Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2017:1363
2017-01-21
Strafrecht
16/00205
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:3187 → ECLI:NL:PHR:2017:1363 gevolgd
Inhoudsindicatie
Hennepkwekerij in woning. Levert verzoek om clementie een uos op? HR: art. 80a RO. Samenhang met 16/00287.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2006:AU9130 Hoge Raad 11-04-2006
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.789 tekens)
Nr. 16/00205
Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging)
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 5 januari 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 16/00205 en 16/00287. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel berust op de onjuiste opvatting dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv oplevert. Het vormt immers niet een standpunt, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.
5. De aangevoerde klacht kan derhalve klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dit betekent dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Het cassatieberoep dient daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.
Zitting: 21 november 2017 (bij vervroeging)
Mr. W.H. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 5 januari 2016 door het Gerechtshof Den Haag wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod”, 2. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod” en 3. “diefstal” veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis.
Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 16/00205 en 16/00287. In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
Namens de verdachte heeft mr. N. Roos, advocaat te Rotterdam, één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel berust op de onjuiste opvatting dat een gemotiveerd verzoek om clementie een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv oplevert. Het vormt immers niet een standpunt, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.
5. De aangevoerde klacht kan derhalve klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden. Dit betekent dat het middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt. Het cassatieberoep dient daarom op de voet van art. 80a RO niet-ontvankelijk te worden verklaard.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, NJ 2006, 393 m.nt. Y. Buruma, rov. 3.7.1.