Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2016:172
2016-03-18
Civiel recht
16/01088
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2016:1170 → ECLI:NL:PHR:2016:172 gevolgd
Inhoudsindicatie
Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.
Citeert (1)
- ECLI:NL:GHAMS:2015:4796 Gerechtshof Amsterdam 17-11-2015
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.624 tekens)
16/01088
Mr. F.F. Langemeijer
18 maart 2016
Conclusie inzake:
[de moeder]
tegen
Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam
Bij beschikking van 25 februari 2015 heeft de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) ontheven uit het ouderlijk gezag over haar op [geboortedatum] 2007 geboren dochter.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4796) heeft het gerechtshof Amsterdam de beroepen beschikking bekrachtigd.
Bij faxbericht, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 17 februari 2016, heeft de moeder te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen deze beschikking. Omdat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv, dat het verzoekschrift in cassatie is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is de moeder op 19 februari 2016 in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen binnen veertien dagen.
4. Nu een herstel van dit gebrek niet heeft plaatsgevonden, strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a.-g.
Anders dan in de correspondentie van de zijde van de moeder lijkt te worden verondersteld, kan een verzoekschrift in cassatie in burgerlijke zaken niet worden ingediend door een volmacht aan de griffier te geven tot het instellen van het rechtsmiddel (vgl. art. 450 lid 1 Wetboek van Strafvordering).
Mr. F.F. Langemeijer
18 maart 2016
Conclusie inzake:
[de moeder]
tegen
Raad voor de Kinderbescherming Amsterdam
Bij beschikking van 25 februari 2015 heeft de rechtbank Amsterdam op verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming verzoekster tot cassatie (hierna: de moeder) ontheven uit het ouderlijk gezag over haar op [geboortedatum] 2007 geboren dochter.
De moeder heeft hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 17 november 2015 (ECLI:NL:GHAMS:2015:4796) heeft het gerechtshof Amsterdam de beroepen beschikking bekrachtigd.
Bij faxbericht, ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 17 februari 2016, heeft de moeder te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen deze beschikking. Omdat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a Rv, dat het verzoekschrift in cassatie is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad, is de moeder op 19 februari 2016 in de gelegenheid gesteld dit gebrek te herstellen binnen veertien dagen.
4. Nu een herstel van dit gebrek niet heeft plaatsgevonden, strekt de conclusie tot niet-ontvankelijkverklaring van de moeder in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
a.-g.
Anders dan in de correspondentie van de zijde van de moeder lijkt te worden verondersteld, kan een verzoekschrift in cassatie in burgerlijke zaken niet worden ingediend door een volmacht aan de griffier te geven tot het instellen van het rechtsmiddel (vgl. art. 450 lid 1 Wetboek van Strafvordering).