Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2016:174
2016-01-29
Civiel recht; Insolventierecht
15/05679
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:544 → ECLI:NL:PHR:2016:174 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 80a lid 1 RO. WSNP. Toelatingsverzoek niet-ontvankelijk wegens ontbreken verklaring art. 285 lid 1, onder f, Fw. Schulden niet te goeder trouw (art. 288 lid 1 Fw).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.457 tekens)
Nr. 15/005679
Mr. L. Timmerman
Parket 29 januari 2016
Conclusie inzake
[verzoeker]
(hierna: [verzoeker])
1. Bij verzoekschrift van 7 augustus 2015 heeft [verzoeker] de rechtbank Zeeland-West Brabant verzocht om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te doen uitspreken. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 13 oktober 2015 afgewezen. Op het door [verzoeker] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch het bestreden vonnis bij arrest van 1 december 2015 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard. Het hof heeft dit oordeel gegrond op art. 285 lid 1 sub f Fw.
2. Het eerste onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden kan worden afgezien van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw en dat [verzoeker] uitgebreid heeft gemotiveerd en gedocumenteerd dat in zijn situatie zodanige omstandigheden aanwezig waren. De klacht kan reeds niet slagen omdat deze niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv voldoet. Niet is immers vermeld i) op welke omstandigheden [verzoeker] doelt en ii) waar de door [verzoeker] op dat punt ingenomen stellingen in de processtukken zijn terug te vinden. Voor zover het betoog op bladzijde 7 (vanaf de dikgedrukte kop “Immers:”) tot en met bladzijde 9 van het cassatieverzoekschrift als een toelichting op deze klacht is bedoeld is onbegrijpelijk wat hiermee – in dat kader – bedoeld wordt. Het betoog betreft immers een toelichting op (c.q. betwisting van) de afzonderlijke schuldenposten. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit betoog tot de conclusie had moeten leiden dat er in het geval van [verzoeker] omstandigheden waren op grond waarvan van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f FW kon worden afgezien.
3. De onderdelen 2 tot en met 6 trekken alle ten strijde tegen overwegingen die ’s hofs beslissing niet dragen en kunnen aldus niet tot cassatie leiden.
4. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zo doet (kennelijk) geen van de door [verzoeker] zelf in voetnoot 2 genoemde omstandigheden zich voor.
Mr. L. Timmerman
Parket 29 januari 2016
Conclusie inzake
[verzoeker]
(hierna: [verzoeker])
1. Bij verzoekschrift van 7 augustus 2015 heeft [verzoeker] de rechtbank Zeeland-West Brabant verzocht om ten aanzien van hem de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling te doen uitspreken. De rechtbank heeft dit verzoek bij vonnis van 13 oktober 2015 afgewezen. Op het door [verzoeker] tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep heeft het hof ’s-Hertogenbosch het bestreden vonnis bij arrest van 1 december 2015 vernietigd en, opnieuw rechtdoende, [verzoeker] niet ontvankelijk verklaard. Het hof heeft dit oordeel gegrond op art. 285 lid 1 sub f Fw.
2. Het eerste onderdeel betoogt dat het hof heeft miskend dat onder omstandigheden kan worden afgezien van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f Fw en dat [verzoeker] uitgebreid heeft gemotiveerd en gedocumenteerd dat in zijn situatie zodanige omstandigheden aanwezig waren. De klacht kan reeds niet slagen omdat deze niet aan de vereisten van art. 407 lid 2 Rv voldoet. Niet is immers vermeld i) op welke omstandigheden [verzoeker] doelt en ii) waar de door [verzoeker] op dat punt ingenomen stellingen in de processtukken zijn terug te vinden. Voor zover het betoog op bladzijde 7 (vanaf de dikgedrukte kop “Immers:”) tot en met bladzijde 9 van het cassatieverzoekschrift als een toelichting op deze klacht is bedoeld is onbegrijpelijk wat hiermee – in dat kader – bedoeld wordt. Het betoog betreft immers een toelichting op (c.q. betwisting van) de afzonderlijke schuldenposten. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom dit betoog tot de conclusie had moeten leiden dat er in het geval van [verzoeker] omstandigheden waren op grond waarvan van het overleggen van de verklaring ex art. 285 lid 1 sub f FW kon worden afgezien.
3. De onderdelen 2 tot en met 6 trekken alle ten strijde tegen overwegingen die ’s hofs beslissing niet dragen en kunnen aldus niet tot cassatie leiden.
4. De klachten kunnen in het licht van het bovenstaande klaarblijkelijk niet tot cassatie leiden.
Conclusie
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
Zo doet (kennelijk) geen van de door [verzoeker] zelf in voetnoot 2 genoemde omstandigheden zich voor.