Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:1976:AB5842
1976-06-15
Strafrecht
68 260
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:1976:AB5842 → ECLI:NL:PHR:1976:AB5842
Inhoudsindicatie
-
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (11.048 tekens)
L.
Nr. 68269
Zitting 11 mei 1976.
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
[rekwirant].
Edelhoogachtbare Heren,
In zijn arrest van 24 juni 1975, NJ 1975, no. 450, met noot van GE Mulder, heeft Uw Raad arrest gewezen in de geruchtmakende zaak betreffende de verspreiding van pamfletten, inhoudende kwetsende opmerkingen van racistische aard jegens Surinamers en Antillianen (vgl. art. 137e Sr) waarin het Haagse Hof tot ontslag van rechtsvervolging was gekomen. In de cassatieschriftuur van de PG waren destijds twee middelen vervat. Het eerste verweet het Hof schending van art. 1 van het hieronder nader te noemen New Yorkse Verdrag, het tweede hield in dat het Hof een ontoelaatbare deelvrijspraak had gegeven, nl. van de woorden "vanwege hun ras", die echter als een essentieel bestanddeel van de telastelegging moesten worden beschouwd. Nu zou men verwacht hebben, dat Uw Raad op grond van het eerste cassatiemiddel, waarin het hete hangijzer, het begrip "ras" aan de orde werd gesteld, de zaak had aangevat, doch dat geschiedde niet. Uw Raad onderzocht eerst of het ontslag van rechtvervolging eigenlijk niet een vrijspraak moest zijn en kwam inderdaad - de lijn van de PG verder doortrekkende - tot die conclusie. Men zou hebben kunnen verwachten, dat Uw Raad daarna het eerste middel bij de horens zou hebben gevat. Dat ging echter wat moeilijk, omdat de Heer Requirant in zijn middel geen directe liaison had gelegd tussen de schending van voormeld verdrag, met name dus van het begrip ras, en het gebruik van het begrip ras in de telastelegging. Was dat wel geschied, dan zou wellicht langs deze weg zijn vastgesteld, dat gegeven de onjuiste interpretatie van het begrip ras de wezenlijke vrijspraak toch weer niet wezenlijk was, zodat cassatie mogelijk was en het middel gegrond. Vgl. over deze methodiek o.m. HR. 25 nov. 1958, NJ 1959 no. 183 en 30 okt. 1973, NJ 1974. Kennelijk omdat een niet-ontvankelijkheid van het O.M. nu het alternatief zou moeten zijn (vgl. o.m. HR. 6 jan. 1919 W 10376; 19 nov. 1934, NJ 1935 no. 349) - uiteraard een zeer onbevredigende en een voor het publiek onbegrijpelijke, uitkomst - knoopte Uw Raad aan bij een argument, dat de Heer Requirant slechts in de toelichting bij zijn eerste middel had aangevoerd (m.i. had ZEGA dat beter als een afzonderlijk middel kunnen opvoeren) nl. dat het Hof de telastelegging verkeerd had uitgelegd, omdat in het geciteerde pamflet anders dan het Hof had aangenomen uitsluitend niet-blanke Surinamers en Antillianen werden bedoeld. Een op zich zelf opvallende ingreep, want, zoals ook door de annotator GE Mulder werd opgemerkt, pleegt Uw Raad de feitelijke rechter in zijn exegese van feitelijke bewoordingen van de telastelegging te respecteren. Het resultaat was echter, dat thans toch nog mogelijk werd de zoëven besproken methode: de gegeven vrijspraak was toch weer geen vrijspraak, en cassatie was geïndiceerd. Alleen is opvallend, dat middel I (ondanks de zoëven genoemde toelichting) daarbij uitdrukkelijk buiten bespreking werd gelaten. Formeel is derhalve de grond waarop werd gecasseerd niet door het O.M., maar door Uw Raad zelf bijgebracht, en dat in een zaak waarin uitsluitend het O.M. in cassatie is gegaan. Ik herinner in dit verband aan HR. 30 maart 1976 (no. 68126).
