Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao

ECLI:NL:OGEAC:2026:156

2026-08-17 Civiel recht CUR202502410
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Uitspraakdatum
2026-08-17
Publicatiedatum
2026-08-24
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
CUR202502410
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Lening of slechts financiële bijstand aan broer. Het Gerecht oordeelt dat een lening niet is komen vast te staan en wijst de vordering af. Vordering in reconventie tegen beter weten in ingesteld: veroordeling in daadwerkelijke proceskosten.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.617 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


Zaaknummer: CUR202502410
Vonnisdatum: 17 augustus 2026



in de zaak van



de besloten vennootschap VANDDIS B.V., gevestigd in Curaçao, eisende partij,
verweerster in reconventie, gemachtigde: mr. R. van Hees en mr. N.G. Blokland,




tegen




1
1. [gedaagde 1], zonder bekende woonplaats,

2. [gedaagde 2],
wonende in [woonplaats],

3. [gedaagde 3],
wonende in [woonplaats],

gedaagden,
eisers in reconventie, gemachtigde: mr. U. van Bemmelen.



Partijen worden hierna Vanddis, [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd.





Inleiding

[belanghebbende 1] heeft via zijn onderneming Vanddis in 2018 ruim USD 100.000 betaald voor zijn jongere broer[belanghebbende 2] in verband met kosten voor medische behandelingen. Vanddis vordert deze bedragen terug, stellende dat het om leningen zou gaan. Gedaagden verweren zich met de stelling dat het geen leningen waren, maar dat [belanghebbende 1]deze bedragen uit liefde voor zijn broer heeft voldaan, zonder een terugbetalingsverplichting. Gedaagden vorderen in reconventie een bedrag van USD 423.940 van Vanddis als onverschuldigd betaald.




1Het procesverloop

1.1.
Het procesverloop blijkt uit:


het verzoekschrift van 9 juli 2025,


het verleende verstek tegen de gedaagden,


de zuivering van het verstek op 23 januari 2026,


de conclusie van antwoord in conventie, eis in reconventie van 25 mei 2026,


de conclusie van antwoord in reconventie ingediend op 3 juli 2026, tevens akte overlegging producties,


de akte overlegging productie 29 van Vanddis,


de door gedaagden overgelegde producties 2 t/m 8,


de akte overlegging productie 30 van Vanddis,


de mondelinge behandeling van 9 juli 2026,


de pleitnotities.





1.2.
Vonnis is bepaald op vandaag.




2De feiten


2.1. [
[belanghebbende 2 (hierna: [belanghebbende 2]) en [belanghebbende 1] waren broers. [belanghebbende 2] was gehuwd met [gedaagde 1] en [belanghebbende 1]met [belanghebbende 3].


2.2.
In 2018 en 2019 heeft Vanddis verschillende bedragen ten behoeve van [belanghebbende 2] betaald, in totaal omgerekend ongeveer USD 108.000.


2.3. [
[belanghebbende 2] is op [overlijdens datum] 2019 overleden. Echtgenote [gedaagde 1] en haar kinderen [gedaagde 3] en [gedaagde 2] zijn de enige erfgenamen van [belanghebbende 2]


2.4. [
[belanghebbende 1]is op [overlijdens datum] 2020 overleden.





3De vorderingen en de standpunten van partijen



in conventie



3.1.
Vanddis vordert dat het Gerecht gedaagden veroordeelt tot betaling van
1. USD 79.920, EUR 20.150 en XCG 11.897,86 aan Vanddis, met de wettelijke rente over die bedragen, te rekenen vanaf 1 mei 2021, althans vanaf 17 mei 2021, althans vanaf een door het Gerecht in goede justitie te bepalen datum, tot de dag van volledige betaling; en
2. betaling van (i) de buitengerechtelijke incassokosten van XCG 3.000, (ii) de kosten van dit geding en (iii) de nakosten van XCG 250 zonder betekening en XCG 400 in geval van betekening.


3.2.
Vanddis legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Vanddis (althans [belanghebbende 1], de broer van [belanghebbende 2]) heeft in 2018 en 2019 diverse malen geld geleend aan (wijlen) [belanghebbende 2], zijn echtgenote ([gedaagde 1]) en zijn kinderen ([gedaagde 2] en [gedaagde 3]) ten behoeve van diverse medische behandelingen van [belanghebbende 2] Dat gebeurde op verzoek van [gedaagde 3], [gedaagde 1] en [gedaagde 2]. Hoewel Vanddis die leningen heeft opgeëist en gedaagden hebben erkend deze te moeten terugbetalen, weigeren zij dat tot op heden. Vanddis vordert daarom dat gedaagden hoofdelijk worden veroordeeld tot terugbetaling van de leningen, vermeerderd met daarover verschuldigde rente en kosten.


3.3.

Gedaagden hebben het volgende tot verweer gevoerd. De door [belanghebbende 1]betaalde bedragen waren geen leningen, maar schenkingen. Tijdens zijn leven heeft [belanghebbende 1] zijn broer [belanghebbende 2] ook meegedeeld dat [belanghebbende 2] zich over de kosten van zijn medische behandelingen geen zorgen hoefde te maken.

in reconventie





3.4.
Gedaagden hebben een eis in reconventie ingesteld en vorderen Vanddis te veroordelen tot betaling aan gedaagden, althans aan [gedaagde 1], van een bedrag van USD 423.940, te vermeerderen met de rente daarover, van de datum van verzuim tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot betaling van vergoeding voor buitengerechtelijke kosten.


3.5.
Gedaagden in conventie stellen dat recent is gebleken dat op 18 november 2019 vanuit privévermogen van [gedaagde 1] abusievelijk een bedrag van USD 423.940 (USD 424.000 minus kosten) is overgemaakt aan Vanddis. Dit bedrag was eigenlijk bestemd voor Lovers Curaçao, de onderneming van [belanghebbende 2] en later [gedaagde 3], wat ook expliciet is vermeld in de omschrijving van de betreffende banktransactie.


3.6.

Vanddis heeft als verweer aangevoerd dat de betaling helemaal geen vergissing was, maar uitdrukkelijk zo bedoeld was. Gedaagden in conventie weten dat ook en maken misbruik van procesrecht door deze tegenvordering in te stellen. Dat is een schending van artikel 18c Rv en moet in dit geval leiden tot afwijzing van de vordering en volledige proceskostenveroordeling in plaats van het gebruikelijke tarief.

4. De beoordeling





in conventie





4.1.
Vanddis heeft in de periode september 2018 tot en met januari 2019 diverse bedragen betaald. Het gaat om USD 79.920 (uitgekeerd aan [gedaagde 1]), EUR 20.150 (betaald aan klinieken in Duitsland) en XCG 11.897,86 (betaald in verband met gekochte tickets naar Duitsland). Niet ter discussie staat dat al deze bedragen zijn aangewend in verband met de door [belanghebbende 2] ondergane medische behandelingen in deze periode. De vraag is hoe deze betalingen moeten worden gekwalificeerd; Vanddis stelt dat het leningen betroffen en daarop zijn de vorderingen gebaseerd.


4.2.
Gedaagden betwisten dat de betaalde bedragen leningen betroffen. Zij schetsen dat [belanghebbende 1]vanaf het vroege overlijden van hun vader tot en met het overlijden van [belanghebbende 2] een rol als vaderfiguur vervulde voor zijn 15 jaar jongere broer [belanghebbende 2]. In de periode van de ziekte van [belanghebbende 2] zei [belanghebbende 1]tegen hem dat hij zich geen zorgen hoefde te maken over kosten van de behandelingen en verzekerde [belanghebbende 1]hem dat hij alles zou regelen. [belanghebbende 1]gaf zijn dochter [belanghebbende 4] opdracht om te helpen met alle benodigde regelingen, waaronder het regelen van vliegtickets en de logistiek voor de medische reizen. [belanghebbende 1]heeft tijdens zijn leven nooit gevraagd om enig bedrag terug te betalen.


4.3.
Vanddis heeft haar stelling dat de betalingen zijn gedaan op verzoek van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] op geen enkele wijze onderbouwd. Gelet op de gemotiveerde betwisting door gedaagden gaat het Gerecht verder aan die stelling voorbij. Zijn er leningen overeengekomen tussen [belanghebbende 2] en Vanddis?


4.4.
Aan een overeenkomst tot verbruiklening zijn geen vormvoorschriften verbonden. Een geldlening kan dus ook mondeling worden overeengekomen. Dat zou in deze zaak het geval kunnen zijn geweest. Zowel [belanghebbende 1]als [belanghebbende 2] zijn echter inmiddels overleden, dus zij kunnen daarover niets verklaren. Het Gerecht moet zijn oordeel daarom baseren op andere omstandigheden van het geval.


4.5.
Die omstandigheden zijn de volgende:

4.5.1.
Er is geen schriftelijk contract, maar ook geen ander schriftelijk stuk, zoals een brief of een emailbericht in de periode dat [belanghebbende 2] nog leefde, waaruit zou kunnen worden afgeleid dat het hier om een lening gaat.


4.5.2.
De betalingen zijn niet gedaan aan de beweerde lener, [belanghebbende 2] Drie betalingen zijn zelfs helemaal niet aan [belanghebbende 2] of zijn vrouw gedaan, maar rechtstreeks aan derden.


4.5.3.
Tijdens het leven van [belanghebbende 2] heeft [belanghebbende 1]nooit om terugbetaling gevraagd.


4.5.4.
De persoonlijke verhouding tussen [belanghebbende 1]en [belanghebbende 2] wordt niet alleen beschreven door gedaagden, maar bevestigd door andere verklaringen. Een schriftelijke verklaring van 1 juli 2026 van [belanghebbende 5], zoon van [belanghebbende 1], over de relatie van zijn vader met zijn oom [belanghebbende 2] luidt als volgt: “Gedurende mijn hele leven heb ik een relatie gezien die was gebaseerd op vertrouwen, loyaliteit, vrijgevigheid en onvoorwaardelijke steun aan elkaar. Zowel privé als zakelijk stonden zij altijd voor elkaar klaar. Zij deelden wat zij hadden en hielpen elkaar wanneer dat nodig was. In al die jaren heb ik nooit meegemaakt dat een van beiden sprak over terugbetaling of dat de een vond dat de ander hem iets verschuldigd was vanwege verleende hulp. Dat paste eenvoudigweg niet bij de manier waarop zij met elkaar omgingen. Mijn vader was een buitengewoon vrijgevig persoon. Hij hielp anderen omdat hij ervan overtuigd was dat dit het juiste was om te doen, in het bijzonder als het zijn familie betrof. Hij verleende hulp zonder daar iets voor terug te verwachten. Op basis van alles wat ik gedurende mijn leven heb waargenomen, zou het volledig in strijd zijn geweest met zijn karakter om zijn broer om een vergoeding of terugbetaling te vragen voor de hulp die hij had geboden.” [belanghebbende 6], tot en met juni 2019 als financieel en belastingadviseur bij Lovers Industrial Corporation, het bedrijf van [belanghebbende 2], legde op 7 juli 2026 ook een schriftelijke verklaring af. Daarin verklaart hij onder meer: “Gedurende de gehele periode waarin ik met beide heren heb samengewerkt, heb ik hen regelmatig ontmoet tijdens zowel formele zakelijke besprekingen als informele familiebijeenkomsten. Op basis van mijn eigen waarnemingen kan ik verklaren dat hun onderlinge relatie uitzonderlijk hecht was. [belanghebbende 1]vervulde tegenover [belanghebbende 2] een zorgzame, begeleidende en adviserende rol die naar mijn beleving vergelijkbaar was met een vader-zoonverhouding.”


4.5.5.
In de bankafschriften van de elf overboekingen wordt niets vermeld, wat op een lening wijst. Dat is logisch bij de drie rechtstreekse betalingen aan derden, maar ook op de acht overboekingen door Vanddis aan [gedaagde 1] wordt geen “lening” vermeld. In de algemene omschrijving staat telkens “payment to international supplier” en in de specifieke omschrijving “Transfer funds as agreed”.


4.5.6.
Ter zitting heeft het Gerecht aan de vertegenwoordiger van Vanddis gevraagd of de gevorderde bedragen op dit moment in de jaarrekening van Vanddis als vordering onder de noemer “lening” zijn opgenomen. Dat bleek niet het geval. Dat sluit aan bij de verklaring van [belanghebbende 6]: “De zakelijke transacties tussen Lovers Industrial Corporation en Vanddis N.V. hadden voornamelijk betrekking hadden op de levering van brandstoffen ten behoeve van de distributie-vloot van Lovers. Deze transacties werden administratief verwerkt in de rekening-courantverhouding tussen Lovers en Vanddis, waarbij het saldo van deze rekening-courant later werd omgezet in aandelenkapitaal. Dit was de gebruikelijke administratieve verwerking van substantiële zakelijke vorderingen en schulden tussen beide vennootschappen. Voor zover de relevante financiële en fiscale stukken binnen mijn werkterrein vielen, zijn mij nooit documenten getoond en heb ik ook nooit documenten gezien waarin deze medische betalingen werden aangeduid als geldlening, vordering, voorschot, rekeningcourant of andere terugbetalingsverplichting van [belanghebbende 2] aan [belanghebbende 1]of aan Vanddis N.V.”


4.5.7.
In een door Vanddis overgelegde verklaring van [belanghebbende 3] stelt zij dat er belasting is betaald over het uitgeleende bedrag, maar dat is verder niet onderbouwd met stukken, waaruit volgt dat Vanddis is aangesproken (en heeft betaald).



4.6.
Al deze omstandigheden wijzen erop dat er in 2018 en 2019 tussen [belanghebbende 2] en Vanddis geen leningen zijn overeengekomen.


4.7.
Uit de door Vanddis overgelegde verklaringen van [gedaagde 2], [belanghebbende 3] en [belanghebbende 7] volgt dat zij van [belanghebbende 1]hebben gehoord dat de bedragen nog zouden moeten worden terugbetaald. Dat [belanghebbende 1]mogelijk later, na de dood van zijn broer, tot het inzicht is gekomen dat de bedragen alsnog moeten worden terugbetaald, maakt ze echter nog geen leningen. Geen erkenning van een lening door [gedaagde 2] of [gedaagde 1], wel van een schuld


4.8. [

[gedaagde 1] heeft in juli 2026 de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“Zodra [belanghebbende 1]hoorde hoe ernstig [belanghebbende 2]s situatie was geworden, heeft hij onmiddellijk het


initiatief genomen en vrijwillig de verantwoordelijkheid op zich genomen om ervoor te zorgen dat [belanghebbende 2] alle behandelingen zou kunnen krijgen die hij nodig had.


[belanghebbende 1]zei tegen [belanghebbende 2]:

"Ga doen wat je moet doen om weer gezond te worden en te herstellen. lk zorg voor alles."


Vervolgens gaf [belanghebbende 1]zijn dochter, [belanghebbende 4] , opdracht om de bankoverschrijvingen te regelen, vliegtickets te boeken, betalingen aan de kliniek te verrichten en alles te verzorgen wat verband hield met [belanghebbende 2] medische behandelingen.


lk heb [belanghebbende 1]op geen enkel moment om een lening gevraagd. Evenmin heb ik [belanghebbende 1]ooit gevraagd om de behandelingen van [belanghebbende 2] te betalen. [belanghebbende 1]heeft deze hulp volledig uit eigen beweging aangeboden, omdat hij er alles aan wilde doen om het leven van zijn jongere broer te redden.

[belanghebbende 1]heeft op geen enkel moment gesproken over terugbetaling.


Ook [belanghebbende 3] heeft, zolang [belanghebbende 1]en [belanghebbende 2] nog in Leven waren, nooit gesproken over


terugbetaling

Indien ik ooit heb gezegd dat ik [belanghebbende 1]op een dag zou proberen terug te betalen, dan was dat niets anders dan een uiting van dankbaarheid en waardering voor iemand die er alles aan had gedaan om het leven van mijn echtgenoot te redden.”





4.9.
Vanddis heeft voor het bestaan van de lening gewezen op een verklaring van [belanghebbende 3], de weduwe van [belanghebbende 1]: “[gedaagde 1] zegde toe dat het geld zou worden terugbetaald zodra zij daartoe in staat zouden zijn. Mijn echtgenoot heeft mij dat destijds verteld. In januari 2020 hebben in Miami gesprekken plaatsgevonden tussen mijn echtgenoot en [gedaagde 1] over de uitstaande lening. [gedaagde 1] heeft toen beloofd dat het geld zou worden terugbetaald. Ook dat heeft mijn echtgenoot mij verteld. In de periode daarna heb ik [gedaagde 1] diverse keren telefonisch en via Whatsapp benaderd met de vraag wanneer de lening zou worden terugbetaald. Tijdens die gesprekken heeft [gedaagde 1] aangeven hun boot te zullen verkopen, zodat Vanddis met de opbrengst daarvan kon worden terugbetaald.” Het Gerecht merkt op dat deze verklaring betrekking heeft op uitlatingen die [belanghebbende 1]zou hebben gedaan, nadat [belanghebbende 2] was overleden. Zoals hiervoor onder 4.7. overwogen, kan een lening kan niet op deze manier achteraf worden geconstrueerd. Als het werkelijk een lening was, dan moet dat al tijdens het leven van [belanghebbende 2] duidelijk zijn geworden. Daar komt bij dat uit de door [belanghebbende 3] aangehaalde Whatsapp-tekst ook geen erkenning van een lening blijkt, maar erkenning van een schuld die [gedaagde 1] voelde: “Ik heb [belanghebbende 1] altijd al gezegd dat dit geld zal worden terugbetaald zodra de boot wordt verkocht, want het gaat namelijk niet om een klein bedrag en hij heeft dit uit liefde voor zijn broer gedaan en daar zullen wij altijd dankbaar voor zijn, want er zijn maar weinig broers die zoveel voor elkaar zouden doen als hij heeft gedaan!” Ter zitting heeft [gedaagde 1] bevestigd dat zij een morele schuld tot terugbetaling voelde, maar dat zij zelf na het overlijden van [belanghebbende 2] ook met diverse schulden was achtergelaten, waardoor voldoening aan die schuld niet was gelukt.


4.10.
Vanddis stelt voorts dat de lening door [gedaagde 2] erkend is in een bericht van 17 mei 2021. Het gaat om een per e-mail toegezonden brief van drie bladzijden over de familie ontwikkelingen en de plannen voor bepaalde ondernemingen. In het onderdeel “Family planning” heeft [gedaagde 2] gereageerd op een aanmaning van begin mei 2021 door Vanddis. Zij vermeldt: “With this being said, I am aware of the money [belanghebbende 1] helped my dad with and I truly want to settle this as well so that I can begin my life again debt free. Can we reach an agreement where we will settle at $50,000. We will ask for a loan on the boat and if approved we will be able to pay the $50,000 immediately. We will receive an answer from the bank this week.”


4.11.
Hieruit volgt naar het oordeel van het Gerecht wel dat [gedaagde 2] zich verplicht voelt een bedrag aan Vanddis terug te betalen, maar niet dat zij erkent dat het om een lening gaat. Evenals haar moeder [gedaagde 1], ziet zij het kennelijk als een morele schuld om een deel van het geschonken bedrag terug te betalen. Vanddis is overigens niet akkoord gegaan met het voorstel van [gedaagde 2]. Slotsom


4.12.
Uit het voorgaande volgt dat het bestaan van de elf leningen niet is komen vast te staan. De vorderingen zullen daarom worden afgewezen.Proceskosten


4.13.
Omdat Vanddis in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van gedaagden gezamenlijk worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 5.000 aan gemachtigdensalaris (2,5 punten x tarief 7). in reconventie


4.14.
De grondslag van de vordering is hiervoor onder 3.5. weergegeven. Daaraan voegen eisers in reconventie nog toe dat “voor zover hen bekend” het genoemde bedrag na 18 november 2019 nimmer (geheel of gedeeltelijk) is teruggestort aan [gedaagde 1].


4.15.
Vanddis heeft in haar conclusie van antwoord in reconventie als verweer aangevoerd en onderbouwd dat de betaling door [gedaagde 1] aan haar geen vergissing was. Bovendien gaat het om een betaling door [gedaagde 1] en niet van [gedaagde 3] of [gedaagde 2]. Ter zitting heeft Vanddis haar verweer nog aangevuld en een beroep gedaan op verjaring van de vordering.


4.16.
Deze verweren van Vanddis slagen. [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hebben niet onderbouwd in hoeverre zij recht zouden hebben op vergoeding van een betaling door hun moeder. [gedaagde 1] heeft niet weersproken dat zij pas in haar conclusie van eis in reconventie op 25 mei 2026 voor het eerst Vanddis over deze betaling aanspreekt. In die zin is haar vordering inderdaad verjaard.


4.17.
Inhoudelijk belangrijker is het volgende. Vanddis stelt dat Banco di Caribe in juni 2019 op verzoek van [gedaagde 3] aan Lovers een krediet heeft verstrekt van XCG 1.500.000 om schulden af te lossen en investeringen te doen in een project in de Dominicaanse Republiek. Voor de terugbetaling van die lening had Vanddis zich borg gesteld. [gedaagde 3] heeft in een verslag van 23 oktober 2019 aan de bank en aan Vanddis toegegeven dat hij het krediet grotendeels heeft gebruikt voor persoonlijke doeleinden en dat hij bij het innen van de cheques de handtekening van zijn medebestuurder heeft vervalst. In reactie daarop heeft de bank de lening opgeëist en onder meer de borgstelling van Vanddis ingeroepen, waardoor Vanddis XCG 889.900 aan de bank moest betalen. Vervolgens is Vanddis met [gedaagde 3] overeengekomen dat hij ter gedeeltelijke aflossing van de schuld die hij gelet op het voorgaande aan Vanddis had, USD 450.000 aan Vanddis zou overmaken. Hij zou hiervoor de uitkering gebruiken van de door zijn vader afgesloten levensverzekering. Voor de schuld die hij hierdoor aan Lovers had, is hij ter afbetaling een lening met Lovers aangegaan. Vanddis heeft al het voorgaande met stukken onderbouwd.


4.18. [

[gedaagde 3] heeft in een e-mail van 18 november 2019 (de dag van de betaling door [gedaagde 1]) het volgende vermeld:

“Dear [belanghebbende 4],

Please receive attached payment confirmation.

By means of this email I would like to confirm that we have transferred $ 424.000,- from my father’s life insurance to Vanddis for the Lovers outstanding payment.”
Het genoemde bedrag komt overeen met de betaling door [gedaagde 1] en ook met de omschrijving van haar overboeking: “PAYMENT LOVERS OUTSTANDING BALANCE, Loan advancemnet for LIC”. [gedaagde 3] heeft zodoende via [gedaagde 1] een schuld van Lovers aan Vanddis voldaan en dat is dus niet onverschuldigd.




Proceskosten




4.19.
Omdat [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [belanghebbende 2] in het ongelijk zijn gesteld, worden zij veroordeeld in de proceskosten. Vanddis verzoekt om vergoeding van de daadwerkelijke proceskosten in plaats van het forfaitaire tarief volgens het Procesreglement. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past de rechter terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat partijen hebben en dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM. Van misbruik van procesrecht is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Dat is pas het geval als een eisende partij de vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.Het Gerecht is het met Vanddis eens dat eisers in reconventie hun vordering tegen beter weten in hebben ingesteld. Zij moeten de onjuistheid van hun stelling hebben gekend, zie daarvoor rov. 4.18 in dit vonnis. Hierdoor hebben zij Vanddis ten onrechte op kosten gejaagd. Daarom is in dit geval een veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten toewijsbaar.


4.20.
Vanddis vordert alle gemaakte proceskosten in deze procedure. Die vordering is niet toewijsbaar, omdat de vordering in conventie zal worden afgewezen. Het Gerecht zal op basis van de door Vanddis overgelegde urenspecificatie van haar advocaten de begroting in die zin aanpassen, dat de uren vanaf het instellen van de eis in reconventie in aanmerking komen. Daarbij houdt het Gerecht rekening met het feit dat daarin ook ‘uren in conventie’ zijn opgenomen. Als uurtarief zal het gemiddelde van de twee betrokken advocaten worden genomen. Zodoende begroot het Gerecht deze kosten inclusief de zitting op 16 uur x USD 292,50 = USD 4.680,-.in conventie en in reconventie


4.21.
De gevorderde wettelijke rente en de nakosten worden toegewezen zoals hierna onder de beslissing vermeld.


4.22.
De veroordelingen tot betaling van de proceskosten in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.





5De beslissing


Het gerecht:




in conventie



5.1.
wijst de vorderingen af;



5.2.
veroordeelt Vanddis in de proceskosten van [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gezamenlijk, tot heden begroot op Cg 5.000, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;



5.3.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;



in reconventie





5.4
wijst de vorderingen af;



5.5.
veroordeelt [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [belanghebbende 2] hoofdelijk in de proceskosten van Vanddis, tot heden begroot op USD 4.680,-, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;



5.6.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;



in conventie en in reconventie





5.7.
verklaart de veroordelingen in dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;


5.8.
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en op 17 augustus 2026 in het openbaar uitgesproken.





Hoge Raad 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA3516 (Waterschappen/Milieutech) en ook Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828 (Duka/Achmea)