Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
ECLI:NL:OGEABES:2026:200
2026-07-10
Bestuursrecht
BON202400595
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bevoegdheid Gerecht. Beroep tegen bestreden beschikking op verzoek Wob BES / Woo gegrond. Minister heeft onvoldoende inzichtelijk gemaakt of, en zo ja, hoe hij de zoekslag heeft verricht. Vernietiging bestreden beschikking. Minister krijgt ruimere beslistermijn (6 maanden) dan gebruikelijk gezien de aard en duiding van het verzoek.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2024:480 Raad van State 07-02-2024
- ECLI:NL:OGEAC:2026:45 Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 27-03-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (24.789 tekens)
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA
zittingsplaats Bonaire
in het geding tussen:
[eiser],
eiser,
wonende te Bonaire,
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW),
verweerder,
gemachtigde: mr. G. Jonge.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiser en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen het besluit van de minister op het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) dan wel de Wet open overheid (Woo) (hierna: het verzoek) ter verkrijging van alle documenten met betrekking tot de Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies CN.
1.1
Eiser heeft aanvankelijk op 2 december 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van de minister op zijn verzoek. De minister heeft bij zijn verweerschrift van 15 januari 2025 een beschikking van 26 november 2024 overgelegd, waarin de minister alsnog heeft beslist op het verzoek van eiser. Eiser daarop bij brief van 24 maart 2025 gereageerd.
1.2
Het Gerecht heeft per email van 30 september 2025 aan eiser gevraagd of hij zijn beroep ook richt tegen de beschikking van de minister van 26 november 2024 en om, indien dat het geval is, daartegen beroepsgronden in te dienen. Eiser heeft niet gereageerd op deze mail.
1.3
De minister heeft op 14 november 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.4
Het Gerecht heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.5
Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij zijn beroep ook richt tegen de beschikking van 26 november 2024 (de bestreden beschikking).
1.6
Het Gerecht heeft op de zitting afspraken met partijen gemaakt, die hebben geleid tot een uitwisseling van nadere toelichtingen en standpunten van partijen. Op 10 juni 2026 heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraakdatum bepaald.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgrond van eiser.
2.1.
Het Gerecht acht zich op grond van het toepasselijke recht -de War BES en de Invoeringswet Openbare Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Invoeringswet) - bevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek is niet-ontvankelijk. Daar is inmiddels op beslist. Het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking op zijn verzoek is gegrond. De bestreden beschikking bevat een motiveringsgebrek omdat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of, en zo ja, hoe hij de zoekslag op alle onderdelen van het verzoek heeft verricht. Daarom zal de bestreden beschikking worden vernietigd. De minister zal opnieuw op het verzoek moeten beslissen.
2.2.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het Gerecht bevoegd om van het beroep kennis te nemen?
3. Het Gerecht heeft eerst stilgestaan bij de vraag of hij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
3.1.
Het verzoek van eiser is gegrond op de Wob en of de Woo. Nu de Woo sinds 1 mei 2022 de opvolger is van de Wob, gaat het Gerecht ervan uit dat eiser met Wob bedoelt de Wob BES.
Wat is het wettelijk kader?
3.2.
Volgens artikel 1.1 van de Woo heeft eenieder recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Dit artikel vindt onder meer nadere uitwerking in artikel 4.1, eerste lid, van de Woo dat luidt dat eenieder een verzoek om publieke informatie kan richten tot een bestuursorgaan. In de Wob BES is een equivalent opgenomen in artikel 3, eerste lid, dat bepaalt dat een ieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan.
Artikel 1, onder a, van de Wob BES definieert een bestuursorgaan als de bestuursorganen van de openbare lichamen die het rechtstreeks aangaat en de Rijksvertegenwoordiger.
Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet bepaalt welk recht van toepassing is in de openbare lichamen na de staatkundige transitie van 10 oktober 2010.
In het eerste lid van artikel 2 van de Invoeringswet is bepaald welke Nederlands-Antilliaanse regelgeving voor de openbare lichamen wordt overgenomen en omgevormd tot voor de openbare lichamen geldende Nederlandse wetgeving.
Artikel 2, tweede lid, van de Invoeringswet bepaalt dat andere wettelijke regelingen dan die, bedoeld in het eerste lid, alleen van toepassing zijn voor zover:
dit bij wettelijk voorschrift is bepaald;
onmiskenbaar uit enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften in de openbare lichamen van toepassing zijn.
Artikel 2, derde lid, van de Invoeringswet bepaalt dat het tweede lid onverlet laat de toepasselijkheid in de openbare lichamen van wettelijke regelingen die buiten het Europese deel van Nederland werking kunnen hebben.
Artikel 3, eerste lid en onder a, van de Invoeringswet bepaalt dat de Awb, met uitzondering van hoofdstuk 9, niet van toepassing is op besluiten van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese deel van Nederland, ter uitvoering van een wettelijke regeling die uitsluitend in de openbare lichamen van toepassing is.
Artikel 3, tweede lid, van de Invoeringswet bepaalt dat de hoofdstukken 6 tot en met 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing zijn op besluiten van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese deel van Nederland, ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2, derde lid, voor zover het desbetreffende besluit gericht is tot een natuurlijk persoon die ten tijde van het nemen van het besluit of het verrichten van de handeling ingezetene is van de openbare lichamen.
Vervolgens bepaalt artikel 3, vierde lid, van de Invoeringswet dat in de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES) van toepassing is, voor zover sprake is van een beschikking in de zin van die wet.
Volgens artikel 3, eerste lid, van de War BES wordt onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
Hoe overweegt het Gerecht?
3.3.
Het Gerecht stelt allereerst vast dat de Wob BES een wettelijke regeling is die uitsluitend in de openbare lichamen van toepassing is. Het Gerecht stelt verder vast dat het besluit van de minister een beschikking is in de zin van de War BES. Hieruit volgt dat op grond van artikel 3, eerste lid en onder a, van de Invoeringswet in samenhang bezien met artikel 3, vierde lid, van de Invoeringswet, dat de Awb met uitzondering van hoofdstuk 9 niet van toepassing is en dat de War BES van toepassing is. Het Gerecht is wat betreft de Wob BES dus bevoegd om van het beroep kennis te nemen.
3.4.
Ook als het gaat om de Woo is het Gerecht bevoegd. Uit de memorie van toelichting op artikel 2, derde lid, van de Invoeringswet (voorheen artikel 2, tweede lid onder c) blijkt dat artikel 3 van de Nederlandse Wob -thans artikel 4.1, eerste lid, van de Woo- ook buiten Nederland werking heeft ook al is dit niet uitdrukkelijk bepaald.
Het Gerecht stelt vast dat het in deze zaak gaat om een besluit van de minister die zijn zetel heeft in het Europese deel van Nederland ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2, derde lid. Verder stelt het Gerecht vast dat dit besluit is gericht tot eiser, die ten tijde van het nemen van het besluit een ingezetene was van Bonaire. Tot slot stelt het Gerecht vast dat het besluit van de minister een beschikking is in de zin van de War BES. Hieruit volgt dat conform artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Invoeringswet de hoofdstukken 6 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn in deze zaak en dat de War BES van toepassing is. Het Gerecht acht zich daarom bevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen.
Waarom is het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek niet-ontvankelijk?
4. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek. Eiser heeft daarbij onder verwijzing naar de Awb verzocht om oplegging van een dwangsom. Eiser verzoekt het Gerecht op grond van artikel 4:17 gelezen in samenhang met artikel 8:55c van de Awb een dwangsom vast te stellen nu de minister niet tijdig op zijn verzoek heeft beslist. Verder verzoekt eiser het Gerecht om een nadere dwangsom aan zijn uitspraak te verbinden voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven (artikel 50, achtste lid, van de War BES en artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb).
4.1.
Het Gerecht hanteert een nieuwe lijn in het geval het bestuursorgaan hangende een beroep tegen het uitblijven van een beslissing alsnog een reële beschikking geeft. Het Gerecht acht voortaan het beroep van rechtswege mede gericht tegen die reële beschikking. Deze procedure is in Curaçao wettelijk verankerd in artikel 9c, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). In lijn met deze wetgeving past het Gerecht de procedure ook toe in de BES, waar een wettelijke grondslag (in de War BES) ontbreekt. De reden hiervoor is gelegen in de wenselijke rechtsbescherming van belanghebbende(n), de proceseconomie en het voorkomen van nieuwe procedures, alsmede in rechtseenheid op het gebied van het procesrecht met de andere landen binnen het Koninkrijk.
4.2.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op het reële besluit van de minister van 26 november 2024.
4.3.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op dat verzoek. Er is dus ook geen reden om een dwangsom op te leggen. Evenmin is er reden om een dwangsom vast te stellen. Het Gerecht is daartoe niet bevoegd nu hoofdstuk 8 en dus ook artikel 8:55c van de Awb niet van toepassing is. Bovendien is artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing op grond van artikel 8.2 van de Woo.*
4.4.
Het Gerecht is van oordeel dat eiser het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek terecht heeft ingesteld. Ten tijde van het instellen van beroep was de beslistermijn namelijk verstreken en had eiser nog geen beschikking op zijn verzoek ontvangen.
Eiser stelt dat hij de beschikking zelf pas heeft ontvangen tijdens de beroepsprocedure en dat hij eerder alleen de bijlagen van die beschikking heeft ontvangen, op 11 december 2024 een inventarislijst en op 22 januari 2025 de bijbehorende documenten. De gemachtigde van de minister heeft de stellingen van eiser niet weersproken, omdat de beschikking rechtstreeks vanuit Nederland naar eiser is verzonden en zij niet beschikt over een verzendbewijs. Het Gerecht concludeert dat eiser op het moment van het instellen van zijn beroep de beschikking nog niet had ontvangen en dat hij zijn beroepschrift dus niet prematuur heeft ingediend.
Volgens artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet het bestuursorgaan beslissen uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, welke termijn volgens het tweede lid van dat artikel met ten hoogste twee weken kan worden verlengd. Eiser heeft op 23 september 2023 zijn verzoek ingediend. Daarop is door de minister pas op 26 november 2024 beslist. Daarmee is de wettelijke beslistermijn ruimschoots overschreden. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld, ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat de minister het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
5. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
5.1.
Eiser heeft op 23 september 2023 zijn verzoek ingediend. Op 27 september 2023 heeft de minister de ontvangst van het verzoek bevestigd en bericht dat hij graag met eiser in contact treedt om het verzoek in behandeling te kunnen nemen. De minister heeft eiser daarbij verzocht om zijn telefoonnummer en/of emailadres. Eiser heeft bij brief van 5 oktober 2023 gereageerd dat zijn verzoek duidelijk is en dat hij zijn telefoonnummer en/of emailadres niet wil doorgeven.
5.2.
Bij brief van 9 mei 2024 heeft eiser de minister erop gewezen dat hij de beslistermijn heeft overschreden en de minister tot 1 juni 2024 de tijd gegeven om alsnog te beslissen. Op 22 oktober 2024 heeft eiser de minister een formulier ingebrekestelling gestuurd.
5.3.
In de beschikking van 26 november 2024 heeft de minister toegelicht dat er 33 documenten zijn aangetroffen die zijn vermeld op een bijgevoegde inventarislijst. De minister heeft besloten een deel van de gevraagde informatie niet openbaar te maken op grond van wettelijke uitzonderingsgronden. Per document is aangegeven en toegelicht welke uitzonderingsgrond in hoeverre is toegepast.
5.4.
Eiser heeft op de zitting als beroepsgrond aangevoerd dat zijn verzoek niet volledig is beantwoord. Volgens eiser ontbreken in het bijzonder documenten van (communicatie met) de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).
5.5.
Het Gerecht heeft ter zitting afspraken met partijen gemaakt, om inzichtelijk te krijgen of er voldoende door de minister is gezocht naar aanleiding van het verzoek van eiser. Afgesproken is dat de minister een nadere toelichting geeft op de vraag of er al dan niet nog documenten zijn die onder de reikwijde van het verzoek van eiser vallen en dat de minister daartoe zo nodig in contact treedt met eiser. Eiser heeft zich ter zitting bereid verklaard per email contact te hebben met de minister over de reikwijdte van zijn verzoek.
5.6.
In een brief van 2 maart 2026 bericht eiser dat de minister geen contact met hem heeft opgenomen. Op 6 maart 2026 laat de minister aan het Gerecht weten dat de nadere toelichting door een miscommunicatie niet op tijd is ingediend en dat er namens de minister inmiddels contact met eiser is opgenomen. In een email van 6 maart 2026 gericht aan eiser verzoekt een medewerker Woo namens de minister om een gesprek met eiser via Microsoft Teams. Eiser heeft bij brief van 8 maart 2026 het verzoek om een Teams-gesprek afgeslagen. In die brief heeft eiser meer duiding aan zijn verzoek gegeven.
5.7.
Op 8 april 2026 heeft de minister een nadere toelichting gedateerd 16 maart 2026 ingediend. De minister schrijft dat een aanvullende zoekslag heeft plaatsgevonden op grond van de toelichting van eiser in zijn brief van 8 maart 2026. Die aanvullende zoekslag heeft al meer dan 1000 documenten opgeleverd. Volgens de minister is de zoekslag nog niet volledig, omdat het verzoek van eiser ondanks zijn toelichting van 8 maart 2026 onvoldoende specifiek en te omvangrijk is.
5.8.
Het Gerecht heeft eiser per email van 9 april 2026 voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek schriftelijk te specificeren, zodat de minister op zijn verzoek kan antwoorden.
5.9.
Eiser heeft op 12 april 2026 in een brief een nadere specificatie gegeven van zijn verzoek. In die brief vermeldt eiser dat hij vanaf 20 april tot 28 april 2026 in Nederland is en bereid is om het afdelingshoofd van het ministerie telefonisch te woord te staan.
5.10.
De minister heeft op 19 mei 2026 gereageerd op de brief van eiser van 12 april 2026. De minister schrijft dat hij eiser per email van 6 mei 2026 heeft uitgenodigd voor een Teams-gesprek, omdat de nadere specificatie van eiser van 12 april 2026 vragen oproept over de afbakening van het verzoek. Eiser heeft daarop per email van 8 mei 2026 geantwoord dat hij bereid is deel te nemen aan een Teams-gesprek, onder meer onder de voorwaarden dat het gesprek wordt opgenomen en dat journalisten meeluisteren. De minister heeft eiser bericht dat hij zich niet kan verenigen met deze voorwaarden. De minister zal een nieuw besluit nemen op grond van de voorliggende stukken en de aanvullende zoekslag. Omdat het alsnog een omvangrijk en onvoldoende specifiek verzoek betreft, zal de beoordeling geruime tijd in beslag nemen, aldus de minister.
5.11.
Eiser heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd op de brief van de minister van 19 mei 2026. Desgevraagd door het Gerecht heeft de minister op 9 juni 2026 laten weten dat hij nog geen reële inschatting kan geven van de termijn waarbinnen een nieuw besluit kan worden genomen.
Wat voert eiser aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
6. Zoals volgt uit overweging 5.4 voert eiser als beroepsgrond aan dat zijn verzoek niet volledig is beantwoord.
7. Het Gerecht is van oordeel dat de grond slaagt. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak moet een bestuursorgaan op een verzoek onderzoeken of de gevraagde informatie onder hem berust. Het bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de aangedragen documenten is gemaakt.