De zoëven gegeven beschouwing heeft tot doel te demonstreren, dat dit cassatietechnisch hoogstandje toch onmiskenbaar tot strekking had om een bevredigend en billijk resultaat in deze zaak te bereiken. Want het voorbijgaan aan het door de PG aangevoerde eerste middel, hoe teleurstellend dit mogelijk is geweest, vond zijn compensatie in het overnemen van de in de toelichting vervatte klacht over het onjuist uitleggen van de telastelegging en bracht mee de daarvoor in de plaats tredende "bindende" interpretatie door Uw Raad, inhoudende dat het daar vermelde pamflet geacht moest worden te hebben gemikt op een groep mensen, die zich vanwege hun huidskleur van de overgrote meerderheid der hier te lande wonende mensen onderscheidden en dat mitsdien geredelijk zou gesproken kunnen worden van belediging "wegens ras" (met als bijkomend voordeel, dat de moeilijke vraag of belediging van Surinamers en Antillianen als volksgroepen, waaronder dan ook de blanken ressorteren - een vraag waarmee de Heer PG zich in zijn eerste cassatiemiddel heeft beziggehouden en waarover -s.o.r .- het Haagse Hof gestruikeld was - werd geëlimineerd). Het begrip ras dient immers, aldus de MvT, te worden uitgelegd in de trant van de omschrijving in art. 1 Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (New York, 7 maart 1966), Trb. 1967, no. 48, hetwelk onder rassendiscriminatie verstaat: "elke vorm van onderscheid enz. op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming" enz. Ook de rubricering onder de laatste (alternatieve) categorie wordt aldus vlot mogelijk, want wanneer men mikt op kleurlingen uit een bepaald gebied mikt men so wie so niet op de staatkundige band, welke deze mensen bindt, maar op het type volksaard, dat op zijn beurt uit allerlei componenten kan zijn samengesteld: ras in biologische zin, huidskleur, doch ook taal, gemeenschappelijke cultuur. Ik voeg hieraan ten overvloede toe, dat het begrip ras in ons artikel derhalve veel omvattender is dan het overigens uiterst dubieuze begrip ras als aanduiding van een groep mensen, die zich volgens erfelijke biologische kenmerken zouden onderscheiden van anderen (zie hierover de gedegen beschouwingen van Dr. A. v.d. Wey, O. Carm., te vinden in K.H.A. van 30 juli 1938). Het zit 'm hier in de aard van de groep mensen zoals die in de maatschappij als "onderscheidend" of "kenmerkend" kan worden ervaren. Zelfs de Indiase "kasten" met - hoewel wij dan meer met klassendiscriminatie dan met rassendiscriminatie schijnen te maken te hebben - heeft men er in New York misschien onder willen rekenen. Vgl. Minister Polak in de 2e K (H. 1969/70 p. 4349), doelend op de ogenschijnlijk overbodige term "afkomst". Zie over dit ruime begrip ras ook Vierdag in de NRC van 6 maart 1975.
Ik maak deze opmerkingen n.a.v. de onderhavige zaak welke het vervolg is van die in het vorige arrest besproken: Nadat het Hof te Amsterdam naar welk college Uw Raad de zaak had verwezen een veroordeling had uitgesproken heeft requirant zich op zijn beurt van beroep in cassatie voorzien en in zijn schriftuur een middel, dat in de toelichting een vijftal grieven bevat, doen voorstellen:
Grief I betwist, dat het Hof bewezen heeft kunnen achten, dat hier werd beledigd vanwege het ras, omdat de onderhavige gekleurde bevolkingsgroepen (in het pamflet "kleurlingen" genaamd) nu juist niet door hun ras gekenmerkt zouden worden. Het "ras" zou door vermenging juist verloren zijn gegaan. Een kleurling is nl. - aldus requirant - een persoon van gemengd bloed, geboren uit de vermenging van een blanke en een niet blanke. Het komt mij voor, dat de grief faalt, en wel allereerst, omdat het Hof gelet op voormeld arrest van Uw Raad het begrip kleurling niet als zodanig zal hebben opgevat. Het Hof heeft hierbij kennelijk gedacht aan niet-blanke personen zonder daarbij typische ras-kenmerken van biologische aard als door requirant bedoeld te willen betrekken. En wat betreft het eerder genoemde bezwaar, dat hier niet (wat het Hof heeft aangenomen) sprake zou zijn van één groep, maar van twee afzonderlijke collectiviteiten, omdat de Antillianen en Surinamers uit afzonderlijke gebieden afstammen (zo versta ik dit bezwaar) meen ik, dat requirant miskent, dat het voldoende is, dat de personen in de uitlating in een gemeenschappelijke aanduiding zijn samengevat. Welnu, weliswaar werd in het pamflet gesproken over Antillianen en Surinamers, maar blijkens de gehele strekking van het geschrift werden zij daarbij niettemin over één kam geschoren, als één groep beschouwd. Vgl. in dit verband Noyon-Langemeijer, zevende druk, aant. 1 bij art. 137 c.
Grief 2 faalt, omdat het miskent, dat het Hof, anders dan requirant stelt, het bewijs van de telastelegging niet uitsluitend heeft aangenomen op zijn opgaven. Het Hof heeft nl. ook als bewijsmiddel gebezigd: de eigen waarneming (art. 339 lid 1 onder 1 Sv), nl. van het betrokken pamflet, alsmede een bijlage van het politie-proces-verbaal.
Grief 3 erover klagende, dat het Hof uit de zo juist genoemde bijlage, betrekking hebbende op een "plan van actie" heeft afgeleid, dat het geenszins de bedoeling van requirant was zakelijke informatie te verstrekken, en dat het Hof zulks los van die bedoelingen had moeten vaststellen faalt m.i. eveneens. Ik zie niet in, waarom deze bedoelingen niet zouden kunnen bijdragen tot het bewijs van de niet-zakelijke strekking van het pamflet. Natuurlijk is daartoe meer nodig. In dit geval spreekt de inhoud zelfs al wel voldoende voor zich zelf m.i., maar ik kan mij voorstellen, dat het Hof uit dit plan van actie nog een extra-aanwijzing heeft willen puren.
Grief 4, eisend, dat het Hof art. 1 van het verdrag had moeten aanhalen ziet voorbij, dat de wet een dergelijke eis niet stelt. Alleen die wetsartikelen waarop de straf rechtstreeks berust behoeven te worden aangehaald. Vgl. HR. 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1330.
Grief 5 lijkt mij gegrond. Inderdaad kan van de pamfletten, die in de kamer zijn inbeslaggenomen (het proces- verbaal van de politie 6931/1974 is in dit verband overigens niet erg duidelijk, maar ik neem aan, dat op p. 2 wordt bedoeld, dat behalve de papieren gevoegd als bijlagen I, II en III van het proces-verbaal ook de (890) pamfletten, aldaar aangetroffen, zijn inbeslaggenomen) niet worden gezegd, dat met behulp daarvan het strafbaar feit is gepleegd. Ook kan men m.i. niet zeggen, dat ze gediend hebben of bestemd waren tot het begane strafbare feit, mogelijk wel voor toekomstige strafbare feiten van deze aard. Het komt mij mitsdien voor, dat deze pamfletten in aanmerking komen om te worden onttrokken aan het verkeer op grond van art. 36 c Sr. Het zijn nl. - dat mag men met het Hof wel aannemen - aan requirant "toebehorende" voorwerpen. Het is duidelijk, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang. Voorts zijn ze aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf en tenslotte kan worden gezegd, dat de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven. Het komt mij voor, dat Uw Raad, het arrest van het Hof in zoverre vernietigend, wel ten principale recht zou kunnen doen.
Ik concludeer, dat Uw Raad, de vijfde grief gegrond achtend, het arrest van het Hof zal vernietigen, doch
uitsluitend voorzover het Hof heeft verbeurd verklaard de in het proces-verbaal nummer 6931/1974 van de gemeentepolitie van 's-Gravenhage vermelde in beslaggenomen pamfletten en in zoverre opnieuw rechtdoende op de zoëven aangevoerde gronden voormelde voorwerpen zal onttrokken verklaren aan het verkeer, en voor het overige het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
Nr. 68269
Zitting 11 mei 1976.
Mr. Remmelink.
