Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:218

2026-07-16 Strafrecht H-141/24
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-07-16
Publicatiedatum
2026-08-18
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
H-141/24
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Verbalisanten veroordeeld voor medeplegen van (dodelijk) politiegeweld. Na een gewapende overval wilden verbalisanten over gaan tot aanhouding van de verdachten. Hierbij is op de vluchtauto geschoten waardoor een inzittende is overleden. Verbalisanten waren bevoegd tot het gebruik van een vuurwapen maar het Hof oordeelt dat het handelen van de verbalisanten niet proportioneel was. Beroep op afwezigheid van alle schuld vanwege de gebrekkige trainings- en opleidingsmogelijkheden wordt afgewezen. Het Korps Politie Korsou schiet te kort in het faciliteren, begeleiden en opleiden van hun werknemers. Deze gebrekkige trainings- en opleidingsmogelijkheden waar de verbalisanten te maken hadden, weegt het Hof mee bij de straf. Het Hof legt een voorwaardelijke taakstraf en de voorwaardelijke ontzetting uit het ambt op. Vordering tot schadevergoeding voor de materiële schade wordt volledig toegewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.650 tekens)
Uitspraak: 16 juli 2026 Tegenspraak








Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 11 oktober 2024 in de strafzaak tegen:




[naam verdachte],


geboren op [geboortedag] in [geboorteland],
wonende in [woonplaats],





Hoger beroep




Het Gerecht heeft bij vonnis het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen verklaard. Vervolgens heeft het Gerecht het door de verdachte gedane beroep op een rechtvaardigingsgrond, te weten handelen ter uitvoering van een wettelijk voorschrift, gehonoreerd en de verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. Gelet op deze beslissing zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.



De officier van justitie heeft hoger beroep ingesteld.





Onderzoek van de zaak




Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 5 februari 2026, 28 mei 2026, 4 juni 2026 en 16 juli 2026 (sluiting).



Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman naar voren is gebracht. Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen namens de benadeelde partijen in het kader van hun vordering tot schadevergoeding naar voren is gebracht.



De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot:



een taakstraf voor de duur van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis;


de voorwaardelijke ontzetting van het ambt voor de duur van 2 jaren met een proeftijd van 1 jaar.




Haar vordering behelst voorts:

- de hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij

[naam], tot een bedrag van Xcg 11.054,30 aan materiele schade en de niet-
ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in de gevorderde immateriële
schade;

- de niet-ontvankelijkheidsverklaring van de benadeelde partij [naam], in zijn
vordering.


De raadsman heeft primair bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat het handelen viel binnen de kaders van de Ambtsinstructie. Meer subsidiair heeft hij betoogd dat de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens afwezigheid van alle schuld (AVAS). De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen.





Vonnis waarvan beroep




Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het Hof deels tot andere beslissingen komt.




Inleiding




De verdachte, werkzaam als verbalisant bij KPC, en zijn medeverdachten, werkzaam als verbalisanten bij KPC en VKC, hebben op 27 september 2021 in Curaçao tijdens de uitoefening van hun politietaak meermalen met hun dienstwapens geschoten, in de richting van een auto waarvan de inzittenden – verdacht van een gewapende overval - zich tijdens een staandehouding aan het politieoptreden probeerden te onttrekken door weg te rijden. Op dat moment bevonden X, Y en Z zich in de auto. Eén van de afgevuurde kogels heeft het lichaam van X van achteren doorboord, ten gevolge waarvan hij is overleden. Y en Z zijn niet door kogels getroffen en zijn kort nadien aangehouden.





Tenlastelegging




Aan de verdachte is ten laste gelegd:




Feit 1:

dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met één ander of anderen, althans alleen, opzettelijk X van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet één of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen één of meerdere kogel(s) afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die X zich bevond, tengevolge waarvan voornoemde X is overleden;





Subsidiair:

dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met één ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, X van het leven te beroven, met dat opzet een of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen één of meerdere kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die X zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




Meer subsidiair:

dat hij/zij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met één ander of anderen, althans alleen aan X opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet één of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen één of meerdere kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die X zich bevond, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




Feit 2:


Primair:

dat hij/zij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, Y en/of Z van het leven te beroven, met dat opzet één of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen één of meerdere kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die Y en/of die Z zich bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;




Subsidiair:

dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen aan Y en/of Z opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet één of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen een of meerdere kogel (s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die Y en/of die Z zich bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.






Bewezenverklaring




Het Hof acht – op grond van de inhoud van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:




Feit 1:


Primair:

dat hij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk X van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s) met dat opzet één of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen één of meerdere kogels afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die X zich bevond, ten gevolge waarvan voornoemde X is overleden;




Feit 2:


Primair:

dat hij/zij op of omstreeks 27 september 2021 te Curaçao, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk, Y en/of Z van het leven te beroven, met dat opzet één of meerdere keren (gericht) met zijn/hun dienstvuurwapen één of meerdere kogel(s) heeft afgevuurd op en/of in de richting van het voertuig (personenauto) waarin die Y en/of die Z zich bevonden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.



Het Hof acht niet bewezen wat de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.



De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.





Bewijsmiddelen




Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hiernavolgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring.



Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen. De bewijsmiddelen worden steeds zakelijk weergegeven.



Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.





1Een proces-verbaal van meldkamergesprekken d.d. 20 april 2022:


Op 27 september 2021 werd een gewapende overval gepleegd op de minimarket Kong Long aan de Dr. Maalweg in Curaçao. Het politieberichtenverkeer bij de Centrale Meldkamer van het Korps Politie Curaçao werd beluisterd.









18:45:31


Centralist:
Er heeft een roofoverval plaatsgevonden, Dokter Maalweg bij de Chinees naast de Macdonalds, wit/grijsgelakt voertuig.




18:46:38


Centralist:
Uhm, we hebben begrepen dat ze bij de Toko hebben gestolen, 3 mannen met vuurwapens. Ze hebben het over een witgelakte stationwagen, met een grijsgelakte kofferbak.




18:47:34


Y 6117, Y 6117









2Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte A. d.d. 23 mei 2022:


Op 27 september 2021 waren …. en ik aan het patrouilleren. De meldkamer gaf door dat er een gewapende overval had plaatsgevonden op een minimarket aan de Dr. Maalweg en in welke auto de overvallers waren gevlucht. Ik zag dat de vluchtauto op de Kaminda Duvert Boy Nicolina naar de rechterkant van de weg ging. Daar stopte de vluchtauto. …. plaatste de patrouilleauto links voor de vluchtauto. Ik was hierna direct uitgestapt. Ik benaderde de auto schuin aan de linker zijde. Terwijl ik de auto benaderde en dichtbij de auto kwam zag ik iemand op de achterbank zitten. Ik bleef hierna bij de auto staan op een wijze dat ik de drie inzittenden steeds kon blijven zien. De bestuurder van de vluchtauto gaf gas. De vluchtauto reed hard weg. Ik heb op de auto geschoten nadat deze hard was weggereden. Ik heb enkele keren geschoten.





3Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte A. d.d. 7 juli 2022:
Ik heb op de achterruit van de vluchtauto geschoten en gericht.. Ik loste enkele schoten op de vluchtauto.




4Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 mei 2022:


Op 27 september 2021 bestuurde ik een patrouilleauto. Op een gegeven moment gaf de CMK een algemeen bericht door dat drie personen de Kong Long Minimarket aan het overvallen waren. Kort hierna gaf de CMK door dat de verdachten in een vluchtauto waren vertrokken. Op een gegeven moment zag ik de auto rechts van de weg staan. Toen ik uit de patrouillewagen stapte trok ik meteen mijn pistool. Ik richtte hiermee in de richting van de vluchtauto en liep in versnelde pas naar voren. Ik bevond mij al lopend in de richting van de vluchtauto op ongeveer zes meter, toen deze ging rijden. Ik heb gericht op de vluchtauto geschoten, op de achterzijde. Ik heb 2 – 3 keer gericht op de vluchtauto geschoten.





5Een proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 7 juni 2022:


Misschien heb ik toch meer dan vier keer, zeg maar zes keer, geschoten. Ik schoot op de inzittenden van de vluchtauto.








6Een proces-verbaal van verhoor van medeverdachte B. d.d. 23 mei 2022:


Op 27 september 2021 ontvingen wij via portofoon een algemeen bericht dat er een beroving gaande was bij de minimarket Kong Long te Dr. Maalweg en dat de drie overvallers gewapend waren. Wij begaven ons meteen in de opgegeven richting van de vluchtauto. Op een gegeven moment tijdens de achtervolging van de vluchtauto op de Kaminda Duvert Boy Nicolina zag ik de vluchtauto aan de rechterzijde van de weg stoppen. De politieauto stopte ook ter hoogte van de vluchtauto schuin op de weg. Ik zag dat …. en …. de vluchtauto met getrokken en gericht vuurwapen benaderde. Ik stopte de door mij bestuurde patrouilleauto op een afstand van ongeveer twee a drie meter vanaf de vluchtauto. Ik liep met getrokken en gericht dienstvuurwapen in de richting van de vluchtauto. Ik vuurde vier of vijf schoten met mijn dienstvuurwapen op de vluchtauto af. Ik heb op de achterklep geschoten. Ik was vrij dicht bij de vluchtauto.


7. Een proces-verbaal van analyse processen verbaal vuurwapengebruik d.d. 22 april 2022:









Vuurwapen




Plaats delict Kaminda Duvert Boy Nicolina





Held


5 hulzen




Sprockel


1 huls




Bonevacia


3 hulzen




Schoop


4 hulzen





Totaal




13 hulzen









Uit de conclusie van dit proces-verbaal blijkt onder andere:
 dat er ongeveer 13 x is geschoten.
 dat het onderhavige voertuig tenminste acht (8) keren door afgevuurde kogels werd geraakt.





8Het proces-verbaal van schotsporenonderzoek d.d. 19 oktober 2020:


Door ons, verbalisanten, werd een schotsporenonderzoek verricht aan de Toyota met kentekennummer [xx-xx-xx].



Kogelperforatie 1: schotbeschadiging aan het linker achterlicht. De kogel perforeerde de linker achterlicht kap en sloeg tegen de verticale linker kofferbak deurpaneel, waarvan de kogel in de carrosserie verdwijnt.



Kogelperforatie 2: schotbeschadiging nagenoeg links midden aan de kofferbak. De kogel perforeerde (inschot) de buitenkant van de kofferbak, vervolgens de binnenzijde bekleding van de kofferbak, vervolgens de achterzijde van de linker
achter rugleuning (uitschot) en ging uit de voorzijde van de linker achter rugleuning.



Kogelperforatie 2A: de afgevuurde kogel ging dwars door de achterruit. De kogel heeft daarna de linker midden zitbank hoofdleuning en vervolgens het dashboard geperforeerd.



Kogelperforatie 3: schotbeschadiging aan de kofferbak. De kogel perforeerde de kofferbak en ging dwars door de rechter hoofdleuning van de midden zitplaats heen en vervolgens door de bovenrand van de bestuurder rugleuning.



Kogelperforatie 4: schotbeschadiging aan de kofferbak. De kogel perforeerde (inschot) de buitenkant van de kofferbak, vervolgens de binnenzijde bekleding van de kofferbak.



Kogelperforatie 5: schotbeschadiging aan de binnenzijde van het rechter achter spatscherm. De afgevuurde kogel penetreerde het spatscherm en verdween in de carrosserie.



Kogelperforatie 6: schotbeschadiging aan de rechterflank van de achterbumper. Betrof een in- en uitschotbeschadiging.



Kogelperforatie 7: kogelperforatie aan de achterzijde aan de binnenzijde van het rechter achter spatscherm. De afgevuurde kogel penetreerde het onderhavige spatscherm en verdween in de carrosserie.














9. De politie heeft camerabeelden verkregen die zijn opgenomen op 27 september 2021. Het Hof heeft ter terechtzitting op die beelden het volgende waargenomen:



De verdachten rennen schietend achter de wegrijdende vluchtauto aan.





10Een proces-verbaal van verhoor van getuige Y d.d. 15 november 2021:


Het klopt dat Z, X en ik in de witte Toyota met kenteken [xx-xx-xx] vluchtten. Ik was de bestuurder, Z was de bijrijder en X zat op de achterbank.





11Een geschrift, te weten een autopsierapport van X d.d. 29 september 2021:



Essential anatomic findings

1. Perforation of the left thoracic cavity.
2. Perforation of the pericardium and the left ventricle of the heart with resulting pericardial tamponade (300 ml).
3. Perforation of the upper lobe of the left lung.
4. Hemato-pneumothorax with a collapsed left lung and 1700 ml of blood inside the left thoracic cavity.
5. Fractures of the 3. rib (on the back) and the 4. rib on the front, caused by the gunshot.
6. General traumatic anemia.
7. Otherwise, age-appropriate organ findings without death-causing, visible anomalies.




Cause of death

Pericardial tamponade in combination with hemato-pneumothorax, caused by a gunshot.




Bewijsoverwegingen





Opzet

Evenals het Gerecht is het Hof van oordeel dat het niet de bedoeling van de verdachte was om iemand van het leven te beroven, maar om de auto tot stilstand te brengen en de overvallers aan te houden. De verdachte heeft echter verklaard dat hij van korte afstand gericht heeft geschoten op de achterzijde van een wegrijdende auto, waarin zich dicht bij elkaar drie personen bevonden. De verdachte was van dit feit op de hoogte, gelet op een vooraf ontvangen omschrijving van de centrale meldkamer. Deze wijze van handelen roept naar algemene ervaringsregels een aanmerkelijke kans in het leven dat een persoon die zich in die auto bevindt door een kogel wordt geraakt en als gevolg daarvan komt te overlijden. Eenieder, en zeker een ervaren verbalisant, dient zich bewust te zijn van dit risico. Door desondanks zijn vuurwapen gericht en op de beschreven wijze te gebruiken, heeft de verdachte de aanmerkelijke kans op het overlijden van de inzittenden van de auto bewust aanvaard, zodat sprake is van voorwaardelijke opzet op levensberoving.




Medeplegen

Het Hof komt – ook net als het Gerecht - tot het oordeel dat er bij de ten laste gelegde feiten sprake is van medeplegen. Het Hof stelt vast dat de verdachte en zijn medeverdachten weliswaar ieder voor zich, maar vrijwel gelijktijdig en/of kort na elkaar, meermalen hebben geschoten op een wegrijdende auto. Zij handelden – naar eigen zeggen – bewust ter verwezenlijking van een gemeenschappelijk doel, te weten het stoppen van de vluchtauto en het aanhouden van de inzittenden. Dat er door de snelle opeenvolging van de gebeurtenissen geen sprake was van overleg doet aan de samenwerking niet af. Niet is vereist dat sprake is van voorafgaand overleg of voorbereiding. De verdachte was zich ervan bewust dat hij niet alleen handelde en hij moet zich er gezien de gebezigde bewijsmiddelen eveneens van bewust zijn geweest dat niet alleen hij, maar ook de medeverdachten meermalen op de wegrijdende auto schoten. Daarbij acht het Hof het voorts van belang dat zij alle drie – ieder voor zich en ook gezamenlijk – hetzelfde geweldsmiddel hebben gebruikt in dezelfde situatie namelijk het schieten op een wegrijdende auto terwijl zij zelf achter de auto aan rennen. Door aldus te handelen, hebben de verdachte en diens medeverdachten, ieder voor zich, maar ook gezamenlijk, een rol gespeeld die van voldoende gewicht is om van medeplegen te kunnen spreken. Hun handelingen hebben elkaar ondersteund en versterkt. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld wie van de agenten het dodelijke schot heeft gelost, is daarmee niet meer van belang.




Conclusie

Gelet op het voorgaande acht het Hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, samen met anderen, het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde heeft begaan.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde




Vervolgens staat het Hof voor de vraag of er sprake is van feiten en/of omstandigheden waardoor het plegen van voornoemde strafbare feiten niet strafbaar is of niet aan de verdachte kan worden verweten.




Relevante feiten en omstandigheden


1. Op 27 september 2021 om 18:45 uur ontvangen meerdere agenten, waaronder de verdachte en medeverdachten, een melding van een gewapende overval door drie mannen met vuurwapens en dat de overvallers op de vlucht zijn geslagen in een auto met kenteken [xx-xx-xx].

2. De verdachte en de medeverdachten zetten kort daarna de achtervolging in met het gebruik van optische- en geluidssignalen.

3. Ongeveer 10 minuten later wordt de vluchtauto door ten minste drie patrouilleauto’s tot stoppen gebracht in de berm voor huisnummer 642A aan de Kaminda Duvert "Boy" Nicolina. De patrouilleauto’s staan achter en naast de vluchtauto, maar sluiten deze niet volledig in.

4. De verdachte en medeverdachten stappen uit en lopen met getrokken vuurwapens in de richting van de vluchtauto. Kort voordat zij deze bereiken, geeft de bestuurder van de vluchtauto gas en rijdt weg.

5. De verdachte en medeverdachten schieten zeer kort opeenvolgend van korte afstand meerdere malen (in totaal ongeveer 13 keer) gericht op de achterzijde van de vluchtauto, met als doel deze tot stilstand te brengen. Dit mislukt, waarna de achtervolging wordt voortgezet.

6. Tijdens deze tweede achtervolging veroorzaakt de vluchtauto gevaar op de weg en botst hij tegen voertuigen aan.

7. Uiteindelijk verongelukt de vluchtauto ter hoogte van pompstation Hoenderberg en komt aldaar tot stilstand.

8. De auto blijkt door acht kogels te zijn geraakt. Door forensisch onderzoek komt vast te staan dat deze kogels afkomstig zijn uit de dienstwapens van de verdachte en medeverdachten A. en B.

9. Eén van de kogels heeft het lichaam van X van achteren doorboord, met diens dood tot gevolg.

10. De twee andere overvallers, Y en Z, blijven ongedeerd en worden aangehouden.



Standpunten

De verdediging heeft bepleit dat de verdachte heeft gehandeld in de rechtmatige uitoefening van zijn ambt. Het Hof begrijpt dat hiermee een beroep wordt gedaan op een rechtvaardigingsgrond ex artikel ex artikel 1:114 Sr. Een geslaagd beroep op deze rechtvaardigingsgrond dient te leiden tot het oordeel dat de (poging tot) doodslag, hoewel bewezen verklaard, niet strafbaar is en de verdachte ontslagen wordt van alle rechtsvervolging.



De procureur-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat dit verweer niet slaagt. Hoewel de verdachte op basis van de ambtsinstructie gebruik mocht maken van zijn vuurwapen ter aanhouding, kan de wijze waarop de verdachte dat gedaan heeft in dit geval niet als subsidiair en proportioneel worden aangemerkt.




Inleidende overweging

Het Hof stelt voorop dat het vervolgen van een agent voor het gebruik van een vuurwapen in de uitoefening van het werk een gevoelige zaak is. Agenten moeten onder moeilijke en gevaarlijke omstandigheden hun werk doen om de samenleving
te beschermen. Waar een ander bij gevaarlijke situaties kan terugtreden, wordt van een agent juist verwacht – door de samenleving én door zijn collega’s – dat hij
actie onderneemt.




Dat geldt met name bij misdrijven die gevaar opleveren voor burgers en daardoor een grote impact hebben op de samenleving, zoals gewapende overvallen. De bestrijding hiervan vormt een belangrijke taak van de politie. Daarbij is vaak sprake van een snelle opeenvolging van niet altijd eenvoudig te duiden gebeurtenissen.



Waar sprake is van vuurwapens, en zeker in een stressvolle situatie als een achtervolging of een aanhouding, kunnen immers gewonden of zelfs doden vallen. Dat de politie hierbij zelf ook een risico loopt is evident en dit maakt het kiezen van de juiste en passende reactie een moeilijke taak.



Daartegenover staat dat van agenten gevergd mag worden dat zij hun geweldsmonopolie met de grootst mogelijke zorgvuldigheid inzetten. Vooral het gebruikmaken van het dienstwapen moet steeds als laatste optie worden gekozen. De keerzijde van het recht (en soms de plicht) van agenten om bij het uitoefenen van hun taken geweld te gebruiken, is dat burgers tegen een onrechtmatige toepassing ervan moeten worden beschermd. Het is aan het Hof om deze belangen tegen elkaar af te wegen. Gelet op de omstandigheid dat het in dit geval gaat om beoordeling van geweldshandelingen van (politie)agenten in functie, zal het Hof de geweldshandelingen van de verdachte en diens medeverdachten met terughoudendheid toetsen.




Oordeel van het Hof




Het Hof stelt vast dat de verdachte op grond van artikel 12 van de Ambtsinstructie in beginsel bevoegd was om zijn vuurwapen te gebruiken. Dit artikel bepaalt immers – zakelijk weergegeven – dat gebruik van een vuurwapen door verbalisanten is geoorloofd om een verdachte aan te houden van wie redelijkerwijs mag worden aangenomen dat hij een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd vuurwapen bij zich heeft en/of zich aan aanhouding probeert te onttrekken. Onder het gebruiken van een vuurwapen moet worden verstaan: het richten, het gericht houden en ook het daadwerkelijk afvuren van kogels uit een vuurwapen. Wel moet sprake zijn van een verdenking van een ernstig feit. In dit geval was aan al deze voorwaarden voldaan.



De enkele omstandigheid dat de verdachte in beginsel volgens de Ambtsinstructie bevoegd was tot het gebruik van zijn vuurwapen, brengt evenwel niet zonder meer mee dat hem een succesvol beroep op de rechtvaardigingsgrond van artikel 1:114 lid 1 sub c Sr toekomt. Een succesvol beroep op die bepaling is immers slechts mogelijk als gebruik van het vuurwapen niet alleen geoorloofd was, maar ook is gehandeld overeenkomstig de in artikel 13 lid 1 en 6 van de Rijkswet Politie tot uitdrukking gebrachte beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl. Hoge Raad 6 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1488). Dit betekent dat het gebruik van het vuurwapen slechts gerechtvaardigd wordt geacht indien het daarmee beoogde doel niet op een andere, minder ingrijpende wijze kon worden bereikt (subsidiariteit), terwijl dit gebruik bovendien in verhouding tot het beoogde doel redelijk en gematigd dient te zijn (proportionaliteit). Deze begrenzing is ook neergelegd in artikel 9 lid 2 van de Ambtsinstructie.



Bij de beoordeling of het handelen van de verdachte binnen deze grenzen blijft, overweegt het Hof als volgt.




Proportionaliteit

Ten aanzien van de proportionaliteit komt het Hof tot een ander oordeel dan het Gerecht. Het Hof overweegt dat het schieten op een wegrijdende auto waarin zich personen bevinden zeer risicovol is en een aanmerkelijke kans op dodelijk letsel meebrengt. Indien in een dergelijke risicovolle situatie een vuurwapen moet worden gebruikt, dient dit in een redelijke verhouding te staan tot het beoogde doel. Dat doel was het tot stilstand brengen van de vluchtauto zodat de inzittenden konden worden aangehouden. Daartoe hadden enkele gerichte schoten op het onderste gedeelte en/of de banden van de auto kunnen volstaan.



In plaats daarvan is kort achter elkaar, door de verdachte en zijn medeverdachten, een groot aantal schoten gelost, waarbij de auto ten minste achtmaal is geraakt en de schutters hun vuurwapens hebben gericht op het midden- en bovengedeelte van de auto, zoals blijkt uit het technisch onderzoek en ook door verdachten zelf is verklaard. Uit de bewijsmiddelen blijkt immers dat meerdere kogels via de kofferbak en de achterruit de auto zijn binnengedrongen en vervolgens dwars door het interieur zijn gegaan, terwijl zich daarin meerdere personen bevonden. Daarmee was, ook al was het vol opzet van de schutters daarop niet gericht, feitelijk eerder sprake van vuurwapengebruik tegen personen dan van vuurwapengebruik om de auto tot stilstand te brengen. Onder deze omstandigheden stond het vuurwapengebruik niet in een redelijke verhouding tot het beoogde doel. Voor het daadwerkelijk schieten in de richting van een aan te houden persoon mag slechts worden gekozen indien sprake is van een concrete en acute noodsituatie, en daarvan was in dit geval geen sprake, hetgeen ook door de verdachte is erkend.




Conclusie

Het Hof is, alles afwegende, van oordeel dat de verdachte (en zijn medeverdachten) bij het toepassen van geweld, in dit geval het meermalen gericht op een auto schieten met een vuurwapen zoals beschreven, niet heeft (hebben) gehandeld ter uitvoering van een wettelijk voorschrift of volgens algemeen aanvaarde regels van beroepsuitoefening. Het op zich geoorloofde vuurwapengebruik is niet geschied met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit, zodat het beroep op een rechtvaardigingsgrond ex artikel 1:114 Sr reeds daarom niet slaagt. De vraag of met het handelen van verdachte en zijn medeverdachten is voldaan aan het beginsel van subsidiariteit behoeft om die reden geen nadere bespreking. Het bewezenverklaarde is strafbaar.










Strafbaarheid van de verdachte




De raadsman heeft bepleit dat de verdachte door omstandigheden buiten zijn invloedssfeer in een situatie is terecht gekomen waarin hij niet beter kon handelen dan hij heeft gedaan. Als reden hiervoor stelt hij dat KPC niet heeft voldaan aan de verplichting om aan de verdachte de wettelijk verplichte opleiding en training te geven die hij nodig had om onder alle omstandigheden adequaat te kunnen reageren. Nu dit gebrek aan training niet het gevolg was van onwil of nalatigheid van de verdachte, kan aan de verdachte persoonlijk geen strafrechtelijk verwijt worden gemaakt, aldus de raadsman.



Het Hof is, evenals de raadsman, van oordeel dat de leiding van het politiekorps zijn zorgplicht niet overeenkomstig de relevante wet- en regelgeving heeft vervuld. Uit de verklaringen van de verdachte, de ter zitting gehoorde getuigen en uit het dossier blijkt dat de verdachte, evenals andere verbalisanten, niet in staat is gesteld te voldoen aan het vereiste aantal verplichte trainingsuren. Op grond van artikel 7.2, vierde lid, van de onderlinge regeling kwaliteitscriteria en opleidings- en trainingsvereisten van de politie van Curaçao, van Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba had de korpsbeheerder onder die omstandigheden het vuurwapen van de verdachte moeten innemen en diens werkzaamheden dienovereenkomstig moeten aanpassen.



Dat het politiekorps hierin is tekortgeschoten, neemt echter niet weg dat ook op de verdachte zelf de plicht en verantwoordelijkheid rusten zich voortdurend te bekwamen in de kennis van zijn plichten, bevoegdheden en alle overige aspecten van zijn taakuitoefening. Deze verplichting is uitdrukkelijk neergelegd in artikel 6 van de Ambtsinstructie. Daarbij weegt het Hof mee dat de verdachte reeds vele jaren als (politie)ambtenaar werkzaam is. Ook indien hij buiten zijn schuld niet regelmatig op zijn vaardigheden is geëvalueerd, mocht van hem worden verwacht dat hij zijn werkzaamheden naar behoren verrichtte of, indien hij zich daartoe niet langer in staat achtte, daarvoor verantwoordelijkheid nam door dit kenbaar te maken en daar (ook) zelf gevolgen aan te verbinden. De verdachte heeft overigens verklaard dat, achteraf bezien, zij (het Hof begrijpt: hijzelf en zijn medeverdachten) minder hadden moeten schieten. Daaruit leidt het Hof af dat hij zich ervan bewust was dat het (volgens de regels) ook anders had gekund en gemoeten. Van afwezigheid van alle schuld is derhalve geen sprake.
Het verweer wordt verworpen.












Kwalificatie van het bewezenverklaarde




Het onder 1 primair bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 2:259 jo. 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:




medeplegen van doodslag.




Het onder 2 primair bewezenverklaarde is voorzien en strafbaar gesteld bij artikel 2:259 jo 1:119 en 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:




medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.





Oplegging van straf




Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van wat bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder dat is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.



Het Hof heeft ten aanzien van de verdachte twee zeer ernstige feiten bewezen verklaard. De verdachte heeft, samen met zijn medeverdachten, gericht geschoten op een wegrijdende auto, waarbij één van de inzittenden, een jonge man, dodelijk is geraakt. Daarmee is hem het meest kostbare wat hij had, het recht op leven, ontnomen en is aan de nabestaanden onherstelbaar leed toegebracht, hetgeen zij op invoelbare wijze ter zitting over hebben gebracht. Dat de andere twee inzittenden niet zijn geraakt, is een gelukkige omstandigheid die ook anders had kunnen uitpakken. Naast het onherstelbaar leed van de nabestaanden door het verlies van hun zoon en kleinzoon, begrijpt het Hof dat er bij de nabestaanden sprake is van onbegrip en ongeloof over het verloop van het politieonderzoek, hetgeen het vertrouwen en het geloof in de politie heeft aangetast.



Gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, kan naar het oordeel van het Hof geen aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg is opgenomen. Voor (poging tot) doodslag worden in de regel zeer zware vrijheidsbenemende straffen opgelegd. Het Hof vindt dat in dit geval niet passend. De verdachte en zijn medeverdachten waren in beginsel bevoegd tot het gebruik van hun vuurwapens. De wijze waarop de vuurwapens zijn gebruikt en de intensiteit daarvan zijn door het Hof evenwel ontoelaatbaar geacht. De verdachte is hiermee in de uitoefening van zijn politietaak te ver gegaan met grote gevolgen van dien, immers is een jongeman om het leven gekomen.




Het Hof weegt in zijn oordeel mee dat verbalisanten keuzes in de uitoefening van de politietaak vaak in een fractie van een seconde en – zoals eerder overwogen – onder stressvolle en gevaarlijke omstandigheden moeten maken.



Juist om die reden is het van het grootste belang dat verbalisanten regelmatig en op de juiste wijze worden getraind in het nemen van deze beslissingen ten aanzien van wat wel en niet mag in de uitoefening van politietaken, met name wanneer daarbij wordt overgegaan tot geweld, al dan niet met gebruikmaking van het dienstvuurwapen. Door de verdachte en zijn raadsman is naar voren gebracht dat het aan deze regelmatige training ten enenmale ontbrak. Dit is ter terechtzitting door ter zake gehoorde getuigen bevestigd. In artikel 6 van de Ambtsinstructie is de eigen verantwoordelijkheid van de (politie)ambtenaar neergelegd om zich, zoals iedere professional, voortdurend te bekwamen in de kennis van zijn plichten, bevoegdheden en alle andere zaken met betrekking tot zijn taken. Bij het bewaken van de kwaliteit en inzetbaarheid van goed getrainde verbalisanten is voor (de leiding van) het Politiekorps echter een belangrijke taak weggelegd. Dit orgaan is er immers (ook volgens de wet) voor verantwoordelijk dat zijn werknemers (en de samenleving) worden beschermd, door verbalisanten optimaal te begeleiden, faciliteren en te controleren bij het op peil houden van hun vaardigheden.



Het Hof stelt vast dat het Politiekorps – welke omstandigheden hier ook aan ten grondslag hebben gelegen – in ieder geval in de periode voorafgaand aan het onderhavige incident in deze taak ernstig tekort is geschoten. Het ontbreken van de mogelijkheid om zijn vaardigheden te onderhouden ontslaat de verdachte, die beschikt over de basisopleiding en de ervaring om als verbalisant op te treden, niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om in de uitoefening van zijn taak de juiste afwegingen te maken. Het Hof houdt in het voordeel van de verdachte wel rekening met de omstandigheid dat hem onvoldoende gelegenheid is geboden om het vuurwapengebruik voldoende te trainen en op peil te houden. Bovendien houdt het Hof rekening met het feit dat de verdachte een goede staat van dienst heeft bij de politie en niet eerder met justitie in aanraking is gekomen. Al deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het Hof een sterk gematigde strafoplegging.



Ten overvloede overweegt het Hof dat tijdens de behandeling van deze strafzaak eens te meer duidelijk is geworden hoe groot het belang is van een goede en regelmatige training van het politiekorps, met name in het gebruik van (vuurwapen)geweld. Indien dit niet goed geregeld is, komt de veiligheid van burgers en die van verbalisanten in gevaar. Het Politiekorps heeft aangegeven inmiddels maatregelen te hebben getroffen om verbetering aan te brengen in deze situatie en het Hof beveelt aan dat deze zo spoedig mogelijk in werking worden gesteld.



Alles afwegend acht het Hof na te melden straf passend en geboden waarbij ook acht is geslagen op het tijdsverloop.





Schadevergoeding




De moeder van het slachtoffer [naam], en de opa van het slachtoffer [naam], hebben zich in eerste aanleg als benadeelde partijen in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Bij vonnis waarvan beroep zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen. De benadeelde partijen hebben zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vorderingen.



Nu het Hof, anders dan het Gerecht, in hoger beroep tot een bewezen- en strafbaarverklaring heeft geoordeeld, dient het Hof ook een oordeel uit te spreken over de door de nabestaanden ingediende vorderingen als benadeelde partij.



De vordering van [naam], bedraagt Xcg 11.054,30 aan materiële schade in verband met de begrafenis, en Xcg 10.000,00 aan immateriële schade. De vordering van [naam], bedraagt Xcg 10.000,00 aan immateriële schade.



De verdediging heeft het materiële deel van de vordering niet betwist.



Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [naam], als gevolg van verdachtes bewezenverklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van Xcg 11.054,30 aan materiele schade in verband met de begrafenis, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 september 2021. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.



Het Hof heeft begrip voor het feit dat de nabestaanden van X met hun vordering tot vergoeding van immateriële schade op enige wijze genoegdoening zoeken voor het verlies van hun nog jonge zoon en kleinzoon. Ter terechtzitting is duidelijk gebleken hoe ingrijpend hun leven sinds het overlijden van X is veranderd en hoe groot en schrijnend hun verdriet is. De wet kent echter slechts in een zeer beperkt aantal gevallen aanspraak op vergoeding van immateriële schade van nabestaanden, namelijk in gevallen van schokschade. In deze zaak is naar het oordeel van het Hof niet voldaan aan de wettelijke voorwaarden voor toekenning van een dergelijke schadevergoeding.



De vordering van [naam], zal daarom worden afgewezen voor zover deze betrekking heeft op vergoeding van immateriële schade. De vordering van [naam], zal in haar geheel worden afgewezen.



Het Hof ziet aanleiding de schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.



Het Hof zal de verdachte ook veroordelen in de proceskosten van de benadeelde partij voor zover die betrekking hebben op de vordering. Deze kosten dienen te worden begroot op nihil.




Toepasselijke wettelijke voorschriften




De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:45, 1:46, 1:64, 1:65, 1:66 en 1:136, zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.





BESLISSING




Het Hof:



vernietigt het vonnis van 11 oktober 2024 van het Gerecht en doet opnieuw recht;



verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan;



verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;



kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;



verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;



veroordeelt de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis;



bepaalt dat deze straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Hof later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt.



legt aan de verdachte op de ontzetting uit het recht om een ambt te bekleden bij het KPC dan wel in enige andere functie als opsporingsambtenaar, voor de duur van 2 (twee) jaren;



bepaalt dat deze ontzetting niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij het Hof of Gerecht later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;



wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam], toe voor zover het betreft een bedrag van Xcg 11.054,30 (elfduizend en vierenvijftig gulden en dertig cent) aan materiele schade in verband met de begrafenis, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 september 2021 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte, die hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;





wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam],
af voor zover het betreft een bedrag van Xcg 10.000,00 (tienduizend gulden) aan immateriële schade;



wijst de vordering van [naam], tot een bedrag van Xcg 10.000,00 aan immateriële schade af;



veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam],
gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;



legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [naam], de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Xcg 11.054,30 (elfduizend en vierenvijftig gulden en dertig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 90 (negentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 september 2021 tot aan de dag van de voldoening;



bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;



bepaalt dat indien en voor zover (één van) de mededader(s) van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald aan de benadeelde partij of het Land, de verdachte in zoverre is bevrijd van voormelde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan het Land.






Dit vonnis is gewezen door mrs. E.M.J. Brink, F.V.L.M. Wannyn en J.A.W. van ’t Westeinde, leden van het Hof, bijgestaan door mr. B.G. Scheepbouwer, (zittings)griffier, en vervolgens op 16 juli 2026 uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.















































Mr. F.V.L.M. Wannyn is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.









Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van de Landsrecherche d.d. 15 december 2023, geregistreerd onder zaaksnummer xx, XXX.


P. 345.


P. 346.


P. 75.


P. 76.


P. 116.


P. 117.


P. 131.


P. 132.


P. 134.


P. 143 en 144.


P. 184.


P. 185.


P. 186/187.


P. 187.


P. 440.


P. 442.


P. 492.


P. 493.


P. 494.


P. 495.


Eigen waarneming van het Hof (ter terechtzitting van 5 februari 2026, zoals af te leiden uit het proces-verbaal van die terechtzitting).


P. 634.


P. 458.


P. 94


P. 170