Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2015:1589
2015-06-23
Strafrecht
13/03778
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:2878 → ECLI:NL:PHR:2015:1589 gevolgd
Inhoudsindicatie
Geen schriftuur, beroep n-o.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.714 tekens)
Nr. 13/03778 B
Zitting: 23 juni 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[klaagster = betrokkene]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 5 april 2013 het beklag van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het op 3 april 2012 gelegde conservatoir beslag op twee auto’s en de teruggave daarvan aan klaagster, ongegrond verklaard.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
3. De aanzegging in cassatie is op 16 augustus 2013 op het destijds geldende GBA-adres van klaagster aan klaagster in persoon uitgereikt. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1, rechtsgeldig betekend.
4. Nu de klaagster niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 447, vijfde lid, Sv niet in acht genomen, zodat de klaagster niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Deze zaak hangt samen met zes andere beklagzaken (in cassatie aanhangig onder de nummers: 13/01972; 13/02002; 13/03791; 13/03782; 13/03784 en 13/03790). In die andere zes zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Zitting: 23 juni 2015
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[klaagster = betrokkene]
1. De Rechtbank Oost-Brabant heeft bij beschikking van 5 april 2013 het beklag van klaagster ex art. 552a Sv, strekkende tot opheffing van het op 3 april 2012 gelegde conservatoir beslag op twee auto’s en de teruggave daarvan aan klaagster, ongegrond verklaard.
2. Tegen deze beschikking is namens klaagster cassatieberoep ingesteld. Er is geen schriftuur ingediend.
3. De aanzegging in cassatie is op 16 augustus 2013 op het destijds geldende GBA-adres van klaagster aan klaagster in persoon uitgereikt. Aldus is de aanzegging overeenkomstig art. 588, eerste lid, onder b, sub 1, rechtsgeldig betekend.
4. Nu de klaagster niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is het voorschrift van art. 447, vijfde lid, Sv niet in acht genomen, zodat de klaagster niet in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
5. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van klaagster in het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG
Deze zaak hangt samen met zes andere beklagzaken (in cassatie aanhangig onder de nummers: 13/01972; 13/02002; 13/03791; 13/03782; 13/03784 en 13/03790). In die andere zes zaken zal ik vandaag ook concluderen.