Conclusie inzake:
[rekwirant].
Edelhoogachtbare Heren,
In zijn arrest van 24 juni 1975, NJ 1975, no. 450, met noot van GE Mulder, heeft Uw Raad arrest gewezen in de geruchtmakende zaak betreffende de verspreiding van pamfletten, inhoudende kwetsende opmerkingen van racistische aard jegens Surinamers en Antillianen (vgl. art. 137e Sr) waarin het Haagse Hof tot ontslag van rechtsvervolging was gekomen. In de cassatieschriftuur van de PG waren destijds twee middelen vervat. Het eerste verweet het Hof schending van art. 1 van het hieronder nader te noemen New Yorkse Verdrag, het tweede hield in dat het Hof een ontoelaatbare deelvrijspraak had gegeven, nl. van de woorden "vanwege hun ras", die echter als een essentieel bestanddeel van de telastelegging moesten worden beschouwd. Nu zou men verwacht hebben, dat Uw Raad op grond van het eerste cassatiemiddel, waarin het hete hangijzer, het begrip "ras" aan de orde werd gesteld, de zaak had aangevat, doch dat geschiedde niet. Uw Raad onderzocht eerst of het ontslag van rechtvervolging eigenlijk niet een vrijspraak moest zijn en kwam inderdaad - de lijn van de PG verder doortrekkende - tot die conclusie. Men zou hebben kunnen verwachten, dat Uw Raad daarna het eerste middel bij de horens zou hebben gevat. Dat ging echter wat moeilijk, omdat de Heer Requirant in zijn middel geen directe liaison had gelegd tussen de schending van voormeld verdrag, met name dus van het begrip ras, en het gebruik van het begrip ras in de telastelegging. Was dat wel geschied, dan zou wellicht langs deze weg zijn vastgesteld, dat gegeven de onjuiste interpretatie van het begrip ras de wezenlijke vrijspraak toch weer niet wezenlijk was, zodat cassatie mogelijk was en het middel gegrond. Vgl. over deze methodiek o.m. HR. 25 nov. 1958, NJ 1959 no. 183 en 30 okt. 1973, NJ 1974. Kennelijk omdat een niet-ontvankelijkheid van het O.M. nu het alternatief zou moeten zijn (vgl. o.m. HR. 6 jan. 1919 W 10376; 19 nov. 1934, NJ 1935 no. 349) - uiteraard een zeer onbevredigende en een voor het publiek onbegrijpelijke, uitkomst - knoopte Uw Raad aan bij een argument, dat de Heer Requirant slechts in de toelichting bij zijn eerste middel had aangevoerd (m.i. had ZEGA dat beter als een afzonderlijk middel kunnen opvoeren) nl. dat het Hof de telastelegging verkeerd had uitgelegd, omdat in het geciteerde pamflet anders dan het Hof had aangenomen uitsluitend niet-blanke Surinamers en Antillianen werden bedoeld. Een op zich zelf opvallende ingreep, want, zoals ook door de annotator GE Mulder werd opgemerkt, pleegt Uw Raad de feitelijke rechter in zijn exegese van feitelijke bewoordingen van de telastelegging te respecteren. Het resultaat was echter, dat thans toch nog mogelijk werd de zoëven besproken methode: de gegeven vrijspraak was toch weer geen vrijspraak, en cassatie was geïndiceerd. Alleen is opvallend, dat middel I (ondanks de zoëven genoemde toelichting) daarbij uitdrukkelijk buiten bespreking werd gelaten. Formeel is derhalve de grond waarop werd gecasseerd niet door het O.M., maar door Uw Raad zelf bijgebracht, en dat in een zaak waarin uitsluitend het O.M. in cassatie is gegaan. Ik herinner in dit verband aan HR. 30 maart 1976 (no. 68126).
