Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2011:BQ8085
2011-07-08
Civiel recht
10/03789
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2011:BQ8085 → ECLI:NL:PHR:2011:BQ8085
Inhoudsindicatie
Art. 81 RO. Verbintenissenrecht. Onrechtmatige daad Ontvanger door beslag te leggen op geld en dit vervolgens niet terug te betalen?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.628 tekens)
10/03789
mr J. Spier
Zitting 15 april 2011 (bij vervroeging)
Verkorte conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Ontvanger der Rijksbelastingen
1. [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2010.
2. Middel 1 is onbegrijpelijk en voldoet daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Datzelfde geldt voor de middelen 2, 3 en goeddeels 5.
3. Ook aan middel 4 is geen touw vast te knopen. Nog daargelaten dat niet wordt aangegeven waar de brief van 16 februari 2007 zou zijn te vinden zodat ook deze klacht niet aan de eisen der wet voldoet, ambtshalve onderzoek wijst uit dat deze aan de inleidende dagvaarding geniete brief niet vermeldt op welke aanslagen deze betrekking heeft; zie ook de eveneens aangeniete brief van 2 oktober 2007. Middel 5 miskent dat eveneens; het ziet er bovendien aan voorbij dat dit een feitelijk oordeel.
4. Gezien het hoge gehalte van onbegrijpelijkheid zou mijn voorkeur hebben [eiser] niet in zijn cassatieberoep te ontvangen. Aan gerede twijfel is immers onderhevig of de cassatiedagvaarding wel een "middel" bevat zoals art. 407 lid 2 Rv vereist. Ware hij ontvankelijk, dan moet het worden verworpen.
Conclusie
Aan de klachten is slot noch zin toe te kennen zodat [eiser] niet in zijn beroep kan worden ontvangen. Mocht hij desondanks ontvankelijk zijn dan wordt tot verwerping geconcludeerd met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
mr J. Spier
Zitting 15 april 2011 (bij vervroeging)
Verkorte conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Ontvanger der Rijksbelastingen
1. [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen het arrest van het Hof 's-Hertogenbosch van 30 maart 2010.
2. Middel 1 is onbegrijpelijk en voldoet daarom niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Datzelfde geldt voor de middelen 2, 3 en goeddeels 5.
3. Ook aan middel 4 is geen touw vast te knopen. Nog daargelaten dat niet wordt aangegeven waar de brief van 16 februari 2007 zou zijn te vinden zodat ook deze klacht niet aan de eisen der wet voldoet, ambtshalve onderzoek wijst uit dat deze aan de inleidende dagvaarding geniete brief niet vermeldt op welke aanslagen deze betrekking heeft; zie ook de eveneens aangeniete brief van 2 oktober 2007. Middel 5 miskent dat eveneens; het ziet er bovendien aan voorbij dat dit een feitelijk oordeel.
4. Gezien het hoge gehalte van onbegrijpelijkheid zou mijn voorkeur hebben [eiser] niet in zijn cassatieberoep te ontvangen. Aan gerede twijfel is immers onderhevig of de cassatiedagvaarding wel een "middel" bevat zoals art. 407 lid 2 Rv vereist. Ware hij ontvankelijk, dan moet het worden verworpen.
Conclusie
Aan de klachten is slot noch zin toe te kennen zodat [eiser] niet in zijn beroep kan worden ontvangen. Mocht hij desondanks ontvankelijk zijn dan wordt tot verwerping geconcludeerd met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal