Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:916

2026-06-12 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/03012
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-11
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
24/03012
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl; NLF 2026/1152 met annotatie van mr. F.S. de Vos; NDFR Nieuws 2026/912; Viditax (FutD) 2026061203; V-N Vandaag 2026/1196; FutD 2026-1021; V-N 2026/28.13 met annotatie van Redactie; NTFR 2026/1070 met annotatie van dr. R.M.P.G. Niessen-Cobben; Belastingblad 2026/301 met annotatie van Redactie; BNB 2026/109; FED 2026/87 met annotatie van P. van der Wal

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg; vergoeding immateriële schade door Hof gematigd van € 500 naar € 50, ECLI:NL:HR:2025:1122

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.931 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 24/03012

Datum 12 juni 2026



ARREST



in de zaak van




[X] (hierna: belanghebbende)



tegen




het DAGELIJKS BESTUUR VAN HET WATERSCHAP AMSTEL, GOOI EN VECHT


de STAAT (de MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID)




op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 20 juni 2024, nr. 22/2434, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 20/6249) betreffende een aan belanghebbende voor het jaar 2020 opgelegde aanslag in de waterschapsbelasting.





1Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door M.M. Vrolijk, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt
daarvan deel uit.
Zowel het dagelijks bestuur van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P1], als de Minister van Justitie en Veiligheid, vertegenwoordigd door [P2], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend.




2Uitgangspunten in cassatie
De heffingsambtenaar van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht heeft het bezwaar tegen de aan belanghebbende opgelegde aanslag in de waterschapsbelasting voor het jaar 2020 ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft het tegen de uitspraak op bezwaar ingestelde beroep van belanghebbende eveneens ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.



3De oordelen van het Hof

3.1
Belanghebbende heeft in hoger beroep het standpunt ingenomen dat de Rechtbank een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting had moeten toekennen aangezien de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden en belanghebbende om een dergelijke vergoeding heeft verzocht. Het Hof heeft aanleiding gezien om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn met (afgerond) een half jaar toe te kennen. Het Hof heeft het als regel toepasselijke tarief van € 500 per half jaar overschrijding vervolgens in deze zaak gematigd tot € 50 en de schadevergoeding daarom beperkt tot € 50.


3.2
Aan deze beslissing heeft het Hof ten grondslag gelegd dat het hier gaat om een zaak (i) die inhoudelijk eenvoudig is met reeds vele malen verworpen standaardklachten, (ii) met een relatief gering en puur financieel belang, en (iii) die is gebaseerd op een gebruikelijke beschikking met een gelding van korte duur. Op grond hiervan heeft het Hof geoordeeld dat het vergoeden van de (veronderstelde) psychische schade van belanghebbende naar het tarief van € 500 per half jaar zou leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie.




4Beoordeling van de middelen

4.1
Het tweede middel is gericht tegen de hiervoor in 3.1 en 3.2 vermelde oordelen van het Hof over de hoogte van de vergoeding van immateriële schade. Het middel slaagt op de gronden vermeld in het arrest van de Hoge Raad van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, rechtsoverwegingen 4.2.1 tot en met 4.2.3.


4.2
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

4.3.1
Gelet op wat hiervoor in 4.1 is beslist, kan de bestreden uitspraak niet in stand blijven voor zover deze de vergoeding van immateriële schade betreft. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de hoogte van de vergoeding van immateriële schade zelf vast te stellen.


4.3.2
De redelijke termijn van berechting in eerste aanleg is, naar het Hof onbestreden heeft vastgesteld, met ruim twee maanden overschreden. Aan belanghebbende komt daarom een vergoeding van immateriële schade toe van € 500.





5Proceskosten
De Staat zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.



6Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie gegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, voor zover deze betreft de vergoeding van immateriële schade,
- stelt het bedrag van de door de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) te vergoeden immateriële schade vast op € 500,
- draagt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
- veroordeelt de Staat (de Minister van Justitie en Veiligheid) in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 3.736 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2026.



ECLI:NL:GHAMS:2024:1947.