De zoëven gegeven beschouwing heeft tot doel te demonstreren, dat dit cassatietechnisch hoogstandje toch onmiskenbaar tot strekking had om een bevredigend en billijk resultaat in deze zaak te bereiken. Want het voorbijgaan aan het door de PG aangevoerde eerste middel, hoe teleurstellend dit mogelijk is geweest, vond zijn compensatie in het overnemen van de in de toelichting vervatte klacht over het onjuist uitleggen van de telastelegging en bracht mee de daarvoor in de plaats tredende "bindende" interpretatie door Uw Raad, inhoudende dat het daar vermelde pamflet geacht moest worden te hebben gemikt op een groep mensen, die zich vanwege hun huidskleur van de overgrote meerderheid der hier te lande wonende mensen onderscheidden en dat mitsdien geredelijk zou gesproken kunnen worden van belediging "wegens ras" (met als bijkomend voordeel, dat de moeilijke vraag of belediging van Surinamers en Antillianen als volksgroepen, waaronder dan ook de blanken ressorteren - een vraag waarmee de Heer PG zich in zijn eerste cassatiemiddel heeft beziggehouden en waarover -s.o.r .- het Haagse Hof gestruikeld was - werd geëlimineerd). Het begrip ras dient immers, aldus de MvT, te worden uitgelegd in de trant van de omschrijving in art. 1 Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (New York, 7 maart 1966), Trb. 1967, no. 48, hetwelk onder rassendiscriminatie verstaat: "elke vorm van onderscheid enz. op grond van ras, huidskleur, afkomst of nationale of etnische afstamming" enz. Ook de rubricering onder de laatste (alternatieve) categorie wordt aldus vlot mogelijk, want wanneer men mikt op kleurlingen uit een bepaald gebied mikt men so wie so niet op de staatkundige band, welke deze mensen bindt, maar op het type volksaard, dat op zijn beurt uit allerlei componenten kan zijn samengesteld: ras in biologische zin, huidskleur, doch ook taal, gemeenschappelijke cultuur. Ik voeg hieraan ten overvloede toe, dat het begrip ras in ons artikel derhalve veel omvattender is dan het overigens uiterst dubieuze begrip ras als aanduiding van een groep mensen, die zich volgens erfelijke biologische kenmerken zouden onderscheiden van anderen (zie hierover de gedegen beschouwingen van Dr. A. v.d. Wey, O. Carm., te vinden in K.H.A. van 30 juli 1938). Het zit 'm hier in de aard van de groep mensen zoals die in de maatschappij als "onderscheidend" of "kenmerkend" kan worden ervaren. Zelfs de Indiase "kasten" met - hoewel wij dan meer met klassendiscriminatie dan met rassendiscriminatie schijnen te maken te hebben - heeft men er in New York misschien onder willen rekenen. Vgl. Minister Polak in de 2e K (H. 1969/70 p. 4349), doelend op de ogenschijnlijk overbodige term "afkomst". Zie over dit ruime begrip ras ook Vierdag in de NRC van 6 maart 1975.
Ik maak deze opmerkingen n.a.v. de onderhavige zaak welke het vervolg is van die in het vorige arrest besproken: Nadat het Hof te Amsterdam naar welk college Uw Raad de zaak had verwezen een veroordeling had uitgesproken heeft requirant zich op zijn beurt van beroep in cassatie voorzien en in zijn schriftuur een middel, dat in de toelichting een vijftal grieven bevat, doen voorstellen:
Grief I betwist, dat het Hof bewezen heeft kunnen achten, dat hier werd beledigd vanwege het ras, omdat de onderhavige gekleurde bevolkingsgroepen (in het pamflet "kleurlingen" genaamd) nu juist niet door hun ras gekenmerkt zouden worden. Het "ras" zou door vermenging juist verloren zijn gegaan. Een kleurling is nl. - aldus requirant - een persoon van gemengd bloed, geboren uit de vermenging van een blanke en een niet blanke. Het komt mij voor, dat de grief faalt, en wel allereerst, omdat het Hof gelet op voormeld arrest van Uw Raad het begrip kleurling niet als zodanig zal hebben opgevat. Het Hof heeft hierbij kennelijk gedacht aan niet-blanke personen zonder daarbij typische ras-kenmerken van biologische aard als door requirant bedoeld te willen betrekken. En wat betreft het eerder genoemde bezwaar, dat hier niet (wat het Hof heeft aangenomen) sprake zou zijn van één groep, maar van twee afzonderlijke collectiviteiten, omdat de Antillianen en Surinamers uit afzonderlijke gebieden afstammen (zo versta ik dit bezwaar) meen ik, dat requirant miskent, dat het voldoende is, dat de personen in de uitlating in een gemeenschappelijke aanduiding zijn samengevat. Welnu, weliswaar werd in het pamflet gesproken over Antillianen en Surinamers, maar blijkens de gehele strekking van het geschrift werden zij daarbij niettemin over één kam geschoren, als één groep beschouwd. Vgl. in dit verband Noyon-Langemeijer, zevende druk, aant. 1 bij art. 137 c.
