Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:350

2026-03-31 Civiel recht; Personen- en familierecht 25/04601
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-03-31
Publicatiedatum
2026-03-30
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/04601
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Wvggz. Maximale duur nieuwe zorgmachtiging; moment vervallen eerdere zorgmachtiging (art. 6:6 lid 2 Wvggz).

Citeert (8)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.939 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 25/04601

Zitting 31 maart 2026




CONCLUSIE



B.J. Drijber




In de zaak van





[betrokkene]
,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: mr. G.E.M. Later,



tegen




De officier van Justitie in het Arrondissementsparket Noord-Holland,
hierna: officier van justitie
verweerder in cassatie,
niet verschenen.







1Inleiding en samenvatting

1.1
In deze Wvggz-zaak heeft de rechtbank een nieuwe zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden. De rechtbank heeft op het verzoek van de officier van justitie beslist nadat de einddatum van de bestaande zorgmachtiging, die voor zes maanden was verleend, was verstreken. Volgens het middel was de verleende nieuwe zorgmachtiging daarom geen aansluitende zorgmachtiging. Dat betekent dat de nieuwe zorgmachtiging niet voor twaalf maanden, maar slechts voor maximaal zes maanden kon worden verleend.


1.2
De problematiek van het niet tijdig beslissen op een verzoek tot verlening van een opvolgende zorgmachtiging komt regelmatig voor. Ik verwijs onder meer naar mijn op 27 maart 2026 genomen conclusie in zaak 25/02737 ([…]). In die zaak had de officier van justitie zeven weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de bestaande zorgmachtiging een verzoek ingediend voor een nieuwe zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden. Toch kwam de beslissing van de rechtbank te laat omdat de beslistermijn van drie weken was verstreken en de eerdere zorgmachtiging daardoor was vervallen. Van een op de eerdere machtiging direct aansluitende zorgmachtiging was dus geen sprake. Een nieuwe zorgmachtiging kon niet voor maximaal twaalf maanden worden verleend, maar maximaal voor zes maanden.


1.3

In de onderhavige zaak is het verzoek om een nieuwe zorgmachtiging ingediend kort voor het einde van de termijn van zes maanden waarvoor de eerdere zorgmachtiging was verleend. Vervolgens is er door de rechtbank binnen drie weken op het verzoek beslist. In de tussentijd was de termijn van de eerdere zorgmachtiging verstreken. Betekent dit nu dat de eerste zorgmachtiging is vervallen en de nieuwe zorgmachtiging derhalve niet een aansluitende zorgmachtiging kan zijn? Het middel beantwoordt die vraag bevestigend. Ik meen dat die vraag ontkennend moet worden beantwoord, gelet op het bepaalde in art. 6:6 lid 2 Wvggz. Ik zal daarom concluderen tot verwerping.


2. Feiten en procesverloop



2.1
Op 3 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar, (hierna: de rechtbank) ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging verleend tot en met uiterlijk 4 oktober 2025.



2.2
Bij verzoekschrift, ingekomen op 1 oktober 2025, heeft de officier van justitie de rechtbank verzocht om een nieuwe zorgmachtiging ten aanzien van betrokkene te verlenen voor de duur van twaalf maanden. Bij het verzoekschrift zijn diverse bijlagen gevoegd, waaronder een eigen plan van aanpak van betrokkene, de medische verklaring van de onafhankelijk psychiater, het zorgplan en de bevindingen van de geneesheer-directeur.



2.3
Op 20 oktober 2025 heeft de mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgevonden. Gehoord zijn betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat, en twee casemanagers GGZ.



2.4
Bij beschikking van 20 oktober 2025 heeft de rechtbank een nieuwe zorgmachtiging verleend voor de duur van twaalf maanden (tot en met 20 oktober 2026) voor diverse vormen van verplichte zorg (hierna: de bestreden beschikking).



2.5
Over de duur van de nieuwe zorgmachtiging overweegt de rechtbank het volgende:


“2.7.1. De advocaat van betrokkene heeft namens betrokkene aangevoerd dat de rechtbank het verzoek had moeten behandelen voor het verstrijken van de expiratiedatum van de eerder verleende zorgmachtiging. Nu dat niet is gebeurd, kan de duur van de machtiging niet langer dan voor zes maanden worden verleend. De advocaat verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar recente jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:1321).



2.7.2.

De rechtbank verwerpt het verweer. De voorafgaande zorgmachtiging, die een duur had van zes maanden en aansloot op een voortzetting crisismaatregel, liep tot en met 4 oktober 2025.
De officier van justitie heeft op 1 oktober 2025 een verzoek ingediend tot het verlenen van een aansluitende zorgmachtiging voor de duur van twaalf maanden. Dit is in overeenstemming met artikel 6:6, tweede lid, van de Wvggz, waaruit volgt dat de officier van justitie tot het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste zorgmachtiging van (maximaal) zes maanden een verzoek tot een aansluitende zorgmachtiging kan indienen bij de rechtbank.
De rechtbank heeft de zaak vervolgens behandeld en uitspraak gedaan op 20 oktober 2025. Dit is in overeenstemming met artikel 6:2, eerste lid, sub e van de Wvggz, waarin staat dat de rechter uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift voor een zorgmachtiging uitspraak doet.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de zorgmachtiging voor twaalf maanden kan worden afgegeven.
Het door de advocaat aangehaalde arrest van de Hoge Raad ziet op een andere situatie, namelijk een geval waarin de rechtbank níet uiterlijk drie weken na ontvangst van het verzoekschrift uitspraak had gedaan.”




2.6
Namens betrokkene is op 12 december 2025 – tijdig – cassatieberoep ingesteld tegen de bestreden beschikking. De officier van justitie heeft geen verweerschrift ingediend.





3Bespreking van het cassatiemiddel

3.1
Het middel klaagt, kort gezegd, dat nu de geldigheidsduur van de eerdere zorgmachtiging al was verstreken op het moment dat de rechtbank een nieuwe zorgmachtiging verleende, van een aansluitende zorgmachtiging geen sprake is en de nieuwe zorgmachtiging slechts kon worden gegeven voor een termijn van maximaal zes maanden.


3.2
Art. 6:5, aanhef en onder a, Wvggz bepaalt, voor zover hier van belang, dat de rechter een zorgmachtiging verleent voor de duur die noodzakelijk is om het doel van verplichte zorg te realiseren, maar maximaal voor zes maanden. Een zorgmachtiging die aansluit op een zorgmachtiging die is verleend voor zes maanden, kan door de rechter worden verleend voor maximaal twaalf maanden (art. 6:5, aanhef en onder b, Wvggz).



3.3
Een zorgmachtiging vervalt indien de geldigheidsduur is verstreken (art. 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz). Indien de officier van justitie een nieuw verzoek voor een zorgmachtiging heeft ingediend voordat de geldigheidsduur ervan is verstreken, vervalt de eerdere zorgmachtiging, in afwijking van artikel 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz, van rechtswege (i) als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of (ii) door het verstrijken van de beslistermijn van drie weken na ontvangst van het verzoekschrift (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz). Bij inachtneming van deze termijnen sluit de nieuwe machtiging aan op de bestaande machtiging als bedoeld in artikel 6:5, aanhef en onder b, Wvggz, en kan de nieuwe zorgmachtiging voor maximaal twaalf maanden worden verleend.



3.4

Kennelijk bepaalde art. 6:6 lid 2 Wvggz vóór de wijziging per 6 november 2021 dat voor elke zorgmachtiging het verzoek van de officier van justitie vier weken van tevoren moest worden ingediend. Deze verplichting is bij de wetswijziging geschrapt voor een zorgmachtiging die aansluit op een eerste zorgmachtiging als bedoeld in art. 6:5, eerste lid, onderdeel a, omdat deze termijn in de praktijk niet goed haalbaar bleek te zijn vanwege de relatief korte geldigheidsduur van een eerste zorgmachtiging (maximaal zes maanden).
Zie Kamerstukken II 2020/21, 35667, nr. 3, p. 15-16 (onderstreping door mij toegevoegd):



“Daarnaast wordt voorgesteld om ten aanzien van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, onderdeel a de verplichting te schrappen dat de officier van justitie uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van een zorgmachtiging een verzoekschrift voor een aansluitende zorgmachtiging moet indienen teneinde de geldigheid van de lopende zorgmachtiging te verlengen totdat de rechter op het nieuwe verzoekschrift heeft beslist. Deze termijn dient, zoals uiteengezet bij tweede nota van wijziging bij de Wvggz, ter nadere waarborging van het belang van betrokkene, die op deze wijze zo snel mogelijk duidelijkheid verkrijgt of zijn zorgtraject zal worden beëindigd of dat verlenging zal worden aangevraagd. Gebleken is echter dat deze termijn ongunstig uitpakt ten opzichte van de relatief korte geldigheidsduur van een eerste zorgmachtiging van maximaal zes maanden. Zeker bij een eerste zorgmachtiging kan de toestand en zorgbehoefte van betrokkene nog danig veranderen, en daarmee ook de noodzakelijke behandeling. Als dan te vroeg moet worden gestart met de voorbereidingen voor een opvolgende zorgmachtiging, kan dat een nadelig effect hebben op zowel betrokkene’s gemoedstoestand als op de inhoud van het zorgplan en het voorstel voor een zorgmachtiging in die fase. Door deze verplichting te schrappen, kan het nieuwe verzoekschrift nog tot de dag voor het verstrijken van de zorgmachtiging worden ingediend, waardoor er ruimte is om de ontwikkeling van betrokkene langer te volgen en de zorgbehoefte op basis van actuelere informatie in het zorgplan te verwerken.”



