Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2018:136
2018-01-09
Strafrecht
16/02702
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2018:250 → ECLI:NL:PHR:2018:136
Inhoudsindicatie
Art. 14c.2 sub 4 Sr. Kennelijk bij vergissing heeft het Hof verzuimd aan de in de bijzondere voorwaarde omschreven verplichting tot storting van een geldbedrag op de rekening van het Schadefonds geweldsmisdrijven de voorwaarde te verbinden dat dit geschiedt "binnen veertien dagen nadat de uitspraak vatbaar is voor tenuitvoerlegging". HR verbetert bijzondere voorwaarde.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2015:126 Hoge Raad 27-01-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.898 tekens)
Nr. 16/02702
Zitting: 9 januari 2018
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 mei 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde uiterlijk op 24 mei 2016 een geldbedrag van € 500,- zal storten op het door de verdachte op te vragen rekeningnummer ten name van het Schadefonds geweldsmisdrijven. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder bij vonnis van 20 januari 2015 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant voorwaardelijk opgelegde straf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt op tegen de beslissing van het hof dat de veroordeelde uiterlijk op 24 mei 2016 een geldbedrag van € 500,- zal storten op de rekening van het Schadefonds geweldsmisdrijven, terwijl de verdachte doordat hij beroep in cassatie heeft ingesteld op het moment van het verstrijken van deze termijn nog niet als veroordeelde kon worden aangemerkt.
De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde houdt in een datum waarop de veroordeelde uiterlijk moet hebben voldaan aan de storting van een geldbedrag ten gunste van het Schadefond geweldsmisdrijven, te weten 24 mei 2016. Hieruit volgt dat het hof een termijn van veertien dagen heeft willen stellen waarbinnen aan deze bijzondere voorwaarde kon worden voldaan. Kennelijk heeft het hof geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte beroep in cassatie zou instellen tegen het arrest. Anders dan het middel betoogt meen ik evenwel dat de beslissing van het hof aldus gelezen kan worden dat met de voor de bijzondere voorwaarde gestelde termijn van veertien dagen, is bedoeld te stellen "binnen veertien dagen nadat de uitspraak vatbaar is voor tenuitvoerlegging". De bestreden uitspraak zal mijns inziens in zoverre in cassatie verbeterd kunnen worden gelezen.
5. Het middel faalt na verbeterde lezing van de bestreden uitspraak.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. in dit verband ook HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:126.
Zitting: 9 januari 2018
Mr. P.C. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 10 mei 2016 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "mishandeling", veroordeeld tot een gevangenisstraf van 6 weken waarvan 5 weken voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met algemene voorwaarden en de bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde uiterlijk op 24 mei 2016 een geldbedrag van € 500,- zal storten op het door de verdachte op te vragen rekeningnummer ten name van het Schadefonds geweldsmisdrijven. Voorts is de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, en is de tenuitvoerlegging gelast van een eerder bij vonnis van 20 januari 2015 door de politierechter in de rechtbank Zeeland-West-Brabant voorwaardelijk opgelegde straf.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel komt op tegen de beslissing van het hof dat de veroordeelde uiterlijk op 24 mei 2016 een geldbedrag van € 500,- zal storten op de rekening van het Schadefonds geweldsmisdrijven, terwijl de verdachte doordat hij beroep in cassatie heeft ingesteld op het moment van het verstrijken van deze termijn nog niet als veroordeelde kon worden aangemerkt.
De door het hof gestelde bijzondere voorwaarde houdt in een datum waarop de veroordeelde uiterlijk moet hebben voldaan aan de storting van een geldbedrag ten gunste van het Schadefond geweldsmisdrijven, te weten 24 mei 2016. Hieruit volgt dat het hof een termijn van veertien dagen heeft willen stellen waarbinnen aan deze bijzondere voorwaarde kon worden voldaan. Kennelijk heeft het hof geen rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte beroep in cassatie zou instellen tegen het arrest. Anders dan het middel betoogt meen ik evenwel dat de beslissing van het hof aldus gelezen kan worden dat met de voor de bijzondere voorwaarde gestelde termijn van veertien dagen, is bedoeld te stellen "binnen veertien dagen nadat de uitspraak vatbaar is voor tenuitvoerlegging". De bestreden uitspraak zal mijns inziens in zoverre in cassatie verbeterd kunnen worden gelezen.
5. Het middel faalt na verbeterde lezing van de bestreden uitspraak.
6. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
7. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. in dit verband ook HR 27 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:126.