Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2018:319
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:540 → ECLI:NL:PHR:2018:319
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal (meermalen gepleegd) door samen met toenmalige partner speelgoed weg te nemen uit winkel. 1. Aantekening mondeling arrest enkelvoudige kamer Hof bevat geen strafmotivering, art. 425.3 Sv jo. 3.j Regeling aantekening mondeling vonnis. 2. Ambtshalve: Geen beslissing in h.b. op vordering b.p., art. 335 en 361.4 Sv. Ad 1. Aantekening mondeling arrest houdt t.a.v. strafoplegging slechts in dat Hof verdachte heeft veroordeeld tot voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken en taakstraf van dertig uren, subsidiair vijftien dagen hechtenis, met aftrek voorarrest. Art. 3.j Regeling houdt in dat aantekening opgelegde straf met vermelding van bijzondere redenen die straf hebben bepaald dient te bevatten. 's Hofs aantekening mondeling arrest vermeldt voormelde bijzondere redenen niet. Ad 2. Winkel heeft zich in e.a. als b.p. in het strafgeding gevoegd. Pr heeft b.p. n-o verklaard in haar vordering. Bij stukken bevindt zich een "wensenformulier", dat voor eerste tz. in h.b. bij Parket Hof is ingekomen en inhoudt dat b.p. haar oorspronkelijke vordering wenst te handhaven. Bestreden uitspraak bevat geen beslissing op vordering b.p. Ingevolge art. 335 en 361.4 jo. art. 415 Sv was Hof gehouden omtrent vordering b.p. een met redenen omklede beslissing te nemen. Bestreden uitspraak ontbeert een dergelijke beslissing en kan daarom ook in zoverre niet in stand blijven. HR vernietigt bestreden uitspraak v.zv. daarbij geen beslissing is genomen op vordering b.p. alsmede wat betreft strafoplegging.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2008:BC2922 Hoge Raad 05-02-2008
- ECLI:NL:HR:2008:BC2922 Hoge Raad 05-02-2008
- ECLI:NL:PHR:2016:360 Parket bij de Hoge Raad 05-04-2016
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.009 tekens)
Zitting: 9 januari 2018
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 25 mei 2016 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken en een taakstraf voor de duur van dertig uren.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel behelst de klacht dat het hof in zijn aantekening mondeling arrest niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die de straf hebben bepaald.
3.1. Het middel klaagt hierover terecht. Blijkens de stukken van het geding heeft de enkelvoudige strafkamer van het hof het arrest doen aantekenen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Een dergelijke aantekening van het mondeling arrest van de enkelvoudige kamer van het hof dient ingevolge art. 425, derde lid, Sv te voldoen aan de eisen die zijn gesteld in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling in strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (hierna: de Regeling). Art. 3 van deze Regeling houdt onder j in dat de aantekening de navolgende gegevens dient te bevatten:
‘’opgelegde straf(fen) of maatregel(en) met vermelding van de bijzondere redenen die de straf(fen) hebben bepaald of tot de maatregel(en) hebben geleid. Verder in de voorkomende gevallen opgave van de strafmotiveringseisen, genoemd in art. 359, vierde, zesde, zevende en achtste lid, Sv."
Aangezien het hof in het geheel geen motivering ten aanzien van de opgelegde straf heeft gegeven, voldoet het arrest van het hof niet aan de eisen van art. 359 Sv, ook niet in de door hiervoor genoemde Regeling toegestane, aangepaste vorm.
3.2. Het middel slaagt.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het hof, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Stcrt. 1996, 197; zie ook HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2922, rov. 4.3.
Het arrest bevat bijvoorbeeld ook geen verwijzing naar “al het vorenstaande”, zoals in HR 5 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2922 het geval was; zie ook de conclusie van AG Harteveld bij HR 17 mei 2016, ECLI:NL:PHR:2016:360.