Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2015:394
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:907 → ECLI:NL:PHR:2015:394 gevolgd
Inhoudsindicatie
HR: art. 80a RO. De aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat in de aantekening van het mondeling arrest wat betreft de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen slechts in het geval als bedoeld in art. 359.3 tweede volzin, Sv (bekennende verdachte) mag worden verwezen naar de processtukken vindt geen steun in de Regeling aantekening mondeling vonnis door politierechter, kinderrechter, economische politierechter, de kantonrechter en de enkelvoudige kamer voor behandeling van strafzaken in hoger beroep van 2 oktober 1996 (Stcrt. 1996, 197) noch in de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van art. 359.3 tweede volzin, Sv. HR verwijst naar ECLI:NL:HR:2012:BX0146. Daarin is als aan de wetsgeschiedenis ontleend voorbeeld van een klacht die geen behandeling in cassatie rechtvaardigt, genoemd de klacht “waarin de duidelijke strekking van de wet of vaste rechtspraak wordt miskend”. Gelet hierop verklaart de HR - gezien art. 80a RO - het beroep in cassatie n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (872 tekens)
Zitting: 10 maart 2015
P.C. Vegter
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
Na bestudering van de zaak ben ik van mening dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG