Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
ECLI:NL:OGEAC:2026:149
2026-07-10
Bestuursrecht
CUR202600659
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Beroep tegen beschikking op Lob-verzoek ongegrond. De minister heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag was ook zorgvuldig. De stelling van de minister dat er niet meer informatie onder hem berust komt het Gerecht dan ook geloofwaardig voor. Daarentegen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer documenten onder de minister berusten.
Citeert (1)
- ECLI:NL:OGEAC:2026:45 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 27-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.221 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te Curaçao,
eiseres,
en
de minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport,
verweerder,
gemachtigde: mr. W.R. Flocker en mr. R. Regina.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister op haar verzoek op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob).
1.1
Eiseres heeft aanvankelijk op 18 februari 2026 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek van 27 november 2025.
1.2
De minister heeft op 18 maart 2026 alsnog beslist op het Lob-verzoek van eiseres (de bestreden beschikking). Eiseres heeft op 20 maart 2026 gronden ingediend tegen de bestreden beschikking. De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Eiseres heeft daarop een nadere reactie ingediend. De minister heeft vervolgens nog aanvullende producties ingediend.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [medewerker minister].
Beoordeling door het Gerecht
2.1.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek niet-ontvankelijk is. Daar is inmiddels op beslist.
2.2.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking ongegrond is. De beroepsgrond van eiseres dat de minister haar Lob-verzoek niet volledig heeft beantwoord slaagt niet. De minister heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag was ook zorgvuldig. De stelling van de minister dat er niet meer informatie onder hem berust komt het Gerecht dan ook geloofwaardig voor. Daarentegen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer documenten onder de minister berusten. De tweede beroepsgrond van eiseres dat de minister niet per document heeft vermeld wat hij heeft weggelaten slaagt evenmin.
2.3.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek niet-ontvankelijk?
3.1.
Eiseres heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om een beschikking te geven, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.
3.2.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op de reële beslissing van de minister op het Lob-verzoek.
3.3.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op dat verzoek.
3.4.
Het Gerecht is van oordeel dat eiseres het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek terecht heeft ingesteld. Volgens artikel 6 van de Lob moet het bestuursorgaan beslissen binnen drie weken na de ontvangstdatum van het verzoek en kan het deze termijn voor ten hoogste drie weken verdagen. In deze zaak heeft de minister van deze verlengingsmogelijkheid gebruik gemaakt en eiseres op 18 december 2025 bericht dat hij nog niet in staat is te beslissen op haar verzoek. De minister heeft op 8 januari 2026, de vervaldatum van de verlengtermijn, eiseres bericht dat hij nog geen beslissing heeft kunnen nemen. Op het moment van het instellen van het beroep van eiseres had de minister nog steeds niet beslist op het verzoek. Daarom ziet het Gerecht in deze zaak aanleiding te bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
4. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
4.1.
Eiseres heeft in haar Lob-verzoek verzocht om informatie over -kort samengevat- het beleid, procedures en wet- en regelgeving met betrekking tot (beoordeling van) aanvragen ontheffing van de leerplicht en thuisonderwijs. Daarbij heeft eiseres haar verzoek ingedeeld in 10 onderdelen en per onderdeel beschreven welke documenten zij wenst te ontvangen.
4.2.
De minister heeft in de bestreden beschikking per onderdeel van het Lob-verzoek weergegeven welke documenten hij wel en niet heeft aangetroffen. Wat betreft onderdeel 1, wet- en regelgeving, heeft de minister erop gewezen dat de Leerplichtslandsverordening (Llv), in het bijzonder artikel 4, de primaire wettelijke grondslag is voor de beoordeling van aanvragen tot ontheffing van de leerplicht en dat die Llv openbaar is. De aangetroffen documenten zijn als bijlagen bij de beschikking gevoegd. Het betreffen twee beleidsdocumenten (onderdeel 2, beleidsdocumenten) en een model-afwijzingsbrief (onderdeel 3, interne richtlijnen, protocollen en werkinstructies):
Beleidsnotitie “Ontheffing leerplicht – Right to education” (april 2024);
Adviesmemo “Aanpak aanvragen thuisonderwijs t.b.v. schooljaar 2024/2025” (15 mei 2024);
Model afwijzing aanvraag ontheffing van de leerplicht met daarin een overzicht van de beoordelingscriteria.
Op de onderdelen 4 tot en met 10 zijn er geen documenten aangetroffen, althans verwijst de minister naar de Llv en/of de twee beleidsdocumenten.
4.3.
Op 28 mei 2026 heeft de minister per email nog een viertal beleidsmatige documenten over de pilot thuisonderwijs aan eiseres en het Gerecht verstrekt.
Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd die het Gerecht hierna zal bespreken.
Wat is het wettelijk kader?
6. Het volgend wettelijk kader is relevant.
Artikel 1, eerste lid, van de Lob definieert een document als een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
Artikel 3, eerste lid, van de Lob bepaalt kort gezegd dat een ieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan.
Artikel 3, vierde lid, van de Lob bepaald dat een verzoek wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 11 en 12.
In de artikelen 11 en 12 zijn de uitzonderingen en beperkingen uitgewerkt.
Artikel 12 van de Lob bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over tot personen herleidbare beleidsopvattingen. Onder intern beraad wordt verstaan het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan dan wel een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor die bestuurlijke aangelegenheid. Onder tot personen herleidbare beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.
Is het Lob-verzoek volledig beantwoord?
7. Eiseres vindt allereerst dat haar Lob-verzoek niet volledig is beantwoord. Uit de verstrekte documenten blijkt volgens eiseres dat er nog meer documenten bestaan. Als concreet voorbeeld benoemt eiseres dat in de praktijk aanvullende niet in de wet genoemde voorwaarden worden gehanteerd bij de boordeling van een aanvraag tot ontheffing van de leerplicht. Eiseres constateert dat documenten over de wettelijke grondslag en/of beleid over die aanvullende voorwaarden niet zijn verstrekt. Daarom is de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd.
8. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
8.1.
Het Gerecht stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan op een Lob-verzoek moet onderzoeken of de gevraagde informatie onder hem berust. Het bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de aangedragen documenten is gemaakt.
Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
8.2.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat op alle onderdelen van het Lob-verzoek is gezocht en per onderdeel is vermeld welke documenten wel of niet zijn aangetroffen en welke beoordeling per document is gemaakt. Vlak voor de zitting heeft de minister nog enkele additionele documenten aan eiseres verstrekt. De minister heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van het Lob-verzoek van eiseres een systematische zoekslag is uitgevoerd binnen de relevante organisatieonderdelen en in de digitale en fysieke archieven en dat er niet meer documenten onder hem berusten dan nu aan eiseres zijn verstrekt.
8.3.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht en dat die zoekslag zorgvuldig was. De stelling van de minister dat er niet meer informatie onder hem berust komt het Gerecht dan ook geloofwaardig voor. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat er toch nog meer documenten onder de minister berusten. Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiseres haar stelling dat er meer documenten zijn niet onderbouwd en komt zij niet verder dan een vermoeden. Daarom slaagt het betoog van eiseres niet.
Heeft de minister de uitzonderingen en beperkingen op de verstrekking van informatie juist toegepast?
9. Eiseres voert verder aan dat de minister de wettelijke uitzonderingen en beperkingen op de verstrekking van informatie, in het bijzonder artikel 12 van de Lob, niet juist heeft toegepast. Zij voert daartoe aan dat de minister niet per document of passage heeft vermeld wat hij heeft weggelaten. Daardoor is niet duidelijk wat feitelijke informatie is en wat de tot personen herleidbare beleidsopvattingen zijn.
10. De minister heeft ter zitting toegelicht dat in de bestreden beschikking per abuis is vermeld dat in de Beleidsnotitie en het Adviesmemo onderdelen die als persoonlijke beleidsopvattingen kunnen kwalificeren zijn weggelakt. Beide stukken zijn volledig verstrekt, er is niets in weggelakt. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij niettemin bij haar standpunt blijft en dat zij antwoord wenst op wat zij heeft verzocht. Het Gerecht stelt vast dat er geen onderdelen in de betreffende documenten zijn weggelaten. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op dat verzoek heeft beslist. De beroepsgronden van eiseres tegen de bestreden beschikking slagen niet. Daarom is dat beroep ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft.
12. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het Lob-verzoek terecht was ingesteld, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking ongegrond;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
4 toetsingscriteria en beoordelingsfactoren; 5 procedurebeschrijvingen; 6 mandaat en beslissingsbevoegdheid; 7 beleidsmatige onderbouwing; 8 documenten met betrekking tot artikel 4, tweede lid, van de Llv; 9 eventuele eilandelijke regelgeving; 10 wetswijzigingen of beleidswijzigingen in voorbereiding.
zie bijvoorbeeld Gerecht Curaçao 27 maart 2026 ECLI:NL:OGEAC:2026:45
Gemeenschappelijk Hof van justitie (GHvJ) 24 mei 2023 ECLI:NL:OGHACMB:2023:69 en GHvJ 7 juni 2023 ECLI:NL:OGHACMB:2023:86
Uitspraak
in het geding tussen:
[eiseres],
wonende te Curaçao,
eiseres,
en
de minister van Onderwijs, Wetenschap, Cultuur en Sport,
verweerder,
gemachtigde: mr. W.R. Flocker en mr. R. Regina.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiseres en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van de minister op haar verzoek op grond van de Landsverordening openbaarheid van bestuur (Lob).
1.1
Eiseres heeft aanvankelijk op 18 februari 2026 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek van 27 november 2025.
1.2
De minister heeft op 18 maart 2026 alsnog beslist op het Lob-verzoek van eiseres (de bestreden beschikking). Eiseres heeft op 20 maart 2026 gronden ingediend tegen de bestreden beschikking. De minister heeft met een verweerschrift op het beroep gereageerd. Eiseres heeft daarop een nadere reactie ingediend. De minister heeft vervolgens nog aanvullende producties ingediend.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden en door [medewerker minister].
Beoordeling door het Gerecht
2.1.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek niet-ontvankelijk is. Daar is inmiddels op beslist.
2.2.
Het Gerecht komt tot het oordeel dat het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking ongegrond is. De beroepsgrond van eiseres dat de minister haar Lob-verzoek niet volledig heeft beantwoord slaagt niet. De minister heeft voldoende inzichtelijk gemaakt hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag was ook zorgvuldig. De stelling van de minister dat er niet meer informatie onder hem berust komt het Gerecht dan ook geloofwaardig voor. Daarentegen heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat er nog meer documenten onder de minister berusten. De tweede beroepsgrond van eiseres dat de minister niet per document heeft vermeld wat hij heeft weggelaten slaagt evenmin.
2.3.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Waarom is het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek niet-ontvankelijk?
3.1.
Eiseres heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek. Artikel 9c, eerste lid, van de Lar bepaalt voor zover hier relevant dat indien beroep aanhangig is tegen een weigering om een beschikking te geven, en het bestuursorgaan alsnog een beschikking geeft, het beroep mede betrekking heeft op deze beschikking.
3.2.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op de reële beslissing van de minister op het Lob-verzoek.
3.3.
Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op dat verzoek.
3.4.
Het Gerecht is van oordeel dat eiseres het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek terecht heeft ingesteld. Volgens artikel 6 van de Lob moet het bestuursorgaan beslissen binnen drie weken na de ontvangstdatum van het verzoek en kan het deze termijn voor ten hoogste drie weken verdagen. In deze zaak heeft de minister van deze verlengingsmogelijkheid gebruik gemaakt en eiseres op 18 december 2025 bericht dat hij nog niet in staat is te beslissen op haar verzoek. De minister heeft op 8 januari 2026, de vervaldatum van de verlengtermijn, eiseres bericht dat hij nog geen beslissing heeft kunnen nemen. Op het moment van het instellen van het beroep van eiseres had de minister nog steeds niet beslist op het verzoek. Daarom ziet het Gerecht in deze zaak aanleiding te bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht moet vergoeden.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
4. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
4.1.
Eiseres heeft in haar Lob-verzoek verzocht om informatie over -kort samengevat- het beleid, procedures en wet- en regelgeving met betrekking tot (beoordeling van) aanvragen ontheffing van de leerplicht en thuisonderwijs. Daarbij heeft eiseres haar verzoek ingedeeld in 10 onderdelen en per onderdeel beschreven welke documenten zij wenst te ontvangen.
4.2.
De minister heeft in de bestreden beschikking per onderdeel van het Lob-verzoek weergegeven welke documenten hij wel en niet heeft aangetroffen. Wat betreft onderdeel 1, wet- en regelgeving, heeft de minister erop gewezen dat de Leerplichtslandsverordening (Llv), in het bijzonder artikel 4, de primaire wettelijke grondslag is voor de beoordeling van aanvragen tot ontheffing van de leerplicht en dat die Llv openbaar is. De aangetroffen documenten zijn als bijlagen bij de beschikking gevoegd. Het betreffen twee beleidsdocumenten (onderdeel 2, beleidsdocumenten) en een model-afwijzingsbrief (onderdeel 3, interne richtlijnen, protocollen en werkinstructies):
Beleidsnotitie “Ontheffing leerplicht – Right to education” (april 2024);
Adviesmemo “Aanpak aanvragen thuisonderwijs t.b.v. schooljaar 2024/2025” (15 mei 2024);
Model afwijzing aanvraag ontheffing van de leerplicht met daarin een overzicht van de beoordelingscriteria.
Op de onderdelen 4 tot en met 10 zijn er geen documenten aangetroffen, althans verwijst de minister naar de Llv en/of de twee beleidsdocumenten.
4.3.
Op 28 mei 2026 heeft de minister per email nog een viertal beleidsmatige documenten over de pilot thuisonderwijs aan eiseres en het Gerecht verstrekt.
Wat voert eiseres aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
5. Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd die het Gerecht hierna zal bespreken.
Wat is het wettelijk kader?
6. Het volgend wettelijk kader is relevant.
Artikel 1, eerste lid, van de Lob definieert een document als een bij een bestuursorgaan berustend schriftelijk stuk of ander materiaal dat gegevens bevat.
Artikel 3, eerste lid, van de Lob bepaalt kort gezegd dat een ieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan.
Artikel 3, vierde lid, van de Lob bepaald dat een verzoek wordt ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 11 en 12.
In de artikelen 11 en 12 zijn de uitzonderingen en beperkingen uitgewerkt.
Artikel 12 van de Lob bepaalt dat in geval van een verzoek om informatie uit documenten, opgesteld ten behoeve van intern beraad, geen informatie wordt verstrekt over tot personen herleidbare beleidsopvattingen. Onder intern beraad wordt verstaan het beraad over een bestuurlijke aangelegenheid binnen een bestuursorgaan dan wel een kring van bestuursorganen in het kader van de gezamenlijke verantwoordelijkheid voor die bestuurlijke aangelegenheid. Onder tot personen herleidbare beleidsopvatting wordt verstaan een opvatting, voorstel, aanbeveling of conclusie van een of meer personen over een bestuurlijke aangelegenheid en de daartoe door hen aangevoerde argumenten.
Is het Lob-verzoek volledig beantwoord?
7. Eiseres vindt allereerst dat haar Lob-verzoek niet volledig is beantwoord. Uit de verstrekte documenten blijkt volgens eiseres dat er nog meer documenten bestaan. Als concreet voorbeeld benoemt eiseres dat in de praktijk aanvullende niet in de wet genoemde voorwaarden worden gehanteerd bij de boordeling van een aanvraag tot ontheffing van de leerplicht. Eiseres constateert dat documenten over de wettelijke grondslag en/of beleid over die aanvullende voorwaarden niet zijn verstrekt. Daarom is de bestreden beschikking onvoldoende gemotiveerd.
8. Deze grond slaagt niet. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
8.1.
Het Gerecht stelt voorop dat volgens vaste rechtspraak een bestuursorgaan op een Lob-verzoek moet onderzoeken of de gevraagde informatie onder hem berust. Het bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de aangedragen documenten is gemaakt.
Wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en zo’n mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.
8.2.
Uit de bestreden beschikking blijkt dat op alle onderdelen van het Lob-verzoek is gezocht en per onderdeel is vermeld welke documenten wel of niet zijn aangetroffen en welke beoordeling per document is gemaakt. Vlak voor de zitting heeft de minister nog enkele additionele documenten aan eiseres verstrekt. De minister heeft in zijn verweerschrift en ter zitting toegelicht dat naar aanleiding van het Lob-verzoek van eiseres een systematische zoekslag is uitgevoerd binnen de relevante organisatieonderdelen en in de digitale en fysieke archieven en dat er niet meer documenten onder hem berusten dan nu aan eiseres zijn verstrekt.
8.3.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister voldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht en dat die zoekslag zorgvuldig was. De stelling van de minister dat er niet meer informatie onder hem berust komt het Gerecht dan ook geloofwaardig voor. Het is dan aan eiseres om aannemelijk te maken dat er toch nog meer documenten onder de minister berusten. Naar het oordeel van het Gerecht heeft eiseres haar stelling dat er meer documenten zijn niet onderbouwd en komt zij niet verder dan een vermoeden. Daarom slaagt het betoog van eiseres niet.
Heeft de minister de uitzonderingen en beperkingen op de verstrekking van informatie juist toegepast?
9. Eiseres voert verder aan dat de minister de wettelijke uitzonderingen en beperkingen op de verstrekking van informatie, in het bijzonder artikel 12 van de Lob, niet juist heeft toegepast. Zij voert daartoe aan dat de minister niet per document of passage heeft vermeld wat hij heeft weggelaten. Daardoor is niet duidelijk wat feitelijke informatie is en wat de tot personen herleidbare beleidsopvattingen zijn.
10. De minister heeft ter zitting toegelicht dat in de bestreden beschikking per abuis is vermeld dat in de Beleidsnotitie en het Adviesmemo onderdelen die als persoonlijke beleidsopvattingen kunnen kwalificeren zijn weggelakt. Beide stukken zijn volledig verstrekt, er is niets in weggelakt. Eiseres heeft ter zitting verklaard dat zij niettemin bij haar standpunt blijft en dat zij antwoord wenst op wat zij heeft verzocht. Het Gerecht stelt vast dat er geen onderdelen in de betreffende documenten zijn weggelaten. Het betoog van eiseres slaagt dus niet.
Conclusie en gevolgen
11. Het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek is niet-ontvankelijk, omdat de minister alsnog op dat verzoek heeft beslist. De beroepsgronden van eiseres tegen de bestreden beschikking slagen niet. Daarom is dat beroep ongegrond. Dat betekent dat de bestreden beschikking in stand blijft.
12. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het Lob-verzoek terecht was ingesteld, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiseres tegen het uitblijven van een beslissing op haar Lob-verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiseres tegen de bestreden beschikking ongegrond;
- bepaalt dat de minister het door eiseres betaalde griffierecht van Cg 150,- aan haar vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
4 toetsingscriteria en beoordelingsfactoren; 5 procedurebeschrijvingen; 6 mandaat en beslissingsbevoegdheid; 7 beleidsmatige onderbouwing; 8 documenten met betrekking tot artikel 4, tweede lid, van de Llv; 9 eventuele eilandelijke regelgeving; 10 wetswijzigingen of beleidswijzigingen in voorbereiding.
zie bijvoorbeeld Gerecht Curaçao 27 maart 2026 ECLI:NL:OGEAC:2026:45
Gemeenschappelijk Hof van justitie (GHvJ) 24 mei 2023 ECLI:NL:OGHACMB:2023:69 en GHvJ 7 juni 2023 ECLI:NL:OGHACMB:2023:86