Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:1983:AC7905

1983-02-01 Strafrecht 74628
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
1983-02-01
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
74628
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1983, 502

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Feitelijke leiding geven aan bestuurders van vrachtauto’s (personeel van B.V.) te lange rijtijden laten maken begaan door rechtspersoon, art. 3 Rijtijdenwet. Heeft verdachte als directeur van B.V. feitelijke leiding gegeven aan gedragingen?

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (1.831 tekens)
Eb
Nr. 74.628
Zitting 1 februari 1983





Mr. Remmelink

Conclusie inzake:


[verdachte]







Edelhoogachtbare Heren,




In deze zaak waarin de Rechtbank requirant in appel heeft veroordeeld ter zake van het als leidinggever aansprakelijk zijn voor vijf overtredingen van de Rijtijdenwet enz. begaan door een (‘’zijn’’) rechtspersoon (waarbinnen door het personeel te lange rijtijden werden gemaakt) tot vijf geldboeten van telkens ƒ 4000,- (subsidiair telkens 16 dagen hechtenis), waarvan telkens ƒ 1500,- (subsidiair telkens 6 dagen hechtenis) voorwaardelijk (telkens proeftijd 2 jaar), tegen welk vonnis hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld, waarin wordt aangevoerd, dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet zou kunnen volgen het bewijs, dat requirant als ‘’leidinggever’’ heeft gefungeerd. Ik meen, dat het middel faalt, aangezien de Rechtbank zulks, gelijk zij naar aanleiding van een desbetreffend verweer ook nog heeft gesteld, heeft kunnen afleiden uit de omstandigheid, dat requirant heeft verklaard (zie p. 6 van het vonnis) als directeur het algemeen beleid te bepalen enz., en voorts de opvatting heeft geuit, dat de rijtijdenwetgeving met de eisen van de praktijk niet te verenigen zou zijn. Ik verwijs voor een en ander nog naar HR 2 maart 1982, NJ 1982, no. 446, waar Uw Raad er kennelijk ook mee accoord gaat, dat uit een algemene bevoegdheid en verantwoordelijkheid het leiding geven aan het concrete handelen van een rechtspersoon wordt afgeleid. Vgl. in deze zin ook De Doelder en 't Hart, DD 1983, p. 45.
Het middel niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep.




De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,