Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2015:1022
2015-06-19
Civiel recht
15/01816
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2015:2748 → ECLI:NL:PHR:2015:1022 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 80 a lid 1 RO. Opgewekt vertrouwen. Eisen waaraan cassatiemiddelen dienen te voldoen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.817 tekens)
19 juni 2015
mr. J. Spier
15/01816
Conclusie Inzake
[eiser] c.s.
tegen
[verweerder 1] en [verweerster 2]
1. In deze zaak is tijdig cassatieberoep ingesteld. Het gaat – heel kort gezegd – om de vraag of [verweerders] het vertrouwen hebben gewekt dat zij, in de bewoordingen van de in de cassatiedagvaarding onder 18 en 19 weergegeven klachten, zich “de belangen van de crediteuren” zullen aantrekken.
2. Het Hof heeft aangenomen dat [eiser] c.s. niet stellen dat zij erop hebben vertrouwd dat [verweerders] de vorderingen van [eiser] c.s. volledig zouden voldoen. Dat oordeel wordt in cassatie niet op begrijpelijke wijze bestreden.
3. Voor zover de klachten zo moeten worden begrepen dat [eiser] c.s. aan de orde stellen dat [verweerders], het door hen opgewekte vertrouwen van het tegendeel ten spijt, helemaal niet thuis geven, voldoen zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Als vindplaatsen voor zodanig vertrouwen worden genoemd: de inleidende dagvaarding onder 10, de memorie van grieven onder 18, 19, 21, 22, 29 en het p.v. van de comparitie in prima p. 4 halverwege. Voor zover daar al iets staat over opgewekt vertrouwen (wat in de meeste gevallen niet zo is) is het betoog, zoal begrijpelijk, zo vaag dat het Hof er niet op in behoefde te gaan. Onduidelijk is ook wat deze stellingen toevoegen aan de problematiek van de toezegging waarop het Hof uitvoerig is ingegaan. Nu de stellingen tekort schieten, kon het Hof het bewijsaanbod waarop onderdeel 20 doelt passeren.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
mr. J. Spier
15/01816
Conclusie Inzake
[eiser] c.s.
tegen
[verweerder 1] en [verweerster 2]
1. In deze zaak is tijdig cassatieberoep ingesteld. Het gaat – heel kort gezegd – om de vraag of [verweerders] het vertrouwen hebben gewekt dat zij, in de bewoordingen van de in de cassatiedagvaarding onder 18 en 19 weergegeven klachten, zich “de belangen van de crediteuren” zullen aantrekken.
2. Het Hof heeft aangenomen dat [eiser] c.s. niet stellen dat zij erop hebben vertrouwd dat [verweerders] de vorderingen van [eiser] c.s. volledig zouden voldoen. Dat oordeel wordt in cassatie niet op begrijpelijke wijze bestreden.
3. Voor zover de klachten zo moeten worden begrepen dat [eiser] c.s. aan de orde stellen dat [verweerders], het door hen opgewekte vertrouwen van het tegendeel ten spijt, helemaal niet thuis geven, voldoen zij niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Als vindplaatsen voor zodanig vertrouwen worden genoemd: de inleidende dagvaarding onder 10, de memorie van grieven onder 18, 19, 21, 22, 29 en het p.v. van de comparitie in prima p. 4 halverwege. Voor zover daar al iets staat over opgewekt vertrouwen (wat in de meeste gevallen niet zo is) is het betoog, zoal begrijpelijk, zo vaag dat het Hof er niet op in behoefde te gaan. Onduidelijk is ook wat deze stellingen toevoegen aan de problematiek van de toezegging waarop het Hof uitvoerig is ingegaan. Nu de stellingen tekort schieten, kon het Hof het bewijsaanbod waarop onderdeel 20 doelt passeren.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van [eiser] c.s. op de voet van art. 80a RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal