Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2011:BT7187
2011-12-09
Civiel recht
10/05433
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BT7187 → ECLI:NL:PHR:2011:BT7187
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Beëindiging huur woonruimte. Huurbescherming. Beroep verhuurder op beperkende werking redelijkheid en billijkheid. Art. 6:248, 7:232, 272 BW.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.575 tekens)
10/05433
mr. J. Spier
Zitting 7 oktober (bij vervroeging)
Verkorte conclusie
inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
1. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Haagse Hof van 20 juli 2010.
2. Alle klachten bouwen, voor zover begrijpelijk, voort op de veronderstelling dat het Hof niet heeft verdisconteerd dat der partijen affectieve relatie tot in 2006 heeft voortgeduurd, dat [verweerder] nimmer een huurverhoging heeft voorgesteld en dat hij is gestopt met correspondentie over het kunnen beschikken van de woning "omdat hij dit niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen" (onderdeel 2).
3. Deze laatste omstandigheid heeft het Hof niet kenbaar in zijn oordeel betrokken. Het kan [eiseres] reeds niet baten omdat niet wordt aangegeven waar zij in de gedingstukken een dergelijke stelling aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. Los daarvan: de onderhavige procedure maakt duidelijk dat [verweerder] kennelijk - allicht om de door het Hof in rov. 5.1 genoemde redenen - van mening is veranderd. De overige twee omstandigheden heeft het Hof expliciet meegewogen in rov. 5.5 ("In de derde plaats zijn van belang (...)". Hierop stuiten alle klachten af. Daarbij teken ik nog aan dat de rechtsklacht van onderdeel 7 onbegrijpelijk is.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
mr. J. Spier
Zitting 7 oktober (bij vervroeging)
Verkorte conclusie
inzake
[Eiseres]
tegen
[Verweerder]
1. [Eiseres] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Haagse Hof van 20 juli 2010.
2. Alle klachten bouwen, voor zover begrijpelijk, voort op de veronderstelling dat het Hof niet heeft verdisconteerd dat der partijen affectieve relatie tot in 2006 heeft voortgeduurd, dat [verweerder] nimmer een huurverhoging heeft voorgesteld en dat hij is gestopt met correspondentie over het kunnen beschikken van de woning "omdat hij dit niet met zijn geweten in overeenstemming kon brengen" (onderdeel 2).
3. Deze laatste omstandigheid heeft het Hof niet kenbaar in zijn oordeel betrokken. Het kan [eiseres] reeds niet baten omdat niet wordt aangegeven waar zij in de gedingstukken een dergelijke stelling aan haar verweer ten grondslag heeft gelegd. Los daarvan: de onderhavige procedure maakt duidelijk dat [verweerder] kennelijk - allicht om de door het Hof in rov. 5.1 genoemde redenen - van mening is veranderd. De overige twee omstandigheden heeft het Hof expliciet meegewogen in rov. 5.5 ("In de derde plaats zijn van belang (...)". Hierop stuiten alle klachten af. Daarbij teken ik nog aan dat de rechtsklacht van onderdeel 7 onbegrijpelijk is.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal