Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:1990:AD1172

1990-05-08 Strafrecht 87233
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
1990-05-08
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
87233
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1991, 174

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Doen plegen van valsheid in geschrift (meermalen gepleegd), art. 225.1 Sr. Betekening dagvaarding in eerste aanleg aan adres van verdachte in Frankrijk en verstekverlening, art. 7.3 EVR en art. 588.6 Sv. 1. Klacht over betekeningsgebrek m.b.t. dagvaarding in eerste aanleg in cassatie tardief. 2. Moet bij betekening van dagvaarding in e.a. rechtstreeks over de post de termijn in acht worden genomen die Frankrijk heeft gesteld in de o.g.v. art. 7.3 EVR afgelegde verklaring? 3. Aanwezigheidsrecht in h.b. Klemmende reden die verdachte belet ttz. te verschijnen zodat raadsman het woord mag voeren? Ad 1. In cassatie kan niet met vrucht voor het eerst worden geklaagd over wijze van betekening van dagvaarding in e.a. in een geval waarin raadsman van niet verschenen verdachte de gelegenheid heeft gehad betreffende klacht tegenover rechter in h.b. ttz. te uiten maar in plaats daarvan heeft medegedeeld dat verdachte sedert een jaar in Frankrijk woont en zich reiskosten niet kan permitteren. Ad 2. Door Frankrijk t.a.v. art. 7 EVR gemaakt voorbehoud, waarin eis wordt gesteld dat verzoek tot het aan verdachte betekenen van dagvaarding de Franse autoriteiten ten minste 30 dagen voor datum van tz. moet hebben bereikt, staat er niet aan in de weg dat OM zonder inachtneming van die termijn aan adres van een in Frankrijk woonachtige verdachte een afschrift van dagvaarding rechtstreeks verzendt. Ad 3. ‘s Hofs afwijzing van verzoek van raadsman om het woord te mogen voeren, is niet naar behoren met redenen omkleed. Raadsman heeft aangevoerd dat verdachte sedert een jaar in Frankrijk woont, zich reiskosten niet kan permitteren en net werk heeft, terwijl vaststaat dat verdachte in Montpellier woont en nog afgezien van verblijfkosten de kosten van een retour Montpellier-Leeuwarden beduidend zijn.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.112 tekens)
Nr. 87.233
Zitting 8 mei 1990




Mr. Meijers

Conclusie inzake:


[verdachte]







Edelhoogachtbaar College,



Met verwijzing naar art. 7 van het Europees Verdrag aangaande de wederzijdse rechtshulp in strafzaken (EVR) en het bij dat artikel door Frankrijk gemaakte voorbehoud klaagt het middel dat het hof ten onrechte de inleidende dagvaarding niet nietig heeft verklaard.



Ik meen dat het middel terecht is voorgesteld. Blijkens de dagvaarding was ten tijde van het uitbrengen ervan verzoekers adres in het buitenland bekend: [adres] .
Nu blijkens de akte van uitreiking de desbetreffende gerechtelijke brief (op 15 augustus 1988) per gewone brief is verzonden aan verzoekers adres in Frankrijk, heeft de betekening van de dagvaarding niet op de in art. 7 ERV, in verbinding met het door Frankrijk bij dat artikel gemaakte voorbehoud, voorgeschreven wijze plaatsgevonden.



Het hof heeft niet vastgesteld dat verzoeker op een andere wijze van de inhoud van de dagvaarding heeft kennis genomen.
Omdat bij het verzoek in hoger beroep evenmin aannemelijk is geworden dat verzoeker de inhoud van de dagvaarding kende, had het hof de dagvaarding nietig moeten verklaren.



Dat verzoeker tijdig vóór de terechtzitting in eerste aanleg met de inhoud van de inleidende dagvaarding op de hoogte was, heeft het hof niet kunnen afleiden uit het verzoek van de raadsman in hoger beroep, hem bij verzoekers afwezigheid als verzoekers raadsman op te laten treden noch uit de mededeling van verzoekers raadsman dat zijn cliënt in verband met pas verkregen deeltijdwerk niet uit Frankrijk kon overkomen. Uit dat verzoek en die mededeling kan slechts blijken dat verzoeker van de inhoud van de appeldagvaarding op de hoogte was.



Nu de raadsman in hoger beroep niet de gelegenheid heeft gekregen zich uit te laten over de wijze van betekening van de inleidende dagvaarding, is de cassatieprocedure voor verzoeker de eerste kans om over de wijze van betekening van de inleidende dagvaarding te klagen.



De bestreden uitspraak zal niet in stand kunnen blijven.
Vgl. HR 1 november 1983, NJ 1984, 275; HR 16 december 1986, NJ 1987, 562; 15 december 1987, NJ 1988, 707; Harteveld in DD 1985, p. 18; Van Dorst in NJB 1988, p. 1141; Beekhuis in de Bronkhorstbundel, p. 16. De Hoge Raad kan naar mijn mening zelf de zaak afdoen.



Ik concludeer dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen, behoudens voor zover het hof daarbij het vonnis van de eerste rechter heeft vernietigd, en alsnog de inleidende dagvaarding nietig zal verklaren.




De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,



De akte van uitreiking zinspeelt in de laatste alinea van de voorgedrukte tekst merkwaardigerwijs alleen op het door de Bondsrepubliek Duitsland bij art. 7 ERV gemaakte voorbehoud. De volledige lijst van landen die een voorbehoud bij art. 7 maakten is onder meer opgenomen in ed.-Cremers, Verdr. Sr/Sv, p. 96 (suppl. 51 van oktober 1986).