7.2.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de zoekslag heeft verricht. Uit de bestreden beschikking blijkt niet of op alle onderdelen van het verzoek van eiser is gezocht, hoe de zoekslag is verricht, welke stukken per onderdeel wel of niet zijn aangetroffen en welke beoordeling per aangetroffen document is gemaakt. Het Gerecht is daarom van oordeel dat het betoog van eiser in zoverre slaagt.
7.3.
De bestreden beschikking ontbeert een deugdelijke motivering en zal daarom worden vernietigd.
7.4.
Het Gerecht hecht eraan hierbij nog de volgende kanttekening te maken.
7.4.1.
Aan het welslagen van een verzoek op grond van de Woo of de Wob BES zitten twee kanten. Enerzijds de verplichting van het bestuursorgaan om binnen de kaders van de wet en de rechtspraak op het verzoek te beslissen. Anderzijds de medewerking van de verzoeker om het verzoek voldoende begrijpelijk en werkbaar te doen zijn. Niet voor niets worden in artikel 4.1 van de Woo voorwaarden aan (de indiening van) een verzoek gesteld. Ook in de vergelijkbare bepaling artikel 3, tweede lid, van de Wob BES en rechtspraak hierover staat de verplichting van voldoende specificering van een verzoek voorop. Alleen met bereidwilligheid van de verzoeker kan het bestuursorgaan tot een werkbare afbakening van het verzoek komen.
7.4.2.
Het Gerecht is van oordeel dat eiser zich in deze niet welwillend heeft opgesteld. Eiser heeft niet alleen het verzoek van de minister van 27 september 2023 om in contact te treden afgewezen, maar ook gedurende de beroepsprocedure een uitnodiging tot een gesprek afgewezen dan wel aan een gesprek voor de minister onaanvaardbare voorwaarden gekoppeld. Dit terwijl het Gerecht zowel op de zitting als in de email van 9 april 2026 er bij eiser op heeft aangedrongen en hem nadrukkelijk in overweging heeft gegeven om de specificatie niet alleen schriftelijk maar ook middels een gesprek te geven. Het belang van een gesprek wordt onderschreven door het feit dat de twee schriftelijke specificaties van eiser de minister onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven en juist meer vragen oproepen. Daarbij merkt het Gerecht op dat de toon die eiser aanslaat in zijn correspondentie met de minister ook niet getuigt van een bereidwillige proceshouding.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek is niet-ontvankelijk. De beroepsgrond van eiser tegen de bestreden beschikking slaagt. De besteden beschikking bevat een motiveringsgebrek. Daarom is het beroep gegrond. De bestreden beschikking zal worden vernietigd. De minister verwacht geruime tijd nodig te hebben voor het nemen van een nieuwe beschikking vanwege de omvang en de onvoldoende specifieke duiding van het verzoek. Daarom acht het Gerecht het niet langer opportuun om die nieuwe beschikking in het kader van deze beroepsprocedure af te wachten. Het Gerecht zal de minister opdragen opnieuw te beslissen op het verzoek van eiser. Gezien de aard en de duiding van het verzoek zal het Gerecht de minister een ruimere beslistermijn geven dan gebruikelijk.
9. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het verzoek terecht is ingesteld, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van USD 84,- aan hem moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking van 26 november 2024 gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikking;
- draagt de minister op binnen 6 maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het verzoek;
- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van USD 84,- aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Zie ook een eerdere uitspraak van het Gerecht van 13 maart 2026 ECLI:NL:OGEABES:2026:6
zie bijvoorbeeld de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 2024 ECLI:NL:RVS:2024:480 en Gerecht Curaçao 27 maart 2026 ECLI:NL:OGEAC:2026:45
Zie bijvoorbeeld GHvJ 29 mei 2024 ECLI:NL:OGHACMB:2024:58; GHvJ 28 september 2020 ECLI:NL:OGHACMB:2020:226
zittingsplaats Bonaire
in het geding tussen:
[eiser],
eiser,
wonende te Bonaire,
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW),
verweerder,
gemachtigde: mr. G. Jonge.
Partijen worden in deze uitspraak hierna eiser en de minister genoemd.
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiser tegen het besluit van de minister op het verzoek van eiser op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) dan wel de Wet open overheid (Woo) (hierna: het verzoek) ter verkrijging van alle documenten met betrekking tot de Tijdelijke subsidieregeling loonkosten en inkomensverlies CN.
1.1
Eiser heeft aanvankelijk op 2 december 2024 beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit van de minister op zijn verzoek. De minister heeft bij zijn verweerschrift van 15 januari 2025 een beschikking van 26 november 2024 overgelegd, waarin de minister alsnog heeft beslist op het verzoek van eiser. Eiser daarop bij brief van 24 maart 2025 gereageerd.
1.2
Het Gerecht heeft per email van 30 september 2025 aan eiser gevraagd of hij zijn beroep ook richt tegen de beschikking van de minister van 26 november 2024 en om, indien dat het geval is, daartegen beroepsgronden in te dienen. Eiser heeft niet gereageerd op deze mail.
