Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:1997:55
1997-07-22
Strafrecht
3704
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1997:ZD0839 → ECLI:NL:PHR:1997:55
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.108 tekens)
Nr. 3704 Besch.
Parket, 22 juli 1997
Mr Van Dorst
Conclusie inzake:
[klaagster] N. V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Haarlem is ongegrond verklaard het beklag van verzoekster strekkende tot opheffing van het beslag op een personenauto en teruggave aan haar van die auto.
2. Namens verzoekster heeft mr D. Knottenbelt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. De Hoge Raad zal op deze schriftuur geen acht kunnen slaan nu het cassatieberoep is aangetekend op 5 december 1996, terwijl de schriftuur eerst is ingekomen op 24 februari 1997, derhalve niet binnen één maand na het instellen van het cassatieberoep zoals art. 447 lid 3 Sv voorschrijft.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid om de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Parket, 22 juli 1997
Mr Van Dorst
Conclusie inzake:
[klaagster] N. V.
Edelhoogachtbaar College,
1. Bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te Haarlem is ongegrond verklaard het beklag van verzoekster strekkende tot opheffing van het beslag op een personenauto en teruggave aan haar van die auto.
2. Namens verzoekster heeft mr D. Knottenbelt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur één middel van cassatie voorgesteld.
3. De Hoge Raad zal op deze schriftuur geen acht kunnen slaan nu het cassatieberoep is aangetekend op 5 december 1996, terwijl de schriftuur eerst is ingekomen op 24 februari 1997, derhalve niet binnen één maand na het instellen van het cassatieberoep zoals art. 447 lid 3 Sv voorschrijft.
4. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid om de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,