Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:432
2026-04-24
Strafrecht
23/04790
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- nadereConclusie ECLI:NL:HR:2026:890 → ECLI:NL:PHR:2026:432
Inhoudsindicatie
Aanvullende conclusie.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.586 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04790
Zitting 24 april 2026
AANVULLENDE CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte
Tot mijn spijt moet ik constateren dat mijn op 31 maart 2026 genomen conclusie een misslag bevat. Die is niet van invloed op mijn uiteindelijk ingenomen standpunt, maar ik wil hem toch graag herstellen.
In de randnummers 5.2-5.5 heb ik ambtshalve aandacht besteed aan verjaring. Ik kwam toen tot de conclusie dat ten aanzien van feit 1 sprake zou zijn van verjaring.
Dat verjaring op de daar genoemde gronden is ingetreden, is echter onjuist. Ik heb in die overwegingen ten onrechte niet betrokken dat overtreding van art. 328ter Sr met ingang van 1 januari 2015 wordt bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal vier jaren. Dat betekent dat het recht tot strafvervolging op grond van art. 70 lid 1 onder 3 Sr – buiten het geval van de stuiting ervan – verjaart na 12 jaren en dat de absolute verjaringstermijn dus 24 jaren bedraagt. Die 24 jaren zijn nog niet verstreken.
De conclusie dient daarom te worden gelezen met weglating van de randnummers 5.2-5.5.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 23/04790
Zitting 24 april 2026
AANVULLENDE CONCLUSIE
V.M.A. Sinnige
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de verdachte
Tot mijn spijt moet ik constateren dat mijn op 31 maart 2026 genomen conclusie een misslag bevat. Die is niet van invloed op mijn uiteindelijk ingenomen standpunt, maar ik wil hem toch graag herstellen.
In de randnummers 5.2-5.5 heb ik ambtshalve aandacht besteed aan verjaring. Ik kwam toen tot de conclusie dat ten aanzien van feit 1 sprake zou zijn van verjaring.
Dat verjaring op de daar genoemde gronden is ingetreden, is echter onjuist. Ik heb in die overwegingen ten onrechte niet betrokken dat overtreding van art. 328ter Sr met ingang van 1 januari 2015 wordt bedreigd met een gevangenisstraf van maximaal vier jaren. Dat betekent dat het recht tot strafvervolging op grond van art. 70 lid 1 onder 3 Sr – buiten het geval van de stuiting ervan – verjaart na 12 jaren en dat de absolute verjaringstermijn dus 24 jaren bedraagt. Die 24 jaren zijn nog niet verstreken.
De conclusie dient daarom te worden gelezen met weglating van de randnummers 5.2-5.5.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G