Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2010:BO3584
2010-12-24
Civiel recht
08/04438
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BO3584 → ECLI:NL:PHR:2010:BO3584
Inhoudsindicatie
Verbintenissenrecht. Kredietovereenkomst. Aangifte oplichting onrechtmatig? (art. 81 RO).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.709 tekens)
Rolnr. 08/04438
mr J. Spier
Zitting 5 november 2010 (bij vervroeging)
Verkorte conclusie inzake
[Eiser]
tegen
ABN AMRO Bank NV
1. [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Hof 's-Gravenhage van 17 juni 2008. ABN AMRO heeft het beroep bestreden.
2. Aan de klachten kan ik goeddeels geen touw vastknopen. Bovendien zijn ze in belangrijke mate gebaseerd op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en gaan ze voorbij aan de dragende grond vervat in rov. 7. Kort gezegd: ABN AMRO heeft gehandeld op basis van [eiser]s stellingen dat aanzienlijke bedragen op de litigieuze rekening zullen worden gestort, in verband waarmee geen beslissende betekenis toekomt aan de vraag of ABN AMRO wist dat [eiser] failliet was verklaard. Het Hof wijst er daarbij nog fijntjes op dat het gaat om stellingen die [eiser] zelf in prima ter comparitie heeft betrokken.
3. Voor zover de klachten beroep willen doen op stellingen die [eiser] in feitelijke aanleg zou hebben geëtaleerd, voldoen ze volgens vaste rechtspraak niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat niet wordt vermeld waar zulks zou zijn geschied.
4. Onderdeel 1 is wél begrijpelijk maar evident ongegrond. Dat behoeft geen toelichting.
5. Voor zover onderdeel 2 nog passages wijdt aan pretense vervanging van de ene "verbintenis" (bedoeld is wellicht overeenkomst) door een andere ziet het voorbij aan 's Hofs redengeving op dit punt in rov. 7 laatste alinea van blz. 4. Tegen dat oordeel wordt, als ik het goed zie, in de voorlaatste alinea aangevoerd dat [eiser] door de opzegging van de kredietrelatie de door hem in het vooruitzicht gestelde inkomsten niet meer kon genereren. [Eiser] laat evenwel na aan te geven waar hij een dergelijke stelling in feitelijke aanleg heeft betrokken. Daarom mislukt ook die klacht, nog daargelaten dat deze stelling moeilijk valt te rijmen met zijn eigen verklaring zoals door het Hof geciteerd in rov. 7.
6. Onderdeel 4, dat niet aangeeft tegen welke rechtsoverweging wordt opgekomen, miskent 's Hofs gedachtegang. In rov. 7, waar het onderdeel allicht op doelt, brengt het Hof op volstrekt duidelijke wijze tot uitdrukking dat het bijzondere van de onderhavige kredietrelatie was gelegen in [eiser]s - naar is gebleken: ongefundeerde - stellingen over aanzienlijke te genereren inkomsten. 's Hofs oordeel is, anders dan de klacht, alleszins begrijpelijk.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal
mr J. Spier
Zitting 5 november 2010 (bij vervroeging)
Verkorte conclusie inzake
[Eiser]
tegen
ABN AMRO Bank NV
1. [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het Hof 's-Gravenhage van 17 juni 2008. ABN AMRO heeft het beroep bestreden.
2. Aan de klachten kan ik goeddeels geen touw vastknopen. Bovendien zijn ze in belangrijke mate gebaseerd op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en gaan ze voorbij aan de dragende grond vervat in rov. 7. Kort gezegd: ABN AMRO heeft gehandeld op basis van [eiser]s stellingen dat aanzienlijke bedragen op de litigieuze rekening zullen worden gestort, in verband waarmee geen beslissende betekenis toekomt aan de vraag of ABN AMRO wist dat [eiser] failliet was verklaard. Het Hof wijst er daarbij nog fijntjes op dat het gaat om stellingen die [eiser] zelf in prima ter comparitie heeft betrokken.
3. Voor zover de klachten beroep willen doen op stellingen die [eiser] in feitelijke aanleg zou hebben geëtaleerd, voldoen ze volgens vaste rechtspraak niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. omdat niet wordt vermeld waar zulks zou zijn geschied.
4. Onderdeel 1 is wél begrijpelijk maar evident ongegrond. Dat behoeft geen toelichting.
5. Voor zover onderdeel 2 nog passages wijdt aan pretense vervanging van de ene "verbintenis" (bedoeld is wellicht overeenkomst) door een andere ziet het voorbij aan 's Hofs redengeving op dit punt in rov. 7 laatste alinea van blz. 4. Tegen dat oordeel wordt, als ik het goed zie, in de voorlaatste alinea aangevoerd dat [eiser] door de opzegging van de kredietrelatie de door hem in het vooruitzicht gestelde inkomsten niet meer kon genereren. [Eiser] laat evenwel na aan te geven waar hij een dergelijke stelling in feitelijke aanleg heeft betrokken. Daarom mislukt ook die klacht, nog daargelaten dat deze stelling moeilijk valt te rijmen met zijn eigen verklaring zoals door het Hof geciteerd in rov. 7.
6. Onderdeel 4, dat niet aangeeft tegen welke rechtsoverweging wordt opgekomen, miskent 's Hofs gedachtegang. In rov. 7, waar het onderdeel allicht op doelt, brengt het Hof op volstrekt duidelijke wijze tot uitdrukking dat het bijzondere van de onderhavige kredietrelatie was gelegen in [eiser]s - naar is gebleken: ongefundeerde - stellingen over aanzienlijke te genereren inkomsten. 's Hofs oordeel is, anders dan de klacht, alleszins begrijpelijk.
Conclusie
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden,
Advocaat-Generaal