1.3
De minister heeft op 14 november 2025 een aanvullend verweerschrift ingediend.
1.4
Het Gerecht heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.5
Ter zitting heeft eiser desgevraagd verklaard dat hij zijn beroep ook richt tegen de beschikking van 26 november 2024 (de bestreden beschikking).
1.6
Het Gerecht heeft op de zitting afspraken met partijen gemaakt, die hebben geleid tot een uitwisseling van nadere toelichtingen en standpunten van partijen. Op 10 juni 2026 heeft het Gerecht het onderzoek gesloten en een uitspraakdatum bepaald.
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht beoordeelt de bestreden beschikking aan de hand van de beroepsgrond van eiser.
2.1.
Het Gerecht acht zich op grond van het toepasselijke recht -de War BES en de Invoeringswet Openbare Lichamen Bonaire, Sint Eustatius en Saba (de Invoeringswet) - bevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek is niet-ontvankelijk. Daar is inmiddels op beslist. Het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking op zijn verzoek is gegrond. De bestreden beschikking bevat een motiveringsgebrek omdat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt of, en zo ja, hoe hij de zoekslag op alle onderdelen van het verzoek heeft verricht. Daarom zal de bestreden beschikking worden vernietigd. De minister zal opnieuw op het verzoek moeten beslissen.
2.2.
Het Gerecht legt hierna uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Is het Gerecht bevoegd om van het beroep kennis te nemen?
3. Het Gerecht heeft eerst stilgestaan bij de vraag of hij bevoegd is om van het beroep kennis te nemen. Het Gerecht beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe het volgende.
3.1.
Het verzoek van eiser is gegrond op de Wob en of de Woo. Nu de Woo sinds 1 mei 2022 de opvolger is van de Wob, gaat het Gerecht ervan uit dat eiser met Wob bedoelt de Wob BES.
Wat is het wettelijk kader?
3.2.
Volgens artikel 1.1 van de Woo heeft eenieder recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Dit artikel vindt onder meer nadere uitwerking in artikel 4.1, eerste lid, van de Woo dat luidt dat eenieder een verzoek om publieke informatie kan richten tot een bestuursorgaan. In de Wob BES is een equivalent opgenomen in artikel 3, eerste lid, dat bepaalt dat een ieder verzoeken om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid kan richten tot een bestuursorgaan.
Artikel 1, onder a, van de Wob BES definieert een bestuursorgaan als de bestuursorganen van de openbare lichamen die het rechtstreeks aangaat en de Rijksvertegenwoordiger.
Hoofdstuk 2 van de Invoeringswet bepaalt welk recht van toepassing is in de openbare lichamen na de staatkundige transitie van 10 oktober 2010.
In het eerste lid van artikel 2 van de Invoeringswet is bepaald welke Nederlands-Antilliaanse regelgeving voor de openbare lichamen wordt overgenomen en omgevormd tot voor de openbare lichamen geldende Nederlandse wetgeving.
Artikel 2, tweede lid, van de Invoeringswet bepaalt dat andere wettelijke regelingen dan die, bedoeld in het eerste lid, alleen van toepassing zijn voor zover:
dit bij wettelijk voorschrift is bepaald;
onmiskenbaar uit enig wettelijk voorschrift volgt dat die wettelijke voorschriften in de openbare lichamen van toepassing zijn.
Artikel 2, derde lid, van de Invoeringswet bepaalt dat het tweede lid onverlet laat de toepasselijkheid in de openbare lichamen van wettelijke regelingen die buiten het Europese deel van Nederland werking kunnen hebben.
Artikel 3, eerste lid en onder a, van de Invoeringswet bepaalt dat de Awb, met uitzondering van hoofdstuk 9, niet van toepassing is op besluiten van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese deel van Nederland, ter uitvoering van een wettelijke regeling die uitsluitend in de openbare lichamen van toepassing is.
Artikel 3, tweede lid, van de Invoeringswet bepaalt dat de hoofdstukken 6 tot en met 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing zijn op besluiten van bestuursorganen die hun zetel hebben in het Europese deel van Nederland, ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2, derde lid, voor zover het desbetreffende besluit gericht is tot een natuurlijk persoon die ten tijde van het nemen van het besluit of het verrichten van de handeling ingezetene is van de openbare lichamen.
Vervolgens bepaalt artikel 3, vierde lid, van de Invoeringswet dat in de gevallen, bedoeld in het eerste en tweede lid, de Wet administratieve rechtspraak BES (War BES) van toepassing is, voor zover sprake is van een beschikking in de zin van die wet.
Volgens artikel 3, eerste lid, van de War BES wordt onder beschikking verstaan: een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling die niet van algemene strekking is.
Hoe overweegt het Gerecht?
3.3.
Het Gerecht stelt allereerst vast dat de Wob BES een wettelijke regeling is die uitsluitend in de openbare lichamen van toepassing is. Het Gerecht stelt verder vast dat het besluit van de minister een beschikking is in de zin van de War BES. Hieruit volgt dat op grond van artikel 3, eerste lid en onder a, van de Invoeringswet in samenhang bezien met artikel 3, vierde lid, van de Invoeringswet, dat de Awb met uitzondering van hoofdstuk 9 niet van toepassing is en dat de War BES van toepassing is. Het Gerecht is wat betreft de Wob BES dus bevoegd om van het beroep kennis te nemen.
