in zoverre ook worden aangemerkt als ‘processtukken’. Ik werk dit punt niet nader uit, omdat het middel daartoe niet noopt. Zie over het onderscheid en de overlap tussen de begrippen ‘processtuk’ en ‘stuk van overtuiging’: G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 242.


Zie hierover Kamerstukken II 2009/10, 32468, nr. 3, p. 32, en Kamerstukken II 2010/11, 32468, nr. 6, p. 23. Zie ook G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 272. De Aanwijzing kinderpornografie (2024A006) van het College van procureurs-generaal, Stcrt. 2024, 20757, bevat voorschriften voor de verwerking van afbeeldingen van seksueel kindermisbruik ten behoeve van een rechtszaak (weergegeven onder 2.4 van de aanwijzing). Het uitgangspunt van het OM is dat dergelijk materiaal geen onderdeel wordt van ‘het procesdossier’. Wel wordt een ‘toonmap’ samengesteld met (een deel van) de strafbare afbeeldingen. Deze toonmap wordt ter beschikking gesteld aan de officier van justitie (of advocaat-generaal) die deze (als stuk van overtuiging) zo nodig voorafgaand aan of op de zitting aan de rechter en de verdediging kan tonen.



Zie voor de redenen voor het opstellen van de processen-verbaal het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting van 28 juni 2016.


Een blik achter de papieren muur leert dat het proces-verbaal met nummer 2016228368-10 naar alle waarschijnlijkheid een fotobijlage behorend bij het proces-verbaal met nummer 2016228368-09 was. De fotobijlage (nr. 10) zit niet in het dossier zoals toegezonden aan de Hoge Raad. Het proces-verbaal met nummer 2016228368-1 zit nog wel in het dossier, maar daaruit zijn de pagina’s verwijderd die blijkbaar oorspronkelijk afbeeldingen toonden.


Processen-verbaal van 26 april 2018, proces-verbaalnummer PL2300-2016228368-4 respectievelijk -5.


De raadsman wees immers op het proces-verbaal van [verbalisant 1] d.d. 7 november 2016, waarin staat vermeld dat de foto’s daarbij zijn gevoegd. De voorzitter van het hof merkte op dat het dossier waarover het hof beschikt, alleen een proces-verbaal bevat met de beschrijvingen van de foto’s en niet de foto’s zelf.


De voetnoten, waarin het hof verwijzingen naar onderliggende bewijsmiddelen heeft opgenomen, laat ik weg in het citaat.


Vonnis, p. 10: “te weten een afbeelding met bestandnaam LC-351751 en/of een afbeelding met bestandsnaam LC-351752 en/of een afbeelding met bestandsnaam LC-351753”. De rechtbank overweegt dat deze foto’s niet uit dezelfde serie komen als de reeks foto’s die wel door de rechtbank en het hof voor het bewijs zijn gebruikt (zie p. 5-6 van het vonnis).


Arrest, p. 1.


Een gevangenisstraf voor de duur van 181 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk en een taakstraf voor de duur van 180 uur.


In HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1641, NJ 2023/131 m.nt. Ten Voorde, rov. 2.3, heeft de Hoge Raad de belangrijkste uitgangspunten hierover samengevat: “In het Nederlandse strafrecht geldt dat de rechter die de zaak behandelt en op basis daarvan over de feiten oordeelt (hierna: de feitenrechter), beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing.

In artikel 359 leden 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. Het in artikel 359 lid 2 Sv neergelegde motiveringsvoorschrift heeft daarnaast zelfstandige betekenis. Dit voorschrift brengt met zich dat de rechter zijn beslissing over de strafoplegging nader moet motiveren als die beslissing afwijkt van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging of het openbaar ministerie.


Aan de rechtspraak van de Hoge Raad ligt ten grondslag dat de verantwoordelijkheid voor de inhoud en de motivering van de straftoemeting in het concrete geval in belangrijke mate bij de feitenrechter ligt. De Hoge Raad stelt zich daarom als cassatierechter terughoudend op bij de beantwoording van de vraag of de motivering van de beslissing over de straftoemeting toereikend is.”


Zie in dit verband over het ‘verbazingscriterium’: G.J.M. Corstens, Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, p. 968 en 972: “De Hoge Raad pleegt pas in te grijpen als de strafoplegging zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Die uitzonderlijke gevallen kunnen niet zelden worden geschaard onder de noemer van het verbazingscriterium. Daarnaast bestaan er verschillende specifieke motiveringsvereisten, die er in meerdere of mindere mate toe nopen dat de rechter verantwoording aflegt over de sanctiebeslissing. […] Als de straf tegen de achtergrond van het bewezen verklaarde feit en de ter terechtzitting naar voren gekomen feiten en omstandigheden waaronder de ad informandum gevoegde feiten, verbazing oproept, is extra motivering vereist. Dit wordt wel het verbazingscriterium genoemd.”