Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2024:481
2024-05-28
Strafrecht
22/01382
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1127 → ECLI:NL:PHR:2024:481
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Profijtontneming. Conclusie strekt tot niet-ontvankelijkheid betrokkene wegens niet instellen cassatieberoep binnen veertien dagen na bekendwording met arrest.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.910 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01382 P
Zitting 28 mei 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof Den Haag heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bij arrest van 28 februari 2022 vastgesteld op een bedrag van € 37.000,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/01381 (de strafzaak tegen de betrokkene). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Het hof heeft op 28 februari 2022 bij verstek arrest gewezen. Op 16 maart 2022 is via de post een verstekmededeling verzonden aan de verdachte. De betrokkene heeft zijn wens om cassatieberoep in te stellen kenbaar gemaakt door middel van een brief. Op die brief staat “25.03.22” als datum vermeld. Hieruit maak ik op dat het verstekarrest de betrokkene (in ieder geval) op 25 maart 2022 bekend was. Het beroep in cassatie is echter pas op 14 april namens de betrokkene ingesteld. Derhalve is het cassatieberoep niet ingesteld binnen veertien dagen nadat de betrokkene met het arrest bekend werd. Op grond van artikel 432 lid 2 Sv kan de betrokkene daarom niet in zijn beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Door [betrokkene 1] (in persoon), aan wie de verdachte daartoe een (ongedateerde) bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend.
Artikel 432 Sv bevat de termijnen voor het instellen van cassatieberoep. De hoofdregel is neergelegd in het eerste lid van het artikel en luidt dat cassatie in principe binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof moet worden ingesteld. Deze regel vindt in onderhavige zaak geen toepassing omdat de dagvaarding niet in persoon is betekend en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen. Bovendien blijkt niet dat de verdachte eerder op een andere manier bekend is geworden met de dag van de terechtzitting. Op grond van het tweede lid van artikel 432 Sv is daarom bepalend of cassatie is ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend is.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 22/01382 P
Zitting 28 mei 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene ] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de betrokkene
1. Het gerechtshof Den Haag heeft het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel bij arrest van 28 februari 2022 vastgesteld op een bedrag van € 37.000,00 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat.
2. Er bestaat samenhang met de zaak 22/01381 (de strafzaak tegen de betrokkene). In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. O.J. Much, advocaat te Rotterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
4. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het onderhavige cassatieberoep merk ik het volgende op. Het hof heeft op 28 februari 2022 bij verstek arrest gewezen. Op 16 maart 2022 is via de post een verstekmededeling verzonden aan de verdachte. De betrokkene heeft zijn wens om cassatieberoep in te stellen kenbaar gemaakt door middel van een brief. Op die brief staat “25.03.22” als datum vermeld. Hieruit maak ik op dat het verstekarrest de betrokkene (in ieder geval) op 25 maart 2022 bekend was. Het beroep in cassatie is echter pas op 14 april namens de betrokkene ingesteld. Derhalve is het cassatieberoep niet ingesteld binnen veertien dagen nadat de betrokkene met het arrest bekend werd. Op grond van artikel 432 lid 2 Sv kan de betrokkene daarom niet in zijn beroep worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de betrokkene in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Door [betrokkene 1] (in persoon), aan wie de verdachte daartoe een (ongedateerde) bijzondere schriftelijke volmacht heeft verleend.
Artikel 432 Sv bevat de termijnen voor het instellen van cassatieberoep. De hoofdregel is neergelegd in het eerste lid van het artikel en luidt dat cassatie in principe binnen veertien dagen na de einduitspraak van het hof moet worden ingesteld. Deze regel vindt in onderhavige zaak geen toepassing omdat de dagvaarding niet in persoon is betekend en de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen. Bovendien blijkt niet dat de verdachte eerder op een andere manier bekend is geworden met de dag van de terechtzitting. Op grond van het tweede lid van artikel 432 Sv is daarom bepalend of cassatie is ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het arrest de verdachte bekend is.