Grief 2 faalt, omdat het miskent, dat het Hof, anders dan requirant stelt, het bewijs van de telastelegging niet uitsluitend heeft aangenomen op zijn opgaven. Het Hof heeft nl. ook als bewijsmiddel gebezigd: de eigen waarneming (art. 339 lid 1 onder 1 Sv), nl. van het betrokken pamflet, alsmede een bijlage van het politie-proces-verbaal.
Grief 3 erover klagende, dat het Hof uit de zo juist genoemde bijlage, betrekking hebbende op een "plan van actie" heeft afgeleid, dat het geenszins de bedoeling van requirant was zakelijke informatie te verstrekken, en dat het Hof zulks los van die bedoelingen had moeten vaststellen faalt m.i. eveneens. Ik zie niet in, waarom deze bedoelingen niet zouden kunnen bijdragen tot het bewijs van de niet-zakelijke strekking van het pamflet. Natuurlijk is daartoe meer nodig. In dit geval spreekt de inhoud zelfs al wel voldoende voor zich zelf m.i., maar ik kan mij voorstellen, dat het Hof uit dit plan van actie nog een extra-aanwijzing heeft willen puren.
Grief 4, eisend, dat het Hof art. 1 van het verdrag had moeten aanhalen ziet voorbij, dat de wet een dergelijke eis niet stelt. Alleen die wetsartikelen waarop de straf rechtstreeks berust behoeven te worden aangehaald. Vgl. HR. 24 juni 1935, NJ 1935, p. 1330.
Grief 5 lijkt mij gegrond. Inderdaad kan van de pamfletten, die in de kamer zijn inbeslaggenomen (het proces- verbaal van de politie 6931/1974 is in dit verband overigens niet erg duidelijk, maar ik neem aan, dat op p. 2 wordt bedoeld, dat behalve de papieren gevoegd als bijlagen I, II en III van het proces-verbaal ook de (890) pamfletten, aldaar aangetroffen, zijn inbeslaggenomen) niet worden gezegd, dat met behulp daarvan het strafbaar feit is gepleegd. Ook kan men m.i. niet zeggen, dat ze gediend hebben of bestemd waren tot het begane strafbare feit, mogelijk wel voor toekomstige strafbare feiten van deze aard. Het komt mij mitsdien voor, dat deze pamfletten in aanmerking komen om te worden onttrokken aan het verkeer op grond van art. 36 c Sr. Het zijn nl. - dat mag men met het Hof wel aannemen - aan requirant "toebehorende" voorwerpen. Het is duidelijk, dat het ongecontroleerde bezit ervan in strijd is met het algemeen belang. Voorts zijn ze aangetroffen bij gelegenheid van het onderzoek naar het door hem begane misdrijf en tenslotte kan worden gezegd, dat de voorwerpen kunnen dienen tot het begaan van soortgelijke misdrijven. Het komt mij voor, dat Uw Raad, het arrest van het Hof in zoverre vernietigend, wel ten principale recht zou kunnen doen.
Ik concludeer, dat Uw Raad, de vijfde grief gegrond achtend, het arrest van het Hof zal vernietigen, doch
uitsluitend voorzover het Hof heeft verbeurd verklaard de in het proces-verbaal nummer 6931/1974 van de gemeentepolitie van 's-Gravenhage vermelde in beslaggenomen pamfletten en in zoverre opnieuw rechtdoende op de zoëven aangevoerde gronden voormelde voorwerpen zal onttrokken verklaren aan het verkeer, en voor het overige het beroep zal verwerpen.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,