Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:208

2026-07-28 Civiel recht SXM2025H00001
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-07-28
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
SXM2025H00001
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Sint Maarten. Opzegging krediet. Uitstaande schuld. Boeterente.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.017 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Zaaknummers: SXM202301161 – SXM2025H00001
Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba




V O N N I S




in de zaak van:


1. de rechtspersoon naar Frans recht


SAINT MARTIN BEST CHOICE SUPERMARKET SARL,

gevestigd in het Franse deel van Sint Maarten,

2. [APPELLANT 2],

wonende in het Franse deel van Sint Maarten,
in eerste aanleg gedaagden, thans appellanten,
gemachtigde: mr. B.B. Brooks,



tegen



de naamloze vennootschap

BANCO DI CARIBE N.V.,

met gekozen domicilie in Sint Maarten,
in eerste aanleg eiseres, thans geïntimeerde,
gemachtigden: mrs. A.C. van Hoof en S.M.A Gonzales.




Partijen worden hierna Best Choice, [appellant 2] en Banco di Caribe genoemd.
Best Choice en [appellant 2] worden gezamenlijk Best Choice c.s. genoemd.






1De zaak in het kort


Een bank heeft een krediet verstrekt. De kredietnemers zijn de betalingsverplichtingen niet nagekomen. De bank heeft het krediet opgezegd.
In dit geding vordert de bank betaling van de uitstaande schuld, inclusief boeterente. De kredietnemers hebben verweer gevoerd met een beroep op onder meer onbevoegdheid, verjaring, strijd met de openbare orde en de goede zeden en de redelijkheid en billijkheid.
Het Gerecht heeft de verweren verworpen en de vordering toegewezen.
Het Hof komt tot dezelfde uitkomst.
2. Het verloop van de procedure



2.1
Bij op 7 januari 2025 ingekomen akte van appel zijn Best Choice c.s. in hoger beroep gekomen van het tussen partijen (en drie medegedaagden) gewezen en op 26 november 2024 uitgesproken vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (hierna: het Gerecht).



2.2
Bij op 18 februari 2025 ingekomen memorie van grieven, met producties, hebben Best Choice c.s. vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd en toegelicht. Hun conclusie strekt ertoe dat het Hof het vonnis zal vernietigen en de vorderingen van Banco di Caribe alsnog zal afwijzen, met veroordeling van Banco di Caribe in de proceskosten in beide instanties.



2.3
Bij op 30 april 2025 ingekomen memorie van antwoord, met een productie, heeft Banco di Caribe de grieven bestreden. Haar conclusie strekt ertoe dat het Hof het bestreden vonnis zal bevestigen, met veroordeling van Best Choice c.s., uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten in hoger beroep, met nakosten.



2.4
Op 21 januari 2026 hebben de gemachtigden van partijen pleitnotities ingediend.



2.5
Vonnis is bepaald op vandaag.






3De beoordeling



Feiten




3.1
Het Hof gaat uit van de volgende feiten.


3.1.1
Bij Credit Facilities Agreement van 16 december 2014 (hierna: de kredietovereenkomst) heeft Banco di Caribe een Commercial Term Loan van USD 111.722,01 verstrekt aan Best Choice en [appellant 2]. In art. 9 van de Appendix bij de kredietovereenkomst is een samengestelde boeterente van 18% bedongen in geval van betalingsachterstand.



3.1.2
Bij vier brieven van 14 april 2015 heeft Banco di Caribe bericht dat Best Choice c.s. niet aan hun contractuele verplichtingen hebben voldaan en dat Banco di Caribe daarom het gehele uitgeleende bedrag opeist.



3.1.3
Twee brieven van 30 december 2015 van Banco di Caribe, gericht aan Best Choice c.s., vermelden opnieuw dat Best Choice c.s. niet aan hun contractuele verplichtingen hebben voldaan en dat Banco di Caribe daarom het gehele uitgeleende bedrag opeist.



3.1.4
Een call/client visit report van 25 november 2020 van een medewerkster van Banco di Caribe vermeldt dat [appellant 2] naar de bank is gekomen om naar zijn lening te vragen. Hij verklaarde ergens aan te werken om zijn schuld af te betalen. Hij beloofde de betalingen op 15 december 2020 te zullen hervatten, aldus deze notitie van de bankmedewerkster.



Vorderingen






3.2
In dit geding heeft Banco di Caribe hoofdelijke veroordeling van Best Choice en [appellant 2] (en in eerste aanleg van nog drie gedaagden) gevorderd tot betaling van USD 168.624,53, met contractuele boeterente en proceskosten. Hieraan heeft zij ten grondslag gelegd dat Best Choice c.s. hun verplichtingen uit de kredietovereenkomst niet zijn nagekomen en dat zij daarom het gevorderde contractueel verschuldigd zijn geworden.



Beslissingen van het Gerecht





3.3
Bij het bestreden vonnis heeft het Gerecht de vordering toegewezen.



Beoordeling door het Hof





3.4
Het Gerecht heeft vastgesteld dat USD 98.744 is afgelost op de schuld. In grief 1 betwisten Best Choice c.s. dat deze betalingen zijn gedaan. Deze grief kan onbesproken blijven bij gebrek aan belang. Niet valt in te zien dat eventuele gegrondheid van de grief zou leiden tot gehele of gedeeltelijke afwijzing van de vordering.



3.5
Grief 2 is gericht tegen de overweging van het Gerecht dat gedaagden zich te laat hebben beroepen op relatieve onbevoegdheid.



3.6
De bevoegdheidsvraag die hier aan de orde is, is geen vraag naar de relatieve bevoegdheid van het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, maar een vraag naar de internationale bevoegdheid (rechtsmacht) van de rechter van Sint Maarten. De rechter dient ambtshalve de internationale bevoegdheid te onderzoeken, ook in hoger beroep (zie: HR 12 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:230, rov. 3.2). Het is daarom niet van belang in welk stadium van het geding Best Choice c.s. zich op onbevoegdheid hebben beroepen.



3.7
De vordering ziet op verbintenissen uit een kredietovereenkomst en daarmee uit een overeenkomst waarvan de kenmerkende prestatie bestaat in een dienstverrichting, namelijk het verstrekken van krediet. Best Choice c.s. verkregen het krediet op een bankrekening bij het kantoor van Banco di Caribe in Philipsburg, Sint Maarten. De plaats van uitvoering van de kenmerkende prestatie is dus in het land Sint Maarten. Op die grond heeft de rechter van Sint Maarten rechtsmacht. Grief 2 kan daarom niet tot vernietiging leiden.



3.8
Grief 3 is gericht tegen de overweging dat niet is gebleken van een procedure aan de Franse kant van Sint Maarten.



3.9
Indien Best Choice c.s. menen dat de rechter in Sint Maarten zich onbevoegd moet verklaren of de zaak moet aanhouden vanwege een procedure aan de Franse kant van Sint Maarten, is het aan hen om te stellen en bij betwisting te onderbouwen dat die Franse procedure aanhangig is gemaakt. Zij zijn net zo goed als hun wederpartij in een positie om dat te doen, want indien die Franse procedure bestaat, zijn zij zelf procespartij daarbij. Best Choice c.s. hebben erop gewezen dat Banco di Caribe bij brief van 11 maart 2021 aan een Franse advocaat heeft bericht dat zij betalingen van [appellant 2] heeft ontvangen en dat Banco di Caribe deze ontvangsten heeft geboekt op de kredietrekening van Best Choice. Deze omstandigheden leiden echter niet tot een ander oordeel over voornoemde stel- en onderbouwingsplicht van Best Choice c.s. Uit deze omstandigheden kan op zichzelf ook niet worden afgeleid dat er een Franse procedure aanhangig is of aanhangig is geweest. De grief faalt.



3.10
Best Choice c.s. hebben aangevoerd dat het vorderingsrecht van Banco di Caribe is verjaard. Het Gerecht heeft dat betoog verworpen. Daartegen is grief 4 gericht.



3.11
De beide brieven van 30 december 2015 zijn op 31 december 2015 getekend voor ontvangst. Vergelijking van de handtekeningen met de handtekeningen op de kredietovereenkomst levert het vermoeden op dat de handtekeningen op de brieven van 30 december 2015 zijn gezet door [medebestuurder]. Volgens het Gerecht (onder 4.5) hebben zowel [medebestuurder] als [appellant 2] de kredietovereenkomst ondertekend in hun hoedanigheid van bestuurder van Best Choice. Hiertegen hebben Best Choice c.s. in hoger beroep geen grief gericht. De wetenschap van [medebestuurder] die uit de ontvangst van de brieven volgt, kan gelet hierop mede worden toegerekend aan Best Choice en aan [appellant 2], zodat zij (bij wijze van juridische fictie) geacht worden tegelijk met [medebestuurder] kennis te hebben gekregen van de brieven van 30 december 2015. De brieven hebben de verjaring gestuit.



3.12
Best Choice c.s. hebben niet (voldoende gemotiveerd) betwist dat [appellant 2] op 25 november 2020 naar de bank is gekomen en gezegd heeft wat er in de gespreksnotitie staat. In de genoteerde verklaringen ligt een erkenning van de schuld besloten. Het bezoek aan de bank heeft daarom ook stuitende werking.



3.13
De verjaring van de vordering, waarvan de termijn is aangevangen op 14 of 15 april 2015, is gestuit op 31 december 2015 en op 25 november 2020. Toen bij inleidend verzoekschrift van 27 september 2023 de vordering in rechte werd ingesteld, was de vordering niet verjaard. De grief faalt.



3.14
Best Choice c.s. hebben het verweer gevoerd dat de boeterente zo hoog is dat dit strijd oplevert met de openbare orde en de goede zeden. Het Gerecht heeft dat verweer verworpen. Daartegen is in grief 5 een klacht gericht.



3.15
Een kredietovereenkomst van een bank met een supermarkt en een bestuurder van de supermarkt is niet geheel of gedeeltelijk nietig wegens strijd met de openbare orde of de goede zeden op de enkele grond dat een rente van 8% en een (samengestelde) boeterente van 18% is overeengekomen (vergelijk: GHvJ 5 mei 2020, ECLI:NL:OGHACMB:2020:128, rov. 2.6). In zoverre faalt de grief.



3.16
Bij grief 5 hebben Best Choice c.s. ook een beroep gedaan op de redelijkheid en billijkheid. Zij hebben daartoe aangevoerd dat de verschuldigde boeterente is opgelopen tot 86,4% van de verschuldigde hoofdsom.



3.17
Ook dit beroep faalt. Het is niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat Banco di Caribe betaling verlangt van de gevorderde hoofdsom en boeterente. Hierbij is van belang dat Best Choice c.s. de uitstaande schuld jarenlang onbetaald hebben gelaten en daardoor hebben laten oplopen. Dit dient aan hen te worden toegerekend. Verder is van belang dat de kredietnemers een commercieel bedrijf exploiteerden en dus geen consumenten zijn.



3.18
Bij grief 5 hebben Best Choice c.s. ook een beroep gedaan op de bancaire zorgplicht.



3.19
Ook dat beroep wordt verworpen. Onvoldoende is gesteld om aan te nemen dat Banco di Caribe hun zorgplicht jegens Best Choice c.s. hebben geschonden, hetzij door de kredietovereenkomst aan te gaan, hetzij door het verloop van de leningschuld onvoldoende in de gaten te houden, hetzij door stil te zitten, hetzij door enige andere gedraging.



3.20
In hun pleitnota in hoger beroep hebben Best Choice c.s. het Hof verzocht de boete te matigen.



3.21
De in art. 6:94 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen (zie: HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:207, rov. 3.4.1).



3.22
Het Hof verwerpt het beroep op matiging van de boeterente. Niet is gebleken van een wanverhouding tussen de hoogte van het gevorderde bedrag aan boeterente en de schade die Banco di Caribe lijdt doordat Best Choice c.s. hun betalingsverplichtingen niet zijn nagekomen. Verder verwijst het Hof naar de gronden waarop het beroep op de redelijkheid en billijkheid wordt verworpen.



3.23
Het hoger beroep slaagt niet. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bevestigd. Best Choice c.s. zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.



B E S L I S S I N G



Het Hof:



bevestigt het vonnis waarvan beroep;



veroordeelt Best Choice c.s. in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van Banco di Caribe gevallen en tot op heden begroot op Cg 499,00 aan verschotten en Cg 13.750,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de nakosten;



verklaart de veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.




Dit vonnis is gewezen door mrs. G.C.C. Lewin en W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.