3.4.
Ook als het gaat om de Woo is het Gerecht bevoegd. Uit de memorie van toelichting op artikel 2, derde lid, van de Invoeringswet (voorheen artikel 2, tweede lid onder c) blijkt dat artikel 3 van de Nederlandse Wob -thans artikel 4.1, eerste lid, van de Woo- ook buiten Nederland werking heeft ook al is dit niet uitdrukkelijk bepaald.
Het Gerecht stelt vast dat het in deze zaak gaat om een besluit van de minister die zijn zetel heeft in het Europese deel van Nederland ter uitvoering van een wettelijk voorschrift als bedoeld in artikel 2, derde lid. Verder stelt het Gerecht vast dat dit besluit is gericht tot eiser, die ten tijde van het nemen van het besluit een ingezetene was van Bonaire. Tot slot stelt het Gerecht vast dat het besluit van de minister een beschikking is in de zin van de War BES. Hieruit volgt dat conform artikel 3, tweede lid, en artikel 3, vierde lid, van de Invoeringswet de hoofdstukken 6 tot en met 8 van de Awb niet van toepassing zijn in deze zaak en dat de War BES van toepassing is. Het Gerecht acht zich daarom bevoegd om van het beroep van eiser kennis te nemen.
Waarom is het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek niet-ontvankelijk?
4. Eiser heeft aanvankelijk beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek. Eiser heeft daarbij onder verwijzing naar de Awb verzocht om oplegging van een dwangsom. Eiser verzoekt het Gerecht op grond van artikel 4:17 gelezen in samenhang met artikel 8:55c van de Awb een dwangsom vast te stellen nu de minister niet tijdig op zijn verzoek heeft beslist. Verder verzoekt eiser het Gerecht om een nadere dwangsom aan zijn uitspraak te verbinden voor iedere dag dat het bestuursorgaan in gebreke blijft de uitspraak na te leven (artikel 50, achtste lid, van de War BES en artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb).
4.1.
Het Gerecht hanteert een nieuwe lijn in het geval het bestuursorgaan hangende een beroep tegen het uitblijven van een beslissing alsnog een reële beschikking geeft. Het Gerecht acht voortaan het beroep van rechtswege mede gericht tegen die reële beschikking. Deze procedure is in Curaçao wettelijk verankerd in artikel 9c, eerste lid, van de Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar). In lijn met deze wetgeving past het Gerecht de procedure ook toe in de BES, waar een wettelijke grondslag (in de War BES) ontbreekt. De reden hiervoor is gelegen in de wenselijke rechtsbescherming van belanghebbende(n), de proceseconomie en het voorkomen van nieuwe procedures, alsmede in rechtseenheid op het gebied van het procesrecht met de andere landen binnen het Koninkrijk.
4.2.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek heeft dus van rechtswege ook betrekking op het reële besluit van de minister van 26 november 2024.
4.3.
Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een besluit op zijn verzoek is niet-ontvankelijk. De minister heeft immers beslist op dat verzoek. Er is dus ook geen reden om een dwangsom op te leggen. Evenmin is er reden om een dwangsom vast te stellen. Het Gerecht is daartoe niet bevoegd nu hoofdstuk 8 en dus ook artikel 8:55c van de Awb niet van toepassing is. Bovendien is artikel 4:17 van de Awb niet van toepassing op grond van artikel 8.2 van de Woo.*
4.4.
Het Gerecht is van oordeel dat eiser het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek terecht heeft ingesteld. Ten tijde van het instellen van beroep was de beslistermijn namelijk verstreken en had eiser nog geen beschikking op zijn verzoek ontvangen.
Eiser stelt dat hij de beschikking zelf pas heeft ontvangen tijdens de beroepsprocedure en dat hij eerder alleen de bijlagen van die beschikking heeft ontvangen, op 11 december 2024 een inventarislijst en op 22 januari 2025 de bijbehorende documenten. De gemachtigde van de minister heeft de stellingen van eiser niet weersproken, omdat de beschikking rechtstreeks vanuit Nederland naar eiser is verzonden en zij niet beschikt over een verzendbewijs. Het Gerecht concludeert dat eiser op het moment van het instellen van zijn beroep de beschikking nog niet had ontvangen en dat hij zijn beroepschrift dus niet prematuur heeft ingediend.
Volgens artikel 4.4, eerste lid, van de Woo moet het bestuursorgaan beslissen uiterlijk binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop het verzoek is ontvangen, welke termijn volgens het tweede lid van dat artikel met ten hoogste twee weken kan worden verlengd. Eiser heeft op 23 september 2023 zijn verzoek ingediend. Daarop is door de minister pas op 26 november 2024 beslist. Daarmee is de wettelijke beslistermijn ruimschoots overschreden. Nu eiser terecht beroep heeft ingesteld, ziet het Gerecht aanleiding te bepalen dat de minister het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
5. Het Gerecht gaat uit van de volgende feiten.
5.1.
Eiser heeft op 23 september 2023 zijn verzoek ingediend. Op 27 september 2023 heeft de minister de ontvangst van het verzoek bevestigd en bericht dat hij graag met eiser in contact treedt om het verzoek in behandeling te kunnen nemen. De minister heeft eiser daarbij verzocht om zijn telefoonnummer en/of emailadres. Eiser heeft bij brief van 5 oktober 2023 gereageerd dat zijn verzoek duidelijk is en dat hij zijn telefoonnummer en/of emailadres niet wil doorgeven.
5.2.
Bij brief van 9 mei 2024 heeft eiser de minister erop gewezen dat hij de beslistermijn heeft overschreden en de minister tot 1 juni 2024 de tijd gegeven om alsnog te beslissen. Op 22 oktober 2024 heeft eiser de minister een formulier ingebrekestelling gestuurd.
5.3.
In de beschikking van 26 november 2024 heeft de minister toegelicht dat er 33 documenten zijn aangetroffen die zijn vermeld op een bijgevoegde inventarislijst. De minister heeft besloten een deel van de gevraagde informatie niet openbaar te maken op grond van wettelijke uitzonderingsgronden. Per document is aangegeven en toegelicht welke uitzonderingsgrond in hoeverre is toegepast.
5.4.
Eiser heeft op de zitting als beroepsgrond aangevoerd dat zijn verzoek niet volledig is beantwoord. Volgens eiser ontbreken in het bijzonder documenten van (communicatie met) de Rijksdienst Caribisch Nederland (RCN).
5.5.
Het Gerecht heeft ter zitting afspraken met partijen gemaakt, om inzichtelijk te krijgen of er voldoende door de minister is gezocht naar aanleiding van het verzoek van eiser. Afgesproken is dat de minister een nadere toelichting geeft op de vraag of er al dan niet nog documenten zijn die onder de reikwijde van het verzoek van eiser vallen en dat de minister daartoe zo nodig in contact treedt met eiser. Eiser heeft zich ter zitting bereid verklaard per email contact te hebben met de minister over de reikwijdte van zijn verzoek.
5.6.
In een brief van 2 maart 2026 bericht eiser dat de minister geen contact met hem heeft opgenomen. Op 6 maart 2026 laat de minister aan het Gerecht weten dat de nadere toelichting door een miscommunicatie niet op tijd is ingediend en dat er namens de minister inmiddels contact met eiser is opgenomen. In een email van 6 maart 2026 gericht aan eiser verzoekt een medewerker Woo namens de minister om een gesprek met eiser via Microsoft Teams. Eiser heeft bij brief van 8 maart 2026 het verzoek om een Teams-gesprek afgeslagen. In die brief heeft eiser meer duiding aan zijn verzoek gegeven.
5.7.
Op 8 april 2026 heeft de minister een nadere toelichting gedateerd 16 maart 2026 ingediend. De minister schrijft dat een aanvullende zoekslag heeft plaatsgevonden op grond van de toelichting van eiser in zijn brief van 8 maart 2026. Die aanvullende zoekslag heeft al meer dan 1000 documenten opgeleverd. Volgens de minister is de zoekslag nog niet volledig, omdat het verzoek van eiser ondanks zijn toelichting van 8 maart 2026 onvoldoende specifiek en te omvangrijk is.
5.8.
Het Gerecht heeft eiser per email van 9 april 2026 voor de laatste keer in de gelegenheid gesteld om zijn verzoek schriftelijk te specificeren, zodat de minister op zijn verzoek kan antwoorden.
5.9.
Eiser heeft op 12 april 2026 in een brief een nadere specificatie gegeven van zijn verzoek. In die brief vermeldt eiser dat hij vanaf 20 april tot 28 april 2026 in Nederland is en bereid is om het afdelingshoofd van het ministerie telefonisch te woord te staan.
5.10.
De minister heeft op 19 mei 2026 gereageerd op de brief van eiser van 12 april 2026. De minister schrijft dat hij eiser per email van 6 mei 2026 heeft uitgenodigd voor een Teams-gesprek, omdat de nadere specificatie van eiser van 12 april 2026 vragen oproept over de afbakening van het verzoek. Eiser heeft daarop per email van 8 mei 2026 geantwoord dat hij bereid is deel te nemen aan een Teams-gesprek, onder meer onder de voorwaarden dat het gesprek wordt opgenomen en dat journalisten meeluisteren. De minister heeft eiser bericht dat hij zich niet kan verenigen met deze voorwaarden. De minister zal een nieuw besluit nemen op grond van de voorliggende stukken en de aanvullende zoekslag. Omdat het alsnog een omvangrijk en onvoldoende specifiek verzoek betreft, zal de beoordeling geruime tijd in beslag nemen, aldus de minister.
5.11.
Eiser heeft, hoewel daartoe in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd op de brief van de minister van 19 mei 2026. Desgevraagd door het Gerecht heeft de minister op 9 juni 2026 laten weten dat hij nog geen reële inschatting kan geven van de termijn waarbinnen een nieuw besluit kan worden genomen.
Wat voert eiser aan en wat vindt het Gerecht daarvan?
