Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2010:BM9603
2010-09-24
Civiel recht
10/01309
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2010:BM9603 → ECLI:NL:PHR:2010:BM9603
- conclusieVoorSprongcassatie ECLI:NL:PHR:2010:BM9603 → ECLI:NL:RBZUT:2009:BK7611
Inhoudsindicatie
Rechtsmiddelenverbod van art. 39 lid 5 Rv.; cassatieberoep tegen beslissing op wrakingsverzoek niet-ontvankelijk bij gebreke van aangevoerde doorbrekingsgrond(en).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.229 tekens)
10/01309
Mr L. Strikwerda
Parket, 25 juni 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
mr R.M.A.G. van Valderen
Edelhoogachtbaar College,
1. Het door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Zutphen van 24 december 2009. Bij deze beslissing heeft de wrakingskamer [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn mondelinge wrakingsverzoek, ingediend tegen thans verweerder in cassatie, mr R.M.A.G. van Valderen, vice-president bij de rechtbank Zutphen, die een verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker] behandelde. De beslissing van de wrakingskamer is gegrond op het oordeel dat [verzoeker] het wrakingsverzoek te laat heeft ingediend.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat zich keert tegen de grond waarop de wrakingskamer [verzoeker] niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn wrakingsverzoek. Mr van Valderen heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
3. [Verzoeker] kan in zijn cassatieberoep niet worden ontvangen. Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking staat ingevolge art. 39 lid 5 Rv geen voorziening open. Hoewel "doorbreking" van het rechtsmiddelenverbod van art. 39 lid 5 Rv mogelijk moet worden geacht (zie HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243, en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 177; zie voorts A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 4e dr. 2010, art. 39 Rv, aant. 4) bevat het door [verzoeker] voorgestelde cassatiemiddel geen klachten die daarvoor grond zouden kunnen opleveren (zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, blz. 183/184; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent, 2009, nr. 24 en 25). Bovendien staat, ook al zou [verzoeker] wel een beroep op een doorbrekingsgrond hebben gedaan, het bepaalde in art. 78 lid 5 RO aan zijn ontvankelijkheid in het cassatieberoep in de weg; hij had zich tot de appelrechter moeten wenden.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Mr L. Strikwerda
Parket, 25 juni 2010
conclusie inzake
[Verzoeker]
tegen
mr R.M.A.G. van Valderen
Edelhoogachtbaar College,
1. Het door verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], ingestelde cassatieberoep is gericht tegen een beslissing van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Zutphen van 24 december 2009. Bij deze beslissing heeft de wrakingskamer [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn mondelinge wrakingsverzoek, ingediend tegen thans verweerder in cassatie, mr R.M.A.G. van Valderen, vice-president bij de rechtbank Zutphen, die een verzoek tot faillietverklaring van [verzoeker] behandelde. De beslissing van de wrakingskamer is gegrond op het oordeel dat [verzoeker] het wrakingsverzoek te laat heeft ingediend.
2. Het cassatieberoep berust op één middel dat zich keert tegen de grond waarop de wrakingskamer [verzoeker] niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn wrakingsverzoek. Mr van Valderen heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.
3. [Verzoeker] kan in zijn cassatieberoep niet worden ontvangen. Tegen een beslissing op een verzoek tot wraking staat ingevolge art. 39 lid 5 Rv geen voorziening open. Hoewel "doorbreking" van het rechtsmiddelenverbod van art. 39 lid 5 Rv mogelijk moet worden geacht (zie HR 22 januari 1999, NJ 1999, 243, en HR 26 januari 2001, NJ 2001, 177; zie voorts A.I.M. van Mierlo, T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 4e dr. 2010, art. 39 Rv, aant. 4) bevat het door [verzoeker] voorgestelde cassatiemiddel geen klachten die daarvoor grond zouden kunnen opleveren (zie Hugenholtz/Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 22e dr. 2009, blz. 183/184; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent, 2009, nr. 24 en 25). Bovendien staat, ook al zou [verzoeker] wel een beroep op een doorbrekingsgrond hebben gedaan, het bepaalde in art. 78 lid 5 RO aan zijn ontvankelijkheid in het cassatieberoep in de weg; hij had zich tot de appelrechter moeten wenden.
De conclusie strekt tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,