Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2001:AB0200
2001-02-23
Civiel recht
C99/277HR
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2001:AB0200 → ECLI:NL:PHR:2001:AB0200
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.052 tekens)
Nr. C 99/277 HR Mr. Mok
Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake
A.M. BORSTEN
tegen
DE STAAT (Ministerie van
Justitie)
Edelhoogachtbaar college,
Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in
kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat
arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank
(eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art.
429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen
woonfunctie heeft.
Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks
ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten
onrechte zou zijn. Aldus voldoet het middel niet aan de in art.
407, lid 2, Rv besloten eisen, zodat eiser van cassatie niet in
zijn beroep kan worden ontvangen<(1). Aldus ook de landsadvocaat (s.t. sub 5, p. 3).
> . Dat de schriftelijke toelichting
en de conclusie van repliek in cassatie van eisers advocaat wel
gronden vermelden ter staving van de klacht, maakt dit niet anders.
In het cassatiemiddel zelf moet te lezen zijn wat de eiser de
rechter a quo verwijt<(2). Vgl. HR 19 februari 1999, NJ 1999, 428 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 632..
> .
De Staat heeft te kennen gegeven het op prijs te stellen als de
Hoge Raad toch (obiter dictum) een uitspraak wil doen over de
uitleg van art. 429sexies W.v.S., omdat zulks een einde aan
onzekerheid daarover zou maken. Ik voel daarvoor echter niet. Ten
eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv uitgehold zou
worden. Ten tweede ligt het beantwoorden van die interpretatievraag
primair op de weg van de strafrechter, zodat het niet voor de hand
ligt zulks obiter dictum in een civiele zaak te doen.
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn
beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.
Zitting 1 december 1999 Conclusie inzake
A.M. BORSTEN
tegen
DE STAAT (Ministerie van
Justitie)
Edelhoogachtbaar college,
Het (tijdig ingestelde) beroep in cassatie is gericht tegen een in
kort geding gewezen arrest van het gerechtshof te Amsterdam. In dat
arrest heeft het hof geoordeeld dat de president van de rechtbank
(eveneens te Amsterdam) op goede gronden heeft overwogen dat art.
429sexies W.v.S. ook van toepassing is op een gebouw dat geen
woonfunctie heeft.
Het beroep steunt op een middel dat inhoudt dat het hof zulks
ten onrechte heeft overwogen, zonder aan te geven waarm dit ten
onrechte zou zijn. Aldus voldoet het middel niet aan de in art.
407, lid 2, Rv besloten eisen, zodat eiser van cassatie niet in
zijn beroep kan worden ontvangen<(1). Aldus ook de landsadvocaat (s.t. sub 5, p. 3).
> . Dat de schriftelijke toelichting
en de conclusie van repliek in cassatie van eisers advocaat wel
gronden vermelden ter staving van de klacht, maakt dit niet anders.
In het cassatiemiddel zelf moet te lezen zijn wat de eiser de
rechter a quo verwijt<(2). Vgl. HR 19 februari 1999, NJ 1999, 428 en HR 22 september 2000, NJ 2000, 632..
> .
De Staat heeft te kennen gegeven het op prijs te stellen als de
Hoge Raad toch (obiter dictum) een uitspraak wil doen over de
uitleg van art. 429sexies W.v.S., omdat zulks een einde aan
onzekerheid daarover zou maken. Ik voel daarvoor echter niet. Ten
eerste zou zodoende het stelsel van art. 407 Rv uitgehold zou
worden. Ten tweede ligt het beantwoorden van die interpretatievraag
primair op de weg van de strafrechter, zodat het niet voor de hand
ligt zulks obiter dictum in een civiele zaak te doen.
Ik concludeer tot niet-ontvankelijkverklaring van eiser in zijn
beroep en tot veroordeling van eiser in de kosten.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
plv.