6. Zoals volgt uit overweging 5.4 voert eiser als beroepsgrond aan dat zijn verzoek niet volledig is beantwoord.
7. Het Gerecht is van oordeel dat de grond slaagt. Het Gerecht overweegt daartoe als volgt.
7.1.
Volgens vaste rechtspraak moet een bestuursorgaan op een verzoek onderzoeken of de gevraagde informatie onder hem berust. Het bestuursorgaan moet voldoende inzichtelijk maken hoe er naar de gevraagde informatie is gezocht. Die zoekslag moet zorgvuldig zijn. Het voldoende inzichtelijk maken van de zoekslag kan het bestuursorgaan bewerkstelligen door bijvoorbeeld te vermelden welke systemen zijn geraadpleegd, welke zoektermen zijn gehanteerd, welke specifieke vragen de volgens het bestuursorgaan relevante personen hebben meegekregen en welke schifting in de aangedragen documenten is gemaakt.
7.2.
Het Gerecht is van oordeel dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij de zoekslag heeft verricht. Uit de bestreden beschikking blijkt niet of op alle onderdelen van het verzoek van eiser is gezocht, hoe de zoekslag is verricht, welke stukken per onderdeel wel of niet zijn aangetroffen en welke beoordeling per aangetroffen document is gemaakt. Het Gerecht is daarom van oordeel dat het betoog van eiser in zoverre slaagt.
7.3.
De bestreden beschikking ontbeert een deugdelijke motivering en zal daarom worden vernietigd.
7.4.
Het Gerecht hecht eraan hierbij nog de volgende kanttekening te maken.
7.4.1.
Aan het welslagen van een verzoek op grond van de Woo of de Wob BES zitten twee kanten. Enerzijds de verplichting van het bestuursorgaan om binnen de kaders van de wet en de rechtspraak op het verzoek te beslissen. Anderzijds de medewerking van de verzoeker om het verzoek voldoende begrijpelijk en werkbaar te doen zijn. Niet voor niets worden in artikel 4.1 van de Woo voorwaarden aan (de indiening van) een verzoek gesteld. Ook in de vergelijkbare bepaling artikel 3, tweede lid, van de Wob BES en rechtspraak hierover staat de verplichting van voldoende specificering van een verzoek voorop. Alleen met bereidwilligheid van de verzoeker kan het bestuursorgaan tot een werkbare afbakening van het verzoek komen.
7.4.2.
Het Gerecht is van oordeel dat eiser zich in deze niet welwillend heeft opgesteld. Eiser heeft niet alleen het verzoek van de minister van 27 september 2023 om in contact te treden afgewezen, maar ook gedurende de beroepsprocedure een uitnodiging tot een gesprek afgewezen dan wel aan een gesprek voor de minister onaanvaardbare voorwaarden gekoppeld. Dit terwijl het Gerecht zowel op de zitting als in de email van 9 april 2026 er bij eiser op heeft aangedrongen en hem nadrukkelijk in overweging heeft gegeven om de specificatie niet alleen schriftelijk maar ook middels een gesprek te geven. Het belang van een gesprek wordt onderschreven door het feit dat de twee schriftelijke specificaties van eiser de minister onvoldoende duidelijkheid hebben gegeven en juist meer vragen oproepen. Daarbij merkt het Gerecht op dat de toon die eiser aanslaat in zijn correspondentie met de minister ook niet getuigt van een bereidwillige proceshouding.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek is niet-ontvankelijk. De beroepsgrond van eiser tegen de bestreden beschikking slaagt. De besteden beschikking bevat een motiveringsgebrek. Daarom is het beroep gegrond. De bestreden beschikking zal worden vernietigd. De minister verwacht geruime tijd nodig te hebben voor het nemen van een nieuwe beschikking vanwege de omvang en de onvoldoende specifieke duiding van het verzoek. Daarom acht het Gerecht het niet langer opportuun om die nieuwe beschikking in het kader van deze beroepsprocedure af te wachten. Het Gerecht zal de minister opdragen opnieuw te beslissen op het verzoek van eiser. Gezien de aard en de duiding van het verzoek zal het Gerecht de minister een ruimere beslistermijn geven dan gebruikelijk.
9. Omdat het beroep tegen het uitblijven van een beslissing van de minister op het verzoek terecht is ingesteld, zal het Gerecht bepalen dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van USD 84,- aan hem moet vergoeden.
Beslissing
Het Gerecht:
- verklaart het beroep van eiser tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep van eiser tegen de bestreden beschikking van 26 november 2024 gegrond;
- vernietigt de bestreden beschikking;
- draagt de minister op binnen 6 maanden na verzending van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het verzoek;
- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van USD 84,- aan hem vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. drs. S. Lanshage, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2026, in tegenwoordigheid van mr. C. Anselma-Bernsen, griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.
Zie ook een eerdere uitspraak van het Gerecht van 13 maart 2026 ECLI:NL:OGEABES:2026:6
zie bijvoorbeeld de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 februari 2024 ECLI:NL:RVS:2024:480 en Gerecht Curaçao 27 maart 2026 ECLI:NL:OGEAC:2026:45
Zie bijvoorbeeld GHvJ 29 mei 2024 ECLI:NL:OGHACMB:2024:58; GHvJ 28 september 2020 ECLI:NL:OGHACMB:2020:226