Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2015:2099
2015-09-08
Strafrecht
14/02213
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:3219 → ECLI:NL:PHR:2015:2099 gevolgd
Inhoudsindicatie
Nu geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437.2 Sv, zodat verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.910 tekens)
Nr. 14/02213
Zitting: 8 september 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 16 april 2014 door het Gerechtshof Amsterdam wegens, kort gezegd, 1. “diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging”, 2. “poging tot medeplegen van gekwalificeerde doodslag, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de vorderingen van drie benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft het hof een beslissing gegeven over het beslag.
Er bestaat samenhang tussen deze zaak en de zaak met nummer 14/02520. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 22 april 2014.
Op 5 februari 2015 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen bij de Hoge Raad, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 8 september 2015
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
Verdachte is bij arrest van 16 april 2014 door het Gerechtshof Amsterdam wegens, kort gezegd, 1. “diefstal met geweld en bedreiging met geweld in vereniging”, 2. “poging tot medeplegen van gekwalificeerde doodslag, meermalen gepleegd” en 3. “medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf van acht jaren, met aftrek van het voorarrest. Het hof heeft de vorderingen van drie benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Tevens heeft het hof een beslissing gegeven over het beslag.
Er bestaat samenhang tussen deze zaak en de zaak met nummer 14/02520. In deze zaak zal ik vandaag eveneens concluderen.
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld op 22 april 2014.
Op 5 februari 2015 is de aanzegging aan de verdachte in persoon uitgereikt, waarbij hem een termijn van zestig dagen is gesteld voor het doen indienen van de cassatieschriftuur. Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen bij de Hoge Raad, is het voorschrift van art. 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering niet in acht genomen, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG