Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:1989:AD0912
1989-06-30
Civiel recht
7464 rek.nr
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1989:AD0912 → ECLI:NL:PHR:1989:AD0912
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Art. 14 lid 1 in verbinding met art. 28 lid 3 Huurprijzenwet woonruimte (oud). Niet-ontvankelijkheidsverklaring door rechtbank van hoger beroep tegen beslissing van kantonrechter krachtens art. 14 Huurprijzenwet woonruimte (oud). Cassatieberoep ontvankelijk?
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (58.502 tekens)
PB
Nr. 7464 rekest
Huurprijzenwet woonruimte
Parket, 30 juni 1989
Mr. Van Soest
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS
Edelhoogachtbaar College,
1. Korte beschrijving van de zaak.
1.1. [verzoeker] heeft de flat Via Regia 186 S te Maastricht in huur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Uit dezen hoofde brengt het ABP aan [verzoeker] bijkomende kosten in rekening.
1.2. Onder verwijzing naar een op 18 april 1985 door [verzoeker] gedaan verzoek heeft de Huurcommissie d.d. 16 september 1985 (verzenddatum 18 maart 1986), aangevuld d.d. 21 april 1986 (verzenddatum 9 juni 1986), geadviseerd over [verzoeker]' betalingsverplichting met betrekking tot deze kosten over 1982 en 1983.
1.3. Op 26 september 1986 heeft [verzoeker] aan de Huurcommissie advies gevraagd over zijn betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten over 1984 en 1985.
1.4. Op 24 december 1986 heeft [verzoeker] aan de Huurcommissie advies gevraagd over zijn betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten over 1979, 1980 en 1981.
1.5. Bij uitspraak van 11 mei 1987 (verzenddatum 15 juli 1987) heeft de Huurcommissie [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek van 24 december 1986.
1.6. Bij uitspraak eveneens van 11 mei 1987 (verzenddatum eveneens 15 juli 1987) heeft de Huurcommissie de betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten over 1984 en 1985 vastgesteld.
1.7. Bij het, dit geding inleidende, verzoekschrift d.d. 28 juli 1987 heeft [verzoeker] de kwestie over 1980 tot en met 1985 aan de Kantonrechter te Maastricht voorgelegd.
1.8. Bij beschikking van 21 januari 1988 verklaarde de Kantonrechter [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek over 1980 tot en met 1983 en stelde hij de betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten vast over 1984 en 1985.
1.9. Op het hoger beroep van [verzoeker] verklaarde de Arrondissements-rechtbank te 's-Hertogenbosch bij beschikking van 28 juni 1988, nr. 877/88, [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
1.10. Bij op maandag 29 augustus 1988 bij Uw Raad ingekomen geschrift heeft [verzoeker], vertegenwoordigd door zijn advocaat, beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgedragen, dat uit twee, met Arabische cijfers genummerde, onderdelen bestaat.
1.11. Het ABP heeft een Verweerschrift in cassatie ingediend.
2. Rechtsmiddelen in huurzaken.
2.1. De Huurprijzenwet woonruimte, Stb. 1979, 15 (Hpw), oorspronkelijke tekst, houdt in:
"Art. 10. 1. De huurprijs van woonruimte, waarin …. door of vanwege de verhuurder voorzieningen zijn aangebracht, waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen ..... , is de geldende huurprijs vermeerderd met een door de huurder en de verhuurder, voordat de voorzieningen tot stand zijn gekomen, overeen te komen bedrag ..... 2. De huurcommissie brengt desverzocht …. advies uit over de vraag welke de betalingsverplichting van de huurder is met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde huurprijs. Art. 12. 1. Indien een overeenkomst van huur en verhuur meer omvat dan het enkele gebruik van woonruimte, is de prijs die voor het enkele gebruik daarvan, vermeerderd met ten hoogste: a. voor het gebruik van water en ..... energie de werkelijke kosten .....; b. voor het ..... overige de vergoedingen, welke hiervoor ..... als redelijk zijn aan te merken. 2. De verhuurder verstrekt de huurder elk jaar een …... overzicht van de in rekening gebrachte kosten als bedoeld in het eerste lid ..... Het heeft betrekking op een tijdvak van ten hoogste twaalf maanden verstreken sedert het einde van het tijdvak, waarover het laatste overzicht werd verstrekt. ….. 4. Een overzicht als bedoeld in het tweede .... . lid wordt uiterlijk vier maanden na het tijdvak waarop het betrekking heeft verstrekt. …... Art. 14. 1. De huurder (kan ) zich ..... wenden tot de kantonrechter ..... met verzoek te verklaren, welke de betalingsverplichting van de huurder is met betrekking tot de in artikel ….. 12, eerste lid, bedoelde kosten. ……3. artikel Artikel 28, tweede en derde lid, is van toepassing…… Art. 28…… 2. De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. ... 3. Tegen deze beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open . ... Art. 37. De toepasselijkheid van de bepalingen van deze wet kan niet bij overeenkomst worden uitgesloten of beperkt."
2.2. De voorgeschiedenis van art. 28, lid 3, Hpw gaat terug tot art. 4 Huurbeschermingsbesluit 1941, dat inhield:
"Tegen rechterlijke beslissingen, gegrond op de artikelen 1 tot en met 3, staat hooger beroep noch beroep in cassatie open".
2.3. HR 4 februari 1949 met conclusie van de toenmalige advocaat- generaal Wijnveldt, NJ 1949, 151 met noot D.J. Veegens, betrof een zaak waarin de kantonrechter de verhuurster niet-ontvankelijk had verklaard in haar ontruimingsvordering op grond dat daaraan onvoldoende feiten ten grondslag waren gelegd, en waarin de Rechtbank de verhuurster zowel ontvangen had in haar hoger beroep als ontvankelijk had geoordeeld in haar inleidende vordering. Uw Raad overwoog,
"dat art. 4 van het Huurbeschermingsbesluit 1941 aldus moet worden verstaan, dat hoger beroep en beroep in cassatie ..... tegen uitspraken ... slechts zijn uitgesloten, voorzover daarbij een beslissing is gegeven, hetzij over de vraag, of de …... vordering tot ontruiming wegens het bestaan van het in artikel 1 bedoelde oogmerk moet worden afgewezen, hetzij omtrent de vraag of een van de feiten en omstandigheden, welke volgens artikel 2 een vordering van den verhuurder tot ontruiming door den huurder .. , zo niet een beroep op artikel 1 daaraan in den weg mocht staan, rechtvaardigen, aanwezig is; dat toch deze opvatting met de woorden van artikel 4 verenigbaar is en de juistheid daarvan ook overigens voor de hand ligt, omdat het aannemelijk is, dat het besluit hogere voorzieningen slechts heeft willen uitsluiten ten aanzien van beslissingen als de boven bedoelde, welke in den regel van eenvoudigen aard zullen zijn en …... het best aan een rechter die met plaatselijke toestanden en belangen bekend is, zullen kunnen worden toevertrouwd; dat derhalve een uitspraak als die, welke in de onderhavige zaak door den Kantonrechter is gewezen, niet valt onder de beslissingen van artikel 4"
(vergelijk HR 13 mei 1949 met conclusie van de toenmalige Procureur-Generaal Berger, NJ 1949, 371; 25 juli 1950 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Hooykaas, NJ 1950, 655).
D.J.V. betoogde in zijn noot (blz. 296):
"Is de Kantonrechter op gemeenrechtelijke gronden aan een beslissing krachtens de artt. 1 en 2 Hbb. niet toegekomen en wordt zijn vonnis te dien aanzien door den hogeren rechter vernietigd .. . . . , dan zal de Rechtbank ..... in het algemeen de zaak aan zich moeten houden ..... Art. 4 Hbb. kan niet geacht worden een uitzondering in te houden op het recht van evocatie van den appèlrechter, dat zelf eveneens in het belang van een doelmatige rechtspleging is ingesteld."
2.4. HR 22 december 1950 met conclusie van Hooykaas, NJ 1951, 83, betrof een zaak waarin de kantonrechter, naar de vaststelling van de arrondissementsrechtbank, een beslissing als in art. 4 Huurbeschermingsbesluit 1941 bedoeld, had genomen, weshalve de rechtbank de appellerende huurder niet-ontvankelijk had verklaard in zijn hoger beroep. Uw Raad oordeelde de huurder ontvankelijk in zijn beroep in cassatie,
"daar de beslissing der Rechtbank niet is een beslissing gegrond op de artt. 1 tot 3 van dat besluit, doch een beslissing, gegrond op art. 4".
2.5. Inmiddels was men begonnen met de parlementaire voorbereiding van de Huurwet, Stb. 1950, 452 (Hw). In het Voorlopig verslag, Tweede Kamer, 1949-1950 - 1529, nr. 4, blz. 14 v., onder 18, 16 - 5e al., werd betoogd:
"na het in werking treden der huurwet kan ….. een groot aantal procedures worden verwacht. Dit maakt een snelle en eenvoudige rechtsgang noodzakelijk. ….. Een ernstig bezwaar achtten (vele leden) de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie van …... beschikkingen op …. verzoeken; de hier aan het woord zijnde leden zouden …. de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen geschrapt, althans zeer beperkt willen zien. Deze leden zouden er ..... de voorkeur aan geven, wanneer de uitspraak van de kantonrechter als een soort arbitrage zou worden beschouwd, waartegen de gewone rechtsmiddelen dus niet openstaan. Zij dachten hierbij aan de request-procedure, die voor arbeidszaken is voorgeschreven, b.v. in artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek, en die in het algemeen bevredigend werkt."
Ik herinner er in dit verband aan, dat art. 1639w, lid 4, BW, tekst 1907, Stb. 193, toen verwees naar art. 1639m, lid 4, BW, tekst 1907, inhoudend:
"Tegen de beschikking is geenerlei voorziening toegelaten". (Ik citeer uit de desbetreffende Memorie van toelichting, naar A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst IV, 1909, blz. 260 v. :
"Ten einde eene spoedige beslissing te bevorderen is de procedure ..... met uitsluiting der rechtsmiddelen van hooger beroep en cassatie ..... Tegen deze uitsluiting bestaat te minder bezwaar, nu het hier niet zoozeer geldt de beslissing van een rechtsstrijd, als wel de vaststelling eener billijke regeling door den onpartijdigen rechter.")
2.6. In de Memorie van antwoord, nr. 5, blz. 18 v., onder 18, 2e – 5e al., werd betoogd:
"Aan de wens, de mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen te ..... beperken, zijn (de ondergetekenden) tegemoet gekomen …..door deze mogelijkheid ten aanzien van beschikkingen op de in artikel . .... 15 (Hw) bedoelde verzoeken geheel te schrappen. ... 2. Geen hogere voorziening tegen een beslissing van het geschilpunt "huurprijs" ..... Ad 2: Beslissingen over de huurprijs lopen ..... louter over financiële belangen. De ondergetekenden kunnen toegeven, dat hoger beroep en cassatie op die grond hier niet onontbeerlijk zijn. Dat over het bedrag van de huurprijs slechts in één instantie kan worden geprocedeerd, kan ook des te gereder worden aanvaard, nu ..... de huuradviescommissies in de praktijk als het ware als voorinstantie fungeren."
2.7. Dienovereenkomstig werd de Hw, oorspronkelijke tekst, geredigeerd:
"HOOFDSTUK IV Verzoeken aan de kantonrechter tot vaststelling van de betalingsverplichting Artikel 15 (1) De huurder …. en de verhuurder kunnen zich .... wenden tot de kantonrechter ….met verzoek te verklaren, welke de betalingsverplichting van de huurder ..... is. ... Artikel 17 (1) De kantonrechter beslist bij
... . beschikking. (2) Tegen deze beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open .. .... HOOFDSTUK VI Vorderingen betrekkelijk tot huur en verhuur …. Artikel 20 (1) In alle gedingen, waarin de vraag, welke de betalingsverplichting van de huurder ..... is, een punt van geschil uitmaakt, zal de rechter ..... bevelen dat de huuradviescommissie ..... rapport zal uitbrengen. (2) Tegen de beslissing van het in het eerste lid bedoelde geschilpunt staat hoger beroep noch beroep in cassatie open."
2.8. Kg. Amsterdam 30 september 1954, te kennen uit HR 9 november 1956 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Langemeijer, NJ 1956, 671, wees een vordering van een (gewezen) huurster tot teruggaaf van onverschuldigd betaalde huur toe. De verhuurster kwam in hoger beroep,
"als grieven onder meer aanvoerende: 1. "Ten onrechte heeft de Kantonr. niet overwogen, dat (de gewezen huurster) het recht om ... terugvordering van het eventueel onverschuldigd betaalde te eisen heeft verwerkt, althans van dit recht afstand heeft gedaan," en 5. "Ten onrechte heeft de Kantonr. geen gebruik gemaakt van de bij art. 26 lid 2 der Huurwet gegeven bevoegdheid tot matiging;"".
Nadat Rb. Amsterdam 17 februari 1956 de verhuurster niet-ontvankelijk had verklaard in haar hoger beroep, overwoog Uw Raad op het beroep in cassatie van de verhuurster,
"dat de Rb., het hoger beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk verklarende, omdat in het onderhavige geding het punt van geschil is welke de betalingsverplichting van de gewezen huurster is geweest, art. 20 der Huurwet verkeerd heeft toegepast; dat immers art. 20 enkel het oog heeft op gedingen, waarin of voorzover daarin de betalingsverplichting in den zin van art. 15 der wet aan de orde is, en de hiervoor vermelde grieven van (de verhuurster) daarop geen betrekking hebben"
(zie in gelijke zin voor geval - tevens - de "voorvraag" aan de orde is, of wel - uitsluitend - van een overeenkomst van huur en verhuur sprake is, HR 26 juni 1959 met conclusie van de toenmalige Procureur-Generaal Langemeijer, NJ 1959, 577; 24 juni 1960 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Van Oosten, NJ 1960, 511; 11 januari 1963 met conclusie van Langemeijer, NJ 1963, 42; zie voorts in gelijke zin voor geval - tevens - een nog andere vraag aan de orde is, HR 18 december 1959 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Loeff, NJ 1960, 123, overwegende,
"dat in gedingen, waarin de vraag, welke de betalingsverplichting van den huurder ..... is, een punt van geschil uitmaakt, hoger beroep ..... niet is uitgesloten, indien en voorzover bij grief in hoger beroep enig ander geschilpunt dan de vraag, welke die betalingsverplichting is, aan de beslissing van den hogeren rechter wordt onderworpen; dat (de huurder), door mede als grief op te werpen dat de Kantonr. de betalingsverplichting van den huurder zonder voorafgaand rapport van de Huuradviescommissie heeft vastgesteld, een ander punt van geschil dan de vraag, welke de betalingsverplichting is, in hoger beroep ter beslissing aan de orde heeft gesteld; dat de Rb. derhalve (de huurder) in zijn hoger beroep t.a.v. dit geschilpunt had moeten ontvangen").
2.9. Art. 28g, lid 2, Hw, tekst 1960, Stb. 116, hield in:
"Tegen de beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open".
Bij de voorbereiding van de wijzigingswet werd gevraagd (Voorlopig verslag, 1959-1960 - 5839, nr. 5, blz. 13, Artikel I J (artikel 28g Huurwet)),
"waarom (de Regering) voor het geliberaliseerde gebied de … waarborg, dat van beslissingen van kantonrechters tot ontruiming altijd hoger beroep en cassatie openstaat, wenst te laten vervallen. Is deze waarborg juist hier niet op zijn plaats?"
Geantwoord werd (Memorie van antwoord, nr. 6, blz. 14, Artikel 28g Huurwet),
"dat ingevolge het gemene recht, dat in het algemeen in het vrijgemaakte gebied zijn plaats zal hernemen, de gewezen huurder in situaties, waarop het wetsontwerp hier het oog heeft, geen enkel steekhoudend verweer heeft tegen een eventuele ontruimingsactie van de verhuurder. De huur toch is geëindigd en er is geen bewijs van nieuwe of verlengde huur ..... Hetgeen hem krachtens het wetsontwerp kan worden toegestaan, is een gunst. Hierover moet bovendien - mede in het belang van de verhuurder - op korte termijn kunnen worden beslist. Al deze omstandigheden pleiten er ..... voor om de beslissingen van de kantonrechter onherroepelijk te doen zijn."
2.10. Art. 1639w, lid 7, BW, tekst 1953, Stb. 619, hield in:
"Tegen een beschikking krachtens dit artikel is generlei voorziening toegelaten".
HR 15 april 1971 met conclusie van Langemeijer, NJ 1971, 303 met noot D. J. V., overwoog,
"dat de Rb. heeft gemeend dat geen hoger beroep openstond tegen de beschikking van de ktr. ..... , zulks omdat in het zevende lid van art. 1639w is bepaald dat tegen een beschikking krachtens dit artikel generlei voorziening is toegelaten; dat de strekking van het zevende lid van art. 1639w is ieder debat uit te sluiten over een beschikking van de Ktr. waarbij hij heeft geoordeeld over de aan- of afwezigheid van gewichtige redenen .... alsmede over de waardering van deze; dat de Ktr. in de onderhavige zaak ..... de verzoekster niet ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek, uit overweging dat zij geen ontbinding kan vragen van een arbeidsovereenkomst die volgens haar zelve ..... niet meer bestaat; dat mitsdien de beschikking van de Ktr. niet is een beschikking als bedoeld in het zevende lid van artikel 1639w; dat derhalve hoger beroep tegen deze beschikking openstond",
en verwees de zaak naar dezelfde rechtbank. Deze verklaarde wegens de aanwezigheid van gewichtige redenen de arbeidsovereenkomst ontbonden.
HR 24 oktober 1971 met conclusie van Langemeijer, NJ 1972, 23, verklaarde de werknemer niet-ontvankelijk in zijn beroep in cassatie, overwegende,
"dat deze beschikking van de Rb. is een beschikking gegeven krachtens art. 1639w, ook in zoverre zij berust op de verwerping van het ..... verweer (dat de arbeidsovereenkomst reeds beëindigd was), zodat tegen de beschikking blijkens het laatste lid van het artikel aan pp. geen hogere voorziening openstaat".
2.11. Kg. 's-Gravenhage 25 april 1973, te kennen uit HR 17 mei 1974 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Remmelink, NJ 1975, 238 met noot W.L. Haardt onder nr. 239, verklaarde de huurder niet-ontvankelijk in een verzoek om toepassing van art. 28d Hw, tekst 1960 (blz. 762, rechterkolom),
"uit overweging dat het gehuurde ….. een woning was en niet als geliberaliseerd is aan te merken".
De verhuurster kwam in hoger beroep (het was één van die merkwaardige gevallen waarin een partij procedeert met het primaire doel niet-ontvankelijk verklaard te worden) en werd daarin ontvangen door Rb. 's-Gravenhage 9 november 1973, die tevens de huurder ontving in zijn inleidende verzoek en daarop recht deed. Op het beroep in cassatie van de huurder pleitte de verhuurster diens niet-ontvankelijkheid daarin, welk pleidooi door Uw Raad werd verworpen, overwegende dat met de wetsgeschiedenis van 1960
"niet zou stroken een uitlegging van art. 28g, lid 2, waarbij in een geval ..... waarin pp. primair strijden over de rechtsvraag of het onroerend goed al dan niet is een woning in de zin van de Huurwet, dat wil zeggen of de artikelen 28a t/m 28h niet of wel ... op het pand toepasselijk zijn, de Ktr. (of bij een gang van zaken als in dit geding de Rb.) ook over deze voorvraag zonder hogere voorziening zou kunnen beslissen; dat daarom de bestreden beschikking, voor zover inhoudende dat het pand niet is een woning, niet als "de beschikking" in de zin van art. 28g lid 2 kan gelden, zodat in zoverre beroep in cassatie niet is uitgesloten".
2.12. HR 28 juni 1977 met conclusie van Remmelink, NJ 1978, 17 met noot P. Zonderland, overwoog,
"dat de Rb., na […] in zijn hoger beroep ontvankelijk te hebben geoordeeld op grond van de overweging dat het zevende lid van art. 1639w zich tegen dat hoger beroep niet verzette nu dat beroep zich niet richtte tegen "een beschikking krachtens dat artikel" - welke door de Ktr. nog niet was gegeven -, en, na vervolgens te hebben vastgesteld dat het verzoek, zoals het door […] was gedaan in eerste aanleg, terecht tot diens niet-ontvankelijkverklaring had geleid, verplicht was na te gaan, of het verzoek in zijn in hoger beroep gewijzigde vorm ..... wél tot ontvankelijk verklaring kon leiden; dat de Rechtbank aldus handelende, een juiste opvatting van haar taak als appelrechter heeft gehad, welke taak, bij een bevestigende beantwoording der ontvankelijkheidsvraag, voorts zou hebben meegebracht dat de Rb. op het verzoek een beschikking had moeten geven; dat daarmede, nu een zodanige beschikking door de Ktr. nog niet was gegeven, geen afbreuk wordt gedaan aan de strekking van het zevende lid van art. 1639w".
2.13. De wetsgeschiedenis van de Hpw werpt, als ik haar goed lees, geen nader licht op de hiervoor onder 2.1 weergegeven uitsluiting van rechtsmiddelen.
Wel verdient het de aandacht, dat in de Memorie van antwoord, 1976-1977 - 14.175, nr. 6, blz. 57, 6e al., - blz. 58, 2e al., werd betoogd (voor een tekst waarin de toepassing van art. 12, lid 2, Hpw nog was gebonden aan een verzoek van de huurder):
"Indien ….. de huurder bij voorbeeld drie jaren na de inwerkingtreding van de wet voor de eerste maal een specificatie vraagt, zal hem die slechts over een tijdvak van ten hoogste twaalf maanden hoeven te worden verstrekt. Het ligt in dat geval voor de hand, dat het overzicht betrekking zal hebben op het laatstelijk afgesloten boekjaar. Is de verhuurder in zo'n geval bereid ook over de daaraan voorafgaande jaren de overzichten alsnog te verstrekken, dat bestaat daartegen uiteraard geen bezwaar. ..... Het aangeven van een tijdstip, waarop de huurder het …. verzoek moet doen komt de ondergetekende niet gewenst voor ….. Aan een onredelijk verlangen van de zijde van de huurder hoeft de verhuurder uiteraard niet te voldoen."
Een amendement-Nypels (1977-1978, nr. 17, onder I) strekte tot schrapping van de gebondenheid aan een verzoek. Het werd aangenomen (Handelingen, 13 juni 1978, blz. 2791, middenkolom, 13e al.).
2.14. HR 19 oktober 1979 met conclusie van mijn ambtgenoot Franx, NJ 1980, 471 met noot W.H. Heemskerk, overwoog:
"De beschikking der Rb., voor zover daarbij het verzoek tot het geven van een beslissing omtrent de proceskosten werd afgewezen, en de beschikking van het Hof, waarbij de beschikking der Rb. in zoverre werd bekrachtigd en waarbij elk der pp. niet-ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek tot veroordeling van de wederpartij in de kosten van het hoger beroep, kunnen niet worden aangemerkt als beschikkingen krachtens art. 1639w BW, in de zin van het zevende lid van dit artikel, nu ..... werd beslist - niet op de vraag of en in hoeverre in het onderhavige geval termen voor een kostenveroordeling aanwezig zijn, maar uitsluitend - op de vraag of de rechter de bevoegdheid heeft bij zijn beschikking omtrent het verzoek tot ontbondenverklaring van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen tevens een beslissing omtrent de proces- kosten te geven."
2.15. HR 10 oktober 1980 met conclusie van mijn ambtgenote mevrouw Biegman-Hartogh, NJ 1981, 114, overwoog:
"Art. 17 tweede lid Huurwet ….. heeft uitsluitend het oog op de beschikking waarbij de Ktr. …. de in Hoofdstuk IV Huurwet bedoelde betalingsverplichting vaststelt.”.
en vernietigde de bestreden beschikking.
Mevrouw Biegman had opgemerkt
"Over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep .. . Indien uitsluitend art. 17 lid 2 Huurwet van toepassing wordt geacht, zoals de Rb. deed, zou het beroep thans weer niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Maar nu in het verzoek in hoger beroep en in cassatie van een ander standpunt wordt uitgegaan, behoeft om die reden de niet-ontvankelijkheid niet te worden uitgesproken."
2.16. HR 12 maart 1982 met conclusie van Remmelink, NJ 1983, 181 met noot P.A. Stein onder nr. 182, overwoog:
"1. Het betreft hier een geding, waarin ... als verweer een beroep is gedaan op niet-ontvankelijkheid van het verzoek. …..De Ktr. heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen en de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen ontbonden verklaard. 2. ... . de vraag ..... of ook de verwerping door de Ktr. van het beroep op niet-ontvankelijkheid is te beschouwen als een beschikking "krachtens" art. 1639w. ….. 3. . .... moet ontkennend worden beantwoord. …. De ... strekking van de uitsluiting van hogere voorziening kan immers niet mede rechtvaardigen dat ook een beslissing die weliswaar met een beroep op het artikel, maar buiten het toepassingsgebied daarvan is gegeven, aan hogere voorziening is onttrokken. 4. Het vorenoverwogene betekent dat teruggekomen wordt op de beschikking van 24 okt. 1971, NJ 1972, 23, welke niet met het bovenoverwogene strookt."
2.17. HR 30 september 1983 met mijn conclusie, NJ 1984, 231 met noot P.A.S., overwoog in een zaak over de toepassing van de Hpw, waarin de verhuurder in eerste instantie niet-ontvankelijk verklaard was in zijn verzoek, maar hij in appèl wel ontvankelijk geoordeeld werd, dat
"uit art. 28 Huurprijzenwet woonruimte ….. niet (kan) worden afgeleid dat ..... niet zou gelden de regel dat door het hoger beroep van een einduitspraak - in gevallen als het onderhavige waarin zodanig beroep mogelijk is - in beginsel de gehele zaak zoals zij voor de eerste rechter diende naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing door deze".
2.18. HR 8 november 1985 met conclusie van mijn ambtgenoot Leijten, NJ 1986, 121, overwoog (onder 3, blz. 441, linkerkolom) :
"De Rb. is er terecht van uitgegaan dat beslissingen als die waartegen de grieven zich blijkens vaststelling van de Rb. richtten - kort gezegd beslissingen omtrent de inhoud van de overeenkomst en de geldigheid van bedingen - vallen binnen het raam van art. 14 lid 1 HpW. Er is dan ook, mede in aanmerking genomen dat de verwijzing van art. 14 lid 3 naar art. 28 lid 3 algemeen luidt, geen reden om aan te nemen dat de uitsluiting van hoger beroep en beroep in cassatie niet voor beslissingen als de onderhavige zou gelden. Voorts is van belang dat uit de vaststellingen van de Rb. blijkt dat de grieven niet de strekking hadden te betogen dat in de aangevallen beschikking van de Ktr. art. 14 ten onrechte was toegepast, noch dat bij toepassing van dat artikel essentiële vormen waren verzuimd";
en verklaarde, met vernietiging van de bestreden beschikking van de Rb., de verhuurder alsnog niet-ontvankelijk in zijn appèl.
2.19. Art. 1639w, lid 11, tekst 1984, Stb. 97, luidt:
"Tegen een beschikking krachtens dit artikel kan hoger beroep noch cassatie worden ingesteld."
HR 4 april 1986 met conclusie van Franx, NJ 1986, 549, overwoog (onder 3.2, blz. 2077):
"De Ktr. heeft ... de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van een vergoeding .. .. Een beslissing van deze aard blijft binnen het raam van art. 1639w. In hoger beroep is ….. betoogd dat de Ktr. nu […] de ..... feiten als verandering in de omstandigheden wenste te zien aangemerkt, niet vrij stond deze als een dringende reden te kwalificeren en op grond daarvan het verzoek tot het toekennen van een vergoeding van de hand te wijzen. Dit betoog blijft eveneens binnen dit raam. Dit zou slechts anders zijn, indien was aangevoerd dat de Ktr. buiten het toepassingsgebied van art. 1639w was getreden, essentiële vormen had verzuimd of dit artikel ten onrechte buiten toepassing had gelaten"
(zie in gelijke zin HR 13 februari 1987 met conclusie van mijn ambtgenoot Ten Kate, NJ 1987, 883 met noot P.A.S.).
2.20. HR 13 maart 1987 met conclusie van Leijten, NJ 1987, 1017, overwoog (onder 3.2, blz. 3557, rechterkolom) :
"de klachten ... in hoger beroep (die) erop (neerkomen) dat de Ktr. bij de vaststelling van de betalingsverplichting met betrekking tot de bijkomende kosten ten onrechte bepaalde kosten niet daaronder heeft gerekend, maar begrepen heeft geacht in de huurprijs, blijft binnen het raam van art. 14 lid ] Hpw. Dit brengt mee dat lid 3 van dit artikel in verbinding met art. 28 lid 3 aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg stond. Dit zou slechts anders zijn geweest indien het zou zijn gegaan om klachten die de strekking hadden te betogen dat de ktr. ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 was getreden of deze bepaling ten onrechte niet had toegepast dan wel essentiële vormen had verzuimd. …... Daarbij verdient aantekening dat het bij de vraag of in bovenbedoelde zin ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 is getreden dan wel deze bepaling ten onrechte buiten toepassing is gelaten, uitsluitend gaat om de afbakening van het toepassingsgebied van deze bepaling aan de hand van voorwaarden waarvan de niet-vervulling tot gevolg heeft dat deze bepaling in het geheel niet aan de orde kan komen, zoals de voorwaarden dat sprake is van een huurovereenkomst, onderscheidenlijk van woonruimte in de zin van de Hpw."
2.21. HR 27 maart 1987 met conclusie van Ten Kate, NJ 1987, 882 met noot P.A.S. onder nr. 883, overwoog (onder 4, blz.2905) :
"Het oordeel van de Rb. komt erop neer, dat in het algemeen voor een verzoek door de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de voet van art. 1639w geen plaats is "wanneer te vrezen valt dat een uitspraak houdende ontbinding van de arbeidsovereenkomst een doorkruising zou kunnen opleveren van een nog lopende ontslagprocedure", en dat zich hier zo'n geval voordoet. De Rb. heeft derhalve, het tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst strekkende verzoek als vermeld toetsend aan een volgens haar aan toepassing van art. 1639w in de weg staande norm, bevonden dat de voorwaarden voor toepassing van die norm in het onderhavige geval zijn vervuld. Aldus is de Rb. niet toegekomen aan de beoordeling van het verzoek op basis van het daartoe in art. 1639w bepaalde en heeft zij een beslissing gegeven die buiten het raam van dit artikel valt, zodat Seceurop ontvankelijk is in het cassatieberoep."
2.22. HR 24 april 1987 met conclusie van Ten Kate, NJ 1987, 628, overwoog (onder 3, blz 2180, linkerkolom) :
"Ook indien juist zou zijn dat, gelijk in het middel wordt gesteld, de Ktr. het bepaalde bij of krachtens de art. 4, 5 en 15 Huurprijzenwet woonruimte niet in acht genomen heeft, staat zulks niet in de weg aan de toepasselijkheid van het bepaalde in art. 28 lid 3 van die wet.";
en verwierp het beroep in cassatie tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Rb. van de verhuurster in haar appèl.
2.23. HR 18 december 1987 met conclusie van mijn ambtgenoot Meijers, NJ 1988, 351, overwoog (onder 3.1, blz. 1427):
"Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de beschikking van de Rb. inhoudende haar beslissing om na vernietiging van de beschikking van de Ktr. alsnog het oorspronkelijke verzoek toe te wijzen op grond van haar oordeel' dat gewichtige redenen tot ontbinding van de eventueel tussen pp. tot stand gekomen arbeidsovereenkomst bestaan. Dit is immers een beschikking krachtens art. 1639w BW".
2.24. HR 4 maart 1988 met conclusie van Leijten, NJ 1989, 4 met noot W.H.H., overwoog (onder 3.3, blz. 22) :
"Weliswaar is niet uitgesloten dat een klacht betreffende verzuim van essentiële vormen bij de totstandkoming van een beschikking waartegen geen hoger beroep open staat, niettemin tot ontvankelijkheid van het hoger beroep leidt, doch dit is alleen dan het geval wanneer aan die klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken …… . Daartoe is niet voldoende de klacht dat de betreffende beschikking niet of niet naar de eis der wet met redenen is omkleed."
2.25. HR 24 februari 1989 met conclusie van Leijten, NJ 1989, 434, overwoog (blz. 1586 v.):
"3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De stelling van Wostica dat Kortooms op grond van het bepaalde in art. 28 lid 3 HPW niet ontvankelijk is in haar beroep in cassatie, ziet eraan voorbij dat het onderhavige cassatieberoep de strekking heeft aan de HR de vraag voor te leggen of de Rb. het desbetreffend hoger beroep terecht op grond van genoemde bepaling niet-ontvankelijk heeft geoordeeld. Een zodanig cassatieberoep is ontvankelijk. 4. .... Tegen een op art. 14 lid 1 HPW gebaseerde beslissing van de Ktr. staat op grond van het bepaalde in art. 28 lid 3 in verbinding met 14 lid 3 HPW hoger beroep en beroep in cassatie niet open. Voor zover hier van belang, is een zodanig beroep slechts ontvankelijk als het gaat om klachten die de strekking hebben te betogen dat de Ktr. ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 is getreden, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden waarvan de niet-vervulling tot gevolg heeft dat deze bepaling in het geheel niet aan de orde kan komen (HR 13 maart 1987, NJ 1987, 1017). De Rb. heeft terecht geoordeeld dat dit geval zich hier niet voordoet, nu Kortooms in hoger beroep weliswaar erover heeft geklaagd dat de Ktr. buiten het toepassingsgebied van art. 14 is getreden, maar deze klacht blijkens de vaststelling van de Rb. uitsluitend hierop was gegrond dat de Ktr., bij de huurprijsvaststelling krachtens art. 14, art. 10 verkeerd heeft uitgelegd."
2.26. De Hpw is gewijzigd bij Wet van 18 juni 1986, Stb. 330, welke wet op 1 juli 1986 in werking getreden is. Art. III van de wet van 1986 houdt in:
"1. Overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte .... die lopen op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden met ingang van dat tijdstip, doch uitsluitend voor het vervolg, beheerst door de Huurprijzenwet woonruimte ..... zoals die ingevolge deze wet (is) komen te luiden. 2. Deze wet is niet van toepassing op zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn bij de huurcommissies".
Aangezien de thans te beoordelen zaak niet gaat over het in art. III, lid 1, van de wet van 1986 bedoelde "vervolg", is die wet er niet op van toepassing. Daaraan doet niet af, dat de Huurcommissie (zie hiervoor onder 1.5-6) de nieuwe terminologie gevolgd heeft, en evenmin dat de Rechtbank klaarblijkelijk de nieuwe tekst van art. 13 Hpw geraadpleegd heeft (zie hierna onder 3.2).
Ik ga daarom op de wet van 1986 niet in.
3. De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
3.1. In de thans aanhangige zaak heeft de Kantonrechter overwogen (blz. 2):
"Hoewel de wet geen termijn stelt …… ,moet ….., worden aangenomen in verband met de eisen van de rechtszekerheid, dat de huurder binnen redelijke termijn en wel voor het einde van de lopende periode van één jaar de Huurcommissie om vaststelling van de ..... bijkomende kosten verzoekt. Nu ([verzoeker]) in dit geval ettelijke jaren heeft laten verstrijken zonder een duidelijk protest te laten horen tegen de door (het ABP) aan hem toegezonden jaarlijkse afrekeningen ..... , ook al gaat het hier volgens ([verzoeker]) om teveel betaalde voorschotten, …. is in casu sprake van rechtsverwerking."
3.2. De Rechtbank heeft overwogen (onder 5, blz. 2 v.),
"dat de kantonrechter, waar hij overweegt dat in verband met de eisen van rechtszekerheid de huurder binnen een redelijke termijn zich tot de Huurcommissie moet wenden ..... , bij zijn op die overweging gebaseerde beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn verzoek over de jaren 1980 tot en met 1983 binnen het raam van artikel 14 Hpw is gebleven, nu de redelijke termijn in de wet ligt opgesloten. Uit de ratio en de systematiek van de Hpw volgt dat verzoeken aan de Huurcommissie of de kantonrechters binnen een redelijke termijn dienen te worden gedaan, waarbij te dezen de kantonrechter op basis van de door hem vastgestelde feiten heeft geoordeeld dat die redelijke termijn welke verband houdt met de eisen van rechtszekerheid is overschreden. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat aard en karakter van de overeenkomst van huur en verhuur zich verzetten tegen langdurige ongewisheid tussen partijen terzake van de vaststelling van de voor elk harer daaruit voortvloeiende verplichtingen, terwijl het bereiken van overeenstemming tussen huurder en verhuurder blijkens het in artikel 13 Hpw bepaalde uitgangspunt is."
3.3. [verzoeker] komt er in onderdeel 1 van het middel tegen op, dat de Rechtbank hem op grond van art. 14, lid 3, Hpw jo. art. 28, lid 3, Hpw niet- ontvankelijk geoordeeld heeft in zijn hoger beroep.
3.4. Hoewel blijkens de wetsgeschiedenis van de Hw (zie hiervoor 2.5-6) de wetgever bij de uitsluiting van rechtsmiddelen heeft beoogd aan te sluiten bij de inzake art. 1639w BW geldende regeling, verdient het de
aandacht, dat de formulering anders is. Art. 1639w, lid 11, BW, tekst 1984, heeft het immers over "een beschikking krachtens dit artikel" en het lijdt geen twijfel, dat dientengevolge het beroep in cassatie wordt uitgesloten tegen een beschikking die in hoger beroep krachtens art. 1639w BW wordt genomen (zie dan ook de hiervoor onder 2.10 geciteerde beschikking van 24 oktober 1971, die in zoverre niet achterhaald is, en de hiervoor onder 2.23 geciteerde beschikking van 18 december 1987). Art. 28, lid 3, Hpw heeft het evenwel over "deze beschikking", dat is de beschikking van de kantonrechter. Naar de letter sluit dus art. 28, lid 3, Hpw het beroep in cassatie tegen een in hoger beroep genomen beschikking, hoe ook luidend, niet uit.
3.5. Naar de strekking van het voorschrift - vereenvoudiging en bekorting van de procedure - moet het beroep in cassatie ook uitgesloten zijn, indien een beslissing in hoger beroep binnen het toepassingsgebied van art. 14 Hpw genomen is en de verzoeker van cassatie die toepassing ter discussie zou willen stellen.
3.6. Uit de motivering van de hiervoor onder 2.25 geciteerde beschikking van 1989 volgt naar mijn mening, dat Uw Raad er ook zo over denkt. Een gelijk oordeel lees ik voorts in de conclusie van mevrouw Biegman, hiervoor onder 2.15 geciteerd.
3.7. Indien een beslissing in eerste instantie binnen het toepassingsgebied van art. 14 Hpw genomen is en één van de partijen hoger beroep instelt om die toepassing ter discussie te stellen, dan is dat in strijd met art. 14, lid 3, Hpw jo. art. 28, lid 3, Hpw en zal de arrondissements-rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. Naar de strekking van het voorschrift - vereenvoudiging en bekorting van de procedure - moet het beroep in cassatie daartegen almede uitgesloten zijn, indien dat ertoe strekt voort te gaan met de discussie over de toepassing van art. 14 Hpw.
3.8. Indien de verzoeker van cassatie in het zojuist bedoelde geval zich echter keert tegen de niet-ontvankelijkverklaring zelf, dan stelt hij de grenzen van het toepassingsgebied van art. 14 Hpw aan de orde en is hij in zijn beroep in cassatie zowel naar de letter als naar de strekking van art. 14, lid 3, Hpw jo. art 28, lid 3, Hpw ontvankelijk. Aldus dan ook de hiervoor onder 2.25 geciteerde beschikking van 1989, onder 3. 3.9. Aangezien zich overigens niets daartegen verzet acht ik [verzoeker] ontvankelijk in zijn beroep in cassatie.
4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep; onderdeel 1 van het middel.
4.1. De criteria voor de uitsluiting van het hoger beroep zijn, zoals uit de hiervoor onder 2 opgesomde jurisprudentie blijkt, subtiel.
4.2. Indien de verzoeker in eerste instantie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek, dan zal de grond daarvoor in de regel buiten het toepassingsgebied van art. 14 Hpw liggen (vergelijk de gevallen, genoemd hiervoor onder 2.3, 2.11 en 2.17; D.J.V. , hiervoor onder 2.3 geciteerd, spreekt over "gemeenrechtelijke gronden").
4.3. In het onderhavige geval heeft de Kantonrechter eveneens [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard en heeft hij daartoe gronden gebezigd die culmineren in het woord "rechtsverwerking", maar heeft de Rechtbank zowel in haar weergave van de beslissing van de Kantonrechter als in haar eigen overwegingen, er de nadruk op gelegd, dat het vereiste van een spoediger optreden van de huurder uit de strekking en de systematiek van de artt. 12- 14 Hpw volgt.
4.4. Ik meen daarom, dat de Rechtbank, daarvan uitgaande, terecht het hoger beroep tegen de beschikking van de Kantonrechter uitgesloten geacht heeft.
4.5. Derhalve faalt middelonderdeel 1.
5. De betekenis van het tijdsverloop; onderdeel 2 van het middel.
5.1. Gelijk ik hiervoor onder 3.5-7 betoogde, is naar de strekking van art. 14, lid 3, Hpw jo. art. 28, lid 3, Hpw het beroep in cassatie uitgesloten, indien dat ertoe strekt de toepassing van art. 14 Hpw binnen zijn toepassingsgebied ter toetsing aan de orde te stellen. Derhalve moet een middel van cassatie buiten beschouwing blijven, voor zover het de laatstbedoelde strekking heeft. Dat wil zeggen dat onder meer uitleggingsvragen omtrent de artt. 10-14 niet aan de orde gesteld kunnen worden.
5.2. Derhalve kan middelonderdeel 2 niet tot cassatie leiden.
5.3. Voor geval de uitlegging van de artt. 10-14 Hpw wel aan de orde zou kunnen komen, moet ik bekennen dat ik moeite heb met de rechtsopvatting waarop de bestreden beschikking berust.
5.4. De Hpw is, gezien haar formulering, bepaaldelijk niet een wet die haar kracht zoekt in abstracte, vage, normen. Integendeel geeft zij blijk nauwkeurig te willen aangeven, welke rechten en verplichtingen de huurder en de verhuurder op de door de Hpw bestreken punten hebben.
5.5. Art. 12, leden 2 en 4, Hpw, oorspronkelijke tekst, nu legt uitdrukkelijk verplichtingen aan de verhuurder op om over bepaalde perioden en binnen bepaalde termijnen gespecificeerde opgaven te doen van de bijkomende kosten. Uit de omstandigheid dat de wijze waarop en de termijn waarbinnen de huurder hierop zou kunnen dan wel moeten reageren, niet geregeld zijn, mag, bij de kennelijk nagestreefde nauwkeurigheid, naar mijn mening afgeleid worden, dat hieraan geen andere eisen gesteld worden dan die welke uit het verbintenissenrecht in het algemeen voortvloeien. Ik pas hier een argumentum a contrario toe op grond dat het steun vindt in de strekking en het systeem van de wet.
5.6. Het vindt echter ook een zekere steun in de wetsgeschiedenis. In de Memorie van antwoord, hiervoor onder 2.13 geciteerd, is een gevolgtrekking gemaakt uit het stilzitten van de huurder gedurende een tijdvak van drie jaren, maar dit was een uitwerking van het, toen nog opgenomen, vereiste van een verzoek van de huurder om een gespecificeerde opgave. De schrapping van dit vereiste bij amendement vormt er een aanwijzing voor, dat de wetgever aan het al dan niet handelen van de huurder geen consequenties heeft willen verbinden.
5.7. Bij het vorenstaande komt, dat de Rechtbank blijkens het hiervoor onder 3.2 opgenomen citaat steun gezocht heeft daarin dat "het bereiken van overeenstemming tussen huurder en verhuurder blijkens het in artikel 13 Hpw bepaalde uitgangspunt is". Dit uitgangspunt is echter eerst in 1986 - met werking voor het "vervolg"; zie hiervoor onder 2.26 - in art. 13 Hpw neergelegd. Het is in de wijzigingswet terecht gekomen door de aanneming (Handelingen, 28 januari 1986, blz. 2791, rechterkolom, 10e al.) van een amendement-Nypels (1985-1986 - 17.431, nr. 41, onder I), welke aanneming werd voorafgegaan door het betoog (Memorie van antwoord, 1984-1985, nr. 9, blz. 18, 2e al. ) :
"Bepalend voor de servicekosten zijn volgens artikel 12 van de Huurprijzenwet woonruimte ….niet de door partijen overeengekomen bedragen";
(Nota naar aanleiding van het eindverslag, nr. 13, blz. 13, 2e al. ) het
"redelijkheidscriterium kan niet opzij worden gezet door de door partijen overeengekomen bedragen";
(Staatssecretaris Brokx, Handelingen, 22 januari 1986, blz. 2703, linkerkolom, 1e al. )
"de maximale servicekosten (vloeien) uit de wet (voort). Daar kan niet bij overeenkomst bovenuit worden gegaan."
Voor de in het onderhavige geval van toepassing zijnde tekst van de artt. 12-13 Hpw kan derhalve de (veronderstelde) instemming van de huurder niet derogeren aan de wet (zie ook art. 37 Hpw).
5.8. Derhalve blijft de vraag over - maar daarmee verlaten wij het toepassingsgebied van de Hpw en stuiten wij op de grenzen ervan -, of het verbintenissenrecht in zijn algemeenheid de huurder die een (wettelijk voorgeschreven) afrekening ontvangt, van rechten versteekt indien hij niet spoedig en op passende wijze reageert.
5.9. Ik maak een zeer beknopte selectie uit de litteratuur en de jurisprudentie toegespitst op het onderwerp ("Contractenrecht" II (Y.G. Blei Weissmann), nr. 244, blz. 505 (Suppl. 199 (januari 1987)))
"Stilzwijgen op facturen, nota's en rekeningen; gebondenheid aan daarin vermelde prijs".
5.10. J.C.M. Leijten, Nederlands Juristenblad 23 november 1968, blzz. 1037 e.v., betoogt over
"de diverse redenen waarom protesten tegen facturen kunnen worden ingebracht ..... Ik ga er in het vervolg van uit, dat het betreft goederen, die volgens factuur zijn verkocht ...... c. Op Uw factuur brengt gij andere prijzen in rekening, dan die welke tussen ons zijn overeengekomen. d. Uw factuur vermeldt prijzen, die afwijken van welke tussen ons gelden als de in rekening te brengen usantiele prijzen of prijzen naar dagwaarde. .... Het is een gewoon maatschappelijk verschijnsel, dat er nogal eens wat tijd verloopt voordat er wordt geprotesteerd. Er zijn mensen, die deze onaangename bezigheid plegen uit te stellen, maar daarmede geenszins bedoelen zich stilzwijgend met factuur …. akkoord te verklaren. Een protest, dat een paar maanden na ontvangst van de factuur wordt ingediend, behoeft m.j. bijna nimmer tardief te worden geacht. Veeleer kan men zich afvragen of het niet op de weg van de verkoper ligt, die ièts - te weten zijn koopprijs - moet krijgen, te "reclameren" tegen de niet-betaling. ..... Ad c. Protest is in deze gevallen, naar mij voorkomt, nodig teneinde te voorkomen, dat de koper wordt belast met het bewijs ….. toch komt het wel voor, dat niet protesteren …..zonder meer als rechtsverwerking wordt beschouwd. Ad d. Indien tussen partijen is overeengekomen, dat gefactureerd zal worden tegen de usantiele prijs of marktkoers, zal m.i. steeds mogen worden aangevoerd, dat het gefactureerde niet in overeenstemming is met die prijzen. De verkoper zal dienen aan te tonen, dat het door hem in rekening gebrachte daarmede overeenstemt. Dit is voor hem doodeenvoudig, als hij de zaak niet bedrogen heeft. En wanneer hij dat laatste wel gedaan heeft, heeft hij een vertrouwensrelatie geschonden door te hoog te factureren, welke schending hem altijd moet kunnen worden tegengeworpen."
5.11. HR 5 november 1976 met conclusie van Ten Kate, NJ 1977, 182 met noot G.J. Scholten, overwoog (blz. 639, rechterkolom, laatste al., - blz. 640, linkerkolom, 1e al.),
"dat .. het feit dat [A] en [B] [C] niet dadelijk na het duidelijk worden van zijn standpunt ..... in kennis hebben gesteld van hun tegengestelde standpunt, niet kan meebrengen dat zij hun rechten ….. zouden hebben verwerkt, nu [C] niet heeft gesteld ..... dat hij enig nadeel zou hebben ondervonden door dit beweerde verzuim".
G.J.S. annoteert (blz. 644 v.) :
"De vraag kan gesteld worden: is er dan nooit rechtsverwerking als er geen nadeel is. Het antwoord moet luiden: inderdaad, dat is er nooit. ..... Tussen afstand - hetzij nadrukkelijk hetzij stilzwijgend maar ondubbelzinnig ... - enerzijds en toerekenbare schijn van afstand anderzijds ligt een smalle maar principiële kloof. Daar is er geen afstand maar rechtsverwerking en daartoe is nadeel vereist. Voor afstand is grondslag de geopenbaarde wil, voor rechtsverwerking de billijkheid die het opgewekt vertrouwen honoreert mits degene, die vertrouwen mocht, anders nadeel zou oplopen".
5.12. HR 5 november 1982 met conclusie van Franx, NJ 1984, 125 met noot C.H.J. Brunner, overwoog (onder 3.4, blz. 466) :
"In het onderhavige geval heeft het Hof aangenomen dat aan de eisen voor rechtsverwerking was voldaan. Het Hof heeft bij dat oordeel - dat verweven is met de omstandigheden van het geval en derhalve in cassatie niet volledig toetsbaar is - laten meewegen, ….. dat de ziekenfondsen …... bij de apothekers de gerechtvaardigde indruk hebben gewekt de .... declaratie-methode, zij het wellicht met tegenzin, te accepteren; dat de ziekenfondsen zich ervan bewust waren dat de apothekers in verband met het op grote schaal bereiden van de door hen aldus gedeclareerde loco- preparaten aanzienlijke kosten moeten hebben gemaakt. Door …… tot zijn voormelde oordeel te komen heeft het Hof ..... geen rechtsregel geschonden. Dat oordeel ….. moet aldus worden begrepen dat de ziekenfondsen in de gegeven omstandigheden in verband met de door hen gedurende vele jaren ingenomen houding en het daardoor bij de apothekers gewekte vertrouwen, in 1976 in zoverre niet meer konden terugvorderen wat zij over de afgelopen jaren zonder voorbehoud hadden voldaan."
5.13. "Contractenrecht" alsvoren, blzz. 505 e.v., leidt uit lagere · burgerlijke rechtspraak en uit arbitrale rechtspraak af:
"Degene die gekochte goederen met factuur ontvangt en niet protesteert, wordt geacht met .. .. prijs akkoord te gaan ...... Door niet onmiddellijk te protesteren tegen de in de factuur genoemde prijs, wordt het recht verwerkt alsnog over de prijs te reclameren . . .. Indien het in facturen, nota's of rekeningen genoemde bedrag wordt betaald of geïnd, is temeer aanleiding om instemming aanwezig te achten. ..... Geen gebondenheid werd aangenomen in i geval van stilzwijgen op rekening-courantafschriften waarin een hoger rentepercentage werd genoemd, daar niet uitgesloten was dat de hogere rente niet was bemerkt ..... Indien in een factuur bij vergissing een fout is geslopen, wordt de vraag naar de gebondenheid primair beheerst door de (wils)vertrouwensleer".
5.14. Mevrouw Biegman betoogde in haar conclusie voor HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150 met noot E.A.A. Luijten (onder 11, blz. 642 v.):
"Onderdeel 5 komt op tegen de vaststelling van het hof . ... dat de vrouw, door in 1976 niet alsnog rente te bedingen en/of aanspraak te maken op eventuele waardevermeerdering ... , bij de man de mening heeft versterkt, althans doen postvatten dat zij te zijner tijd slechts terugbetaling van het door haar verschafte bedrag zou vragen, zodat zij haar aanspraken zowel op rente als op waardevermeerdering heeft verwerkt. De klacht van de vrouw houdt in, dat, nu is gesteld noch gebleken dat de man door het stilzwijgen van de vrouw in een nadeliger positie is geraakt, van rechtsverwerking geen sprake kan zijn, subs. dat 's hofs oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. ….. in het onderhavige geval meen ik dat het onderdeel …. terecht wordt voorgesteld. Uit 's hofs overweging blijkt op geen enkele wijze van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de vrouw met het oog op de belangen van de man reeds in 1976 aanspraak op een eventuele waardevermeerdering van de woning had behoren te maken ..... Evenmin heeft de man gesteld, of is ten processe anderszins gebleken of aannemelijk geworden dat hij nadeel heeft ondervonden doordat de vrouw eerst na de echtscheiding heeft gereageerd".
Uw Raad overwoog (onder 3.5, blz. 637),
"dat zonder nadere redengeving niet begrijpelijk is het oordeel van het hof ….., nu dit oordeel berust op de enkele grond dat de vrouw in 1976 ……heeft nagelaten op waardevermeerdering aanspraak te maken. ….. Daarbij is .... van belang dat het hof noch heeft vastgesteld dat de man door dit enkele nalaten van de vrouw in een nadeliger positie is geraakt, noch ook dat in 1976 tussen pp. al huwelijksmoeilijkheden bestonden die tot het geldend maken van aanspraken …. aanleiding konden geven."
5.15. Meijers betoogde in zijn conclusie voor HR 27 november 1987, NJ 1988, 342 (ik citeer Jurisprudentie ABW t.a.p., blz. 181):
"9. Het buiten beschouwing laten van het nadeelelement behoeft ….... een beroep op rechtsverwerking niet bij voorbaat vruchteloos te maken. Het zwaartepunt ligt bij de vraag of de eigen gedraging van een contractspartij ... naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van een krachtens de overeenkomst geldende regel, waaraan die partij een recht ontleent ….. 12. ….. Het enkele tijdsverloop zal eerst rechtsverwerking ten gevolge kunnen hebben, als de inactiviteit van de rechthebbende gedurende die tijd door bijzondere omstandigheden (eigen gedragingen van de passieve partij of een door de wederpartij geleden en door haar aangewezen nadeel) is gekleurd."
5.16. Asser-Hartkamp II, 8e druk, 1989, nr. 322, blz. 294 v., betoogt,
"dat voorzichtigheid moet worden betracht met het opstellen van vereisten waaraan moet zijn voldaan, wil een beroep op rechtsverwerking toelaatbaar zijn. Verschillende schrijvers hebben bijv. betoogd dat de gedraging van de rechtsverwerkende partij steeds in enig nadeel voor de wederpartij moet hebben geresulteerd ….. Inderdaad zal er in veel gevallen van zodanig nadeel (dat uiteraard niet is gelegen in het enkele uitoefenen van het litigieuze recht) sprake zijn; bijv. doordat de schuldeiser heeft getalmd met een beroep op wanprestatie is de bewijspositie van de schuldenaar verzwaard; of het alsnog erkennen van een recht op nakoming brengt voor de schuldenaar extra moeite en kosten met zich mee. Het wekt dan ook geen verwondering dat er uitspraken zijn waarin dit vereiste is gesteld of althans van nadeel gewag wordt gemaakt …... Maar dit geldt lang niet voor alle uitspraken. ... onder het nieuwe recht (kan) ter verdediging van zodanig nadeelvereiste geen beroep meer worden gedaan op de arresten (over) rechtsverwerking, gebaseerd op het opwekken van de schijn van afstand van recht, waarop de wederpartij had vertrouwd (in welke arresten) dit vertrouwen slechts gehonoreerd (werd) indien de wederpartij, door hetgeen zij op grond van dit vertrouwen heeft gedaan, zonder bescherming in een ongunstiger positie zou komen dan waarin zij verkeerd zou hebben indien zij niet had vertrouwd. ….. art. 3.2.3. (stelt) dit vereiste niet ….. (waarop m.i. de recente rechtspraak van de HR reeds heeft geanticipeerd)…… Tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand om in gevallen van rechtsverwerking .... steeds het vereiste van nadeel te stellen; ..... hier kan beter van geval tot geval worden geoordeeld."
5.17. Nu houdt in de thans aanhangige zaak het Beroepschrift, blzz. 4 e.v., in:
"Van het ABP als institutionele belegger moet worden aangenomen dat zij steeds heeft geweten dat haar handelwijze met betrekking tot de servicekosten in strijd zijn met de HPW….. pas ... . .in 1984 ..... kreeg ([verzoeker]) door dat hij waarschijnlijk te veel aan service-kosten betaalde……. Er is …..geen sprake van enig nadeel. ….. In casu ……ontving ([verzoeker]) op 18 juni 1983 de afrekening over 1982. Bij brief van 19 april 1984 aan de beheerder stelde hij deze afrekening ter diskussie ..... Op 23 mei 1984 ontving ([verzoeker]) de afrekening over 1983. Bij brief van 1 augustus 1984 gaven de bewoners, waaronder ([verzoeker]), aan zich niet met deze afrekening te kunnen verenigen".
5.18. Het Verweerschrift in appèl, onder 5, blzz. 6 e.v., houdt in:
"Uit het alleen protesteren tegen 1982 en 1983 volgt …... dat men 1980 en 1981 laat rusten. ..... Indien al aangenomen moet worden dat het nadeelvereiste nog gesteld moet worden voor rechtsverwerking, dan negeert ([verzoeker]) dat ABP wel degelijk nadeel heeft geleden door het stilzitten van ([verzoeker]). ……ABP heeft aangekondigd dat hij onverplicht voor de toekomst slechts 50% van bepaalde de service-abonnementskosten in rekening zou gaan brengen en de kosten van een huismeester voor 25% voor zijn rekening zou nemen. Zou ABP toen hebben geweten ..... dat ([verzoeker]) 1 1/2 jaar later alsnog .... 1980 en 1981 aan de orde zou stellen, dan zou ABP zijn onverplichte handeling .... mogelijk niet hebben verricht ..... Overigens handhaaft ABP zijn stelling ..... dat ([verzoeker]) ….. na medio oktober 1986 bericht te hebben ontvangen dat ABP (het) advies (van de Huurcommissie over 1982 en 1983) niet zou volgen ….., eveneens een redelijke termijn negeerde door zich eerst op 28 juli 1987 ten aanzien van die jaren tot de kantonrechter te wenden. ….. [verzoeker] had (daardoor) het gerechtvaardigde vertrouwen bij ABP gewekt dat hij zich erbij neerlegde dat ABP vasthield aan de juistheid van zijn rekeningen over 1982 en 1983. ….. Onwaarachtig is daarbij de stelling van ([verzoeker]) dat ABP als professionele verhuurder zou hebben geweten dat hij in strijd handelde met dwingend recht".
5.19. Uit het vorenstaande blijkt, dat er in de literatuur een zekere neiging is rechtsverwerking mogelijk te achten door het niet binnen betrekkelijk korte tijd (zie Leijten, geciteerd hiervoor onder 5.10: "een paar maanden") protesteren tegen een in een factuur, nota of rekening genoemde prijs. Ik kan mij voorstellen, dat deze neiging enerzijds wordt versterkt door het bestaan van de wettelijke verplichting tot uitreiking van een dergelijk stuk, anderzijds wordt verzwakt door het samengesteld zijn uit een groot aantal prijzen, door de omstandigheid dat deze gerechtvaardigd moeten zijn door min of meer vage criteria, zoals de redelijkheid, en door het bij de geadresseerde van het stuk te veronderstellen (gebrek aan) inzicht daarin. Van belang dunkt mij voorts of bij de afzender van het stuk deskundigheid omtrent de desbetreffende criteria mag worden verondersteld en of het stuk resulteert in een door de geadresseerde te betalen of terug te ontvangen bedrag en/of in een, al dan niet automatisch verlopende, verrekening. Verschil met een factuur voor verkochte goederen bestaat voorts waar het gaat om een jaarlijkse afrekening in een voortdurende relatie van huurder en verhuurder.
5.20. Ik meen daarom, dat de Rechtbank niet op de enkele grond van het stilzitten van [verzoeker] kon komen tot de afwijzing van diens verzoek.
5.21. Uit het hiervoor onder 5.3-7 betoogde volgt, dat middelonderdeel 2, indien het inhoudelijk aan de orde zou kunnen komen, zou opgaan. De mogelijkheid, dat de bestreden beschikking in dat geval niettemin in stand zou blijven op grond van het verbintenissenrecht in zijn algemeenheid, houdt daartegenover blijkens het hiervoor onder 5.19-20 betoogde geen stand.
6. Conclusie.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van [verzoeker] in de kosten, op de voorziening in cassatie gevallen.
Parket, 30 juni 1989
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Ars aequi, december 1987, blz. 780 met noot P. van Schilfgaarde.
Jurisprudentie ABW 1988, 55. Hier is tevens de, in NJ niet afgedrukte, conclusie opgenomen.
Nr. 7464 rekest
Huurprijzenwet woonruimte
Parket, 30 juni 1989
Mr. Van Soest
Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
HET ALGEMEEN BURGERLIJK PENSIOENFONDS
Edelhoogachtbaar College,
1. Korte beschrijving van de zaak.
1.1. [verzoeker] heeft de flat Via Regia 186 S te Maastricht in huur van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Uit dezen hoofde brengt het ABP aan [verzoeker] bijkomende kosten in rekening.
1.2. Onder verwijzing naar een op 18 april 1985 door [verzoeker] gedaan verzoek heeft de Huurcommissie d.d. 16 september 1985 (verzenddatum 18 maart 1986), aangevuld d.d. 21 april 1986 (verzenddatum 9 juni 1986), geadviseerd over [verzoeker]' betalingsverplichting met betrekking tot deze kosten over 1982 en 1983.
1.3. Op 26 september 1986 heeft [verzoeker] aan de Huurcommissie advies gevraagd over zijn betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten over 1984 en 1985.
1.4. Op 24 december 1986 heeft [verzoeker] aan de Huurcommissie advies gevraagd over zijn betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten over 1979, 1980 en 1981.
1.5. Bij uitspraak van 11 mei 1987 (verzenddatum 15 juli 1987) heeft de Huurcommissie [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek van 24 december 1986.
1.6. Bij uitspraak eveneens van 11 mei 1987 (verzenddatum eveneens 15 juli 1987) heeft de Huurcommissie de betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten over 1984 en 1985 vastgesteld.
1.7. Bij het, dit geding inleidende, verzoekschrift d.d. 28 juli 1987 heeft [verzoeker] de kwestie over 1980 tot en met 1985 aan de Kantonrechter te Maastricht voorgelegd.
1.8. Bij beschikking van 21 januari 1988 verklaarde de Kantonrechter [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn verzoek over 1980 tot en met 1983 en stelde hij de betalingsverplichting met betrekking tot de bedoelde kosten vast over 1984 en 1985.
1.9. Op het hoger beroep van [verzoeker] verklaarde de Arrondissements-rechtbank te 's-Hertogenbosch bij beschikking van 28 juni 1988, nr. 877/88, [verzoeker] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep.
1.10. Bij op maandag 29 augustus 1988 bij Uw Raad ingekomen geschrift heeft [verzoeker], vertegenwoordigd door zijn advocaat, beroep in cassatie ingesteld en daarbij een middel van cassatie voorgedragen, dat uit twee, met Arabische cijfers genummerde, onderdelen bestaat.
1.11. Het ABP heeft een Verweerschrift in cassatie ingediend.
2. Rechtsmiddelen in huurzaken.
2.1. De Huurprijzenwet woonruimte, Stb. 1979, 15 (Hpw), oorspronkelijke tekst, houdt in:
"Art. 10. 1. De huurprijs van woonruimte, waarin …. door of vanwege de verhuurder voorzieningen zijn aangebracht, waardoor het woongerief geacht kan worden te zijn gestegen ..... , is de geldende huurprijs vermeerderd met een door de huurder en de verhuurder, voordat de voorzieningen tot stand zijn gekomen, overeen te komen bedrag ..... 2. De huurcommissie brengt desverzocht …. advies uit over de vraag welke de betalingsverplichting van de huurder is met betrekking tot de in het eerste lid bedoelde huurprijs. Art. 12. 1. Indien een overeenkomst van huur en verhuur meer omvat dan het enkele gebruik van woonruimte, is de prijs die voor het enkele gebruik daarvan, vermeerderd met ten hoogste: a. voor het gebruik van water en ..... energie de werkelijke kosten .....; b. voor het ..... overige de vergoedingen, welke hiervoor ..... als redelijk zijn aan te merken. 2. De verhuurder verstrekt de huurder elk jaar een …... overzicht van de in rekening gebrachte kosten als bedoeld in het eerste lid ..... Het heeft betrekking op een tijdvak van ten hoogste twaalf maanden verstreken sedert het einde van het tijdvak, waarover het laatste overzicht werd verstrekt. ….. 4. Een overzicht als bedoeld in het tweede .... . lid wordt uiterlijk vier maanden na het tijdvak waarop het betrekking heeft verstrekt. …... Art. 14. 1. De huurder (kan ) zich ..... wenden tot de kantonrechter ..... met verzoek te verklaren, welke de betalingsverplichting van de huurder is met betrekking tot de in artikel ….. 12, eerste lid, bedoelde kosten. ……3. artikel Artikel 28, tweede en derde lid, is van toepassing…… Art. 28…… 2. De beschikking wordt in het openbaar uitgesproken. ... 3. Tegen deze beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open . ... Art. 37. De toepasselijkheid van de bepalingen van deze wet kan niet bij overeenkomst worden uitgesloten of beperkt."
2.2. De voorgeschiedenis van art. 28, lid 3, Hpw gaat terug tot art. 4 Huurbeschermingsbesluit 1941, dat inhield:
"Tegen rechterlijke beslissingen, gegrond op de artikelen 1 tot en met 3, staat hooger beroep noch beroep in cassatie open".
2.3. HR 4 februari 1949 met conclusie van de toenmalige advocaat- generaal Wijnveldt, NJ 1949, 151 met noot D.J. Veegens, betrof een zaak waarin de kantonrechter de verhuurster niet-ontvankelijk had verklaard in haar ontruimingsvordering op grond dat daaraan onvoldoende feiten ten grondslag waren gelegd, en waarin de Rechtbank de verhuurster zowel ontvangen had in haar hoger beroep als ontvankelijk had geoordeeld in haar inleidende vordering. Uw Raad overwoog,
"dat art. 4 van het Huurbeschermingsbesluit 1941 aldus moet worden verstaan, dat hoger beroep en beroep in cassatie ..... tegen uitspraken ... slechts zijn uitgesloten, voorzover daarbij een beslissing is gegeven, hetzij over de vraag, of de …... vordering tot ontruiming wegens het bestaan van het in artikel 1 bedoelde oogmerk moet worden afgewezen, hetzij omtrent de vraag of een van de feiten en omstandigheden, welke volgens artikel 2 een vordering van den verhuurder tot ontruiming door den huurder .. , zo niet een beroep op artikel 1 daaraan in den weg mocht staan, rechtvaardigen, aanwezig is; dat toch deze opvatting met de woorden van artikel 4 verenigbaar is en de juistheid daarvan ook overigens voor de hand ligt, omdat het aannemelijk is, dat het besluit hogere voorzieningen slechts heeft willen uitsluiten ten aanzien van beslissingen als de boven bedoelde, welke in den regel van eenvoudigen aard zullen zijn en …... het best aan een rechter die met plaatselijke toestanden en belangen bekend is, zullen kunnen worden toevertrouwd; dat derhalve een uitspraak als die, welke in de onderhavige zaak door den Kantonrechter is gewezen, niet valt onder de beslissingen van artikel 4"
(vergelijk HR 13 mei 1949 met conclusie van de toenmalige Procureur-Generaal Berger, NJ 1949, 371; 25 juli 1950 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Hooykaas, NJ 1950, 655).
D.J.V. betoogde in zijn noot (blz. 296):
"Is de Kantonrechter op gemeenrechtelijke gronden aan een beslissing krachtens de artt. 1 en 2 Hbb. niet toegekomen en wordt zijn vonnis te dien aanzien door den hogeren rechter vernietigd .. . . . , dan zal de Rechtbank ..... in het algemeen de zaak aan zich moeten houden ..... Art. 4 Hbb. kan niet geacht worden een uitzondering in te houden op het recht van evocatie van den appèlrechter, dat zelf eveneens in het belang van een doelmatige rechtspleging is ingesteld."
2.4. HR 22 december 1950 met conclusie van Hooykaas, NJ 1951, 83, betrof een zaak waarin de kantonrechter, naar de vaststelling van de arrondissementsrechtbank, een beslissing als in art. 4 Huurbeschermingsbesluit 1941 bedoeld, had genomen, weshalve de rechtbank de appellerende huurder niet-ontvankelijk had verklaard in zijn hoger beroep. Uw Raad oordeelde de huurder ontvankelijk in zijn beroep in cassatie,
"daar de beslissing der Rechtbank niet is een beslissing gegrond op de artt. 1 tot 3 van dat besluit, doch een beslissing, gegrond op art. 4".
2.5. Inmiddels was men begonnen met de parlementaire voorbereiding van de Huurwet, Stb. 1950, 452 (Hw). In het Voorlopig verslag, Tweede Kamer, 1949-1950 - 1529, nr. 4, blz. 14 v., onder 18, 16 - 5e al., werd betoogd:
"na het in werking treden der huurwet kan ….. een groot aantal procedures worden verwacht. Dit maakt een snelle en eenvoudige rechtsgang noodzakelijk. ….. Een ernstig bezwaar achtten (vele leden) de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie van …... beschikkingen op …. verzoeken; de hier aan het woord zijnde leden zouden …. de mogelijkheid van het aanwenden van rechtsmiddelen geschrapt, althans zeer beperkt willen zien. Deze leden zouden er ..... de voorkeur aan geven, wanneer de uitspraak van de kantonrechter als een soort arbitrage zou worden beschouwd, waartegen de gewone rechtsmiddelen dus niet openstaan. Zij dachten hierbij aan de request-procedure, die voor arbeidszaken is voorgeschreven, b.v. in artikel 1639w van het Burgerlijk Wetboek, en die in het algemeen bevredigend werkt."
Ik herinner er in dit verband aan, dat art. 1639w, lid 4, BW, tekst 1907, Stb. 193, toen verwees naar art. 1639m, lid 4, BW, tekst 1907, inhoudend:
"Tegen de beschikking is geenerlei voorziening toegelaten". (Ik citeer uit de desbetreffende Memorie van toelichting, naar A.E. Bles, De wet op de arbeidsovereenkomst IV, 1909, blz. 260 v. :
"Ten einde eene spoedige beslissing te bevorderen is de procedure ..... met uitsluiting der rechtsmiddelen van hooger beroep en cassatie ..... Tegen deze uitsluiting bestaat te minder bezwaar, nu het hier niet zoozeer geldt de beslissing van een rechtsstrijd, als wel de vaststelling eener billijke regeling door den onpartijdigen rechter.")
2.6. In de Memorie van antwoord, nr. 5, blz. 18 v., onder 18, 2e – 5e al., werd betoogd:
"Aan de wens, de mogelijkheid tot het instellen van rechtsmiddelen te ..... beperken, zijn (de ondergetekenden) tegemoet gekomen …..door deze mogelijkheid ten aanzien van beschikkingen op de in artikel . .... 15 (Hw) bedoelde verzoeken geheel te schrappen. ... 2. Geen hogere voorziening tegen een beslissing van het geschilpunt "huurprijs" ..... Ad 2: Beslissingen over de huurprijs lopen ..... louter over financiële belangen. De ondergetekenden kunnen toegeven, dat hoger beroep en cassatie op die grond hier niet onontbeerlijk zijn. Dat over het bedrag van de huurprijs slechts in één instantie kan worden geprocedeerd, kan ook des te gereder worden aanvaard, nu ..... de huuradviescommissies in de praktijk als het ware als voorinstantie fungeren."
2.7. Dienovereenkomstig werd de Hw, oorspronkelijke tekst, geredigeerd:
"HOOFDSTUK IV Verzoeken aan de kantonrechter tot vaststelling van de betalingsverplichting Artikel 15 (1) De huurder …. en de verhuurder kunnen zich .... wenden tot de kantonrechter ….met verzoek te verklaren, welke de betalingsverplichting van de huurder ..... is. ... Artikel 17 (1) De kantonrechter beslist bij
... . beschikking. (2) Tegen deze beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open .. .... HOOFDSTUK VI Vorderingen betrekkelijk tot huur en verhuur …. Artikel 20 (1) In alle gedingen, waarin de vraag, welke de betalingsverplichting van de huurder ..... is, een punt van geschil uitmaakt, zal de rechter ..... bevelen dat de huuradviescommissie ..... rapport zal uitbrengen. (2) Tegen de beslissing van het in het eerste lid bedoelde geschilpunt staat hoger beroep noch beroep in cassatie open."
2.8. Kg. Amsterdam 30 september 1954, te kennen uit HR 9 november 1956 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Langemeijer, NJ 1956, 671, wees een vordering van een (gewezen) huurster tot teruggaaf van onverschuldigd betaalde huur toe. De verhuurster kwam in hoger beroep,
"als grieven onder meer aanvoerende: 1. "Ten onrechte heeft de Kantonr. niet overwogen, dat (de gewezen huurster) het recht om ... terugvordering van het eventueel onverschuldigd betaalde te eisen heeft verwerkt, althans van dit recht afstand heeft gedaan," en 5. "Ten onrechte heeft de Kantonr. geen gebruik gemaakt van de bij art. 26 lid 2 der Huurwet gegeven bevoegdheid tot matiging;"".
Nadat Rb. Amsterdam 17 februari 1956 de verhuurster niet-ontvankelijk had verklaard in haar hoger beroep, overwoog Uw Raad op het beroep in cassatie van de verhuurster,
"dat de Rb., het hoger beroep in zijn geheel niet-ontvankelijk verklarende, omdat in het onderhavige geding het punt van geschil is welke de betalingsverplichting van de gewezen huurster is geweest, art. 20 der Huurwet verkeerd heeft toegepast; dat immers art. 20 enkel het oog heeft op gedingen, waarin of voorzover daarin de betalingsverplichting in den zin van art. 15 der wet aan de orde is, en de hiervoor vermelde grieven van (de verhuurster) daarop geen betrekking hebben"
(zie in gelijke zin voor geval - tevens - de "voorvraag" aan de orde is, of wel - uitsluitend - van een overeenkomst van huur en verhuur sprake is, HR 26 juni 1959 met conclusie van de toenmalige Procureur-Generaal Langemeijer, NJ 1959, 577; 24 juni 1960 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Van Oosten, NJ 1960, 511; 11 januari 1963 met conclusie van Langemeijer, NJ 1963, 42; zie voorts in gelijke zin voor geval - tevens - een nog andere vraag aan de orde is, HR 18 december 1959 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Loeff, NJ 1960, 123, overwegende,
"dat in gedingen, waarin de vraag, welke de betalingsverplichting van den huurder ..... is, een punt van geschil uitmaakt, hoger beroep ..... niet is uitgesloten, indien en voorzover bij grief in hoger beroep enig ander geschilpunt dan de vraag, welke die betalingsverplichting is, aan de beslissing van den hogeren rechter wordt onderworpen; dat (de huurder), door mede als grief op te werpen dat de Kantonr. de betalingsverplichting van den huurder zonder voorafgaand rapport van de Huuradviescommissie heeft vastgesteld, een ander punt van geschil dan de vraag, welke de betalingsverplichting is, in hoger beroep ter beslissing aan de orde heeft gesteld; dat de Rb. derhalve (de huurder) in zijn hoger beroep t.a.v. dit geschilpunt had moeten ontvangen").
2.9. Art. 28g, lid 2, Hw, tekst 1960, Stb. 116, hield in:
"Tegen de beschikking staat hoger beroep noch beroep in cassatie open".
Bij de voorbereiding van de wijzigingswet werd gevraagd (Voorlopig verslag, 1959-1960 - 5839, nr. 5, blz. 13, Artikel I J (artikel 28g Huurwet)),
"waarom (de Regering) voor het geliberaliseerde gebied de … waarborg, dat van beslissingen van kantonrechters tot ontruiming altijd hoger beroep en cassatie openstaat, wenst te laten vervallen. Is deze waarborg juist hier niet op zijn plaats?"
Geantwoord werd (Memorie van antwoord, nr. 6, blz. 14, Artikel 28g Huurwet),
"dat ingevolge het gemene recht, dat in het algemeen in het vrijgemaakte gebied zijn plaats zal hernemen, de gewezen huurder in situaties, waarop het wetsontwerp hier het oog heeft, geen enkel steekhoudend verweer heeft tegen een eventuele ontruimingsactie van de verhuurder. De huur toch is geëindigd en er is geen bewijs van nieuwe of verlengde huur ..... Hetgeen hem krachtens het wetsontwerp kan worden toegestaan, is een gunst. Hierover moet bovendien - mede in het belang van de verhuurder - op korte termijn kunnen worden beslist. Al deze omstandigheden pleiten er ..... voor om de beslissingen van de kantonrechter onherroepelijk te doen zijn."
2.10. Art. 1639w, lid 7, BW, tekst 1953, Stb. 619, hield in:
"Tegen een beschikking krachtens dit artikel is generlei voorziening toegelaten".
HR 15 april 1971 met conclusie van Langemeijer, NJ 1971, 303 met noot D. J. V., overwoog,
"dat de Rb. heeft gemeend dat geen hoger beroep openstond tegen de beschikking van de ktr. ..... , zulks omdat in het zevende lid van art. 1639w is bepaald dat tegen een beschikking krachtens dit artikel generlei voorziening is toegelaten; dat de strekking van het zevende lid van art. 1639w is ieder debat uit te sluiten over een beschikking van de Ktr. waarbij hij heeft geoordeeld over de aan- of afwezigheid van gewichtige redenen .... alsmede over de waardering van deze; dat de Ktr. in de onderhavige zaak ..... de verzoekster niet ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek, uit overweging dat zij geen ontbinding kan vragen van een arbeidsovereenkomst die volgens haar zelve ..... niet meer bestaat; dat mitsdien de beschikking van de Ktr. niet is een beschikking als bedoeld in het zevende lid van artikel 1639w; dat derhalve hoger beroep tegen deze beschikking openstond",
en verwees de zaak naar dezelfde rechtbank. Deze verklaarde wegens de aanwezigheid van gewichtige redenen de arbeidsovereenkomst ontbonden.
HR 24 oktober 1971 met conclusie van Langemeijer, NJ 1972, 23, verklaarde de werknemer niet-ontvankelijk in zijn beroep in cassatie, overwegende,
"dat deze beschikking van de Rb. is een beschikking gegeven krachtens art. 1639w, ook in zoverre zij berust op de verwerping van het ..... verweer (dat de arbeidsovereenkomst reeds beëindigd was), zodat tegen de beschikking blijkens het laatste lid van het artikel aan pp. geen hogere voorziening openstaat".
2.11. Kg. 's-Gravenhage 25 april 1973, te kennen uit HR 17 mei 1974 met conclusie van de toenmalige advocaat-generaal Remmelink, NJ 1975, 238 met noot W.L. Haardt onder nr. 239, verklaarde de huurder niet-ontvankelijk in een verzoek om toepassing van art. 28d Hw, tekst 1960 (blz. 762, rechterkolom),
"uit overweging dat het gehuurde ….. een woning was en niet als geliberaliseerd is aan te merken".
De verhuurster kwam in hoger beroep (het was één van die merkwaardige gevallen waarin een partij procedeert met het primaire doel niet-ontvankelijk verklaard te worden) en werd daarin ontvangen door Rb. 's-Gravenhage 9 november 1973, die tevens de huurder ontving in zijn inleidende verzoek en daarop recht deed. Op het beroep in cassatie van de huurder pleitte de verhuurster diens niet-ontvankelijkheid daarin, welk pleidooi door Uw Raad werd verworpen, overwegende dat met de wetsgeschiedenis van 1960
"niet zou stroken een uitlegging van art. 28g, lid 2, waarbij in een geval ..... waarin pp. primair strijden over de rechtsvraag of het onroerend goed al dan niet is een woning in de zin van de Huurwet, dat wil zeggen of de artikelen 28a t/m 28h niet of wel ... op het pand toepasselijk zijn, de Ktr. (of bij een gang van zaken als in dit geding de Rb.) ook over deze voorvraag zonder hogere voorziening zou kunnen beslissen; dat daarom de bestreden beschikking, voor zover inhoudende dat het pand niet is een woning, niet als "de beschikking" in de zin van art. 28g lid 2 kan gelden, zodat in zoverre beroep in cassatie niet is uitgesloten".
2.12. HR 28 juni 1977 met conclusie van Remmelink, NJ 1978, 17 met noot P. Zonderland, overwoog,
"dat de Rb., na […] in zijn hoger beroep ontvankelijk te hebben geoordeeld op grond van de overweging dat het zevende lid van art. 1639w zich tegen dat hoger beroep niet verzette nu dat beroep zich niet richtte tegen "een beschikking krachtens dat artikel" - welke door de Ktr. nog niet was gegeven -, en, na vervolgens te hebben vastgesteld dat het verzoek, zoals het door […] was gedaan in eerste aanleg, terecht tot diens niet-ontvankelijkverklaring had geleid, verplicht was na te gaan, of het verzoek in zijn in hoger beroep gewijzigde vorm ..... wél tot ontvankelijk verklaring kon leiden; dat de Rechtbank aldus handelende, een juiste opvatting van haar taak als appelrechter heeft gehad, welke taak, bij een bevestigende beantwoording der ontvankelijkheidsvraag, voorts zou hebben meegebracht dat de Rb. op het verzoek een beschikking had moeten geven; dat daarmede, nu een zodanige beschikking door de Ktr. nog niet was gegeven, geen afbreuk wordt gedaan aan de strekking van het zevende lid van art. 1639w".
2.13. De wetsgeschiedenis van de Hpw werpt, als ik haar goed lees, geen nader licht op de hiervoor onder 2.1 weergegeven uitsluiting van rechtsmiddelen.
Wel verdient het de aandacht, dat in de Memorie van antwoord, 1976-1977 - 14.175, nr. 6, blz. 57, 6e al., - blz. 58, 2e al., werd betoogd (voor een tekst waarin de toepassing van art. 12, lid 2, Hpw nog was gebonden aan een verzoek van de huurder):
"Indien ….. de huurder bij voorbeeld drie jaren na de inwerkingtreding van de wet voor de eerste maal een specificatie vraagt, zal hem die slechts over een tijdvak van ten hoogste twaalf maanden hoeven te worden verstrekt. Het ligt in dat geval voor de hand, dat het overzicht betrekking zal hebben op het laatstelijk afgesloten boekjaar. Is de verhuurder in zo'n geval bereid ook over de daaraan voorafgaande jaren de overzichten alsnog te verstrekken, dat bestaat daartegen uiteraard geen bezwaar. ..... Het aangeven van een tijdstip, waarop de huurder het …. verzoek moet doen komt de ondergetekende niet gewenst voor ….. Aan een onredelijk verlangen van de zijde van de huurder hoeft de verhuurder uiteraard niet te voldoen."
Een amendement-Nypels (1977-1978, nr. 17, onder I) strekte tot schrapping van de gebondenheid aan een verzoek. Het werd aangenomen (Handelingen, 13 juni 1978, blz. 2791, middenkolom, 13e al.).
2.14. HR 19 oktober 1979 met conclusie van mijn ambtgenoot Franx, NJ 1980, 471 met noot W.H. Heemskerk, overwoog:
"De beschikking der Rb., voor zover daarbij het verzoek tot het geven van een beslissing omtrent de proceskosten werd afgewezen, en de beschikking van het Hof, waarbij de beschikking der Rb. in zoverre werd bekrachtigd en waarbij elk der pp. niet-ontvankelijk werd verklaard in haar verzoek tot veroordeling van de wederpartij in de kosten van het hoger beroep, kunnen niet worden aangemerkt als beschikkingen krachtens art. 1639w BW, in de zin van het zevende lid van dit artikel, nu ..... werd beslist - niet op de vraag of en in hoeverre in het onderhavige geval termen voor een kostenveroordeling aanwezig zijn, maar uitsluitend - op de vraag of de rechter de bevoegdheid heeft bij zijn beschikking omtrent het verzoek tot ontbondenverklaring van de arbeidsovereenkomst wegens gewichtige redenen tevens een beslissing omtrent de proces- kosten te geven."
2.15. HR 10 oktober 1980 met conclusie van mijn ambtgenote mevrouw Biegman-Hartogh, NJ 1981, 114, overwoog:
"Art. 17 tweede lid Huurwet ….. heeft uitsluitend het oog op de beschikking waarbij de Ktr. …. de in Hoofdstuk IV Huurwet bedoelde betalingsverplichting vaststelt.”.
en vernietigde de bestreden beschikking.
Mevrouw Biegman had opgemerkt
"Over de ontvankelijkheid van het cassatieberoep .. . Indien uitsluitend art. 17 lid 2 Huurwet van toepassing wordt geacht, zoals de Rb. deed, zou het beroep thans weer niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Maar nu in het verzoek in hoger beroep en in cassatie van een ander standpunt wordt uitgegaan, behoeft om die reden de niet-ontvankelijkheid niet te worden uitgesproken."
2.16. HR 12 maart 1982 met conclusie van Remmelink, NJ 1983, 181 met noot P.A. Stein onder nr. 182, overwoog:
"1. Het betreft hier een geding, waarin ... als verweer een beroep is gedaan op niet-ontvankelijkheid van het verzoek. …..De Ktr. heeft het beroep op niet-ontvankelijkheid verworpen en de arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen ontbonden verklaard. 2. ... . de vraag ..... of ook de verwerping door de Ktr. van het beroep op niet-ontvankelijkheid is te beschouwen als een beschikking "krachtens" art. 1639w. ….. 3. . .... moet ontkennend worden beantwoord. …. De ... strekking van de uitsluiting van hogere voorziening kan immers niet mede rechtvaardigen dat ook een beslissing die weliswaar met een beroep op het artikel, maar buiten het toepassingsgebied daarvan is gegeven, aan hogere voorziening is onttrokken. 4. Het vorenoverwogene betekent dat teruggekomen wordt op de beschikking van 24 okt. 1971, NJ 1972, 23, welke niet met het bovenoverwogene strookt."
2.17. HR 30 september 1983 met mijn conclusie, NJ 1984, 231 met noot P.A.S., overwoog in een zaak over de toepassing van de Hpw, waarin de verhuurder in eerste instantie niet-ontvankelijk verklaard was in zijn verzoek, maar hij in appèl wel ontvankelijk geoordeeld werd, dat
"uit art. 28 Huurprijzenwet woonruimte ….. niet (kan) worden afgeleid dat ..... niet zou gelden de regel dat door het hoger beroep van een einduitspraak - in gevallen als het onderhavige waarin zodanig beroep mogelijk is - in beginsel de gehele zaak zoals zij voor de eerste rechter diende naar de hogere rechter wordt overgebracht ter beslissing door deze".
2.18. HR 8 november 1985 met conclusie van mijn ambtgenoot Leijten, NJ 1986, 121, overwoog (onder 3, blz. 441, linkerkolom) :
"De Rb. is er terecht van uitgegaan dat beslissingen als die waartegen de grieven zich blijkens vaststelling van de Rb. richtten - kort gezegd beslissingen omtrent de inhoud van de overeenkomst en de geldigheid van bedingen - vallen binnen het raam van art. 14 lid 1 HpW. Er is dan ook, mede in aanmerking genomen dat de verwijzing van art. 14 lid 3 naar art. 28 lid 3 algemeen luidt, geen reden om aan te nemen dat de uitsluiting van hoger beroep en beroep in cassatie niet voor beslissingen als de onderhavige zou gelden. Voorts is van belang dat uit de vaststellingen van de Rb. blijkt dat de grieven niet de strekking hadden te betogen dat in de aangevallen beschikking van de Ktr. art. 14 ten onrechte was toegepast, noch dat bij toepassing van dat artikel essentiële vormen waren verzuimd";
en verklaarde, met vernietiging van de bestreden beschikking van de Rb., de verhuurder alsnog niet-ontvankelijk in zijn appèl.
2.19. Art. 1639w, lid 11, tekst 1984, Stb. 97, luidt:
"Tegen een beschikking krachtens dit artikel kan hoger beroep noch cassatie worden ingesteld."
HR 4 april 1986 met conclusie van Franx, NJ 1986, 549, overwoog (onder 3.2, blz. 2077):
"De Ktr. heeft ... de arbeidsovereenkomst ontbonden zonder toekenning van een vergoeding .. .. Een beslissing van deze aard blijft binnen het raam van art. 1639w. In hoger beroep is ….. betoogd dat de Ktr. nu […] de ..... feiten als verandering in de omstandigheden wenste te zien aangemerkt, niet vrij stond deze als een dringende reden te kwalificeren en op grond daarvan het verzoek tot het toekennen van een vergoeding van de hand te wijzen. Dit betoog blijft eveneens binnen dit raam. Dit zou slechts anders zijn, indien was aangevoerd dat de Ktr. buiten het toepassingsgebied van art. 1639w was getreden, essentiële vormen had verzuimd of dit artikel ten onrechte buiten toepassing had gelaten"
(zie in gelijke zin HR 13 februari 1987 met conclusie van mijn ambtgenoot Ten Kate, NJ 1987, 883 met noot P.A.S.).
2.20. HR 13 maart 1987 met conclusie van Leijten, NJ 1987, 1017, overwoog (onder 3.2, blz. 3557, rechterkolom) :
"de klachten ... in hoger beroep (die) erop (neerkomen) dat de Ktr. bij de vaststelling van de betalingsverplichting met betrekking tot de bijkomende kosten ten onrechte bepaalde kosten niet daaronder heeft gerekend, maar begrepen heeft geacht in de huurprijs, blijft binnen het raam van art. 14 lid ] Hpw. Dit brengt mee dat lid 3 van dit artikel in verbinding met art. 28 lid 3 aan de ontvankelijkheid van het hoger beroep in de weg stond. Dit zou slechts anders zijn geweest indien het zou zijn gegaan om klachten die de strekking hadden te betogen dat de ktr. ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 was getreden of deze bepaling ten onrechte niet had toegepast dan wel essentiële vormen had verzuimd. …... Daarbij verdient aantekening dat het bij de vraag of in bovenbedoelde zin ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 is getreden dan wel deze bepaling ten onrechte buiten toepassing is gelaten, uitsluitend gaat om de afbakening van het toepassingsgebied van deze bepaling aan de hand van voorwaarden waarvan de niet-vervulling tot gevolg heeft dat deze bepaling in het geheel niet aan de orde kan komen, zoals de voorwaarden dat sprake is van een huurovereenkomst, onderscheidenlijk van woonruimte in de zin van de Hpw."
2.21. HR 27 maart 1987 met conclusie van Ten Kate, NJ 1987, 882 met noot P.A.S. onder nr. 883, overwoog (onder 4, blz.2905) :
"Het oordeel van de Rb. komt erop neer, dat in het algemeen voor een verzoek door de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst op de voet van art. 1639w geen plaats is "wanneer te vrezen valt dat een uitspraak houdende ontbinding van de arbeidsovereenkomst een doorkruising zou kunnen opleveren van een nog lopende ontslagprocedure", en dat zich hier zo'n geval voordoet. De Rb. heeft derhalve, het tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst strekkende verzoek als vermeld toetsend aan een volgens haar aan toepassing van art. 1639w in de weg staande norm, bevonden dat de voorwaarden voor toepassing van die norm in het onderhavige geval zijn vervuld. Aldus is de Rb. niet toegekomen aan de beoordeling van het verzoek op basis van het daartoe in art. 1639w bepaalde en heeft zij een beslissing gegeven die buiten het raam van dit artikel valt, zodat Seceurop ontvankelijk is in het cassatieberoep."
2.22. HR 24 april 1987 met conclusie van Ten Kate, NJ 1987, 628, overwoog (onder 3, blz 2180, linkerkolom) :
"Ook indien juist zou zijn dat, gelijk in het middel wordt gesteld, de Ktr. het bepaalde bij of krachtens de art. 4, 5 en 15 Huurprijzenwet woonruimte niet in acht genomen heeft, staat zulks niet in de weg aan de toepasselijkheid van het bepaalde in art. 28 lid 3 van die wet.";
en verwierp het beroep in cassatie tegen de niet-ontvankelijkverklaring door de Rb. van de verhuurster in haar appèl.
2.23. HR 18 december 1987 met conclusie van mijn ambtgenoot Meijers, NJ 1988, 351, overwoog (onder 3.1, blz. 1427):
"Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk voor zover het zich richt tegen de beschikking van de Rb. inhoudende haar beslissing om na vernietiging van de beschikking van de Ktr. alsnog het oorspronkelijke verzoek toe te wijzen op grond van haar oordeel' dat gewichtige redenen tot ontbinding van de eventueel tussen pp. tot stand gekomen arbeidsovereenkomst bestaan. Dit is immers een beschikking krachtens art. 1639w BW".
2.24. HR 4 maart 1988 met conclusie van Leijten, NJ 1989, 4 met noot W.H.H., overwoog (onder 3.3, blz. 22) :
"Weliswaar is niet uitgesloten dat een klacht betreffende verzuim van essentiële vormen bij de totstandkoming van een beschikking waartegen geen hoger beroep open staat, niettemin tot ontvankelijkheid van het hoger beroep leidt, doch dit is alleen dan het geval wanneer aan die klacht ten grondslag ligt dat een zo fundamenteel rechtsbeginsel is veronachtzaamd dat van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak niet meer kan worden gesproken …… . Daartoe is niet voldoende de klacht dat de betreffende beschikking niet of niet naar de eis der wet met redenen is omkleed."
2.25. HR 24 februari 1989 met conclusie van Leijten, NJ 1989, 434, overwoog (blz. 1586 v.):
"3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De stelling van Wostica dat Kortooms op grond van het bepaalde in art. 28 lid 3 HPW niet ontvankelijk is in haar beroep in cassatie, ziet eraan voorbij dat het onderhavige cassatieberoep de strekking heeft aan de HR de vraag voor te leggen of de Rb. het desbetreffend hoger beroep terecht op grond van genoemde bepaling niet-ontvankelijk heeft geoordeeld. Een zodanig cassatieberoep is ontvankelijk. 4. .... Tegen een op art. 14 lid 1 HPW gebaseerde beslissing van de Ktr. staat op grond van het bepaalde in art. 28 lid 3 in verbinding met 14 lid 3 HPW hoger beroep en beroep in cassatie niet open. Voor zover hier van belang, is een zodanig beroep slechts ontvankelijk als het gaat om klachten die de strekking hebben te betogen dat de Ktr. ten onrechte buiten het toepassingsgebied van art. 14 lid 1 is getreden, omdat niet is voldaan aan de voorwaarden waarvan de niet-vervulling tot gevolg heeft dat deze bepaling in het geheel niet aan de orde kan komen (HR 13 maart 1987, NJ 1987, 1017). De Rb. heeft terecht geoordeeld dat dit geval zich hier niet voordoet, nu Kortooms in hoger beroep weliswaar erover heeft geklaagd dat de Ktr. buiten het toepassingsgebied van art. 14 is getreden, maar deze klacht blijkens de vaststelling van de Rb. uitsluitend hierop was gegrond dat de Ktr., bij de huurprijsvaststelling krachtens art. 14, art. 10 verkeerd heeft uitgelegd."
2.26. De Hpw is gewijzigd bij Wet van 18 juni 1986, Stb. 330, welke wet op 1 juli 1986 in werking getreden is. Art. III van de wet van 1986 houdt in:
"1. Overeenkomsten van huur en verhuur van woonruimte .... die lopen op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, worden met ingang van dat tijdstip, doch uitsluitend voor het vervolg, beheerst door de Huurprijzenwet woonruimte ..... zoals die ingevolge deze wet (is) komen te luiden. 2. Deze wet is niet van toepassing op zaken die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet aanhangig zijn bij de huurcommissies".
Aangezien de thans te beoordelen zaak niet gaat over het in art. III, lid 1, van de wet van 1986 bedoelde "vervolg", is die wet er niet op van toepassing. Daaraan doet niet af, dat de Huurcommissie (zie hiervoor onder 1.5-6) de nieuwe terminologie gevolgd heeft, en evenmin dat de Rechtbank klaarblijkelijk de nieuwe tekst van art. 13 Hpw geraadpleegd heeft (zie hierna onder 3.2).
Ik ga daarom op de wet van 1986 niet in.
3. De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie.
3.1. In de thans aanhangige zaak heeft de Kantonrechter overwogen (blz. 2):
"Hoewel de wet geen termijn stelt …… ,moet ….., worden aangenomen in verband met de eisen van de rechtszekerheid, dat de huurder binnen redelijke termijn en wel voor het einde van de lopende periode van één jaar de Huurcommissie om vaststelling van de ..... bijkomende kosten verzoekt. Nu ([verzoeker]) in dit geval ettelijke jaren heeft laten verstrijken zonder een duidelijk protest te laten horen tegen de door (het ABP) aan hem toegezonden jaarlijkse afrekeningen ..... , ook al gaat het hier volgens ([verzoeker]) om teveel betaalde voorschotten, …. is in casu sprake van rechtsverwerking."
3.2. De Rechtbank heeft overwogen (onder 5, blz. 2 v.),
"dat de kantonrechter, waar hij overweegt dat in verband met de eisen van rechtszekerheid de huurder binnen een redelijke termijn zich tot de Huurcommissie moet wenden ..... , bij zijn op die overweging gebaseerde beslissing tot niet-ontvankelijk verklaring van [verzoeker] in zijn verzoek over de jaren 1980 tot en met 1983 binnen het raam van artikel 14 Hpw is gebleven, nu de redelijke termijn in de wet ligt opgesloten. Uit de ratio en de systematiek van de Hpw volgt dat verzoeken aan de Huurcommissie of de kantonrechters binnen een redelijke termijn dienen te worden gedaan, waarbij te dezen de kantonrechter op basis van de door hem vastgestelde feiten heeft geoordeeld dat die redelijke termijn welke verband houdt met de eisen van rechtszekerheid is overschreden. De rechtbank neemt daarbij voorts in aanmerking dat aard en karakter van de overeenkomst van huur en verhuur zich verzetten tegen langdurige ongewisheid tussen partijen terzake van de vaststelling van de voor elk harer daaruit voortvloeiende verplichtingen, terwijl het bereiken van overeenstemming tussen huurder en verhuurder blijkens het in artikel 13 Hpw bepaalde uitgangspunt is."
3.3. [verzoeker] komt er in onderdeel 1 van het middel tegen op, dat de Rechtbank hem op grond van art. 14, lid 3, Hpw jo. art. 28, lid 3, Hpw niet- ontvankelijk geoordeeld heeft in zijn hoger beroep.
3.4. Hoewel blijkens de wetsgeschiedenis van de Hw (zie hiervoor 2.5-6) de wetgever bij de uitsluiting van rechtsmiddelen heeft beoogd aan te sluiten bij de inzake art. 1639w BW geldende regeling, verdient het de
aandacht, dat de formulering anders is. Art. 1639w, lid 11, BW, tekst 1984, heeft het immers over "een beschikking krachtens dit artikel" en het lijdt geen twijfel, dat dientengevolge het beroep in cassatie wordt uitgesloten tegen een beschikking die in hoger beroep krachtens art. 1639w BW wordt genomen (zie dan ook de hiervoor onder 2.10 geciteerde beschikking van 24 oktober 1971, die in zoverre niet achterhaald is, en de hiervoor onder 2.23 geciteerde beschikking van 18 december 1987). Art. 28, lid 3, Hpw heeft het evenwel over "deze beschikking", dat is de beschikking van de kantonrechter. Naar de letter sluit dus art. 28, lid 3, Hpw het beroep in cassatie tegen een in hoger beroep genomen beschikking, hoe ook luidend, niet uit.
3.5. Naar de strekking van het voorschrift - vereenvoudiging en bekorting van de procedure - moet het beroep in cassatie ook uitgesloten zijn, indien een beslissing in hoger beroep binnen het toepassingsgebied van art. 14 Hpw genomen is en de verzoeker van cassatie die toepassing ter discussie zou willen stellen.
3.6. Uit de motivering van de hiervoor onder 2.25 geciteerde beschikking van 1989 volgt naar mijn mening, dat Uw Raad er ook zo over denkt. Een gelijk oordeel lees ik voorts in de conclusie van mevrouw Biegman, hiervoor onder 2.15 geciteerd.
3.7. Indien een beslissing in eerste instantie binnen het toepassingsgebied van art. 14 Hpw genomen is en één van de partijen hoger beroep instelt om die toepassing ter discussie te stellen, dan is dat in strijd met art. 14, lid 3, Hpw jo. art. 28, lid 3, Hpw en zal de arrondissements-rechtbank haar niet-ontvankelijk verklaren in haar hoger beroep. Naar de strekking van het voorschrift - vereenvoudiging en bekorting van de procedure - moet het beroep in cassatie daartegen almede uitgesloten zijn, indien dat ertoe strekt voort te gaan met de discussie over de toepassing van art. 14 Hpw.
3.8. Indien de verzoeker van cassatie in het zojuist bedoelde geval zich echter keert tegen de niet-ontvankelijkverklaring zelf, dan stelt hij de grenzen van het toepassingsgebied van art. 14 Hpw aan de orde en is hij in zijn beroep in cassatie zowel naar de letter als naar de strekking van art. 14, lid 3, Hpw jo. art 28, lid 3, Hpw ontvankelijk. Aldus dan ook de hiervoor onder 2.25 geciteerde beschikking van 1989, onder 3. 3.9. Aangezien zich overigens niets daartegen verzet acht ik [verzoeker] ontvankelijk in zijn beroep in cassatie.
4. De ontvankelijkheid van het hoger beroep; onderdeel 1 van het middel.
4.1. De criteria voor de uitsluiting van het hoger beroep zijn, zoals uit de hiervoor onder 2 opgesomde jurisprudentie blijkt, subtiel.
4.2. Indien de verzoeker in eerste instantie niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek, dan zal de grond daarvoor in de regel buiten het toepassingsgebied van art. 14 Hpw liggen (vergelijk de gevallen, genoemd hiervoor onder 2.3, 2.11 en 2.17; D.J.V. , hiervoor onder 2.3 geciteerd, spreekt over "gemeenrechtelijke gronden").
4.3. In het onderhavige geval heeft de Kantonrechter eveneens [verzoeker] niet-ontvankelijk verklaard en heeft hij daartoe gronden gebezigd die culmineren in het woord "rechtsverwerking", maar heeft de Rechtbank zowel in haar weergave van de beslissing van de Kantonrechter als in haar eigen overwegingen, er de nadruk op gelegd, dat het vereiste van een spoediger optreden van de huurder uit de strekking en de systematiek van de artt. 12- 14 Hpw volgt.
4.4. Ik meen daarom, dat de Rechtbank, daarvan uitgaande, terecht het hoger beroep tegen de beschikking van de Kantonrechter uitgesloten geacht heeft.
4.5. Derhalve faalt middelonderdeel 1.
5. De betekenis van het tijdsverloop; onderdeel 2 van het middel.
5.1. Gelijk ik hiervoor onder 3.5-7 betoogde, is naar de strekking van art. 14, lid 3, Hpw jo. art. 28, lid 3, Hpw het beroep in cassatie uitgesloten, indien dat ertoe strekt de toepassing van art. 14 Hpw binnen zijn toepassingsgebied ter toetsing aan de orde te stellen. Derhalve moet een middel van cassatie buiten beschouwing blijven, voor zover het de laatstbedoelde strekking heeft. Dat wil zeggen dat onder meer uitleggingsvragen omtrent de artt. 10-14 niet aan de orde gesteld kunnen worden.
5.2. Derhalve kan middelonderdeel 2 niet tot cassatie leiden.
5.3. Voor geval de uitlegging van de artt. 10-14 Hpw wel aan de orde zou kunnen komen, moet ik bekennen dat ik moeite heb met de rechtsopvatting waarop de bestreden beschikking berust.
5.4. De Hpw is, gezien haar formulering, bepaaldelijk niet een wet die haar kracht zoekt in abstracte, vage, normen. Integendeel geeft zij blijk nauwkeurig te willen aangeven, welke rechten en verplichtingen de huurder en de verhuurder op de door de Hpw bestreken punten hebben.
5.5. Art. 12, leden 2 en 4, Hpw, oorspronkelijke tekst, nu legt uitdrukkelijk verplichtingen aan de verhuurder op om over bepaalde perioden en binnen bepaalde termijnen gespecificeerde opgaven te doen van de bijkomende kosten. Uit de omstandigheid dat de wijze waarop en de termijn waarbinnen de huurder hierop zou kunnen dan wel moeten reageren, niet geregeld zijn, mag, bij de kennelijk nagestreefde nauwkeurigheid, naar mijn mening afgeleid worden, dat hieraan geen andere eisen gesteld worden dan die welke uit het verbintenissenrecht in het algemeen voortvloeien. Ik pas hier een argumentum a contrario toe op grond dat het steun vindt in de strekking en het systeem van de wet.
5.6. Het vindt echter ook een zekere steun in de wetsgeschiedenis. In de Memorie van antwoord, hiervoor onder 2.13 geciteerd, is een gevolgtrekking gemaakt uit het stilzitten van de huurder gedurende een tijdvak van drie jaren, maar dit was een uitwerking van het, toen nog opgenomen, vereiste van een verzoek van de huurder om een gespecificeerde opgave. De schrapping van dit vereiste bij amendement vormt er een aanwijzing voor, dat de wetgever aan het al dan niet handelen van de huurder geen consequenties heeft willen verbinden.
5.7. Bij het vorenstaande komt, dat de Rechtbank blijkens het hiervoor onder 3.2 opgenomen citaat steun gezocht heeft daarin dat "het bereiken van overeenstemming tussen huurder en verhuurder blijkens het in artikel 13 Hpw bepaalde uitgangspunt is". Dit uitgangspunt is echter eerst in 1986 - met werking voor het "vervolg"; zie hiervoor onder 2.26 - in art. 13 Hpw neergelegd. Het is in de wijzigingswet terecht gekomen door de aanneming (Handelingen, 28 januari 1986, blz. 2791, rechterkolom, 10e al.) van een amendement-Nypels (1985-1986 - 17.431, nr. 41, onder I), welke aanneming werd voorafgegaan door het betoog (Memorie van antwoord, 1984-1985, nr. 9, blz. 18, 2e al. ) :
"Bepalend voor de servicekosten zijn volgens artikel 12 van de Huurprijzenwet woonruimte ….niet de door partijen overeengekomen bedragen";
(Nota naar aanleiding van het eindverslag, nr. 13, blz. 13, 2e al. ) het
"redelijkheidscriterium kan niet opzij worden gezet door de door partijen overeengekomen bedragen";
(Staatssecretaris Brokx, Handelingen, 22 januari 1986, blz. 2703, linkerkolom, 1e al. )
"de maximale servicekosten (vloeien) uit de wet (voort). Daar kan niet bij overeenkomst bovenuit worden gegaan."
Voor de in het onderhavige geval van toepassing zijnde tekst van de artt. 12-13 Hpw kan derhalve de (veronderstelde) instemming van de huurder niet derogeren aan de wet (zie ook art. 37 Hpw).
5.8. Derhalve blijft de vraag over - maar daarmee verlaten wij het toepassingsgebied van de Hpw en stuiten wij op de grenzen ervan -, of het verbintenissenrecht in zijn algemeenheid de huurder die een (wettelijk voorgeschreven) afrekening ontvangt, van rechten versteekt indien hij niet spoedig en op passende wijze reageert.
5.9. Ik maak een zeer beknopte selectie uit de litteratuur en de jurisprudentie toegespitst op het onderwerp ("Contractenrecht" II (Y.G. Blei Weissmann), nr. 244, blz. 505 (Suppl. 199 (januari 1987)))
"Stilzwijgen op facturen, nota's en rekeningen; gebondenheid aan daarin vermelde prijs".
5.10. J.C.M. Leijten, Nederlands Juristenblad 23 november 1968, blzz. 1037 e.v., betoogt over
"de diverse redenen waarom protesten tegen facturen kunnen worden ingebracht ..... Ik ga er in het vervolg van uit, dat het betreft goederen, die volgens factuur zijn verkocht ...... c. Op Uw factuur brengt gij andere prijzen in rekening, dan die welke tussen ons zijn overeengekomen. d. Uw factuur vermeldt prijzen, die afwijken van welke tussen ons gelden als de in rekening te brengen usantiele prijzen of prijzen naar dagwaarde. .... Het is een gewoon maatschappelijk verschijnsel, dat er nogal eens wat tijd verloopt voordat er wordt geprotesteerd. Er zijn mensen, die deze onaangename bezigheid plegen uit te stellen, maar daarmede geenszins bedoelen zich stilzwijgend met factuur …. akkoord te verklaren. Een protest, dat een paar maanden na ontvangst van de factuur wordt ingediend, behoeft m.j. bijna nimmer tardief te worden geacht. Veeleer kan men zich afvragen of het niet op de weg van de verkoper ligt, die ièts - te weten zijn koopprijs - moet krijgen, te "reclameren" tegen de niet-betaling. ..... Ad c. Protest is in deze gevallen, naar mij voorkomt, nodig teneinde te voorkomen, dat de koper wordt belast met het bewijs ….. toch komt het wel voor, dat niet protesteren …..zonder meer als rechtsverwerking wordt beschouwd. Ad d. Indien tussen partijen is overeengekomen, dat gefactureerd zal worden tegen de usantiele prijs of marktkoers, zal m.i. steeds mogen worden aangevoerd, dat het gefactureerde niet in overeenstemming is met die prijzen. De verkoper zal dienen aan te tonen, dat het door hem in rekening gebrachte daarmede overeenstemt. Dit is voor hem doodeenvoudig, als hij de zaak niet bedrogen heeft. En wanneer hij dat laatste wel gedaan heeft, heeft hij een vertrouwensrelatie geschonden door te hoog te factureren, welke schending hem altijd moet kunnen worden tegengeworpen."
5.11. HR 5 november 1976 met conclusie van Ten Kate, NJ 1977, 182 met noot G.J. Scholten, overwoog (blz. 639, rechterkolom, laatste al., - blz. 640, linkerkolom, 1e al.),
"dat .. het feit dat [A] en [B] [C] niet dadelijk na het duidelijk worden van zijn standpunt ..... in kennis hebben gesteld van hun tegengestelde standpunt, niet kan meebrengen dat zij hun rechten ….. zouden hebben verwerkt, nu [C] niet heeft gesteld ..... dat hij enig nadeel zou hebben ondervonden door dit beweerde verzuim".
G.J.S. annoteert (blz. 644 v.) :
"De vraag kan gesteld worden: is er dan nooit rechtsverwerking als er geen nadeel is. Het antwoord moet luiden: inderdaad, dat is er nooit. ..... Tussen afstand - hetzij nadrukkelijk hetzij stilzwijgend maar ondubbelzinnig ... - enerzijds en toerekenbare schijn van afstand anderzijds ligt een smalle maar principiële kloof. Daar is er geen afstand maar rechtsverwerking en daartoe is nadeel vereist. Voor afstand is grondslag de geopenbaarde wil, voor rechtsverwerking de billijkheid die het opgewekt vertrouwen honoreert mits degene, die vertrouwen mocht, anders nadeel zou oplopen".
5.12. HR 5 november 1982 met conclusie van Franx, NJ 1984, 125 met noot C.H.J. Brunner, overwoog (onder 3.4, blz. 466) :
"In het onderhavige geval heeft het Hof aangenomen dat aan de eisen voor rechtsverwerking was voldaan. Het Hof heeft bij dat oordeel - dat verweven is met de omstandigheden van het geval en derhalve in cassatie niet volledig toetsbaar is - laten meewegen, ….. dat de ziekenfondsen …... bij de apothekers de gerechtvaardigde indruk hebben gewekt de .... declaratie-methode, zij het wellicht met tegenzin, te accepteren; dat de ziekenfondsen zich ervan bewust waren dat de apothekers in verband met het op grote schaal bereiden van de door hen aldus gedeclareerde loco- preparaten aanzienlijke kosten moeten hebben gemaakt. Door …… tot zijn voormelde oordeel te komen heeft het Hof ..... geen rechtsregel geschonden. Dat oordeel ….. moet aldus worden begrepen dat de ziekenfondsen in de gegeven omstandigheden in verband met de door hen gedurende vele jaren ingenomen houding en het daardoor bij de apothekers gewekte vertrouwen, in 1976 in zoverre niet meer konden terugvorderen wat zij over de afgelopen jaren zonder voorbehoud hadden voldaan."
5.13. "Contractenrecht" alsvoren, blzz. 505 e.v., leidt uit lagere · burgerlijke rechtspraak en uit arbitrale rechtspraak af:
"Degene die gekochte goederen met factuur ontvangt en niet protesteert, wordt geacht met .. .. prijs akkoord te gaan ...... Door niet onmiddellijk te protesteren tegen de in de factuur genoemde prijs, wordt het recht verwerkt alsnog over de prijs te reclameren . . .. Indien het in facturen, nota's of rekeningen genoemde bedrag wordt betaald of geïnd, is temeer aanleiding om instemming aanwezig te achten. ..... Geen gebondenheid werd aangenomen in i geval van stilzwijgen op rekening-courantafschriften waarin een hoger rentepercentage werd genoemd, daar niet uitgesloten was dat de hogere rente niet was bemerkt ..... Indien in een factuur bij vergissing een fout is geslopen, wordt de vraag naar de gebondenheid primair beheerst door de (wils)vertrouwensleer".
5.14. Mevrouw Biegman betoogde in haar conclusie voor HR 12 juni 1987, NJ 1988, 150 met noot E.A.A. Luijten (onder 11, blz. 642 v.):
"Onderdeel 5 komt op tegen de vaststelling van het hof . ... dat de vrouw, door in 1976 niet alsnog rente te bedingen en/of aanspraak te maken op eventuele waardevermeerdering ... , bij de man de mening heeft versterkt, althans doen postvatten dat zij te zijner tijd slechts terugbetaling van het door haar verschafte bedrag zou vragen, zodat zij haar aanspraken zowel op rente als op waardevermeerdering heeft verwerkt. De klacht van de vrouw houdt in, dat, nu is gesteld noch gebleken dat de man door het stilzwijgen van de vrouw in een nadeliger positie is geraakt, van rechtsverwerking geen sprake kan zijn, subs. dat 's hofs oordeel zonder nadere motivering onbegrijpelijk is. ….. in het onderhavige geval meen ik dat het onderdeel …. terecht wordt voorgesteld. Uit 's hofs overweging blijkt op geen enkele wijze van feiten en omstandigheden die meebrengen dat de vrouw met het oog op de belangen van de man reeds in 1976 aanspraak op een eventuele waardevermeerdering van de woning had behoren te maken ..... Evenmin heeft de man gesteld, of is ten processe anderszins gebleken of aannemelijk geworden dat hij nadeel heeft ondervonden doordat de vrouw eerst na de echtscheiding heeft gereageerd".
Uw Raad overwoog (onder 3.5, blz. 637),
"dat zonder nadere redengeving niet begrijpelijk is het oordeel van het hof ….., nu dit oordeel berust op de enkele grond dat de vrouw in 1976 ……heeft nagelaten op waardevermeerdering aanspraak te maken. ….. Daarbij is .... van belang dat het hof noch heeft vastgesteld dat de man door dit enkele nalaten van de vrouw in een nadeliger positie is geraakt, noch ook dat in 1976 tussen pp. al huwelijksmoeilijkheden bestonden die tot het geldend maken van aanspraken …. aanleiding konden geven."
5.15. Meijers betoogde in zijn conclusie voor HR 27 november 1987, NJ 1988, 342 (ik citeer Jurisprudentie ABW t.a.p., blz. 181):
"9. Het buiten beschouwing laten van het nadeelelement behoeft ….... een beroep op rechtsverwerking niet bij voorbaat vruchteloos te maken. Het zwaartepunt ligt bij de vraag of de eigen gedraging van een contractspartij ... naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het nadien inroepen van een krachtens de overeenkomst geldende regel, waaraan die partij een recht ontleent ….. 12. ….. Het enkele tijdsverloop zal eerst rechtsverwerking ten gevolge kunnen hebben, als de inactiviteit van de rechthebbende gedurende die tijd door bijzondere omstandigheden (eigen gedragingen van de passieve partij of een door de wederpartij geleden en door haar aangewezen nadeel) is gekleurd."
5.16. Asser-Hartkamp II, 8e druk, 1989, nr. 322, blz. 294 v., betoogt,
"dat voorzichtigheid moet worden betracht met het opstellen van vereisten waaraan moet zijn voldaan, wil een beroep op rechtsverwerking toelaatbaar zijn. Verschillende schrijvers hebben bijv. betoogd dat de gedraging van de rechtsverwerkende partij steeds in enig nadeel voor de wederpartij moet hebben geresulteerd ….. Inderdaad zal er in veel gevallen van zodanig nadeel (dat uiteraard niet is gelegen in het enkele uitoefenen van het litigieuze recht) sprake zijn; bijv. doordat de schuldeiser heeft getalmd met een beroep op wanprestatie is de bewijspositie van de schuldenaar verzwaard; of het alsnog erkennen van een recht op nakoming brengt voor de schuldenaar extra moeite en kosten met zich mee. Het wekt dan ook geen verwondering dat er uitspraken zijn waarin dit vereiste is gesteld of althans van nadeel gewag wordt gemaakt …... Maar dit geldt lang niet voor alle uitspraken. ... onder het nieuwe recht (kan) ter verdediging van zodanig nadeelvereiste geen beroep meer worden gedaan op de arresten (over) rechtsverwerking, gebaseerd op het opwekken van de schijn van afstand van recht, waarop de wederpartij had vertrouwd (in welke arresten) dit vertrouwen slechts gehonoreerd (werd) indien de wederpartij, door hetgeen zij op grond van dit vertrouwen heeft gedaan, zonder bescherming in een ongunstiger positie zou komen dan waarin zij verkeerd zou hebben indien zij niet had vertrouwd. ….. art. 3.2.3. (stelt) dit vereiste niet ….. (waarop m.i. de recente rechtspraak van de HR reeds heeft geanticipeerd)…… Tegen deze achtergrond ligt het niet voor de hand om in gevallen van rechtsverwerking .... steeds het vereiste van nadeel te stellen; ..... hier kan beter van geval tot geval worden geoordeeld."
5.17. Nu houdt in de thans aanhangige zaak het Beroepschrift, blzz. 4 e.v., in:
"Van het ABP als institutionele belegger moet worden aangenomen dat zij steeds heeft geweten dat haar handelwijze met betrekking tot de servicekosten in strijd zijn met de HPW….. pas ... . .in 1984 ..... kreeg ([verzoeker]) door dat hij waarschijnlijk te veel aan service-kosten betaalde……. Er is …..geen sprake van enig nadeel. ….. In casu ……ontving ([verzoeker]) op 18 juni 1983 de afrekening over 1982. Bij brief van 19 april 1984 aan de beheerder stelde hij deze afrekening ter diskussie ..... Op 23 mei 1984 ontving ([verzoeker]) de afrekening over 1983. Bij brief van 1 augustus 1984 gaven de bewoners, waaronder ([verzoeker]), aan zich niet met deze afrekening te kunnen verenigen".
5.18. Het Verweerschrift in appèl, onder 5, blzz. 6 e.v., houdt in:
"Uit het alleen protesteren tegen 1982 en 1983 volgt …... dat men 1980 en 1981 laat rusten. ..... Indien al aangenomen moet worden dat het nadeelvereiste nog gesteld moet worden voor rechtsverwerking, dan negeert ([verzoeker]) dat ABP wel degelijk nadeel heeft geleden door het stilzitten van ([verzoeker]). ……ABP heeft aangekondigd dat hij onverplicht voor de toekomst slechts 50% van bepaalde de service-abonnementskosten in rekening zou gaan brengen en de kosten van een huismeester voor 25% voor zijn rekening zou nemen. Zou ABP toen hebben geweten ..... dat ([verzoeker]) 1 1/2 jaar later alsnog .... 1980 en 1981 aan de orde zou stellen, dan zou ABP zijn onverplichte handeling .... mogelijk niet hebben verricht ..... Overigens handhaaft ABP zijn stelling ..... dat ([verzoeker]) ….. na medio oktober 1986 bericht te hebben ontvangen dat ABP (het) advies (van de Huurcommissie over 1982 en 1983) niet zou volgen ….., eveneens een redelijke termijn negeerde door zich eerst op 28 juli 1987 ten aanzien van die jaren tot de kantonrechter te wenden. ….. [verzoeker] had (daardoor) het gerechtvaardigde vertrouwen bij ABP gewekt dat hij zich erbij neerlegde dat ABP vasthield aan de juistheid van zijn rekeningen over 1982 en 1983. ….. Onwaarachtig is daarbij de stelling van ([verzoeker]) dat ABP als professionele verhuurder zou hebben geweten dat hij in strijd handelde met dwingend recht".
5.19. Uit het vorenstaande blijkt, dat er in de literatuur een zekere neiging is rechtsverwerking mogelijk te achten door het niet binnen betrekkelijk korte tijd (zie Leijten, geciteerd hiervoor onder 5.10: "een paar maanden") protesteren tegen een in een factuur, nota of rekening genoemde prijs. Ik kan mij voorstellen, dat deze neiging enerzijds wordt versterkt door het bestaan van de wettelijke verplichting tot uitreiking van een dergelijk stuk, anderzijds wordt verzwakt door het samengesteld zijn uit een groot aantal prijzen, door de omstandigheid dat deze gerechtvaardigd moeten zijn door min of meer vage criteria, zoals de redelijkheid, en door het bij de geadresseerde van het stuk te veronderstellen (gebrek aan) inzicht daarin. Van belang dunkt mij voorts of bij de afzender van het stuk deskundigheid omtrent de desbetreffende criteria mag worden verondersteld en of het stuk resulteert in een door de geadresseerde te betalen of terug te ontvangen bedrag en/of in een, al dan niet automatisch verlopende, verrekening. Verschil met een factuur voor verkochte goederen bestaat voorts waar het gaat om een jaarlijkse afrekening in een voortdurende relatie van huurder en verhuurder.
5.20. Ik meen daarom, dat de Rechtbank niet op de enkele grond van het stilzitten van [verzoeker] kon komen tot de afwijzing van diens verzoek.
5.21. Uit het hiervoor onder 5.3-7 betoogde volgt, dat middelonderdeel 2, indien het inhoudelijk aan de orde zou kunnen komen, zou opgaan. De mogelijkheid, dat de bestreden beschikking in dat geval niettemin in stand zou blijven op grond van het verbintenissenrecht in zijn algemeenheid, houdt daartegenover blijkens het hiervoor onder 5.19-20 betoogde geen stand.
6. Conclusie.
Het middel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep en tot veroordeling van [verzoeker] in de kosten, op de voorziening in cassatie gevallen.
Parket, 30 juni 1989
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Ars aequi, december 1987, blz. 780 met noot P. van Schilfgaarde.
Jurisprudentie ABW 1988, 55. Hier is tevens de, in NJ niet afgedrukte, conclusie opgenomen.