Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:1998:55
1998-10-06
Strafrecht
108.685
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1998:ZD1407 → ECLI:NL:PHR:1998:55
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.523 tekens)
Nr. 108.685
Zitting 6 oktober 1998
Mr Machielse
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens rijden zonder geldig rijbewijs is verzoeker bij vonnis van de rechtbank te Arnhem veroordeeld tot twee weken hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve wil ik het volgende opmerken. De inleidende dagvaarding is op 26 juni 1995 aan de [a-straat 1] te [plaats] uitgereikt aan een huisgenoot. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van de kantonrechter heeft de behandeling aldaar bij verstek plaatsgehad. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gecontroleerd is of verdachte ten tijde van de betekening wel op dat adres stond ingeschreven. De betekening van de inleidende dagvaarding is nietig.
4. Deze conclusie strekt er toe dat de Hoge Raad het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Overigens verdient het opmerking dat uit de in de cassatiefase naar aanleiding van de betekening van de aanzegging van de rechtsdag in cassatie opgevraagde historische adresgegevens blijkt dat verzoeker vanaf 19 april 1995 - derhalve ook ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding - niet meer ingeschreven stond op [a-straat 1] te [plaats] , maar op een ander adres, de [b-straat 1] te [plaats] .
Vgl. HR DD 98.121.
Zitting 6 oktober 1998
Mr Machielse
Conclusie inzake:
[verzoeker]
Edelhoogachtbaar College,
1. Wegens rijden zonder geldig rijbewijs is verzoeker bij vonnis van de rechtbank te Arnhem veroordeeld tot twee weken hechtenis.
2. Door of namens verzoeker zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
3. Ambtshalve wil ik het volgende opmerken. De inleidende dagvaarding is op 26 juni 1995 aan de [a-straat 1] te [plaats] uitgereikt aan een huisgenoot. Blijkens de aantekening mondeling vonnis van de kantonrechter heeft de behandeling aldaar bij verstek plaatsgehad. Uit de stukken van het geding blijkt niet dat gecontroleerd is of verdachte ten tijde van de betekening wel op dat adres stond ingeschreven. De betekening van de inleidende dagvaarding is nietig.
4. Deze conclusie strekt er toe dat de Hoge Raad het bestreden vonnis zal vernietigen en de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Overigens verdient het opmerking dat uit de in de cassatiefase naar aanleiding van de betekening van de aanzegging van de rechtsdag in cassatie opgevraagde historische adresgegevens blijkt dat verzoeker vanaf 19 april 1995 - derhalve ook ten tijde van de betekening van de inleidende dagvaarding - niet meer ingeschreven stond op [a-straat 1] te [plaats] , maar op een ander adres, de [b-straat 1] te [plaats] .
Vgl. HR DD 98.121.