Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba

ECLI:NL:OGEAA:2026:192

2026-03-25 Civiel recht AUA202501896
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba
Uitspraakdatum
2026-03-25
Publicatiedatum
2026-08-07
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
AUA202501896
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Civiel, beroep op gezag van gewijsde, onjuiste beslissingen, hetzelfde geschil op dezelfde grondslag, nakoming van een geldleningsovereenkomst, hoger beroepsprocedure.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.265 tekens)
Vonnis van 25 maart 2026
Behorend bij AUA202501896 AR



GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA




VONNIS



in de zaak van:




[Eiser],
te Aruba,
eiser, hierna ook te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. M.O. Lopez,




tegen:





1[Gedaagde 1],

en

2.[Gedaagde 2],
te Aruba,
gedaagden, hierna ook te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2],
gemachtigde: mr. P.M.E. Mohamed.







1DE PROCEDURE


1.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift;
- de conclusie van antwoord;
- de comparitie van partijen van 10 maart 2026 waar partijen en gemachtigden zijn verschenen.



1.2
De zaak is daarna verwezen naar de rol voor vonnis.





2DE BEOORDELING


2.1 [
Eiser] vordert dat het Gerecht [gedaagde 1] en [gedaagde 2], hoofdelijk, zal veroordelen tot betaling van Afl. 35.66,67 aan hoofdsom, met nevenvorderingen.



2.2 [
Gedaagde 1] en [gedaagde 2] doen een beroep op het gezag van gewijsde van het vonnis van dit Gerecht van 5 maart 2025 (AUA 202301463) gewezen tussen [eiser] als eiser en hen als gedaagden. Het gaat om precies dezelfde vordering die al is afgewezen.



2.3
Het Gerecht overweegt dat het beroep op gezag van gewijsde doel treft. Uit het verzoekschrift volgt namelijk dat [eiser] het niet eens is met de overwegingen van het Gerecht in het vonnis van 5 maart 2025. Hij voert aan dat in het vonnis onjuiste beslissingen staan op de volgende punten:



de handgeschreven overeenkomst,


het aanvullen door de rechter van een leemte met de redelijkheid en billijkheid,


dat de rechter zich baseerde op niet bewezen veronderstellingen die in strijd komen met het primaat van de schriftelijke overeenkomst,


de motivering voor de vermindering van de hoofdsom tot Afl. 20.500,00 is in strijd met artikel 150 Rv,


de kwitanties die aantonen dat de rente was voldaan maar niet de hoofdsom,


[Gedaagde 1] en [gedaagde 2] erkennen dat de hoofdsom Afl. 42.500,00 bedroeg en het Gerecht wees desondanks maar 1/3e toe zonder juridische grond.





2.4
Uit deze argumenten volgt dat het gaat om hetzelfde geschil tussen partijen als bedoeld in jurisprudentie van de Hoge Raad over gezag van gewijsde. Het gaat namelijk om hetzelfde geschil op dezelfde grondslag (nakoming van een geldleningsovereenkomst). [Eiser] is het niet eens met de slechts gedeeltelijke toewijzing van zijn vordering. Dat had hij echter in hoger beroep moeten adresseren en kan niet in een bodemprocedure bij de rechter in eerste aanleg opnieuw worden aangesneden. Voormelde argumenten passen namelijk prima in een hoger beroepsprocedure waarin de appellerende partij in principe een volledige herkansing krijgt: in hoger beroep had het Hof al deze argumenten dus weer voluit kunnen beoordelen. De vorderingen van [eiser] worden dus afgewezen omdat het Gerecht niet twee keer over dezelfde vorderingen mag oordelen.



2.5
Als in het ongelijk gestelde partij wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten.





3DE UITSPRAAK


Het Gerecht:



3.1
wijst het gevorderde af;



3.2
veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] worden begroot op nihil aan verschotten en Afl. 2.500,00 aan salaris van de gemachtigde;



3.3
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.






HR 18 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2099