3.5
De aan de klacht ten grondslag liggende opvatting dat de rechter na het aflopen van de termijn van de eerste zorgmachtiging geen aansluitende zorgmachtiging kan geven, maar uitsluitend een nieuwe zorgmachtiging voor de maximale duur van zes maanden, lijkt mij niet te stroken met het bepaalde in art. 6:6 lid 2 Wvggz. Het volgende is daarvoor redengevend.


3.6
De eerste zin van art. 6:6 lid 2 Wvggz maakt een onderscheid naar gelang de eerdere zorgmachtiging is verleend voor zes maanden of voor twaalf maanden. In het tweede geval is de officier van justitie gehouden zijn verzoek uiterlijk vier weken voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerste zorgmachtiging in te dienen. In het eerste geval geldt een dergelijke termijn niet, en kan het verzoek voor een nieuwe zorgmachtiging ook op een later moment voor het verstrijken van de geldigheidsduur worden ingediend. Dit wettelijk onderscheid, dat blijkens de zojuist geciteerde wetsgeschiedenis bewust is aangebracht, zou weinig zin hebben als ook in het eerste geval de officier van justitie, in het geval dat hij een zorgmachtiging voor twaalf maanden wil verzoeken, feitelijk genoodzaakt zou zijn om het verzoek daartoe ten minste enkele weken vóór het einde van de geldigheidstermijn van de bestaande zorgmachtiging in te dienen zodat de rechtbank voldoende tijd heeft om daarop vóór die datum te beslissen.


3.7
Uit het zinsdeel “vervalt de eerdere zorgmachtiging in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, als de rechter op het verzoekschrift heeft beslist of door het verstrijken van de termijn” volgt dat art. 6:6 lid 2 Wvggz een uitzondering bevat op de regel dat het verstrijken van de geldigheidsduur de zorgmachtiging doet vervallen. In plaats daarvan geldt de regel dat de zorgmachtiging van rechtswege vervalt op het vroegste van twee momenten: de dag waarop de rechter beslist op het verzoek om een nieuwe zorgmachtiging of de dag waarop de beslistermijn van drie weken als bedoeld in art. 6:2 lid 1, onder e, Wvggz verstrijkt.


3.8
Tot slot wijs ik op de mogelijkheid de beslistermijn van art. 6:2 lid 1, aanhef en onder e, Wvggz te verlengen vanwege een door de rechter bevolen onderzoek door deskundigen (art. 6:2 lid 4 Wvggz). In dat geval, dat zich in deze zaak niet voordoet, vervalt de eerdere zorgmachtiging – ook in afwijking van artikel 6:6 lid 1, aanhef en onder a, Wvggz – pas zodra de rechter op het verzoekschrift heeft beslist (art. 6:6 lid 2 Wvggz in verbinding met art. 6:2 lid 4 Wvggz en art. 6:1 lid 5 Wvggz). Ook in dat geval wordt het vervallen van de eerdere zorgmachtiging dus gekoppeld aan het moment waarop de rechter beslist op het verzoek voor een nieuwe zorgmachtiging en niet aan de geldigheidsduur van de eerdere zorgmachtiging.


3.9
In deze zaak, waarin de eerdere zorgmachtiging was verleend op 3 april 2025 tot en met uiterlijk 4 oktober 2025 (dus voor zes maanden), is het verzoek om een nieuwe zorgmachtiging op 1 oktober 2025 bij de rechtbank ingekomen en de rechtbank heeft op 20 oktober 2025, dus binnen de driewekentermijn, op dat verzoek beslist. Daarom is de nieuwe zorgmachtiging op 21 oktober 2025 ingegaan en is ook toen pas de eerdere zorgmachtiging komen te vervallen. Er zit dus geen ‘gat’ tussen 4 oktober 2025, de dag waarop de eerdere zorgmachtiging zou aflopen, en 21 oktober 2025, de dag waarop de nieuwe zorgmachtiging is ingegaan. De nieuwe zorgmachtiging sluit daarmee aan op de eerdere zorgmachtiging en kon daarom voor (maximaal) twaalf maanden worden verleend.


3.10
Om voorgaande redenen meen ik dat het beroep geen doel treft.




4Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.


De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




De feiten en het procesverloop zijn ontleend aan de beschikking van de rechtbank Noord-Holland (locatie Alkmaar) van 20 oktober 2025, ECLI:NL:RBNOH:2025:12619.


Dit volgt onder andere uit het historisch overzicht (productie 8 van het procesdossier).


Schriftelijk uitgewerkt op 27 oktober 2025.


Zie recent HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:398, alsmede HR 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:86, JGz 2025/17, m.nt. R.B.M. Keurentjes, HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811, r.o. 3.3 en 3.4, onder vergelijkende verwijzing naar HR 4 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:818, NJ 2021/234, m.nt. J. Legemaate, r.o. 3.1.3. Zie ook de conclusie van A-G Coenraad van 21 oktober 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1106 onder 3.22-3.24 voor HR 6 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1811.


Zie ook G.J. Baken, Sdu Commentaar Gedwongen zorg, art. 6:6 Wvggz, par. 1.4, 2.1 en 2.2 (publicatiedatum 6 januari 2026).