Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2002:AD9135
2002-04-26
Civiel recht
C00/316HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2002:AD9135 → ECLI:NL:PHR:2002:AD9135
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.962 tekens)
Rolnr. C00/316HR
Mr L. Strikwerda
Zt. 8 febr. 2002
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Het Bastion B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde principale cassatieberoep berust op drie middelen.
2. Het eerste middel bestrijdt de door het Hof aan de overeenkomst van partijen gegeven uitleg als onbegrijpelijk.
3. Het middel faalt. In aanmerking genomen dat [eiser] Het Bastion attent heeft gemaakt op de zandgroeven, maar verder niet heeft geïnvesteerd in de mogelijke exploitatie daarvan als stortplaats, is 's Hofs uitleg van de overeenkomst dat Het Bastion jegens [eiser] niet gehouden was tot exploitatie niet onbegrijpelijk. De stelling dat in 's Hofs uitleg geen enkele verplichting voor Het Bastion uit de overeenkomst voortvloeit, mist feitelijke grondslag. In de uitleg van het Hof vloeit uit de overeenkomst voor Het Bastion een voorwaardelijke verbintenis voort tot betaling van 20 cent per ton gestort afval. Ook een voorwaardelijke verbintenis is een verbintenis (art. 6:26 BW). Van een innerlijke tegenstrijdigheid in 's Hofs oordeel is geen sprake. Een onderzoek naar de vraag of in het kader van de exploitatie van de zandgroeven afval was gestort impliceert niet dat Het Bastion daartoe gehouden was. Dat onderzoek is van belang in verband met de voorwaardelijke verbintenis die voor Het Bastion in 's Hofs lezing uit de overeenkomst voortvloeide.
3. Het tweede middel stuit af op gebrek aan belang, nu de door dit middel bestreden overweging door het Hof klaarblijkelijk ten overvloede is gegeven.
4. Ook het derde middel is tevergeefs voorgesteld. Het door [eiser] bedoelde bewijsaanbod kon door het Hof als niet ter zake dienend worden gepasseerd, nu dat bewijsaanbod en het bedoelde rapport van Van Stockum slechts betrekking hebben op de vraag naar de mogelijkheden van exploitatie van de zandgroeven als stortplaats, doch niet op de vraag of exploitatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Nu het Hof een gehoudenheid van Het Bastion tot exploitatie niet heeft aangenomen, is de vraag of exploitatie mogelijk was, niet relevant.
5. Aangezien de in het principale cassatieberoep voorgestelde middelen niet tot cassatie kunnen leiden, kom ik tot de conclusie dat dit beroep verworpen dient te worden. Waar de aangevoerde cassatieklachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan de verwerping plaatsvinden met toepassing van art. 81 RO.
6. Als het principale beroep niet tot cassatie van de bestreden uitspraak kan leiden, is de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep (kennelijk) is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen bespreking.
De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Mr L. Strikwerda
Zt. 8 febr. 2002
conclusie inzake
[Eiser]
tegen
Het Bastion B.V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Het tijdig ingestelde principale cassatieberoep berust op drie middelen.
2. Het eerste middel bestrijdt de door het Hof aan de overeenkomst van partijen gegeven uitleg als onbegrijpelijk.
3. Het middel faalt. In aanmerking genomen dat [eiser] Het Bastion attent heeft gemaakt op de zandgroeven, maar verder niet heeft geïnvesteerd in de mogelijke exploitatie daarvan als stortplaats, is 's Hofs uitleg van de overeenkomst dat Het Bastion jegens [eiser] niet gehouden was tot exploitatie niet onbegrijpelijk. De stelling dat in 's Hofs uitleg geen enkele verplichting voor Het Bastion uit de overeenkomst voortvloeit, mist feitelijke grondslag. In de uitleg van het Hof vloeit uit de overeenkomst voor Het Bastion een voorwaardelijke verbintenis voort tot betaling van 20 cent per ton gestort afval. Ook een voorwaardelijke verbintenis is een verbintenis (art. 6:26 BW). Van een innerlijke tegenstrijdigheid in 's Hofs oordeel is geen sprake. Een onderzoek naar de vraag of in het kader van de exploitatie van de zandgroeven afval was gestort impliceert niet dat Het Bastion daartoe gehouden was. Dat onderzoek is van belang in verband met de voorwaardelijke verbintenis die voor Het Bastion in 's Hofs lezing uit de overeenkomst voortvloeide.
3. Het tweede middel stuit af op gebrek aan belang, nu de door dit middel bestreden overweging door het Hof klaarblijkelijk ten overvloede is gegeven.
4. Ook het derde middel is tevergeefs voorgesteld. Het door [eiser] bedoelde bewijsaanbod kon door het Hof als niet ter zake dienend worden gepasseerd, nu dat bewijsaanbod en het bedoelde rapport van Van Stockum slechts betrekking hebben op de vraag naar de mogelijkheden van exploitatie van de zandgroeven als stortplaats, doch niet op de vraag of exploitatie daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Nu het Hof een gehoudenheid van Het Bastion tot exploitatie niet heeft aangenomen, is de vraag of exploitatie mogelijk was, niet relevant.
5. Aangezien de in het principale cassatieberoep voorgestelde middelen niet tot cassatie kunnen leiden, kom ik tot de conclusie dat dit beroep verworpen dient te worden. Waar de aangevoerde cassatieklachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, kan de verwerping plaatsvinden met toepassing van art. 81 RO.
6. Als het principale beroep niet tot cassatie van de bestreden uitspraak kan leiden, is de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep (kennelijk) is ingesteld niet vervuld en behoeft dit beroep geen bespreking.
De conclusie strekt tot verwerping van het principale beroep met toepassing van art. 81 RO.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,