Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:217

2026-07-28 Civiel recht CUR2025H00048
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
CUR2025H00048
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Curaçao. Perceelsgrens in woonwijk. Verjaring. Het Hof beveelt een descente.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (15.780 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: CUR202400138 – CUR2025H00048
Uitspraak: 28 juli 2026




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba




V O N N I S



in de zaak van:




[APPELLANT],

wonende in Curaçao,
in eerste aanleg gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
thans appellant,
gemachtigden: mrs. I.F. Moeniralam en R.S.M. Moeniralam,



tegen




[GEÏNTIMEERDE],

wonende in Curaçao,
in eerste aanleg eiser in conventie, verweerder in reconventie,
thans geïntimeerde,
gemachtigde: mr. B.L. Lie Atjam.



Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.






1De zaak in het kort


Dit geding betreft een geschil over de grens tussen twee percelen in een woonwijk. Tussen de kadastrale erfgrens en een muur van betonblokken ligt een strook grond. In geschil is of deze strook grond door verjaring in eigendom is overgegaan van de eigenaar van het ene perceel op de eigenaar van het andere perceel.
Het Gerecht heeft die vraag bevestigend beantwoord.
In dit hoger beroep geeft het Hof oordelen die uitmonden in het voornemen om een aantal bewijsopdrachten te verstrekken aan de partij die zich beroept op verkrijging door verjaring. Eerst beveelt het Hof echter een descente, vooral om te bezien of het geschil kan worden opgelost met een minnelijke regeling.






2Het verloop van de procedure


2.1
Bij op 28 februari 2025 ingekomen akte van appel is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen en op 20 januari 2025 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht).



2.2
Bij op 11 april 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] dertien grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zal afwijzen en die van [appellant] zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten in beide instanties.



2.3
Bij op 3 juni 2025 ingekomen memorie van antwoord, met producties, heeft [geïntimeerde] de grieven bestreden. Zijn conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van [appellant], uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep, met rente.



2.4
Op 28 oktober 2025 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.



2.5
Vonnis is nader bepaald op vandaag.






3De beoordeling


3.1
Gelet op het overgelegde bewijs van onvermogen zal het Hof [appellant] toelating verlenen om in hoger beroep kosteloos te procederen.



Feiten





3.2
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.


3.2.1
Dit geding betreft een geschil over de grens tussen perceel [A] aan de [adres A] (hierna: perceel [geïntimeerde]) en perceel [B] aan de [adres B] (hierna: perceel [appellant]). Op perceel [appellant] ligt aan de kadastrale erfgrens met perceel [geïntimeerde] een smalle strook grond (hierna: de betwiste strook). In geschil is of [geïntimeerde] (of zijn rechtsvoorganger) de betwiste strook door verjaring in eigendom heeft verkregen. De betwiste strook is met pijlen aangeduid op de hieronder afgedrukte kaart. De stippellijn geeft de kadastrale erfgrens weer; de geblokte lijn geeft een muur weer:


[kaart]




3.2.2
De muur die op de hiervoor afgedrukte kaart is weergegeven met een geblokte lijn, is gemaakt van betonblokken (hierna: de scheidsmuur).



3.2.3 [
[appellant] heeft perceel [appellant] in 1972/1973 gekocht. Sinds 27 februari 1973 staat hij in het kadaster ingeschreven als eigenaar van het perceel.



3.2.4 [
[geïntimeerde] staat sinds oktober 2014 in het kadaster ingeschreven als eigenaar van perceel [geïntimeerde].



Vorderingen






3.3
In dit geding heeft [geïntimeerde] gevorderd, verkort weergegeven:
a. primair: verklaring voor recht dat [geïntimeerde] de betwiste strook door verjaring heeft verkregen,
b. bepaling dat het vonnis zal worden ingeschreven in het kadaster;
c. subsidiair: beslissing zoals de rechter in soortgelijke zaken heeft beslist, althans zoals de rechter meent dat behoort te worden beslist.



3.4 [
[appellant] heeft in reconventie gevorderd, verkort weergegeven:
d. verklaring voor recht dat [appellant] de scheidsmuur door natrekking heeft verkregen;
e. bevel aan [geïntimeerde] om de scheidsmuur te verwijderen en de kosten ervan te vergoeden, versterkt met dwangsommen.



Beslissingen van het Gerecht





3.5
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht vordering a toegewezen en de overige vorderingen afgewezen. Het Gerecht heeft overwogen dat de grootvader van [geïntimeerde] omstreeks 1981 en [geïntimeerde] zelf later het bezit van de betwiste strook heeft verkregen en dat de rechtsvordering van [appellant] tot beëindiging van dat bezit is verjaard.



Beoordeling door het Hof





3.6
Grief 10 faalt. De vordering is voldoende bepaald, zoals het Gerecht terecht onder 4.4 heeft overwogen.



3.7
Grief 4 faalt. Op de rolzitting van het Gerecht van 17 juni 2024 heeft [geïntimeerde] producties in het geding gebracht. Het Gerecht heeft dat toegelaten en heeft [appellant] in de gelegenheid gesteld zich bij akte daarover uit te laten. [appellant] heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt bij akte van 30 september 2024. Het Hof zal acht slaan op deze producties. In hoger beroep is niet meer van belang of de producties eerder of op een andere wijze in het geding hadden kunnen of moeten worden gebracht.



3.8
Grief 1 faalt. Het Hof verwijst naar de volgende producties:

a. advocatenbrief van 17 december 2013 (productie 1 van [geïntimeerde] op de rol van 17 juni 2024);
b. notarisbrief van 13 januari 2014 (toegezonden door [geïntimeerde] bij e-mail van 12 november 2024 en overgelegd als productie 2 bij memorie van antwoord);
c. gegevens uit het register van Publieke Zaken van 16 januari 2014 (toegezonden door [geïntimeerde] bij e-mail van 12 november 2024);
d. notariële akte van 14 oktober 2014 (overgelegd door [geïntimeerde] op de zitting van 25 november 2024 en als productie 4 bij memorie van antwoord);
e. gegevens uit het kadaster, geraadpleegd op 16 januari 2024 (productie 4 bij inleidend verzoekschrift).


Uit deze producties, in samenhang beschouwd, blijkt het volgende. In 1957/1958 heeft [grootvader], grootvader van [geïntimeerde] (hierna: [grootvader]) perceel [geïntimeerde] gekocht. Op 31 augustus 2003 is [grootvader] overleden. Ten tijde van zijn overlijden was het perceel nog altijd niet aan hem geleverd. Bij akte van 30 september 2014, ingeschreven op 2 oktober 2014, is perceel [geïntimeerde] geleverd aan de gezamenlijke erfgenamen van [grootvader]. [geïntimeerde] is een van die erfgenamen en kreeg zijn aandeel toen geleverd. Hij heeft de aandelen van de andere erfgenamen gekocht en op 21 oktober 2014 geleverd gekregen.
Deze feiten zijn voldoende om in dit geding aan te nemen dat [geïntimeerde] perceel [geïntimeerde] in eigendom heeft.




3.9 [
[geïntimeerde] heeft in zijn inleidende verzoekschrift gesteld dat zijn familie de betwiste strook vóór 1983 in bezit heeft genomen door het plaatsen van harmonicagaas. Het enkele plaatsen van harmonicagaas is echter onvoldoende voor inbezitneming, gelet op de strenge eisen die worden gesteld voor het kunnen aannemen van bezit van grond die men niet in eigendom heeft.



3.10 [
[geïntimeerde] heeft in zijn inleidende verzoekschrift gesteld dat zijn familie in 1983 de scheidsmuur van betonblokken heeft geplaatst. Bij e-mail van 12 november 2024 heeft hij schriftelijke getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] toegezonden. Beiden verklaren dat [oom], oom van [geïntimeerde] (hierna: [oom]), de muur 22 jaar vóór het overlijden van [grootvader] heeft geplaatst. Het Gerecht heeft op grond van deze verklaringen aangenomen dat de muur in 1981 is geplaatst. Hiertegen zijn de grieven 3, 6 en 8 gericht, onder meer met de klacht dat [appellant] niet is toegelaten tot getuigenverhoor, hoewel hij daarom had verzocht.



3.11

Uit de beide schriftelijke verklaringen kan niet met voldoende zekerheid worden afgeleid dat de scheidsmuur in 1981 (dan wel in 1983) is geplaatst. Indien [oom] de scheidsmuur in die tijd heeft geplaatst, kan worden aangenomen dat hij dat namens of voor [grootvader] heeft gedaan. Niettemin kan niet met voldoende zekerheid worden vastgesteld dat [grootvader] ten tijde van het plaatsen van de muur de betwiste strook in bezit heeft genomen. Het is ook mogelijk dat de muur toen in overleg met [appellant] is geplaatst. De schriftelijke verklaring van [getuige 2] wijst daarop. Indien dat zo is, is het mogelijk dat [grootvader] de strook grond is gaan gebruiken op basis van een (stilzwijgende) overeenkomst met [appellant], met erkenning van diens eigendomsrechten. In dat geval heeft hij de strook grond niet in bezit genomen, maar in gebruik op basis van houderschap.
De bewijslast van de stelling dat de scheidsmuur in 1981 of 1983 is geplaatst en dat dit gedaan is zonder de eigendomsrechten van [appellant] op de betwiste strook te erkennen, rust op [geïntimeerde].




3.12
Van belang is dat [grootvader] in 1981 en 1983 perceel [geïntimeerde] niet in eigendom had. Het was immers niet aan hem geleverd. Dit kan ook eraan in de weg staan dat aangenomen wordt dat zijn gebruik van de betwiste grond gebaseerd was op bezit (vergelijk: advocaat-generaal Langemeijer, ECLI:NL:PHR:2000:AA4874 onder 2.8: degene aan wie de economische eigendom is overgedragen, houdt het goed (de juridische eigendom) niet voor zichzelf). Van belang kan zijn of [grootvader] wist of moest begrijpen dat perceel [geïntimeerde] niet aan hem was geleverd; het ligt voor de hand dat hij dat minimaal moest begrijpen.



3.13
Voor het geval dat zou moeten worden aangenomen dat de scheidsmuur in 1981 of 1983 is geplaatst en dat [grootvader] de betwiste strook daarmee in bezit heeft genomen, overweegt het Hof als volgt. [geïntimeerde] heeft onvoldoende gesteld om aan te nemen dat het bezit dan moet worden aangemerkt als bezit te goeder trouw. Zowel door raadpleging van het kadaster als uit overleg met [appellant] had [grootvader] kunnen en moeten weten dat hij de betwiste strook niet in eigendom had. Mogelijk wist hij het ook.



3.14
Naar het tot 1 januari 2001 geldende Burgerlijk Wetboek van de Nederlandse Antillen kon een bezitter te kwader trouw geen eigendom door verjaring verkrijgen. Naar het sindsdien geldende Burgerlijk Wetboek (eerst van de Nederlandse Antillen en daarna van Curaçao) kan dat wel (met uitgestelde werking in het jaar 2001). Indien een bezitter te kwader trouw eigendom verkrijgt door verjaring, kan hij blootstaan aan een vordering uit onrechtmatige daad. Die vordering kan ook verjaren (zie: HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:309 (Gemeente Heusden) en HR 20 januari 2023, ECLI:NL:HR:2023:62).



3.15
Naar aanleiding van de grieven 7 en 11 overweegt het Hof als volgt. Indien [grootvader] de betwiste strook door verjaring heeft verkregen, wil dat nog niet zeggen dat de betwiste strook grond aan [geïntimeerde] is overgedragen. De koopovereenkomst van 16 oktober 2014, gesloten tussen [geïntimeerde] als koper en de overige erfgenamen van [grootvader] als verkopers, vermeldt immers dat de koop en de levering zien op perceel II-A-4682 ter grootte van 419 vierkante meter. Dit is exclusief de betwiste strook.



3.16
Indien [grootvader] de betwiste strook door verjaring heeft verkregen, heeft [appellant] zijn eigendom ervan verloren. De reconventionele vorderingen van [appellant] kunnen dan niet worden toegewezen.



3.17
Het Hof wil onderzoeken of er een oplossing denkbaar is die verder procederen overbodig maakt. Onder 4.8 heeft het Gerecht overwogen dat [appellant] heeft verklaard wateroverlast te ervaren door een achtermuur die aan de scheidsmuur grenst. Het Hof denkt aan een oplossing waarbij de scheidsmuur blijft staan, maar er een technische voorziening gevonden wordt die de door [appellant] genoemde wateroverlast wegneemt. Het Hof zal een descente gelasten om dit te onderzoeken en om ook anderszins te onderzoeken of een minnelijke regeling van het geschil mogelijk is. De advocaten van partijen wordt verzocht hierover vooraf alvast na te denken en zo mogelijk een technisch deskundige naar de descente mee te brengen in wie beide partijen vertrouwen hebben (mogelijk op kosten van partijen gezamenlijk). Wellicht kan de inschakeling van een deskundige achterwege blijven indien partijen het erover eens zijn dat de wateroverlast kan worden weggenomen door dichtgemaakte openingen in de scheidsmuur of de achtermuur weer open te maken, [geïntimeerde] bereid is dat te doen en [appellant] bereid is daartegenover de aanwezigheid van de scheidsmuur te dulden.



3.18
Het Hof is vooralsnog voornemens om, indien er geen minnelijke regeling wordt bereikt, [geïntimeerde] op te dragen te bewijzen dat:
a. de scheidsmuur in 1981 of 1983 is geplaatst;
b. dit onder zodanige omstandigheden is gedaan dat hieruit inbezitneming van de betwiste strook kan worden afgeleid doordat [grootvader] de eigendomsrechten van [appellant] op de betwiste strook niet erkende;
c. [grootvader] niet wist en redelijkerwijs niet behoefde te begrijpen dat het door hem gekochte perceel niet aan hem was geleverd.
Verder wordt partijen in dat geval verzocht de akte van 30 september 2014 in het geding te brengen waarbij de erven perceel [geïntimeerde] hebben verkregen, zodat nader onderzocht kan worden wie het perceel aan hen heeft verkocht en hoe het perceel in die akte omschreven is.



3.19
Het Hof houdt ieder verder oordeel aan.



B E S L I S S I N G



Het Hof:



verleent [appellant] toelating om in hoger beroep kosteloos te procederen;



beveelt een descente bij de Welatinaweg 64 en 66 op




vrijdag 13 november 2026 om 9.30 uur;



houdt iedere verdere beslissing aan.




Dit vonnis is gewezen door mrs. E.P. van Unen G.C.C. Lewin en W.P.M. ter Berg, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.